Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 1 april 2026, over Eerstelijnszorg
33 578 Eerstelijnszorg
Nr. 180
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 5 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 1 april 2026 overleg
gevoerd met mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw
Sterk, Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 26 november 2024
inzake toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg van 7 november
2024, over doorgeven van ova-middelen binnen de apotheekzorg (Kamerstuk 29 689, nr. 1272);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 19 november 2024
inzake Waarborgfonds voor de Zorgsector in relatie tot huisartsenzorg (Kamerstuk
36 600-XVI, nr. 108);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 9 december 2024
inzake reactie op verzoek commissie over de brief van NVM-mondhygiënisten inzake mondzorg
(Kamerstuk 33 578, nr. 138);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 16 december 2024
inzake advies van de NZa over de bekostiging van tolken in de huisartsenzorg (Kamerstuk
36 600-XVI, nr. 152);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 17 december
2024 inzake onderzoek casemanagement dementie (Kamerstuk 29 689, nr. 1274);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 april 2025 inzake
beleidsreactie op rapport «Focus op huisartsentekort» van de Algemene Rekenkamer (Kamerstuk
33 578, nr. 141);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 april 2025 inzake
onderzoek «Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken» van Nivel (Kamerstuk 33 578, nr. 140);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 25 april
2025 inzake eindrapport Passende aanspraak fysio- en oefentherapie (Kamerstuk 31 765, nr. 916);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 22 mei 2025 inzake
antwoorden op vragen commissie over het onderzoek «Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken»
van Nivel (Kamerstuk 33 578, nr. 140) en over de beleidsreactie op het rapport «Focus op huisartsentekort» van de Algemene
Rekenkamer (Kamerstuk
33 578, nr. 141) (Kamerstuk
33 578, nr. 157);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 juni 2025 inzake
eerstelijnsapotheekzorg (Kamerstuk
33 578, nr. 160);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 juli 2025 inzake
stand van zaken versterken eerstelijnszorg (Kamerstuk
33 578, nr. 162);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 30 september 2025
inzake rapport «Co-Med. Verslag van een lerende evaluatie» (Kamerstuk
33 578, nr. 165);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 november 2025
inzake toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties op de aangenomen moties
ingediend tijdens het notaoverleg Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voor
toekomstbestendige huisartsenzorg (Kamerstuk
33 578, nr. 167);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 12 november
2025 inzake reactie op petitie met betrekking tot vergoeding van fysiotherapie voor
mensen met osteoporose (Kamerstuk
29 689, nr. 1319);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 20 oktober
2025 inzake stand van zaken moties en toezeggingen fysiotherapie (Kamerstuk
33 578, nr. 166);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 10 december 2025
inzake mondzorg en financiële toegankelijkheid (Kamerstuk
32 620, nr. 312);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 12 december 2025
inzake reactie op verzoek commissie over het artikel Duizenden patiënten kunnen bij
geen andere huisartspraktijk terecht (Kamerstuk
33 578, nr. 169);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 maart 2026 inzake
antwoorden op vragen commissie over de toegankelijkheid van de huisartsenzorg en reacties
op de aangenomen moties ingediend tijdens het notaoverleg Stop de commercie, steun
de huisarts. Een plan voor toekomstbestendige huisartsenzorg (Kamerstuk
33 578, nr. 167) (Kamerstuk
33 578, nr. 171);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 9 februari
2026 inzake voortgang marktonderzoek paramedische zorg (deel 2) (Kamerstuk
33 578, nr. 170);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 3 maart 2026 inzake
AZWA-afspraken huisartsenzorg (Kamerstuk
33 578, nr. 172);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 17 maart 2026
inzake antwoorden op vragen commissie over mondzorg en financiële toegankelijkheid
(Kamerstuk
32 620, nr. 312) (Kamerstuk
32 620, nr. 313).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Heller
Aanwezig zijn dertien leden der Kamer, te weten: Bevers, Van Brenk, Bushoff, Claassen,
Coenradie, Diederik van Dijk, Dobbe, Maeijer, Van Meijeren, Mohandis, Poortman, Vervuurt
en Wiersma,
en mevrouw Hermans, Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en mevrouw Sterk,
Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Aanvang 13.02 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom bij het commissiedebat over
de eerstelijnszorg. Er is veel belangstelling, niet alleen hier, maar ook op afstand,
via het scherm. Er zijn veel fracties aanwezig. Dat is hartstikke goed. U bent goed
vertegenwoordigd. Ook het kabinet is goed vertegenwoordigd: niet één Minister, maar
zelfs twee. Dat is hartstikke goed. Fijn dat u er bent.
Voordat we beginnen, loop ik de aanwezige fracties nog even langs: de heer Claassen
van de Groep Markuszower, mevrouw Coenradie van JA21, de heer Van Dijk van de SGP-fractie,
mevrouw Van Brenk van 50PLUS, mevrouw Maeijer van de PVV-fractie, mevrouw Wiersma
van BBB, de heer Poortman van de CDA-fractie, de heer Bevers van de VVD, de heer Bushoff
van GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Vervuurt van D66 en mevrouw Dobbe van
de SP. Zoals u weet, heeft u allemaal vier minuten spreektijd. Gezien de opkomst en
de tijd, heeft u in de eerste termijn drie interrupties onderling. Ik kijk straks
hoe we het gaan doen met de interrupties in de termijn van de bewindspersonen. Dat
is afhankelijk van hoe het verloopt. Meneer Claassen, het woord is aan u.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik heb eerst een opmerking, voorzitter. Blijkbaar wilde niemand op de eerste plek
zitten. Dat mag. Er is nog plek. Ik zit hier omdat ik nu ook een plenair debat heb.
Ik doe mijn inbreng en probeer hier zo lang mogelijk te blijven, maar ik zal terug
moeten naar de plenaire zaal. Dat heeft niets te maken met desinteresse, juist niet.
Maar ja, jezelf in tweeën splitsen is een lastig fenomeen. Ongeveer 2.000 jaar geleden
lukte dat nog weleens, maar sinds die tijd niet meer. Ik ga beginnen aan mijn inbreng.
De voorzitter:
Helemaal goed dat u dat nog even zegt. Dat is allemaal prima. Omdat ik al heb bepaald
dat dit de volgorde is, bent u nu gewoon als eerste. Dat is ook voor mijn eigen administratie
overzichtelijk. De heer Van Meijeren van Forum voor Democratie is ook aangeschoven;
welkom. Meneer Claassen, aan u het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Voorzitter. Mijn inbreng zal voornamelijk gaan over huisartsenzorg en apotheekzorg
in relatie tot het AZWA-praktijkhouderschap. Er wordt gesteld dat er geen huisartsentekort
is. Aan de andere kant wordt gezegd dat er wel een huisartsentekort is. Ik ben benieuwd
naar de visie van het huidige kabinet op het huisartsentekort. Is er een huisartsentekort
of is er een overschot aan vraag? Of wordt die vraag niet goed gereguleerd? Kan dat
dan anders?
Ook tijdens de vorige kabinetsperiode was het een discussiepunt. We zien een recordaantal
aan huisartsen, namelijk 1 per 1.250 inwoners. Dat klinkt geruststellend, maar het
is een gemiddelde. Dat gemiddelde wordt losgezongen van de werkelijkheid. Tienduizenden
mensen hebben geen huisarts en honderdduizenden zoeken er een. In 2024 had 60% van
de praktijken een patiëntenstop. In sommige regio’s lag dat percentage boven de 75%.
Bijna 80% van de huisartsen ervaart structureel een te hoge werkdruk. De vraag is
dus niet hoeveel huisartsen er op papier zijn; de vraag is hoeveel patiënten er daadwerkelijk
toegang hebben tot huisartsenzorg.
De Minister wijst naar organisatie en spreiding, maar dat lijkt ons geen verklaring.
Dat is volgens ons een erkenning van het punt dat het systeem niet meer goed functioneert.
Als de aantallen er zijn, maar de toegang ontbreekt, zit het probleem in de systemen
en hoe we het hebben ingericht. Het AZWA is het centrale instrument van dit kabinet,
met vaste patiëntenpopulaties en het landelijke ruil- en inschrijfsysteem. Meer regie
op spreiding is de doelstelling, maar is dat scherp genoeg? Het doel ligt op eind
2028. Dat is ver weg voor iemand die vandaag geen huisarts heeft. Het is geen afdwingbare
norm. Het is zelfs een voornemen. We willen weten wanneer dat inschrijfsysteem operationeel
is, dus niet een stip op de horizon. Wat gebeurt er als regio’s achterblijven en achter
gaan lopen? Welke interventies volgen dan? Wat zijn dan de plannen van de regering?
Of blijven we monitoren wat het systeem niet oplost of wat ooit wel opgelost wordt?
Voorzitter. Juist bij praktijkhouders ligt een grote druk. Er is een tekort aan praktijkhouders,
de huisvestingskosten lopen op en de bekostiging beweegt niet mee met de huidige situatie.
De Minister noemt een handreiking, maar een handreiking financiert geen pand. Hoeveel
praktijkhoudende huisartsen zijn er het afgelopen jaar netto bij gekomen? Is de Minister
bereid verder te gaan met een nationaal garantiefonds voor praktijkruimten en structurele
tariefsverhoging? Kan ze daar een toezegging op geven?
Voorzitter. Tegelijkertijd worden praktijken opgekocht. Private equity betreedt de
eerstelijnszorg, niet als beleid, maar omdat het systeem de verkeerde richting beloont.
Als praktijkhouderschap financieel onaantrekkelijk wordt, ontstaat er ruimte voor
kapitaal. Is de Minister bereid grenzen te stellen aan de opkoop van huisartsenpraktijken?
Dan iets over apotheekzorg. De bekostiging volgt de werkelijkheid niet, vinden wij.
Initiatieven zoals ontpillen leveren weinig besparing op met minder medicatie, betere
uitkomsten en lagere kosten, maar die besparingen verdwijnen elders in het systeem.
Het gevolg is dat initiatieven stoppen zodra de financiering afloopt. Is de Minister
bereid budgetverschuiving te koppelen aan taakverschuiving? En is zij bereid – daar
vraag ik ook een toezegging op – om medicatiebeoordelingen buiten het eigen risico
te plaatsen? Dat is zorg die juist complicaties op langere termijn voorkomt.
Dan nog iets over dividend, voorzitter, als ik daar de tijd voor heb. Er is 311 miljoen
aan dividend uitgekeerd door 802 aanbieders op een sectoromzet van 123 miljard. Dat
zijn de cijfers, maar die zijn zelfs nog onvolledig, want eenmanszaken en maatschappen
blijven buiten beeld. We kijken naar een deelverzameling, maar we presenteren dit
als een geheel. Is de Minister bereid pas beleidsconclusies te trekken op basis van
een volledig beeld?
Voorzitter. De vraag is wat de Minister dus concreet gaat veranderen, want dit systeem
nadert zijn breekpunt. De vergrijzing drukt harder op de eerste lijn dan ooit. Er
zijn steeds meer ouderen en minder mensen die voor die ouderen kunnen zorgen. Er zijn
meer chronisch zieken, die wel ouder worden, maar dus ook langer ziek zijn. Er zijn
minder praktijkhouders en er is minder capaciteit. Aan de andere kant van die vergelijking
zijn er honderdduizenden mensen zonder toegang. Die dam gaat het niet meer houden.
Als de eerste lijn het begeeft, begeeft de rest het daarmee ook. Spoedeisende hulp,
de ziekenhuizen, de hele keten, de verpleeghuizen: het stelsel staat of valt met wat
er vandaag in de spreekkamer gebeurt of juist ...
De voorzitter:
Komt u tot een afronding?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
... niet gebeurt.
Dat was ’m.
De voorzitter:
O, hartstikke goed. Ik zeg tegen alle Kamerleden: als ik dat zeg, is het niet vier
minuten, maar dan is het meer. Dat zeg ik maar even. Mevrouw Coen... Nee, sorry, nog
niet mevrouw Coenradie. Ik zag een interruptie van meneer Bushoff.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Vanochtend sprak ik een groep jonge huisartsen. Die is hier ook aanwezig op de tribune,
dus welkom, ook nog via deze weg. Ik vond dat een heel leuk gesprek. Er zijn heel
veel dingen blijven hangen uit dat gesprek. Daar zal ik straks in mijn inbreng nog
op terugkomen. Eén ding dat bij mij bleef hangen, was dat iemand aangaf: op het moment
dat je de AOW verhoogt en snijdt in de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen et cetera,
kortom, als je aan de socialezekerheidskant heel veel afbreekt, gaan wij dat zien
in onze spreekkamer. Mijn vraag is: deelt de heer Claassen die opvatting en deelt
hij dus ook dat we moeten voorkomen dat de sociale zekerheid zover wordt afgebroken
dat de toename in de spreekkamer bijna niet meer te doen is voor de jonge, startende
huisartsen?
