Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op van de leden Westerveld en Synhaeve over het onderzoek 'Van Inzicht naar uitvoering' van het Verwey- Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind
Vragen van de leden Westerveld (GroenLinks-PvdA) en Synhaeve (D66) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het onderzoek «Van Inzicht naar uitvoering» van het Verwey-Jonker Instituut in Opdracht van Het Vergeten Kind (ingezonden 20 februari 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport), mede namens de Staatssecretaris
van Justitie en Veiligheid (ontvangen 10 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 1330.
Vraag 1
Herkent u de conclusies van de onderzoekers dat er in Nederland geen gebrek is aan
kennis over effectieve interventies, maar het niet lukt dit consequent en landelijk
toe te passen? Zo ja, wat zijn hier volgens u de belangrijkste redenen voor?
Antwoord 1
Ja. Kwaliteitsontwikkeling is versnipperd en er is veel winst te behalen bij de implementatie
van kennis en effectieve interventies. De knelpunten bij implementatie kennen organisatorische
en inhoudelijke factoren, denk hierbij aan ontbrekende randvoorwaarden zoals tijdsgebrek,
hoge werkdruk, gebrek aan personeel en onvoldoende implementatiebegeleiding. Daarom
werkt Kwaliteit en Blijvend Leren (KBL) aan de verbetering van de kwaliteit in de
jeugdhulp op basis van een Leeragenda1. Onderzoek naar- en implementatie van kennis heeft hierbij nadrukkelijk aandacht.
Tevens wordt er in het NWA programma «Doen wat werkt2» manieren van leren op de werkvloer (leerinterventies) voor jeugdzorgprofessionals
ontwikkelt en wordt onderzocht hoe deze geborgd kunnen worden binnen teams, organisaties
en het jeugdstelsel.
Vraag 2
Deelt u de analyse dat uithuisplaatsingen alleen ingezet zouden moeten worden wanneer
dit echt noodzakelijk is, gezien de ernstige korte- en langetermijngevolgen voor kinderen?
Herkent u ook de analyse van de onderzoekers dat de systeembarrieres, zoals versnippering,
risicomijding, hoge werkdruk, volle caseloads en perverse financiele prikkels, ertoe
leiden dat het huidige systeem vooral crisisinterventies en korte termijnkostenbeheersing
beloont en preventieve inzet te weinig? Welke rol ziet u om hierin bij te sturen?
Antwoord 2
Ja, wij delen de analyse dat een uithuisplaatsing een zeer ingrijpende maatregel is
die alleen wanneer dit noodzakelijk en proportioneel is moet worden uitgesproken.
Daarbij is de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid voornemens het subsidiariteitsvereiste
in de rechtsgrond voor de machtiging uithuisplaatsing aan te scherpen in het wetsvoorstel
Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Tegelijkertijd zien we ook dat
het huidige systeem onder druk staat. Hier liggen meerdere oorzaken aan ten grondslag.
Met de veranderstrategie van het Toekomstscenario, die voor de zomer zal worden vastgesteld,
werken we samen met de partners aan concrete doorbraakacties die voor de kinderen
en gezinnen tot daadwerkelijke en merkbare verbeteringen zullen leiden. Deze doorbraakacties
zijn in lijn met de doelen van het toekomstscenario en met de middelen die we hebben.
Dat betekent een systeem ingericht aan de hand van de vier pijlers; Eenvoudig, gezinsgericht,
rechtsbeschermend en transparant en lerend. Deze beweging zetten we gezamenlijk voort,
met onze ketenpartners en medeopdrachtgevers.
Vraag 3
Erkent u het belang van focus op terugkeer vanaf dag één wanneer uithuisplaatsing
onvermijdelijk is, en het beperken van doorplaatsingen? Hoe monitort u dit en welke
prikkels/hulpmiddelen zet u in om doorplaatsingen te minimaliseren?
Antwoord 3
Ja, ik vind het belangrijk dat uithuisplaatsingen en onnodige doorplaatsingen zoveel
mogelijk te voorkomen. Als een uithuisplaatsing toch noodzakelijk is, dan dient deze
zo kort mogelijk te duren met zo min mogelijk doorplaatsingen. Een uithuisplaatsing
is helaas niet altijd te voorkomen. Met de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario
Kind- en Gezinsbescherming zet ik mij samen met Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
in om de zorg voor jeugdigen te verbeteren en uithuisplaatsingen zoveel mogelijk te
voorkomen.