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De vraag is: moet ik een kort antwoord of een lang antwoord geven?
De voorzitter:
Ik ga niet over uw antwoord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ja, dat deel ik, want we weten allemaal dat in gebieden met een lage SES-score de
zorgvraag gigantisch toeneemt, dat er heel weinig compliance is als het gaat om «hoe
ga ik om met mijn ziekte, hoe ga ik om met gezondheid?», dat de middelen voor die
mensen lastig te krijgen zijn, dat mensen de weg niet weten om tot goede zorg te komen
en dat e dan ook vaak de huisarts daarvoor gaan claimen, terwijl de huisarts daar
niet voor bedoeld is. Het korte antwoord is dus ja.
De voorzitter:
Oké. Mevrouw Coenradie. We doen drie interrupties in totaal en ik ben nog even niet
flexibel; dat hangt ervan af hoe het loopt. Mevrouw Coenradie, aan u.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. De eerstelijnszorg is de ruggengraat van ons zorgstelsel. De huisarts
is de poortwachter van de zorg. Juist deze poortwachter en een sterke eerste lijn
houden de zorg toegankelijk, dichtbij en betaalbaar. Tegelijkertijd vragen we steeds
meer van de eerste lijn. Mensen wonen langer thuis, de zorg verschuift van het ziekenhuis
naar de wijk en de druk op huisartsen, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners
neemt almaar verder toe. Juist dan is het aan de overheid om heldere randvoorwaarden
te scheppen, zodat de professionals, en zeker in de eerste lijn, hun werk goed en
doelmatig kunnen doen. Hierbij moet de huisarts niet alleen worden gezien als toegangspoort
tot medische zorg, maar ook als eerste toegangspunt voor bredere hulp. Mijn vraag
is: wil de Minister in haar gesprekken met bijvoorbeeld de huisartsenvereniging expliciet
meenemen hoe de huisarts als brede voordeur naar hulp kan worden versterkt, bijvoorbeeld
met laagdrempelig digitaal contact via de huisartsenpraktijk?
Voorzitter. Als we de zorg in de regio overeind willen houden en sturen op langer
thuis wonen, moeten de opleidingscapaciteit en de praktijk beter op elkaar aansluiten.
Huisartsen en SEH-artsen zijn daarbij allebei onmisbaar. Daarom is het zorgelijk dat
VWS volgens recente, onbevestigde berichtgeving in 2027 minder SEH-opleidingsplaatsen
wil gaan toestaan dan het Capaciteitsorgaan adviseert, namelijk 50 in plaats van 60.
Ook vanuit de eerste lijn en de ouderenzorg wordt al langer gewaarschuwd dat de instroom
in de zogenaamde cluster 1-opleidingen, voor beroepen zoals huisarts, specialist ouderengeneeskunde
en AVG-arts, te laag is. Tegelijkertijd lezen we vanochtend in de krant dat er volgens
zorgverzekeraar CZ geld overblijft doordat er op cruciale plekken door personeelstekorten
te weinig zorg is geleverd. Kan de Minister de door mij eerstgenoemde berichtgeving
bevestigen? Klopt het dat het kabinet afwijkt van het onafhankelijk advies van het
Capaciteitsorgaan, terwijl VWS daar juist jarenlang aan vasthield, ook wanneer beroepsgroepen
dat advies al te laag vonden? Zo ja, is de Minister bereid het advies van het Capaciteitsorgaan
alsnog op te volgen? En zo nee, is de Minister dan bereid met de zorgverzekeraars
te bezien of de zogenoemde positieve resultaten van verzekeraars kunnen bijdragen
aan extra opleidingsplaatsen in de acute zorg?
Wat betreft de huisartsen wil ik het nog hebben over de flexibele schil. Zzp-huisartsen
zijn onmisbaar voor de continuïteit van 24/7-huisartsenzorg bij ziekte en piekdrukte,
en op de huisartsenspoedposten. Is het kabinet bereid in de nieuwe Zelfstandigenwet
te borgen dat zij inzetbaar blijven voor situaties van ziek, piek en uniek, en voor
avond-, nacht- en weekendzorg?
Voorzitter. Dan de positie van apothekers aan de balie. In de schriftelijke beantwoording
van onze vragen erkent de Minister dat apothekers zich klemgezet kunnen voelen en
financiële onzekerheid kunnen ervaren als zij een beschikbaar alternatief verstrekken.
Maar welke concrete maatregel heeft de Minister sinds die erkenning genomen of gaat
zij nemen om dit financiële risico voor apothekers echt weg te nemen?
Dan het tweede punt. De Minister stelt dat het model van «laagste prijs plus bandbreedte»
om meer onderbouwing vraagt. Is daar vóór of na die beoordeling inhoudelijk over gesproken
met de partijen die dit model hebben uitgewerkt en, zo nee, waarop baseert de Minister
dan haar oordeel dat dit alternatief onvoldoende is onderbouwd?
Voorzitter. Tot slot een probleem dat ons altijd al een doorn in het oog was en is:
de regeldruk. Ondanks jarenlange beloften nemen de administratieve lasten in de zorg
nog altijd toe. Vooral in de vaak kleinschalige eerste lijn is dat een groot probleem.
De eerstelijnscoalitie heeft hiervoor concrete voorstellen gedaan. Dat ging concreet
bijvoorbeeld over het verhogen van de grens voor de cliëntenraad-verplichting van
25 naar 50 zorgverleners. Is de Minister bereid hierover met partijen als de eerstelijnscoalitie
in gesprek te gaan en werk te maken van echte regeldrukvermindering?
Voorzitter, tot zover.
De voorzitter:
Veel dank. De heer Poortman heeft een vraag.
De heer Poortman (CDA):
Ik heb een vraag over de eigen bijdrage voor wijkverpleging. We kregen gisteren een
brief van de Minister. Zij gaat aan de slag met een uitwerking daarvan. JA21 was er
ook voorstander van. Nu we de Minister zaken mee kunnen geven richting de uitwerking
van het voorstel, ben ik benieuwd hoe mevrouw Coenradie dit ziet. Wat zou zij de Minister
willen meegeven op dit punt?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ga een beetje een algemeen antwoord geven. Ik wil een heel concreet voorstel. Ik
wil graag doorgerekend hebben wat dit precies betekent voor de hoogte van de eigen
bijdrage. Ik wil ook alle risico’s daarin zien, om een goede afweging te kunnen maken
of dit iets houdbaars is, of dat wij ons standpunt hierover moeten herzien. Ik durf
dat nu nog niet te zeggen. We zijn heel scherp op heel veel zaken uit het coalitieakkoord
die op de planning staan. Ik heb dat ook gezegd in mijn stemverklaring bij de afgelopen
VWS-begroting. Het is echt niet zo dat onze steun daarin vrijblijvend is en ook voor
komende VWS-punten gegeven is. Wij zijn heel kritisch en bij een aantal onderdelen
zetten wij grote vraagtekens bij de gestelde bezuinigingen. Dat geluid zult u in ieder
geval de komende tijd van ons horen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer.
Dat is de heer Van Dijk namens de SGP.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u wel, voorzitter. De eerstelijnszorg wordt vaak en terecht het fundament van
de gezondheidszorg in Nederland genoemd: laagdrempelig, toegankelijk en van hoge kwaliteit.
Als een fundament barsten en scheuren vertoont, moet je je zorgen maken. De dubbele
vergrijzing, de personeelsschaarste en de hooggespannen verwachtingen van zowel burgers
als de overheid dragen allemaal bij aan toenemende druk op de eerstelijnszorg.
De Algemene Rekenkamer concludeerde dat ongeveer een op de twintig Nederlanders een
huisarts zoekt. Veel mensen lopen er na een verhuizing naar een andere woonplaats
tegenaan dat zij zich niet kunnen inschrijven bij een praktijk vanwege een patiëntenstop.
In principe hebben we in Nederland voldoende huisartsen om iedereen te bedienen. Hoe
staat het daarom met de ontwikkeling van het landelijke ruil- en inschrijfsysteem
voor patiënten in de huisartsenzorg, dat werd aangekondigd in het AZWA?
Voorzitter. Zorgverzekeraars moeten zich inspannen om huisartsenzorg te regelen voor
hun verzekerden. Veel mensen kennen die zorgplicht niet. De SGP vindt dat hiervoor
in de kabinetsplannen nog te weinig oog is. Is de Minister bereid in gesprek te gaan
met verzekeraars over hun rol bij het vinden van huisartsenzorg voor verzekerden?
De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving wees een paar jaar geleden al op de rol
die individualisering speelt bij de hoge verwachtingen van de eerstelijnszorg. Waar
hulpvragen vroeger werden gesteld aan familie, buren of kennissen, komen deze nu steeds
laagdrempeliger bij de huisarts of de wijkverpleging terecht. Het kabinet en de VNG
zetten terecht in op wijkgericht werken, zorgzame buurten en stevige lokale teams
voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning. Het is heel belangrijk dat er goed
wordt samengewerkt tussen huisartsen en lokale teams. Hoe wordt dit gestimuleerd?
Zijn er voldoende middelen om samenwerking tussen de eerste lijn en het sociaal domein
te kunnen organiseren?
Een blijvend knelpunt is de huisvesting van huisartsen en gezondheidscentra. In september
2025 presenteerde de Minister hiervoor een handreiking. Wat zijn de eerste resultaten
hiervan?
De SGP vraagt al langer aandacht voor de regeldruk in de eerstelijnszorg. De collega
naast mij, mevrouw Van Brenk, maakte er ook al gewag van. Veel huidige regels zijn
gebaseerd op generieke wetgeving die slecht aansluit bij de kleinschalige eerstelijnszorg.
Ik vraag de Minister in overleg te treden met de eerstelijnscoalitie over de door
haar voorgestelde oplossingsrichtingen voor bijvoorbeeld de Wtza, de Wibz en de wet.
Vorig jaar nam de Kamer een SGP-motie aan over het behoud van een flexibele schil
voor zzp-huisartsen op de spoedposten en voor situaties van ziek, piek en uniek. Het
kabinet werkt aan een nieuwe zelfstandigenwet. Is de Minister bereid het behoud van
de noodzakelijke flexibele schil daarin te regelen?
Voorzitter. Als we meer van de eerstelijnszorg vragen, moet er ook meer ruimte zijn
voor het opleiden tot eerstelijnsberoepen. De beschikbare opleidingsplekken worden
echter onvoldoende gevuld. Als we niks doen, groeit het bestaande artsentekort alleen
maar. Het Capaciteitsorgaan adviseerde om meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde
en artsen voor verstandelijk gehandicapten op te leiden. Is de Minister bereid met
zorgpartijen een concreet plan te maken om dit voor elkaar te krijgen?
Voorzitter. De SGP vraagt al langer aandacht voor het tandartsentekort in Zeeland.
Wat is de stand van zaken van de plannen voor een nieuwe opleidingslocatie in Zuidwest-Nederland?
De toegankelijkheid van mondzorg heeft niet alleen te maken met de plek waar je woont,
maar ook met de grootte van je portemonnee. Wat weerhoudt de Minister van het collectief
vergoeden van een periodieke tandheelkundige controle voor volwassenen? Is de Minister
bereid om hier een kosten-batenanalyse voor te maken?
Tot zover, voorzitter. Voor de volledigheid merk ik nog even op dat ik straks weg
moet voor een ander overleg. Bij voorbaat mijn excuses daarvoor.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Fijn dat u dat nog even aangeeft, meneer Van Dijk. Dan zijn
we aangekomen bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer: mevrouw Van Brenk
namens 50PLUS. Het woord is aan u.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. 50PLUS is groot voorstander van zorgzame wijken. Initiatieven als
De Buurt als Ecosysteem dragen wij een warm hart toe. Het is belangrijk dat professionele
en informele hulpverleners samenwerken en er samen voor zorgen dat mensen de hulp
krijgen die ze nodig hebben. Natuurlijk blijven we kritisch op de bezuiniging van
15% die ingeboekt staat op de wijkverpleging bij De Buurt als Ecosysteem. Als je weet
dat het aantal ouderen toeneemt, zou een status quo toch al een goede prestatie zijn.
Graag een reactie van de Minister.
Het is goed om mooie voorbeelden te noemen. In Land van Cuijk zijn inmiddels 80 voorzorgcirkels
actief. Dat kan niet zonder welzijnswerk. De twee mensen die Sociom hiervoor inzet,
zijn van levensbelang. Ziet de Minister ook dat welzijnswerk een belangrijke partner
is voor zorgzame buurten?
Voorzitter. Verder maken wij ons zorgen over de vele praattafels. Regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden
– een mooi scrabblewoord! – houden veel mensen van de straat. Kijkt de Minister hier
ook kritisch naar?
De Rekenkamer geeft aan dat de grote uitdagingen liggen bij het werven van voldoende
mensen voor de zorg. Zijn er plannen om meer huisartsen op te leiden en om meer wijkverpleegkundigen
te vinden of zijn die plannen in de maak? Daar moeten we toch eerste onze aandacht
naar uit laten gaan. Graag een reactie van de Minister.
Deze coalitie heeft wilde plannen met de wijkverpleging. In het coalitieakkoord staat
dat er een eigen bijdrage moet komen voor wijkverpleging en ik heb het al eerder gezegd:
dat is echt een slecht idee. De intramurale zorg afschalen en vervolgens een drempel
neerleggen voor het alternatief: dat is wat het kabinet doet. Althans, dat wil het
kabinet. De plannen van de coalitie botsen verder ook met de visie van de eerstelijnszorg:
sterk, dichtbij en vooral toegankelijk. Graag een reactie van de Minister.
De vorige Staatssecretaris erkende in haar brief het belang van casemanagement dementie.
Ik ga ervan uit dat hetzelfde geldt voor deze Minister. De constatering in de brief
is dat het duidelijk is dat er te weinig casemanagers zijn, zeker zolang er vastgehouden
wordt aan de Zorgstandaard Dementie. Gezien de verwachte toename van het aantal mensen
met dementie is dit uitermate zorgwekkend. Ik wil de Minister vragen hoe zij hierover
denkt. Wat zijn haar plannen? Het moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is voor
de mens met dementie en zijn naasten. Dat is een absolute voorwaarde om mensen langer,
volwaardig en zelfstandig thuis te laten wonen en om mantelzorgers te ondersteunen,
want onderschat niet hoe zwaar dat kan zijn. Graag een uitgebreide reflectie van de
Minister.
Het is al vaak langsgekomen: de huisarts is de spil in de wijk. Kan de Minister nog
eens kort reflecteren op wat we hebben geleerd van het faillissement van Co-Med? Hoe
maken we verder het vak van huisarts weer populair? Hoe zorgen we dat de huisarts
niet verzuipt in papieren maar tijd heeft voor patiënten? En nogmaals, ik ben blij
dat de Minister meegaat naar Maak Rimpels, want door deelname aan Maak Rimpels-groepen
neemt het huisartsenbezoek sterk af, want lang niet alle bezoeken aan de huisarts
zijn medische noodzaak. Ook hier kunnen zorgzame wijken, mensen die naar elkaar omkijken,
een deel opvangen.
Voorzitter. Ons kwam ter ore dat bij de huisartsenrichtlijn «wat te doen bij het constateren
van gordelroos?» geadviseerd wordt alleen virusremmers voor te schrijven als het virus
zich in het gelaat en dan met name rond het oog bevindt. Bij kwetsbare patiënten wordt
geadviseerd een specialist te raadplegen. Ik weet dat het een specifieke vraag is,
maar zou het niet beter zijn om standaard virusremmers voor te schrijven, vanwege
de ernstige zenuwpijnen die als complicatie kunnen optreden? Kan de Minister aangeven
wie gaat over een wijziging van de standaardrichtlijnen van het Nederlands Huisartsen
Genootschap?
Het is al eerder gezegd, maar het belang van de hap, de huisartsenspoedpost, die 24/7
beschikbaar is, wil ik zeker nog noemen. Ziet de Minister het belang hiervan ook en
hoe gaan we zorgen dat die posten beschikbaar blijven?
Wij snappen dat preventieve mondzorg volgens de letter niet onder de scope van de
Zorgverzekeringswet valt, want daarin gaat het om genezen en niet om voorkomen. Maar
soms gaat de kost voor de baat uit, want slechte mondhygiëne leidt tot ontstekingen
die via de bloedbanen het risico op hart- en vaatziekten, longontstekingen en diabetes
verhogen. En dan zijn de kosten vele malen hoger. Zou het mogelijk zijn dat de Minister
misschien gaat overwegen of zij het basispakket kan uitbreiden met minimaal één periodieke
controle per jaar?
Dat was het. Dank u.
De voorzitter:
Dank u zeer. Ik kom bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer en dat is mevrouw
Maeijer, die spreekt namens de PVV.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Voorzitter, dank u wel. De eerstelijnszorg is cruciaal. Het is de plek waar je zelf
zonder verwijzing naartoe kunt gaan. De huisarts, de apotheker, de wijkverpleegkundige,
de tandarts en de fysiotherapeut: zij zijn het eerste aanspreekpunt. Zij voorkomen
vaak dat mensen complexere en duurdere zorg nodig hebben. Vooral voor kwetsbare mensen
zoals ouderen en chronisch zieken zijn zij de spil in de zorg, want samen met familie
en naasten vormen zij het o zo belangrijke netwerk om hen heen. En juist bij die eerstelijnszorg
loopt het al langere tijd vast.
In het coalitieakkoord lezen we hierover bij een aantal punten. Zo wordt er ingezet
op het verder versterken van de eerstelijnszorg en de toegankelijkheid van de huisartsenzorg.
Het tekort aan huisartsen moet worden teruggedrongen. En er wordt ingezet op passende
huisvesting. Mijn vraag aan beide bewindspersonen is dan ook: wat gaat u wanneer concreet
doen om de eerste lijn te versterken? Wat gaat u wanneer concreet doen om de toegankelijkheid
van de huisarts te versterken? En hoe gaat u het huisartsentekort terugdringen? En
wat gaat de Minister doen om te komen tot passende huisvesting?
Voorzitter. De nood is hoog. De nood is hoog bij mensen die niet allemaal toegang
hebben tot een huisarts, omdat er geen huisarts is of omdat zij tegen een patiëntenstop
aanlopen. Er is nood bij huisartsen: onvoldoende instroom, hoge werkdruk en het onaantrekkelijk
worden van het praktijkhouderschap.
De financiering van huisvesting speelt een grote rol bij het tekort aan praktijkhoudende
huisartsen. Eerder vroegen we de Minister de mogelijkheden te bekijken om het waarborgfonds
bereikbaar te maken voor de huisarts, maar we lezen nu in de brief dat het de conclusie
is dat dit niet het juiste middel is om de problematiek op te lossen. Het zou slechts
een klein deel van het probleem wegnemen, maar je zou ook «beter iets dan niets» kunnen
denken. Wat gaat de Minister doen om het probleem wél op te lossen?
Voorzitter. 83% van de praktijken heeft een tekort aan doktersassistenten. Ze lopen
aan tegen praktische problemen als onvoldoende tijd of ruimte. Welke plannen heeft
de Minister om hier iets aan te doen? Ziet de Minister mogelijkheden in het verleiden
van huisartsen tot het draaien van wat meer praktijkdagen, waardoor mensen meer toegang
hebben tot een huisarts?
De Minister heeft besloten om de stekker uit C-support te trekken, waardoor de zorg
voor tienduizenden longcovidpatiënten stopt. Van meerdere kanten wordt aangegeven
dat de huisartsen nog helemaal niet klaar voor zijn om deze zorg over te nemen. Herkent
de Minister dit en hoe ziet zij dit dan voor zich? Hoe gaat zij ervoor zorgen dat
al die patiënten niet in een gat vallen?
Voorzitter. De eerste lijn moet worden versterkt, aldus de Minister. Maar tegelijkertijd
werpt zij een financiële drempel op voor mensen om gebruik te maken van die eerste
lijn, namelijk de eigen bijdrage in de wijkverpleging. Een half miljoen mensen maakt
daar nu gebruik van, waardoor mensen, zoals ouderen, zorg zullen gaan uitstellen of
weigeren. Mensen zullen later in beeld komen en situaties zullen escaleren, met alle
gevolgen van dien: verwaarlozing en ziekenhuisopnames. Is dat wat u wilt bereiken,
vraag ik de Minister. Ook voor de palliatieve terminale zorg door de wijkverpleegkundige
betaal je straks een eigen bijdrage. Werpt dat niet extra drempels op om de wens van
veel mensen om thuis te kunnen sterven na te leven?
Voorzitter, vergeef me voor mijn snelle spreken, maar ik wil graag nog een aantal
onderwerpen bespreken in de korte tijd die mij gegeven is.
Het aantal mensen met dementie zal de komende jaren fors toenemen. Erkent de Minister
met het oog daarop het belang van een casemanager dementie? En zo ja, waarom werpt
zij dan een financiële drempel op? Op de agenda van vandaag staat ook het onderzoek
van PwC naar de casemanagers. Wat neemt de Minister mee uit dit onderzoek?
Voorzitter. Een gezond gebit is geen luxe maar een basisbehoefte. We willen dan ook
graag weten wat de Minister gaat doen om ervoor te zorgen dat mensen de tandarts niet
mijden vanwege de kosten. Hoe gaat zij de financiële toegankelijkheid van mondzorg
structureel verbeteren en op welke termijn? Wat is de stand van zaken ten aanzien
van het realiseren van mondhygiënisten op bijvoorbeeld het consultatiebureau?
Voorzitter, tot slot. Onmisbaar in de keten van de eerste lijn is de apotheek. Voor
velen, vaak ook ouderen, is het de plek waar men binnenloopt voor laagdrempelig advies
over medicijnen. Enkele weken geleden ontvingen we bovendien ook nog een brandbrief
over de aanhoudende medicijntekorten. Een op de drie mensen wordt daarmee geconfronteerd,
terwijl er in veel gevallen geen sprake is van een absoluut tekort. Het preferente
medicijn is er niet. Wat gaat de Minister doen om de patiënt te helpen, maar ook om
die apotheker te helpen, die nu heel tijd kwijt is aan het zoeken naar alternatieven?
Voorzitter. Veel medicijnen worden ongebruikt teruggebracht en vernietigd. Hoe gaat
het kabinet deze verspilling tegen? Is vernietiging in alle gevallen wel nodig? Ik
denk aan de apotheker die zelf de medicatie naar het verpleeghuis vervoert en dus
ook weet waar het wordt opgeslagen. Is dan vernietiging nog wel nodig als deze producten
terugkomen?
Tot zover, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Wiersma, namens de BBB.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg staat niet op zichzelf, want de huisarts en de
spoedeisende hulp vormen samen de voordeur naar de zorg. Als de huisartsenzorg onder
druk staat, zien we dat direct terug op de spoedeisende hulp. Ik weet dat het vandaag
niet op de agenda staat, maar ik denk dat die twee communicerende vaten zijn. Ruggespraak
met een spoedeisendehulparts is voor huisartsen van levensbelang. Daarom is het ook
zo zorgelijk dat ook daar de tekorten oplopen. Er staan ruim 100 vacatures open voor
spoedeisendehulpartsen, terwijl de belangstelling voor de opleiding groot is. Tegelijkertijd
zien we dat het kabinet bezuinigt op opleidingsmiddelen voor medisch specialisten.
Dat wringt.
Een tekort aan spoedeisendehulpartsen leidt tot meer noodstops, langere wachttijden
en uiteindelijk tot meer druk op de huisartsenposten. Het zijn dus, zoals ik al zei,
communicerende vaten. Kabinetten hebben jarenlang vastgehouden aan het onafhankelijke
advies van het Capaciteitsorgaan, ook wanneer dit advies volgens de beroepsgroepen
zelf te laag uitviel. Maar dit kabinet bezuinigt 110 miljoen op de opleidingsplaatsen.
Dat zien we terug in het regeerakkoord en de Voorjaarsnota. Mijn vraag aan de Minister
is daarom of het ministerie het advies van het Capaciteitsorgaan voor de opleidingsplekken
van spoedeisendehulpartsen in zijn geheel zal overnemen. En zo nee, welke alternatieven
zijn er dan?