In de Richtlijn Uithuisplaatsing en Terugplaatsing3 is opgenomen dat voorafgaand aan een uithuisplaatsing samen met het gezin een hulpverleningsplan
opgesteld wordt, waarbij de gedeelde verklarende analyse als basis dient. In dit hulpverleningsplan
wordt opgenomen op wat ervoor nodig is om het kind te kunnen terugplaatsen, en op
welke termijn. Tijdens de uithuisplaatsing moeten de hulp en begeleiding er in de
eerste plaats op gericht zijn om het kind zo snel mogelijk weer terug te plaatsen.
In de richtlijn is de opgenomen dat een overplaatsing opnieuw een ingrijpende verandering
betekent voor het kind, met risico’s op schade. In zo’n situatie moet altijd opnieuw
de mogelijkheid om het kind terug te plaatsen in de thuissituatie worden overwogen.
Het aantal onnodige doorplaatsingen moet verder worden teruggedrongen. Daarvoor is
het nodig om samen met gemeenten en aanbieders voldoende plekken en beter passende
zorg te organiseren. Een goede analyse van problematiek is daarbij heel belangrijk,
met een grote rol voor een lokaal team. Daarnaast is samenwerking tussen aanbieders
bij complexe cases essentieel, in plaats van doorschuiven naar een ander. Het werk
dat we samen verzetten om Hervormingsagenda Jeugd uit te voeren, draagt bij aan terugdringen
van onnodige doorplaatsingen, onder meer via het kwaliteitskader brede analyse. Om
dit inzichtelijk te maken heb ik samen met het CBS en Jeugdzorg Nederland verkend
of een monitor kon worden opgezet voor het aantal doorplaatsingen, maar hierover konden
geen betrouwbare uitspraken worden gedaan.
Vraag 4
Hoe verklaart u het dat al jaren in communicatie van zowel de Rijksoverheid als gemeenten
wordt gesteld dat gezinsgericht werken het uitgangspunt is, maar jongeren ouders en
ook hulpverleners zelf aangeven dat er nog steeds teveel hulpverleners en instanties
over de vloer komen, dit ineffectief is en teveel overlegtijd kost in plaats van daadwerkelijke
hulp?
Antwoord 4
Belangrijke pijlers van het Toekomstscenario zijn eenvoudig en gezinsgericht werken.
Dat betekent dat een vaste hulpverlener (uit het Lokale Team) zo lang betrokken blijft
als nodig bij een gezin. Het lokale team vormt het vaste gezicht voor het gezin en
betrekt andere (veiligheids)expertise waar nodig. Professionals in proeftuinen geven
aan dat ze daardoor meer inzicht krijgen in de gezinsdynamiek, de juiste hulp tijdig
kan worden betrokken zodat escalatie wordt voorkomen en er meer vertrouwen ontstaat
van gezinnen in de hulpverlening.
Zoals het rapport van het Verweij Jonker instituut aangeeft, vergt gezinsgerichte
samenwerking inspanning en de lange adem van betrokkenen op alle niveaus: op micro
niveau (professionals die het hele gezin en achterliggende problemen in oogschouw
nemen bij de hulpverlening), meso niveau (organisaties die domeinoverstijgende samenwerking
faciliteren met tijd en professionele ruimte) en op macro niveau (landelijke kaders
die gezinsgericht werken ondersteunen). In het Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming
en de Hervormingagenda Jeugd zetten we in op alle drie deze niveaus, door o.a. een
Handelingskader gericht op het breed kijken en analyseren voor professionals, een
Convenant Lokale Teams, actieonderzoek van IPW en «Kompas domeinoverstijgende samenwerking»
als leidraad voor gemeenten en organisaties op meso niveau.