De nabijheid tussen huisartsenzorg en een goed functionerende spoedeisende hulp is
belangrijk. Regionale ziekenhuizen spelen daarin een sleutelrol, maar die positie
staat al jaren onder druk. De Minister heeft eerder toegezegd in het eerste kwartaal
met een brief te komen over het groeipad naar budgetbekostiging voor de spoedeisende
hulp. Dat raakt direct aan de toegankelijkheid van de zorg in de regio. Als regionale
ziekenhuizen financieel onder druk blijven staan, komt ook de samenwerking met de
eerstelijnszorg in het nauw. Kan de Minister bevestigen dat 2028 nog steeds haalbaar
is voor het versterken van de financiële positie van regionale ziekenhuizen? Als dat
niet zo is, is zij dan bereid om te kijken naar een overbruggingsfonds voor regionale
ziekenhuizen, zoals bijvoorbeeld een beschikbaarheidsbijdrage, zodat die discussies
over staatssteun kunnen worden voorkomen?
Voorzitter. Naast de infrastructuur gaat het uiteindelijk om mensen. De tekorten aan
huisartsen, spoedeisendehulpartsen, maar ook andere specialisten, laten zien dat we
strategischer moeten gaan kijken naar opleidingen. BBB heeft daar eerder een voorstel
voor gedaan en afgelopen week is er ook een motie van BBB over aangenomen. Maar in
2022 diende mijn fractie een motie in die wat verder ging en die vroeg om naar Beiers
voorbeeld studenten die arts willen worden, maar buiten de boot vallen bij de selectie,
toch een opleidingsplek te geven als zij zich vervolgens committeren aan de regio
waar er tekorten zijn.
Dat idee staat niet op zichzelf, want recent onderzoek van een postdoctoraal onderzoeker
van UMC Utrecht, overigens in opdracht van het Ministerie van VWS, laat zien dat het
toelatingsbeleid voor geneeskunde regionale huisartsentekorten juist in stand doet
houden. Regio’s met de grootste tekorten leveren namelijk de minste geneeskundestudenten.
Ik kom zelf uit zo’n regio, namelijk Noord-Friesland. In landen als Duitsland, Canada
en Japan wordt daarom juist bewust gekozen voor studenten uit tekortregio’s, vaak
gekoppeld aan de afspraak dat ze later ook in zo’n regio gaan werken. Is de Minister
bereid om serieus te kijken naar strategisch toelatings- en opleidingsbeleid, waarbij
we gericht artsen opleiden voor regio’s waar de tekorten het grootst zijn? Want zonder
voldoende artsen, zowel in de eerste lijn als op de spoedeisende hulp, blijft toegankelijke
zorg in de regio een papieren belofte.
Dank.
De voorzitter:
Veel dank voor uw inbreng. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer
Poortman, namens het CDA.
De heer Poortman (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Het is vandaag al vaker gezegd: de eerstelijnszorg is de spil
van het Nederlandse zorgstelsel. Het zorgt ervoor dat de zorg toegankelijk is voor
iedereen en het maakt zorg dicht bij huis mogelijk. Mensen hebben een vertrouwd eerste
aanspreekpunt voor hun gezondheidsvragen en de eerstelijnszorg heeft een noodzakelijke
poortwachtersfunctie waardoor onnodig gebruik van tweedelijnszorg wordt voorkomen.
Huisartsen, fysiotherapeuten, apothekers en wijkverpleegkundigen ervaren nu al grote
druk op hun werk. We zien verder dat er nog te weinig gericht wordt op samenwerking
in de wijk en op het voorkomen van zorg. Ik wil dat vandaag op een paar punten toelichten.
Laat ik beginnen met de huisartsenzorg. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt
over het versterken van de eerstelijnszorg, waarbij terecht aandacht wordt gevraagd
voor de toegankelijkheid van de huisartsenzorg. Afgelopen donderdag hebben we daar
op specifieke onderdelen al bij stilgestaan, bijvoorbeeld de toegankelijkheid, maar
ik zou de Minister nu willen vragen toe te lichten hoe zij aanvullend op de afspraken
uit het AZWA aan de slag gaat met de afspraken in het coalitieakkoord om het tekort
terug te dringen en huisartsen te helpen met de huisvesting.
In een tweeminutendebat afgelopen donderdag heb ik gevraagd naar de verbetering van
de bekostiging. De Minister gaf toen aan dat ze met de NZa in gesprek gaat over die
bekostiging en de inrichting van segment 3. Ik ben nieuwsgierig naar de uitkomsten
van dat gesprek en ook wel wanneer we hierover wat meer informatie kunnen krijgen.
De fysiotherapie. Dank aan de Minister voor haar beleidsreactie op het NZa-marktonderzoek
naar fysiotherapie en het onderzoek naar aanleiding van de motie-Krul naar een oplossing
voor de tarifering van fysiotherapeuten. Maar de knelpunten bij de bekostiging van
de fysiotherapie zijn al sinds 2020 bekend. De NZa bevestigt die opnieuw in haar marktonderzoek,
maar er is nog steeds geen concrete oplossing gevonden. De Minister schrijft dat ze
het standpunt van de NZa deelt dat eventuele knelpunten effectiever via bestaande
instrumenten aangepakt kunnen worden. Mijn vraag aan de Minister is wat zij daarmee
precies gaat doen, zodat er ook een oplossing gevonden kan worden.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Op het punt van tarieven heb ik twee hele simpele vragen. Deelt het CDA de opvatting
dat de tarieven voor de huisartsenzorg ontoereikend zijn op dit moment en dat die
echt verbeterd dienen te worden? Dat is één. Twee. Deelt het CDA de opvatting dat
er voor de fysiotherapie eigenlijk ook minimumtarieven zouden moeten komen?
De heer Poortman (CDA):
Om met het tweede te beginnen: dat durf ik niet te zeggen; daar zou ik me even in
moeten verdiepen. Het eerste punt deel ik. Ik kan me bijvoorbeeld voorstellen dat
de regio een belangrijker aspect gaat vormen dan de verleende zorg, dus dat de populatie
sterker meegewogen gaat worden in de tarifering van de huisarts. Maar ik ben benieuwd
hoe de Minister dat uit gaat werken. Meneer Bushoff zegt dat hij maar drie vragen
heeft, maar ik zie dat hij popelt!
De voorzitter:
Meneer Poortman, vervolgt u uw betoog.
De heer Poortman (CDA):
Over de apotheekzorg kwam naar buiten dat als gevolg van de oorlog in Iran medicijnvoorzieningen
in het gedrang dreigen te komen. In dat licht is de afspraak in het coalitieakkoord
om overmedicatie en verspilling van medicijnen tegen te gaan extra relevant. Ik ben
benieuwd of de Minister kan aangeven wat ze gaat doen om daar invulling aan te geven.
Eerder kwam al de motie-Van Dijk over ontpillen langs; die geeft een richting. Ook
daar is al veel over gesproken, maar ik ben benieuwd hoever we in de uitvoering daarvan
of in het ontwikkelen van uitvoering zijn.
Tot slot de wijkverpleging. Dank aan de Minister voor haar uitgebreide brief over
de toekomst van de wijkverpleging. Wijkverpleegkundige zorg is enorm belangrijk; dat
werd ook al eerder onderstreept. Je komt immers bij mensen achter de voordeur. Daarmee
heeft de wijkverpleging een belangrijke preventieve functie. Toch vinden we het ook
rechtvaardig om een eigen bijdrage te vragen, zoals is afgesproken in het coalitieakkoord.
Dat doen we op bijna alle terreinen in de zorg. Natuurlijk zijn we niet doof voor
de zorgen die er bij veel mensen en wijkverpleegkundigen leven. Daarom is een zorgvuldige
uitwerking van belang. De Minister geeft een eerste aanzet voor hoe ze die eigen bijdrage
wil vormgeven. Het zou volgens ons ook goed zijn als ze in haar brief van voor de
zomer een aantal opties uitwerkt over hoe we dit zouden kunnen doen en hoe we ervoor
kunnen zorgen dat de preventieve functie van de wijkverpleging zo goed mogelijk behouden
blijft. Voor nu is mijn vraag: kan de Minister al iets meer zeggen over waar ze bijvoorbeeld
aan denkt? En is de Minister ook bereid om breder te kijken dan specifiek de Zorgverzekeringswet,
waar de wijkverpleging nu onder valt? Een optie zou zijn om een deel van de wijkverpleging
bij de Wlz onder te brengen, waar al een eigen bijdrage geldt.
Tot zover.
De voorzitter:
Hartstikke goed, meneer Poortman. Er is een interruptie van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Onderwijl gaat mijn telefoon; dat is heel vervelend. Wij zijn echt mordicus tegen
de eigen bijdrage voor de wijkverpleegkundige, want we weten hoe de wijkverpleegkundigen
werken en hoe laagdrempelig zij zijn. Als zij een signaal krijgen van iemand uit de
buurt en horen dat het echt slecht met iemand gaat, bellen ze ook aan. Je kunt nog
niet zomaar binnenkomen. Dat vergt best wel meer tijd. Je moet daar dus vaker langsgaan
voordat mensen je überhaupt binnenlaten. Als dat dan een prijskaartje heeft, dan kom
je nooit meer binnen. Wat dan uiteindelijk resulteert, zal een veel zwaarder en groter
probleem zijn voor de maatschappij. Ik ben dus wel benieuwd hoe het CDA dan toch vindt
dat een eigen bijdrage voor de wijkverpleegkundige voor hen wel acceptabel is.
De heer Poortman (CDA):
Ik denk dat we dat in beginsel anders zien. Ik weet niet of de eigen bijdrage ervoor
zorgt dat mensen geen wijkverpleging zouden willen. Het hangt vervolgens wel af van
de uitwerking van dat voorstel. Daar ben ik heel benieuwd naar. Ik ben dus benieuwd
waar de Minister mee komt. Dat zullen wij kritisch volgen. Maar in beginsel zijn wij
niet tegen, omdat ik mij afvraag of het niet ontvangen van wijkverpleging per se samenhangt
met die eigen bijdrage.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb een vraag aan de heer Poortman. Het CDA is bij uitstek een partij die oog heeft
voor de regio. In mijn bijdrage maakte ik melding van het tandartsentekort in Zeeland.
Dat is echt extreem: 150 tandartsen op 400.000 mensen. Wat zou het CDA willen bewerkstelligen
om dat tekort kleiner te maken? Is hij bereid om ook volop steun te geven aan een
nieuwe opleidingslocatie in Zuidwest-Nederland, met het oog op nieuwe tandartsen?
De heer Poortman (CDA):
Goed punt; interessante vraag. Als ik «ja» zeg, kan ik dat niet goed overzien, dus
dat doe ik niet, maar ik ben wel bereid om daar even naar te kijken en daarin mee
te denken.
De voorzitter:
De heer Dobbe. Mevrouw Dobbe. Ik zat nog met «de heer Van Dijk in tweede instantie»,
excuus. Mevrouw Van Dobbe. Ik raak nu even in de war. Ik kijk eerst naar de heer Van
Dijk. U wilt niet in tweede instantie? Mevrouw Dobbe is aan het woord.
Mevrouw Dobbe (SP):
We zijn bijna gefuseerd in dit debat, zo! Mevrouw Dobbe had inderdaad nog een interruptie
voor het CDA. Het CDA doet een pleidooi als voorstander van de eigen bijdrage in de
wijkverpleging. Mevrouw Van Brenk zei net heel terecht dat wijkverpleegkundigen bijvoorbeeld
zeggen dat ze dan niet meer bij mensen binnen zullen komen en dat een aantal ouderen
niet meer gezien zullen worden. Er wordt breed gewaarschuwd dat ouderen hierdoor verwaarloosd
kunnen raken en dat het grote problemen gaat opleveren. Tegelijkertijd zegt het CDA
niet doof te zijn voor de signalen en de bezwaren die het hierover krijgt. Maar die
bezwaren zijn superbreed: ze komen van zorgverleners, patiëntenorganisaties, ouderenorganisaties
en experts. Hebben zij dan allemaal ongelijk? Waarom denkt het CDA: wij zien het toch
anders; al die waarschuwingen kloppen niet en dit gaat allemaal niet gebeuren? Hoe
weet het CDA dat zo zeker?
De heer Poortman (CDA):
Die zekerheid dat alles zo zal gaan, zoals u het zegt, herken ik niet bij mezelf.
Ik denk alleen dat je op meerdere manieren in een samenleving en in de wijk kunt investeren.
We hebben ook het gemeenschapsfonds. Daarbij kijken we überhaupt naar gemeenschappen
en naar het versterken van de samenleving. Je moet het dus zien binnen een breder
pakket dat de coalitie wil. Het hangt niet alleen samen met de wijkverpleging. De
wijkverpleging is onderdeel van hoe we de samenleving zien en wat we willen investeren
in de samenleving. Je moet het dus in dat kader zien. We vinden ook dat de kritische
signalen meegenomen moeten worden in de uitwerking, maar het is nu te vroeg om op
voorhand te zeggen dat de eigen bijdrage alleen een onoverkomelijke barrière gaat
vormen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is natuurlijk niet te vroeg om dat te zeggen. Door de mensen die het werk doen
en de mensen die zorg krijgen, wordt heel breed gewaarschuwd: doe dit niet. Er wordt
niet gezegd: «Oké, je kan het doen. Voer het uit. We kijken mee om dit te voorkomen.»