Tot slot zorgen we ook dat landelijke kaders goed benut kunnen worden; zo gaan we
met de Nederlandse GGZ na of de consultatiefunctie ggz goed werkt voor jeugdzorgprofessionals
(afspraak AZWA) en hoe gezinsgericht werken kan worden geborgd in de volwassenen-ggz
(Actieprogramma Mentale gezondheid en ggz). Ook wordt door het Rijk, in samenwerking
met de VNG, gewerkt aan een Sociale Agenda voor Nederland. Dit wordt een structurele
en integrale agenda waarin ook huisvesting, leefbaarheid van wijken, gezondheid en
zorg, veiligheid, lokale teams en onderwijs worden samengebracht.
Juist omdat gezinsgericht werken een verandering vraagt op al deze niveaus, is die
niet van vandaag op morgen gerealiseerd, maar vraagt dit om een lange adem en een
blik over de domeinen heen bij alle betrokkenen.
Vraag 5
Begrijpt u ook dat kinderen en ouders er soms wanhopig van worden, of in de weerstand
staan als ze aan de zoveelste persoon opnieuw hun verhaal moeten vertellen?
Antwoord 5
Dat begrijpen wij. Het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming is er
dan ook op gericht om bij volwassenen of kinderen waar veiligheidsvraagstukken spelen
met één of twee vaste hulpverleners (uit het lokaal team en indien nodig het veiligheidsteam)
betrokken te blijven bij een gezin. Op basis van een brede analyse van wat er speelt
in het gezin aan het begin van de hulpverlening, wordt zonodig de verschillende expertise
en ondersteuning erbij betrokken. Daarbij is het van belang ook te kijken naar achterliggende
oorzaken, bijvoorbeeld slechte huisvesting, GGZ problematiek, of schuldenproblematiek
die voor stress zorgen. De vaste gezichten blijven echter altijd het vaste aanspreekpunt.
Deze werkwijze wordt uitgewerkt in een handelingskader voor alle professionals die
te maken hebben met onveiligheid in thuissituaties.
Proeftuinen van het Toekomstscenario hebben hier goede ervaringen mee opgedaan: door
langdurig betrokken te blijven kennen hulpverleners de dynamiek in gezinnen goed,
ontstaat wederzijds vertrouwen en kan op tijd de juiste hulp worden ingezet, waardoor
ook escalatie van problematiek wordt voorkomen. In de voortgangsbrief Jeugd informeren
wij u over het de voortgang van het programma Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming.
Vraag 6
Zijn er concrete plannen om domeinoverstijgend werken de norm te maken door het budget
flexibeler te maken waardoor gemeenten en utvoerende organisaties daadwerkelijk kunnen
samenwerken over de grenzen van jeugdzorg, onderwijs en zorg heen? Welke ruimte ziet
u om dit mogelijk te maken?
Antwoord 6
Ik ben in gesprek met VNG en collega bewindspersonen om samen een agenda voor het
sociaal domein te ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende
domeinen zoals wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van
een integrale invalshoek wordt onderschreven door de onderzoekers.
Binnen het Rijk wordt al op verschillende manieren gewerkt aan het stimuleren van
domeinoverstijgend werken. Met het wetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek (Wams)
wordt voorgesteld om de taken van het college in de gecoördineerde aanpak van meervoudige
problematiek te expliciteren. Het college krijgt met dit wetsvoorstel de taak om op
verzoek van een cliënt of (een gemotiveerd) verzoek van een al betrokken professional
een onderzoek naar de mogelijkheid (of noodzaak) tot een gecoördineerde aanpak bij
meervoudige problematiek instellen. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, heeft
het college de taak om een gecoördineerde aanpak van de gebleken meervoudige problematiek
te organiseren. Daartoe wijst het college een persoon als coördinator aan.
Daarnaast regelt het concept Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet o.a. dat het college
verantwoordelijk is voor samenhang en effectieve samenwerking tussen het lokale team
en andere domeinen zoals maatschappelijke ondersteuning, participatie, schuldhulpverlening,
onderwijs, veiligheid, publieke gezondheidszorg en zorg. Ook wordt met dit conceptwetsvoorstel
richting gegeven aan de samenwerking tussen lokale teams en scholen. Het conceptwetsvoorstel
is tot 13 april 2026 opgesteld voor internetconsultatie4.