Nee, ze zeggen: «Als je een eigen bijdrage in de wijkverpleging invoert, dan gaat
het mis.» Waarom kiest het CDA er dan toch voor, dit wetende? Het betreft namelijk
de mensen die echt dit werk doen. Zij weten hoe het gaat in de praktijk. Waarom kiest
het CDA dan toch voor deze maatregelen? Er zijn zo veel andere maatregelen die het
CDA kan nemen. Dat doet het ook. Die steunen we vaak óók niet. Maar van deze maatregel
is heel duidelijk dat je het niet moet doen. Waarom dan toch hieraan vasthouden?
De heer Poortman (CDA):
Omdat het niet zo zwart-wit is. We gaan niet alleen voor een eigen bijdrage in de
wijkverpleging, maar we investeren ook in de wijk en in de gemeenschappen in de wijk.
Het is en-en. Ik denk dat als je daarin investeert, als je omziet naar elkaar en daar
oog voor hebt, het ook een andere functie kan hebben, naast de wijkverpleging. Het
gaat dus niet alleen maar om de eigen bijdrage. We investeren tegelijkertijd in de
wijk en in de gemeenschap.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Het CDA heeft het over «het totaalpakket» of «het brede pakket». Maar het brede pakket
houdt natuurlijk ook in dat tegenover de investeringen in de buurten een hoog eigen
risico staat en dat de tegemoetkoming voor de chronisch zieken wordt afgeschaft. Daarnaast
komt er nog een eigen bijdrage in de wijkverpleging. Ik zou het CDA willen voorstellen:
als u het brede pakket schetst, doe dit er dan bij. Het zijn namelijk dezelfde mensen
die dit voor hun kiezen krijgen. Nu kom ik bij de eigen bijdrage in de wijkverpleging.
Klopt het dat ik het CDA eigenlijk het volgende hoor zeggen? «Alle signalen nemen
het gewoon voor lief. We gaan dit gewoon doen.»
De heer Poortman (CDA):
Nee. Er geldt nu geen eigen bijdrage, dus alles wat daar nu over gezegd wordt, is
een voorspelling. Het is een serieuze voorspelling. Die moet je meenemen in de uitwerking
en serieus nemen. Je moet kijken hoe je het vorm gaat geven. We gaan kijken naar de
uitwerking en de uitvoerbaarheid ervan.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik kan eigenlijk helemaal niks met dit antwoord en ik denk de mensen die deze signalen
afgeven ook niet. De vorige keer, bij de begrotingsbehandeling VWS, stonden we plenair.
Toen hadden we net een petitie ontvangen van Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland.
Zij hadden toen meer dan 30.000 handtekeningen verzameld voor een petitie tegen de
eigen bijdrage. We waren daar allemaal bij. De casemanagers dementie vertelden ons
verhalen over wat het zou betekenen voor mensen als je een eigen bijdrage invoert.
Dat is niet een stukje techniek, zo van: we gaan even kijken hoe we dit juridisch
kunnen dichttimmeren. Dit gaat gewoon over het leven van mensen. Zij geven gewoon
aan dat mensen hierdoor zorg zullen uitstellen en zorg zullen weigeren. Dat is niet
een soort... Dat is geen papier. Dat is gewoon de werkelijkheid waar mensen straks
tegenaan zullen lopen. Ik zou u toch nog een keer willen vragen, meneer Poortman,
om hier gewoon van af te zien. Die signalen zijn serieus. Het heeft ontzettend grote
gevolgen voor mensen die de wijkverpleging zo hard nodig hebben.
De heer Poortman (CDA):
Nogmaals, die signalen zijn inderdaad helder en die moeten worden meegenomen in de
uitwerking van deze plannen, maar voor nu is er geen reden om daar al van af te zien.
De voorzitter:
U was aan het einde gekomen van uw inbreng. Dan zijn we bij de volgende spreker. Dat
is de heer Bevers namens de VVD.
De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. De eerstelijnszorg is de basis van de uitstekende gezondheidszorg
in Nederland. Huisartsen, apothekers, tandartsen en diverse paramedici zoals diëtisten
en fysiotherapeuten zorgen voor een solide en betrouwbare zorg, die bovendien dicht
bij de patiënt thuis wordt geleverd. Ook in het coalitieakkoord onderkent de VVD,
samen met de andere partijen, het nadrukkelijke belang van de eerstelijnszorg en de
huisarts bij het kiezen voor passende zorg. Ik citeer er letterlijk uit: bij deze
beweging hoort ook het verder versterken van de eerstelijnszorg en de toegankelijkheid
van de huisartsenzorg. Het continueren van de inhoudelijke en financiële afspraken
in de huidige akkoorden, zoals het AZWA, hoort daar vanzelfsprekend bij. Dat is ook
op die manier geregeld.
De VVD staat ook voor de duidelijke keuze die gemaakt wordt voor passende zorg: zo
dicht mogelijk bij mensen thuis. De eerstelijnszorg zal daar een onmisbare schakel
in zijn en de huisarts zal hier een belangrijke rol bij spelen. Om de lijn van de
passende zorg in de eerste lijn zo veel mogelijk te kunnen realiseren zijn voldoende
huisartsen nodig en daarnaast artsen ouderenzorg en artsen verstandelijk gehandicapten.
Het Capaciteitsorgaan adviseerde begin 2026 dat er meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde
en artsen VG moeten worden opgeleid. Maar helaas, lang niet alle plekken worden opgevuld
in onder andere de huisartsenopleiding. Die andere artsen zijn ook hard nodig om de
huisartsen te ondersteunen in de eerste lijn. Mijn vraag aan de Minister is hoe zij
kijkt naar het pleidooi van onder andere de Landelijke Huisartsen Vereniging voor
een nieuw gezamenlijk actieplan om meer huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde
en artsen VG op te leiden.
Veel jonge huisartsen willen geen praktijkhouder meer worden omdat de regeldruk en
de administratieve lasten te hoog zijn. Mijn vraag aan de Minister is of zij bekend
is met deze trend en wat zij kan doen om dat praktijkhouderschap in de volle breedte,
dus ook huisvesting, aantrekkelijker te maken voor jonge huisartsen.
Doktersassistenten zijn ook een punt van aandacht binnen de huisartsenzorg. Er is
met name een tekort aan stageplaatsen. Huisartsen willen graag hun bijdrage daaraan
leveren, maar lopen aan tegen praktische beperkingen. Het tekort binnen de huisartsenzorg
is echter wel heel groot. Is de Minister het met de VVD eens dat gezien het grote
aantal vacatures hier actie op nodig is? Is zij bereid om met de huisartsen in gesprek
te gaan om te bekijken hoe beperkingen weggenomen kunnen worden?
Voorzitter. Passende zorg betekent soms ook geen zorg, omdat de klachten van de patiënt
andere oorzaken hebben en niet op te lossen zijn door zorg, maar door bijvoorbeeld
een omgeving waarin ruimte is voor ontmoeting. Het kabinet trekt extra geld uit voor
de ontwikkeling van de zogenaamde zorgzame wijken en buurten. Sociale cohesie is namelijk
niet afdwingbaar en anno 2026 niet meer vanzelfsprekend. Je zult dus moeten investeren
om dat in gang te zetten. De VVD denkt dat het sociaal werk in brede zin een heel
belangrijke rol kan spelen. De sociale omgeving is van belang bij het vinden van oplossingen
rond bijvoorbeeld eenzaamheid, dementie en andere aandoeningen waarbij een medische
interventie niet altijd de beste optie is. Wijkteams met sociaal werkers en andere
professionals sluiten naadloos aan bij de ontwikkeling van de sociale cohesie in wijken
en buurten. In het AZWA worden de nodige stappen gezet om de betrokkenheid van het
sociaal domein te vergroten, maar ik wil nadrukkelijk de vraag aan de Minister stellen
hoe zij deze rol denkt definitief te gaan borgen, zodat dit een gegeven wordt van
de dagelijkse praktijk.
Voorzitter. Ten slotte nog een opmerking over de versterking van de farmaceutische
patiëntenzorg. Het is al een aantal keren genoemd, ook door de heer Claassen. Dat
gaat met name over de term «ontpillen» en de vraag hoe je daarmee om kan gaan. Ik
heb begrepen dat het mogelijk is om een aantal zaken rond medicatie-evaluaties te
doen. Maar vaak gaat het dan om het totale pakket van medicijnen dat iemand slikt
en niet om bijvoorbeeld een individueel middel en de ruimte om daarover het gesprek
aan te gaan. Die vergoeding lijkt niet of slechts beperkt mogelijk. Mijn vraag aan
de Minister is heel concreet hoe zij hiertegen aankijkt. Is zij eventueel bereid om
te kijken of daar een zogenoemde andere betaaltitel voor mogelijk is?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Veel dank. Mevrouw Van Brenk heeft een interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De collega van de SGP sprak al over de huisartsenspoedzorg en over het feit dat daar,
om die 24/7-beschikbaarheid te realiseren, zelfstandige huisartsen actief zijn die
als zzp’ers nog weleens vastlopen op de nieuwe wet voor zelfstandigen. Ik ben benieuwd
hoe de VVD daarin zit, want we moeten er wel voor zorgen dat dit mogelijk blijft.
Hoe kijkt de VVD daartegenaan?
De heer Bevers (VVD):
Helemaal eens. Wij hebben in een heel vroeg stadium via de Minister van VWS aan de
Minister van Sociale Zaken gevraagd om bij de uitvoering van de huidige wet nadrukkelijk
een uitzondering te maken voor de huisartsenposten. We hebben daar als VVD een bijeenkomst
over georganiseerd, waarbij we met huisartsen hebben gesproken die in die situatie
zitten. We moeten daar echt ruimte voor creëren. Dat is echt een voorwaarde voor die
Zelfstandigenwet. Juist voor de huisartsenposten geldt dat het vaak zelfstandige huisartsen
zijn die op een aantal posten de avond-, nacht- en weekenddiensten draaien. Ik ben
het helemaal met u eens. Ik vind het echt een voorwaarde voor de nieuwe Zelfstandigenwet
dat dat goed geregeld is.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer: de heer
Bushoff namens GroenLinks-PvdA.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Nogmaals welkom aan iedereen op de publieke tribune, maar
in het bijzonder aan de hele grote groep startende huisartsen die hier vandaag aanwezig
is. Dat legt natuurlijk ook gelijk een klein beetje een hypotheek op dit debat. Zowel
de Kamer als het kabinet zou erin moeten slagen om deze jonge huisartsen het gevoel
te geven dat we hun problemen voldoende snappen en met oplossingen komen, zodat zij
zo meteen allemaal blijven kiezen voor het prachtige huisartsenvak. Die druk ligt
wel op dit debat, zeg ik ook in de richting van het kabinet.
Voorzitter. Vier minuten en vier onderwerpen die ik wil aanstippen: ik ga er snel
doorheen. Ik probeer het in vier minuten te doen. Allereerst over de huisartsen. Die
zijn echt het fundament van ons zorgstelsel. Nou zijn er een heel aantal voorstellen
in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord en in de initiatiefnota die de Kamer twee
jaar geleden heeft behandeld, geland om ervoor te zorgen dat er voldoende praktijkhoudende
huisartsen zijn. Nu is het zaak om van papier naar praktijk te komen. Ik denk dat
het belangrijk is dat het kabinet ook op reguliere basis de Kamer een uitvoeringsagenda
doet toekomen waarin staat hoe het staat met al die voornemens uit die twee papieren
boekwerken, namelijk de initiatiefnota en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord.
Ik zou de Minister willen vragen of zij in die uitvoeringsagenda ook de ervaringen
van de jonge startende huisartsen wil meenemen.
Voorzitter. Heel specifiek ben ik nog benieuwd naar hoe het staat met het voorstel
om jonge startende huisartsen meer ruimte en tijd te geven om een eigen praktijk op
te starten, zodat ze dat niet alleen in hun «vrije tijd» – ik zeg het expres tussen
aanhalingstekens – hoeven te doen. Daar zouden ze vanuit de zorgverzekeraars meer
ruimte en tijd voor moeten krijgen. Daar ben ik dus nog specifiek benieuwd naar.
Ik heb het al eerder genoemd: de tarieven van de huisartsen zijn nu ontoereikend.
Die moeten echt herijkt worden. De deadline voor wanneer dat moet gebeuren nadert,
dus ik ben benieuwd of de Minister daar inmiddels al iets over kan zeggen.
Voorzitter. Dan ga ik heel snel door naar apotheekzorg. Daarover heb ik eigenlijk
één punt. We weten allemaal dat er geneesmiddelentekorten zijn. Op het moment dat
er een tekort is aan een geneesmiddel, mag een apotheker een ander geneesmiddel dan
voorgeschreven in het preferentiebeleid aankopen en dat verhandelen. Eventueel mag
de apotheker zelfs iets uit het buitenland halen. Maar op het moment dat het geneesmiddel
dat wordt voorgeschreven door het preferentiebeleid wel weer beschikbaar is, moet
dat geneesmiddel weer verkocht worden door de apotheek en blijft de ingeslagen voorraad,
die eventueel is geïmporteerd vanuit het buitenland, of dat andere middel dat als
vervanging diende voor het middel dat even niet beschikbaar was, gewoon op de plank
liggen. Dat is zonde. Dat is geneesmiddelenverspilling. Ik zou willen dat we daar
iets aan zouden kunnen veranderen. Is de Minister dat met mij eens?
Voorzitter. Dan nog fysiotherapie. Daar is een onderzoek naar gedaan door de NZa.
Zij hebben, even heel kort door de bocht gezegd, geconstateerd dat er niet zo veel
aan de hand is. Toch zien we dat steeds meer fysiotherapeuten het vak verlaten en
dat de verwachting is dat nog meer fysiotherapeuten het vak zullen gaan verlaten,
terwijl dat echt een cruciale beroepsgroep is voor die eerstelijnszorg en voor passende
zorg. Ik denk dat het belangrijk is dat we toch toegaan naar die minimumtarieven.
Hoe kijkt het kabinet daarnaar?
Voorzitter, nog één onderwerp. We weten dat er soms veel gefraudeerd wordt in de zorg,
geschat wordt een bedrag van 10 miljard. De NZa kwam laatst met het bericht dat er
zo’n 311 miljoen aan winst is uitgekeerd in de zorg. Ik ben heel benieuwd wanneer
we de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders kunnen verwachten
en of de Minister al iets kan zeggen over hoe deze wet eruit gaat zien.
Ook zou ik de Minister een vraag willen stellen over specifiek de mondzorg voor ouderen.
Zou het niet verstandig zijn om richtlijnen op te stellen voor wat nog zinvol is aan
mondzorg voor ouderen? Zo las ik laatst het bericht dat er bij iemand van 90 jaar
een declaratie van € 10.000 is ingediend. Dat kan volgens mij niet de bedoeling zijn.
Bovendien is het volgens mij zo dat ouderenzorginstellingen een bedrag krijgen voor
mondzorg, maar dat die mondzorg ook nog eens door de tandarts gedeclareerd kan worden.
Er zou dus sprake kunnen zijn van een dubbele declaratie. Klopt dat? Vindt het kabinet
dat dan ook onwenselijk?
Voorzitter. Volgens mij ga ik door mijn tijd heen.
De voorzitter:
Ik wilde net zeggen «komt u tot een afronding?», dus u voelde het goed aan.
De heer Bevers (VVD):
Ik heb vanochtend dezelfde groep huisartsen gesproken. Ik heb daarbij de opmerking
gemaakt dat het niet tot de basiscompetenties van Kamerleden behoort om soms de nuance
te zoeken, maar ik ga het toch proberen bij collega Bushoff. Hij had het over winst-
en dividenduitkeringen. We kennen het standpunt van GroenLinks-PvdA over privaat kapitaal
in de zorg, maar ik ga toch proberen om met u een nuance te zoeken. We kunnen het
wel heel erg platslaan en zeggen dat we het niet willen, maar in heel veel situaties
– ik ken dat zelf vanuit Leeuwarden – zijn er praktijken die uitstekend functioneren
volgens alle normen, met praktijkondersteuner, maar die wel als bedrijf worden gerund,
omdat er heel grote risico’s in zitten die om private investeringen vragen, dus eigen
geld dat ze meebrengen. Dat gebeurt soms in een bv en daar wordt inderdaad soms ook
wat winst in uitgekeerd. Is collega Bushoff bereid om met mij te zoeken naar een manier
waarop je ervoor zorgt dat dat soort bedrijven – het geldt ook voor apotheken en een
aantal anderen – die wel kiezen voor een bedrijfsmatige benadering maar niet worden
...
De voorzitter:
De interrupties moeten echt korter, geen lange betogen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ja, op zich wel, want laten we duidelijk zijn: een praktijkhoudende huisarts is in
zekere zin ook gewoon een ondernemer en mag ook gewoon winst uitkeren. Loon aan zichzelf
is bijvoorbeeld in principe de winst die een praktijkhoudende huisarts maakt. Daar
is helemaal niks mee. Maar het gaat wel fout – volgens mij zei de directeur van CZ
dat vandaag ook nog in een groot krantenartikel – op het moment dat winst belangrijker
wordt gemaakt dan de kwaliteit van zorg. Dan schuurt het. We zagen dat dat het geval
was bij het beruchte Co-Med en ik denk dat we dat ook zien in het geval van enkele
praktijkvoorbeelden rondom de mondzorg, met name bij mondzorg die verleend wordt in
de ouderenzorg. Waar moet je dan de balans zoeken? Die kun je bijvoorbeeld zoeken
in die Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, door voorwaarden
te stellen aan wanneer er winstuitkeringen gedaan mogen worden. Dat kan bijvoorbeeld
alleen als dat de kwaliteit van de zorg ten goede komt en alleen op het moment dat
er voldoende weerstandsvermogen is en het bedrijf financieel gezond is. Al dat soort
voorwaarden zou je moeten stellen aan winstuitkeringen in de zorg. Precies daarom
is die wet, die nu nog op de plank ligt, zo hard nodig. Ik kijk er enorm naar uit
om die wet te behandelen. We hebben in een eerder stadium al een aantal amendementen
ingediend om die wet beter te maken. Dus ...
De voorzitter:
Meneer Bushoff ...
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dus vandaar mijn vraag wanneer die wet komt.
De voorzitter:
U had de vraag al beantwoord, meneer Bushoff. Een korte wedervraag van de heer Bevers.
De heer Bevers (VVD):
Een korte constatering. Ik denk dat met deze nuance GroenLinks-Partij van de Arbeid
en de VVD het misschien wel eens meer eens kunnen zijn dan we soms denken.
De voorzitter:
Alles kan. Had mevrouw Wiersma nog een vraag? Ik zie dat dat niet zo is. De anderen
ook niet, zo te zien. Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is de heer Vervuurt
namens D66.
De heer Vervuurt (D66):
Dank u wel, voorzitter. Goede zorg begint in de buurt, bij een vaste huisarts die
je kent en waar je snel terechtkunt als dat nodig is. De huisarts is de eerste plek
waar mensen aankloppen met hun zorgen. Daardoor komen problemen zoals schulden, eenzaamheid,
een ongezonde leefstijl of stress daar al vroeg aan het licht. Hele grote problemen,
maar ook problemen die eigenlijk in het sociaal domein horen. Dat kan anders en dat
kan beter. Wanneer we het sociaal domein en de huisarts beter op elkaar afstemmen,
blijft de huisarts een vertrouwde plek om naartoe te gaan met medische vragen en kan
het sociaal domein invulling geven aan de niet-medische problemen. Daarvoor moet de
samenwerking met het sociaal domein wel goed georganiseerd zijn. Mijn fractie wil
daarom werk maken van sterkere eerstelijnszorg, waarin de huisartsen, de wijkverpleging,
de apothekers en het sociaal domein goed samenwerken, zodat mensen nu en in de toekomst
sneller en beter geholpen worden. Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze samenwerking
beter tot stand komt en er tegelijkertijd minder druk komt op de huisartsenzorg?
Voor steeds minder mensen is een vaste huisarts vanzelfsprekend. De toegankelijkheid
staat onder grote druk. Neem de huisartsenzorg in de provincie Friesland. Daar zijn
nu al te grote tekorten aan praktijkhouders en daar gaan de komende jaren tientallen
huisartsen met pensioen. Als we niet ingrijpen, komen daardoor in 2030 naar schatting
meer dan 100.000 Friezen zonder huisarts te zitten. Maar we zien ook goede initiatieven
ontstaan in het veld. In Zeeland is er ook een groot tekort. Daar wordt nu beter samengewerkt
en regionaal opgeleid. Zo zijn er steeds meer succesverhalen van praktijken die toekomstbestendig
worden. In Bergen op Zoom scheelde het openbaar delen van wachtlijsten van praktijken
en de digitalisering van intakeprocessen bijvoorbeeld een jaar aan administratietijd.
Hoe gaat de Minister dit soort initiatieven ondersteunen en helpen opschalen? Hoe
zorgt de Minister ervoor dat deze aanpak en andere succesvolle aanpakken sneller worden
uitgerold op plekken waar de druk het grootst is?
Voorzitter. We weten allemaal dat een huisartsenpraktijk niet alleen draait op de
huisarts. Helaas is er ook aan doktersassistenten een groot tekort en staat de instroom
onder druk, onder andere door een tekort aan stageplekken. Dat is natuurlijk dubbel
wrang. Als we zo veel mogelijk doktersassistenten in de praktijk willen hebben, moeten
we alles op alles zetten om stageplekken te realiseren. Wat doet de Minister, samen
met de Minister van OCW, om het tekort aan doktersassistenten en stageplekken aan
te pakken?
Voorzitter. De huisarts is waar men langsgaat met allerhande problemen. Laagdrempelige
huisartsenzorg – dat is vandaag al meerdere malen benoemd – is dan ook enorm belangrijk
voor ons zorgsysteem. Bij de huisarts word je geholpen of vind je de weg naar specialistische
zorg wanneer nodig. Deze centrale plek van de huisarts biedt dan ook kansen, kansen
om in te zetten op preventie en goed te verbinden met dat sociale domein. Als we alle
partijen in de eerste lijn goed aan elkaar kunnen verbinden, wordt de patiënt beter
geholpen, kan de huisarts zich bezighouden met waarvoor deze is opgeleid en kunnen
we de zorg verbeteren voor iedereen. Daarom vindt D66 het zo belangrijk dat iedereen
toegang heeft tot een vaste, fijne huisarts in de beurt. We rekenen erop dat de Minister
in de komende jaren alles op alles zet om die ambitie waar te maken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan bent u aan het einde gekomen van uw betoog.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Mevrouw Van Brenk stelde deze vraag aan de VVD en ik stel die nu aan D66; we hebben
de interrupties een klein beetje verdeeld met elkaar. Het gaat om de vraag over het
behoud van de flexibele schil van zzp-huisartsen, onder meer bij spoedposten en vergelijkbare
situaties. Is ook D66 van mening – ik hoor dat ook terug bij de VVD – dat we de noodzakelijke
flexibele schil moeten behouden in de nieuwe Zelfstandigenwet?
De heer Vervuurt (D66):
Voor ons is de continuïteit van de huisartsenzorg essentieel. Wij zien de onzekerheid
en de spanning die de Zelfstandigenwet op dit moment creëert in het veld. We vinden
het heel erg belangrijk dat die spanning en onzekerheid worden weggenomen. Een van
de oplossingen daarvoor kan zijn om in de Zelfstandigenwet ruimte te creëren waarbinnen
de flexibele schil gewoon kan functioneren. Dat is voor ons geen doel op zich, maar
het is wel belangrijk dat de continuïteit gewaarborgd wordt.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dit is toch de beproefde tactiek: als je te weinig tijd in je eigen inbreng hebt,
kan je het ook nog in een interruptie kan fietsen. Ik heb dus een vraag voor de heer
Vervuurt over C-support. Dat wordt afgeschaald. Dat is de ondersteuning waar mensen
met long covid terechtkunnen als ze vastlopen in het sociaal domein of als ze niet
weten waar ze naartoe moeten in de zorg. Ik denk dat een belangrijk probleem op dit
moment is dat het kennisniveau over long covid nog onvoldoende is in het sociaal domein,
bij verzekeringsartsen en op tal van andere plekken. Mijn vraag aan D66 is dus: zou
het niet verstandig zijn om C-support nog een jaar langer te laten bestaan, met de
specifieke opdracht om juist die kennis bij al die andere actoren te vergroten en
zichzelf daarmee eigenlijk overbodig te maken, in plaats van C-support nu al helemaal
af te schaffen?