Voor wat betreft de flexibilisering van budgetten geldt dat het grootste deel van
de middelen voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning in de algemene uitkering
van het gemeentefonds zitten. De middelen hierin zijn vrij besteedbaar en kunnen dus
flexibel worden ingezet. Met ingang van 1 januari jl. is verder de Wet domeinoverstijgende
samenwerking in werking getreden. Hiermee hebben zorgkantoren meer financiële ruimte
gekregen om afspraken over de zorgdomeinen heen te maken.
Vraag 7
Hoe maakt u van onderwijs een vaste partner in vroegsignalering en ondersteuning (gezamenlijke
plannen, continuïteit rond schoolgang, alternatieve leertrajecten), gezien de bewezen
betekenis van school als stabiele factor?
Antwoord 7
De school is voor jeugdigen en hun ouders een vertrouwde plek is: ze komen er dagelijks
en worden er gezien. De school is bij uitstek de plek om signalen op te vangen en
jeugdigen te ondersteunen vanuit de voor hen vertrouwde pedagogische basis. Het onderwijs
is daarmee al een vaste partner in de vroegsignalering en ondersteuning, door o.a.
de inzet van de jeugdgezondheidszorg en jongerenwerkers op school.
Deze samenwerking en afstemming wordt verder versterkt en geborgd in het wetsvoorstel
Reikwijdte Jeugdwet dat half februari in internetconsultatie is gegaan. Met dit wetsvoorstel
wordt mede beoogd de samenwerking tussen het onderwijs en lokale teams te versterken,
zodat scholen het lokale team kunnen betrekken bij vragen en ondersteuning. Met als
doel kinderen in de eigen omgeving op te laten groeien en naar school te laten gaan.
Ook is dit onderdeel van de afspraken in het convenant stevige lokale teams. Hieraan
werk ik samen met de VNG, mijn collega de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap (OCW) en relevante andere partijen, zoals aanbieders en client- en beroepsorganisaties.
Dit convenant is inmiddels afgesloten. Tot slot werk ik samen met mijn collega de
van OCW aan inclusief onderwijs. Met als doel dat kinderen thuis nabij onderwijs kunnen
volgen en zich kunnen ontwikkelen in een passende leeromgeving, waar indien nodig
op school ondersteuning op maat geboden wordt.
Vraag 8
Deelt u de meninig van de onderzoekers dat pilots en projecten enkel zin hebben als
de leerpunten daarna structureel verankerd worden? Welke rol heeft uw ministerie daarin?
Antwoord 8
Ja, wij delen de opvatting van de onderzoekers dat pilots en projecten alleen echt
waarde hebben als de lessen daaruit structureel worden verankerd in beleid, financiering
en uitvoering. Het rapport is daar duidelijk over: duurzame verandering ontstaat niet
door losse projecten, maar vraagt om een breed gedragen visie, langetermijnstrategie
en structurele samenwerking op alle niveaus.
Dit sluit goed aan bij de fase waarin we zitten met het Toekomstscenario. Waar de
afgelopen jaren vooral in het teken stonden van verkennen, beproeven en leren in proeftuinen
binnen de huidige wettelijke kaders, ligt de opgave nu in het duurzaam verankeren
van werkzame elementen in de praktijk. Daarmee verschuift de focus van experimenteren
naar transitie: het gericht veranderen van cultuur, werkwijze en structuur, zodat de beoogde manier van werken niet naast het bestaande stelsel blijft bestaan,
maar er stap voor stap onderdeel van wordt.
Concreet betekent dit dat we nu zijn aangekomen om wat beproefd is te verbreden, verdiepen
en op te schalen naar landelijke dekking. Dit zal worden verwerkt in de veranderstrategie
van het Toekomstscenario die voor de zomer zal worden vastgesteld.
Vraag 9
Op welke manier gaat u zorgen dat overal en structureel vroegtijdig samen met gezin
en netwerk een gedeelde verklarende analyse wordt gemaakt als basis voor passende
hulp? Erkent u dat dit een randvoorwaarde is vóór uithuisplaatsing?