De heer Vervuurt (D66):
Dat is een goede vraag van de heer Bushoff. Wij zien ook het goede werk dat C-support
in de afgelopen jaren heeft gedaan. We hebben naar aanleiding van het PAIS-debat de
intentie gezien om C-support sneller af te schalen dan aanvankelijk bedoeld. We weten
allemaal dat de intentie was om de diensten die C-support levert, op de langere termijn
te verankeren in de eerste lijn. Wat ons betreft zouden we dan vooral moeten focussen
op het zo goed en zo snel mogelijk verankeren van de kennis en expertise die is opgebouwd
binnen C-support in de eerste lijn, om ervoor te zorgen dat postcovidpatiënten en
patiënten met andere PAIS-aandoeningen zo goed mogelijk geholpen worden. Dat is wat
mij betreft het streven.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb een vraag over mondzorg en het vergoeden van tandartscontroles. De SP heeft
namelijk meerdere malen voorstellen gedaan om ervoor te zorgen dat in ieder geval
een jaarlijkse tandartscontrole vergoed wordt in het basispakket, zodat mensen ook
naar de tandarts kunnen als ze weinig geld hebben. Nou heb ik hier een supergoeie,
aangenomen motie. Die verzoekt de regering om een jaarlijkse tandartscontrole voor
iedereen op te nemen in het basispakket. Die was niet van de SP, maar van mevrouw
Paulusma, van D66. Nu wordt deze motie niet uitgevoerd. Vindt D66 dat deze D66-motie
zou moeten worden uitgevoerd?
De voorzitter:
Wat vindt D66?
De heer Vervuurt (D66):
Wat een onverwachte vraag! U kent ons programma. Deze motie is van onze hand. Onze
opvatting in dat opzicht is inderdaad dat mondzorg zo goed mogelijk gecontinueerd
zou moeten worden voor de mensen die dat het hardst nodig hebben. Een van de vormen
daarvoor zou het opnemen van mondzorg in het basispakket kunnen zijn, maar we zitten
in een coalitie. In een coalitie geef je en neem je bepaalde dingen. Deze coalitie
heeft er met het oog op de houdbaarheid en betaalbaarheid van de zorg voor gekozen
om dat niet te doen. Dat is het eerlijke antwoord.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We hoorden net een debatje tussen de VVD en PvdA-GroenLinks; sorry, ik ben nog niet
aan de naam PRO gewend. Dat ging over winsten in de zorg. Die baren ons zorgen, maar
ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe D66 aankijkt tegen winst maken in de zorg.
De heer Vervuurt (D66):
Ik moet zeggen dat ik goed geluisterd heb naar de interactie tussen de heer Bevers
en de heer Bushoff. Eigenlijk was mijn conclusie dat ik mij precies kon vinden in
de nuancering waar zij elkaar vonden. Ik denk niet dat private financiering an sich
een probleem is, maar dat er wel degelijk slechte uitwassen uit voortkomen, die ervoor
zorgen dat zorggeld, dat voor het zorgsysteem bedoeld is, niet naar de zorgkwaliteit
gaat. Ik denk dat dat uitwassen zijn die wij vrij Kamerbreed niet willen of niet moeten
willen. Daar ben ik dan ook tegen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan de volgende spreker, mevrouw Dobbe namens de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Het kabinet is van plan het eigen risico weer fors te verhogen, tot € 520.
Het is een principieel slechte maatregel om mensen te straffen voor ziektes, voor
pijn. Het eigen risico leidt tot ongelijkheid en zorgt voor een verdere privatisering
van de zorg. Veel mensen mijden nu al zorg door de kosten. Dan is later meer complexe
en duurdere zorg nodig. Het is dus ook nog eens duurder, maar er is nog een fundamenteel
probleem met het eigen risico: het is namelijk wantrouwend richting de huisarts. De
huisarts is een belangrijke poortwachter van ons zorgsysteem. Huisartsen verwijzen
nu al maar ongeveer 5% van de zorgvragen door. Waarom krijgen de mensen waarvoor de
huisarts heeft bepaald dat zorg echt nodig is, daarna nog een boete van € 520? Welke
reden heeft de Minister om eraan te twijfelen dat huisartsen dat doorverwijzen goed
doen of goed zouden kunnen? Graag een heel concreet antwoord. En moeten de tarieven
van de huisartsen niet omhoog? Bent u bereid om dat te doen?
Bijna een kwart van de mensen mijdt de tandarts vanwege de kosten. Mensen durven eerst
niet meer te lachen en daarna niet meer te werken, te solliciteren of naar buiten
te gaan. Dat gebeurt er als je aan iemands tanden of gebit kan zien hoeveel geld iemand
heeft. Mondzorg is basiszorg. Toch wordt mondzorg voor mensen boven de 18 niet vergoed
vanuit het basispakket. Het kost geld als je dit niet oplost. Volgens het Radboudumc
kosten de productiviteitsverliezen door tandziektes ons namelijk meer dan 3 miljard
euro per jaar. Waarom voert u de aangenomen motie van de SP niet uit? Waarom voert
u ook de aangenomen motie van D66 niet uit om een jaarlijkse tandartscontrole te vergoeden?
Maar er is nu, op korte termijn, meer nodig dan dat. Er zijn structurele oplossingen
nodig, maar we hebben ook de oproep gezien van Dokters van de Wereld en van andere
organisaties. Zij pleiten voor een landelijk noodfonds als kortetermijnoplossing,
om zo de mensen te helpen die nu ernstige gebitsproblemen hebben. Gupta heeft al eerder
onderzocht welke opties hiervoor beschikbaar zijn. Wilt u ervoor zorgen dat dit er
ook komt?
Maar liefst 19% tot 26% van onze mondzorg is in handen van private equity. Terwijl
mensen met kiespijn rondlopen omdat ze de kosten niet kunnen betalen, worden sprinkhaankapitalisten
rijk van onze mondzorg. De Kamer heeft al meerdere moties aangenomen om private equity
uit de zorg te halen. Hoe kijkt de Minister naar deze aangenomen moties en gaat ze
die nu ook uitvoeren?
Het kabinet is van plan om een eigen bijdrage voor de wijkverpleging in te voeren;
hier ging het al eerder over. Zorgverleners en patiënten waarschuwen ervoor dat meer
mensen hierdoor verwaarloosd zullen raken en dat ouderen vaker te laat zullen worden
gezien en sneller in het ziekenhuis komen te liggen. Hebben al deze zorgverleners,
patiëntenorganisaties, ouderenorganisaties en experts, met de kennis die zij hebben
vanuit hun werk en de ervaring uit de praktijk, volgens deze Minister dan ongelijk
met hun waarschuwingen? Zo niet, waarom gaat de Minister dan wel door met het invoeren
van deze eigen bijdrage?
Dan wil ik nog iets zeggen over de wijkverpleging en de vijfminutenregistratie. V&VN
waarschuwt namelijk dat het invoeren van een eigen bijdrage er, naast het opwerpen
van een drempel voor mensen om zorg te krijgen, ook voor gaat zorgen dat administratieve
lasten als een boemerang terug gaan komen. Denk aan de vijfminutenregistratie, die
nog niet eens is uitgebannen. Hoe moeilijk is het om de aangenomen motie die zegt
«geen vijfminutenregistratie meer in de wijkverpleging» uit te voeren? Als deze Minister
zegt «we krijgen de signalen niet» en «het komt maar weinig voor», dan zeg ik: pleeg
een belletje naar V&VN; die zal iets anders zeggen. Maar dan nog: als iets weinig
voorkomt, kun je het ook makkelijk uitbannen. Voer dus gewoon die motie uit.
Voorzitter, tot slot. Onverzekerde mensen worden soms geweigerd bij de huisarts. Ons
voorstel, dat eerder ook is aangenomen, is om met een actieplan te komen om toegang
van onverzekerde mensen tot de zorg te verbeteren. De eerste stap lijkt me om dit
nu te gaan regelen. Wanneer gaat de Minister dit doen? Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer. Er is een vraag van de heer Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Ik heb een vraag over de mondzorg, als dat kan. Om even buiten het financiële te komen:
voor kinderen is mondzorg gratis, maar een hele grote groep kinderen gaat niet. Er
is dus meer nodig dan alleen maar denken in termen van financiële prikkels; dat is
trouwens wat ongelukkig uitgedrukt. Hoe kunnen we er, even los van het financiële
aspect, samen voor zorgen dat grotere groepen mensen gebruik gaan maken van mondzorg?
Kunnen we de SP misschien vinden als het gaat om ideeën of voorstellen richting de
Minister over hoe we kwetsbare groepen bereiken en ze bewegen om toch mondzorg te
ondergaan?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit heeft ook te maken met sociaal-economische gezondheidsverschillen. Mondzorg voor
kinderen wordt inderdaad vergoed in het basispakket. Maar je ziet dat veel kinderen
niet gaan. Ik ben voor alle voorstellen die ervoor zorgen dat kinderen wel gaan. Dan
heb ik het zeker over kinderen uit wijken waar mensen wat minder geld hebben, want
daar zie je dat kinderen minder vaak gaan. Ik heb in mijn eigen stad, Arnhem, bijvoorbeeld
voorgesteld om de schooltandarts weer in te voeren. Mensen die wat ouder zijn kunnen
daar hele negatieve associaties bij hebben, maar die zijn tegenwoordig heel erg leuk
en heel erg lief. Eigenlijk zijn ze dat ook altijd al geweest. Ze zijn ook heel effectief.
Zij kunnen heel gericht dit soort problemen aanpakken en ervoor zorgen dat kinderen
wel naar de tandarts gaan. Kinderen gaan vaak niet naar de tandarts omdat de ouders
niet naar de tandarts gaan. Ouders gaan niet naar de tandarts omdat ze bang zijn voor
de kosten. Ik zou het dus jammer vinden als je het helemaal los van elkaar trekt.
Daarmee los je namelijk niet het onderliggende probleem op. Want als de ouders zelf
meer naar de tandarts gaan, dan gaan de kinderen ook.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we bij de laatste spreker van de zijde van de Kamer aangekomen.
Dat is de heer Van Meijeren. Hij spreekt namens Forum voor Democratie.
De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Het wordt in Nederland steeds makkelijker gemaakt om ongeboren
menselijk leven te doden. Dat gebeurt structureel, zowel in de huisartsenzorg als
daarbuiten, in strijd met de wet. Dan heb ik het over de Wet afbreking zwangerschap.
Die is voortgekomen uit de overtuiging dat het doden van ongeboren menselijk leven
als een zo ernstige en ingrijpende maatregel moet worden beschouwd, dat het alleen
kan worden aanvaard indien een noodsituatie voor de vrouw het onontkoombaar maakt.
De wet bevat geen recht op abortus, maar beschrijft de uitzonderingsgevallen waarin
het plegen van abortus niet strafbaar is. Daarvoor moet aan strikte voorwaarden zijn
voldaan: de arts is verplicht om een of meer gesprekken met de vrouw te voeren, de
arts is verplicht om de vrouw voor te lichten over alternatieve oplossingen voor haar
eventuele noodsituatie, de arts is verplicht zich ervan te verzekeren dat het verzoek
van de vrouw vrijwillig en weloverwogen is gedaan, de arts is verplicht om op grond
van zijn eigen bevindingen te beoordelen of de behandeling verantwoord is te achten
en het besluit als zodanig om over te gaan tot abortus dient te worden genomen door
de vrouw en de arts gezamenlijk. De arts is dus geen formulierenverwerker. Nee, hij
is een toetser met eigen plichten en verantwoordelijkheden. In de dagelijkse abortuspraktijk
blijken deze strikte wettelijke eisen al sinds jaar en dag schaamteloos terzijde te
worden geschoven. Uit verschillende wetsevaluaties is gebleken dat de meerderheid
van de artsen geen alternatieven voor abortus bespreekt met de vrouw, terwijl de wet
dat wel verplicht.
Het vorige week gelanceerde initiatief Thuisabortus.nl gaat nog een paar stappen verder.