Antwoord 9
Een goede vraagverheldering samen met het gezin is cruciaal voor het kunnen inzetten
van passende hulp, zoals ook opgenomen in de richtlijn «Samen beslissen over hulp5». Bepaalde situaties vragen om een (gedeelde) Verklarende Analyse, zoals een (overwogen)
uithuisplaatsing. Ik zie ook dat jeugdregio’s en zorgaanbieders dit belang erkennen.
Zo hebben in Noord-Holland hebben jeugdregio’s en zorgaanbieders dit ook afgesproken
binnen een Thuis van Noortje. Namelijk dat wanneer een uithuisplaatsing overwogen
wordt, er altijd recent een verklarende analyse gemaakt moet zijn die als basis dient
voor de vervolgstappen. Ook bij plaatsing in de gesloten jeugdhulp is het belangrijk
dat er een actuele verklarende analyse is. Dit is onderdeel van de bestuurlijke afspraken
die medio 2024 zijn gemaakt tussen Rijk, VNG en Jeugdzorg Nederland. In de richtlijn
«beslissen over uithuisplaatsing en terugplaatsing» staat: bij de afweging over uithuisplaatsing is een gedeelde verklarende analyse noodzakelijk. Aangezien professionals volgens de wet moet handelen met de voor die hulpverlener
geldende professionele standaard (artikel 4.1.1. lid 3), is het belangrijk dat dit
in de richtlijnen is opgenomen.
Een (gedeelde) verklarende analyse is daarmee een randvoorwaarde vóór uithuisplaatsing,
maar we weten vanuit de praktijk dat dit niet overal gebeurt, en dat het ook niet
altijd goed gebeurt. Zodoende wordt er gewerkt aan verbetering en implementatie van
verklarend analyseren via KBL. KBL heeft in hun Leeragenda een leerlijn «Verklarend
analyseren» geprioriteerd. Deze wordt dit jaar uitgevoerd. Deze leerlijn versterkt
de beweging om een gedeelde verklarende analyse beter toe te passen en verder te verbeteren
als basis voor jeugdhulp.
Vraag 10
Deelt u dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige besluitvorming
rond uithuisplaatsingen, dat het huidige systeem dit onvoldoende beloont, en welke
rol neemt uw ministerie in het delen en opschalen van effectieve interventies?
Antwoord 10
Ja, wij delen de opvatting dat goed toegeruste professionals cruciaal zijn voor zorgvuldige
besluitvorming rond uithuisplaatsingen. Het rapport stelt expliciet dat de kwaliteit
van besluitvorming en het eerder inzetten van passende hulp staat of valt met het
vakmanschap van professionals. Daarbij gaat het niet alleen om opleiding en kennis,
maar ook om luisteren, reflecteren, durven vertragen, multidisciplinair toetsen en
werken met intervisie, supervisie en steun van gedragswetenschappers en collega’s.
Deze elementen worden momenteel verder uitgewerkt in het Toekomstscenario, specifiek
in het handelingskader dat geschreven wordt voor en door professionals, maar ook in
de proeftuinen wordt gekeken wat dit dan in de praktijk behelst.
Vraag 11
Bent u bereid om met uw collega’s op Onderwijs en Sociale Zaken in gesprek te gaan
Antwoord 11
Zeker ben ik bereid om met mijn collega’s van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en
Sociale Zaken in gesprek te gaan, maar ook met onderzoekers, hulpverleners, kinderen
en ouders om de knelpunten in regelgeving en beleid te inventariseren. Ik ben in gesprek
met VNG en collega-bewindspersonen om samen een agenda voor het sociaal domein te
ontwikkelen. Hierbij staat de integraliteit op de verschillende domeinen zoals wonen,
gezondheid, veiligheid en onderwijs centraal. Het belang van een integrale invalshoek
wordt onderschreven door de onderzoekers. Daarnaast zijn er al veel initiatieven.
In Tilburg wordt een actieonderzoek voorbereid in samenwerking met IPW rond een bureaucratievrij
kindcentrum. Hier wordt onder andere in kaart gebracht hoe de financiering vanuit
gemeente en Rijk vereenvoudigd kan worden. Naar verwachting worden de eerste onderzoeksresultaten
eind dit jaar bekend
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.