Via deze site hoeven vrouwen alleen nog maar online een formulier in te vullen en
binnen 24 uur ontvangen zij een recept voor de abortuspil, zonder dat er ook maar
enig gesprek of enig menselijk contactmoment heeft plaatsgevonden. Erkent de Minister
dat het online verstrekken van abortuspillen in strijd is met zowel de Geneesmiddelenwet
als de Wet afbreking zwangerschap? Hoe beoordeelt zij de uitspraken van de initiatiefnemer
van deze website, die vorige week in het programma Dit is de Dag op Radio 1 zei: iedereen
kan misbruik maken van deze website. Wat zijn volgens de Minister de risico’s van
dergelijk misbruik? Is de Minister bereid om er zorg voor te dragen dat de inspectie
handhavend op gaat treden tegen dit initiatief? Kan zij in overleg met de Minister
van Justitie nagaan wat het handhavingsbeleid van het Openbaar Ministerie is ten aanzien
van deze strafbare feiten? Het online verstrekken van de abortuspil, in strijd met
de Geneesmiddelenwet, is immers een misdrijf op grond van de Wet op de economische
delicten. Het daadwerkelijk verrichten van de abortus zonder dat is voldaan aan de
vereisten van de Wet afbreking zwangerschap is een misdrijf op grond van het Wetboek
van Strafrecht. De initiatiefnemers achter Thuisabortus.nl handelen dus niet alleen
laakbaar, maar ook strafbaar.
We kunnen in deze Kamer met elkaar van mening verschillen over medische ethiek – we
kijken anders tegen abortus aan; daar voeren we debatten over – maar we zouden het
toch met elkaar eens moeten zijn dat de wet zoals die op dit moment luidt in ieder
geval gehandhaafd moet worden en dat criminele abortuscowboys die alle regels aan
hun laars lappen keihard moeten worden aangepakt? Want wettelijke bepalingen die gericht
zijn op het beschermen van het ongeboren menselijk leven mogen niet verworden tot
een dode letter.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer.
Ik schors een halfuur, tot 14.50 uur. Dan gaan we luisteren naar het kabinet.
De vergadering wordt van 14.18 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn gekomen bij de eerste termijn van de zijde van
het kabinet. De Ministers Hermans en Sterk krijgen zo het woord, in de volgorde dat
mevrouw Hermans als eerste gaat. Ik stel voor dat u ons even meeneemt in de blokken
en de volgorde voordat u begint, mevrouw Hermans.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank u wel. Ik zal inderdaad beginnen met de logistiek, met de volgorde.
Ik begin met de vragen die in brede zin gesteld zijn over de eerste lijn; het is per
slot van rekening het debat Eerstelijnszorg. Dan ga ik in op alle vragen die gesteld
zijn over huisartsen. Dan volgt de apotheek. Daarna komen mondzorg en fysiotherapie;
die doe ik in één blokje. Dan het mapje overig. Ik zal alvast voor de logistiek aangeven
dat Minister Sterk in zal gaan op opleiden, de wijkverpleging en regeldruk. Ze heeft
ook een mapje overige aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gestelde
vragen.
De voorzitter:
Hartstikke goed. Ik had voordat u begon nog even aan willen geven: het is bij deze
hoeveelheid sprekers ook gewoon goed als u gewoon ingaat op de vragen; dat hoeft niet
per fractie, maar wel gewoon op de vragen. Anders kan het heel lang duren. Het is
dus aan u om alle vragen beantwoord te krijgen en aan de Kamerleden om goed op te
letten of de vragen worden beantwoord, mevrouw Hermans.
Minister Hermans:
Aan dat laatste twijfel ik geen seconde.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een heel praktische vraag: waar valt alles rondom de Wibz, winstuitkeringen
en commercialisering onder? Onder overig, zegt de Minister. Kijk.
De voorzitter:
Onder overig bij het tweede deel van de beantwoording van het kabinet.
Minister Hermans:
Het manco van het mapje overig of varia is dat het lijkt alsof het geen belangrijke
onderwerpen zijn, maar dat zouden wij allerminst willen beweren.
Voorzitter. Ook namens mij een heel hartelijk welkom aan de jonge huisartsen op de
publieke tribune. Het is heel goed dat u hier in de zaal een debat volgt over eerstelijnszorg,
waar de huisarts vanzelfsprekend een ongelofelijk belangrijke rol in vervult. Het
is fijn dat degenen voor wie wij samen met de Kamer het werk doen ons werk hier in
de Kamer volgen. Uiteraard kom ik ook heel graag bij u en bij uw collega’s in het
land op bezoek, want het is andersom ook van het grootste belang dat we de plek bezoeken
waar u uw werk doet, om hier het debat weer op een goede manier te kunnen voeren.
Voorzitter. Dat gezegd hebbend, sluit ik mij aan bij iedereen uit de Kamer die iets
heeft gezegd over de eerstelijnszorg als het fundament van ons zorgsysteem en van
goede, toegankelijke en betaalbare zorg zo dicht mogelijk bij huis; dat is nagenoeg
iedereen geweest. Natuurlijk kunnen er dingen altijd beter, maar laten we ook stilstaan
bij wat we hebben en koesteren wat we hebben. We mogen trots zijn op eerstelijnszorg
waarin wijkverpleegkundigen, huisartsen, fysiotherapeuten, doktersassistenten en apothekers
zich dagelijks inzetten om iedereen de juiste zorg en ondersteuning te geven. Het
grootste deel van de zorgvragen in Nederland wordt ook afgehandeld in de eerste lijn.
Die eerste lijn is voor ons ook van het grootste belang om de afspraken over de beweging
naar de voorkant en de preventie die we in het coalitieakkoord gemaakt hebben te kunnen
waarmaken, maar we zien ook dat de toegankelijkheid van de eerste lijn onder druk
staat. Zo weten we bijvoorbeeld dat niet iedereen een vaste huisarts kan vinden. De
heer Claassen en de heer Van Dijk gingen daarop in; ik zal daar zo wat meer over zeggen.
Het kabinet zet daarom stevig in op het versterken van de eerstelijnszorg, waarbij
passende zorg de norm wordt. Dat begint met een belangrijke plek voor Thuisarts.nl,
waar mensen terechtkunnen met vragen over gezondheid en zorg, want niet elke vraag
over je gezondheid is een zorgvraag. Ik denk dan ook dat het goed is dat we Thuisarts.nl
structureel kunnen financieren.
We zetten echter ook in op betere samenwerking binnen de zorg, met het sociaal domein
en binnen zorgzame buurten. Daarmee kom ik eigenlijk gelijk op het antwoord op een
vraag van de heer Vervuurt en de heer Poortman, namelijk: hoe doet u dat nou, ook
in aanvulling op wat we in het AZWA hebben afgesproken? Ik denk dat het goed is om
even met het volgende te beginnen. We hebben de sterke lokale teams, waarin, als ik
het even kort mag zeggen, het sociaal domein georganiseerd is. In het AZWA hebben
we afgesproken dat vanuit die sociale teams een linking pin moet zijn met de hechte
wijkteams, waarin de meer medische kant georganiseerd is. Die hechte wijkteams worden
ook weer ondersteund door regionale samenwerkingsverbanden, die echt kunnen helpen
met het op een goede manier organiseren van de zorg én ondersteuning die nodig is.
Deze samenwerking helpt om mensen op de juiste plek de zorg of ondersteuning te geven
die zij nodig hebben zonder dat ze onnodig naar verschillende loketten worden doorgestuurd.
Mevrouw Van Brenk zei dat we wel moeten zorgen dat die regionale samenwerkingsverbanden
geen praattafels worden. Ik heb eerder een keer in een debat gezegd: tafels zijn er
niet voor de tafel, maar die zijn er om echt iets voor elkaar te krijgen. Die zijn
er om betere samenwerking en betere afstemming voor elkaar te krijgen en om te zorgen
dat wat in het sociaal domein kan worden opgevangen daadwerkelijk daar wordt opgevangen.
Dat houden we natuurlijk in de gaten, want die regionale samenwerkingsverbanden krijgen
een betaaltitel en krijgen ook financiering. Dan gaan we natuurlijk ook volgen of
ze doen wat we hebben afgesproken voor dat geld en voor de kwaliteit van zorg en ondersteuning.
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Van Brenk wil interrumperen. Ik had echter nog niet aangegeven
dat ik begin met drie interrupties en dat we even kijken hoe dat gaat met de tijd.
Mevrouw Van Brenk, aan u.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Over de betaaltitels en de praattafels. Zijn praattafels nou hetzelfde als Regio Deals?
Is dat nou een en hetzelfde?
Minister Hermans:
Nee. De regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden zijn echt samenwerkingsverbanden
die bedoeld zijn om die hechte wijkteams, waar dus ook de link is met het sociaal
domein, in organisatie te ondersteunen. Daar een betaaltitel aan geven, helpt om daar
financiering naartoe te brengen en op die manier beter te kunnen sturen op het daadwerkelijk
vormgeven van die passende zorg en ondersteuning. Het is dus niet een praattafel om
problemen uit te praten. Het is echt bedoeld om de zorg en ondersteuning in de regio
en in de eerste lijn te versterken.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik geef gewoon een voorbeeld. Dat is niet fictief, maar echt. Er is een zzp’er die
een opdracht heeft gekregen om 60 voorzorgcirkels te gaan organiseren in Zeeland en
daar staat een bedrag tegenover van 2 miljoen, terwijl ik weet – ik noemde het voorbeeld
al – dat in het Land van Cuijk welzijn dat zelf organiseert. Voor 2 miljoen kan je
heel veel mensen aannemen. Laat ik het zo zeggen: ik maak me zorgen over of geld effectief
besteed wordt en of dat niet op een slimmere manier kan. Ik hoop dat daar in ieder
geval kritisch meegekeken wordt.
Minister Hermans:
Ik denk dat het goed is om hier iets te zeggen over de transformatiemiddelen – ik
denk dat mevrouw Van Brenk, als ik haar vraag goed beluister, daarop doelt – en wat
wij nu hier doen. Eerder al – ik denk dat dat uit het IZA stamt – hadden we een groot
bedrag aan transformatiemiddelen beschikbaar om al aan deze bewegingen een eerste
impuls te geven. We hebben met z’n allen geconstateerd dat veel van dat geld bij adviseurs
en consultants terecht is gekomen en daar zijn we volgens mij met z’n allen kritisch
op. Zo beluister ik ook de interruptie van mevrouw Van Brenk. Waar het hier over gaat,
is dat we met z’n allen aan de IZA- en ook aan de AZWA-tafel, de tafel van het Aanvullend
Zorg- en Welzijnsakkoord, gezegd hebben: we moeten die beweging naar de voorkant,
naar die eerste lijn, versterken en dat kan alleen als je die eerste lijn zelf ook
versterkt. Daarvoor hebben we de stevige wijkteams en de hechte wijkverbanden waar
de medische kant in georganiseerd is. Maar sommige dingen wil je natuurlijk regionaal
organiseren en coördineren om te kunnen leren van elkaar in verschillende wijken,
maar ook om dingen efficiënt te kunnen organiseren. Daarvoor is nu via de Zorgverzekeringswet
per 2027 structurele financiering geregeld met die betaaltitel. Dat is dus wat anders
dan die transformatiemiddelen die in een eerder stadium zijn vrijgegeven.
Voorzitter. Ik denk dat ik door wat ik heb gezegd over die hechte wijkverbanden en
stevige teams, ook al iets heb gezegd over het stimuleren van de samenwerking tussen
huisartsen en lokale teams. Daar vroeg onder anderen de heer Van Dijk naar, maar ook
de heer Bevers stelde mij daarover een vraag. De praattafels heb ik ook gehad.
Dan was er nog een vraag van mevrouw Coenradie. Dat is eigenlijk mijn bruggetje naar
het volgende onderwerp, de huisartsen. Hoe kan de huisarts als brede voordeur naar
hulp worden versterkt, bijvoorbeeld via laagdrempelig contact via de huisartsenpraktijk?
Ik zei net al iets over Thuisarts.nl. Dat is natuurlijk een vorm om te bekijken of
je vraag echt een medische vraag is en of je ervoor naar de huisarts moet. Als daar
nou uit blijkt dat het antwoord ja is, dan zijn er natuurlijk ook allerlei digitale
middelen die je zelf kan raadplegen voordat je daadwerkelijk fysiek in de spreekkamer
terechtkomt. Misschien kan je daarmee alweer vragen afvangen. Zo heb ik de vraag van
mevrouw Coenradie begrepen. Dat soort initiatieven zijn er. Het is natuurlijk zaak
dat we dat met elkaar de komende jaren opschalen en ervoor zorgen dat dat door iedereen
goed gevonden en goed gebruikt kan worden.
Voorzitter. Daarmee kom ik bij de vragen over huisartsenzorg. Ik zei al dat de eerstelijnszorg
een fundament van ons zorgsysteem is. Ik denk dat daarbinnen de huisarts echt van
onschatbare waarde is. Een aantal Kamerleden heeft mij vragen gesteld over wat ik
ga doen om het tekort terug te dringen en huisartsen te helpen met huisvesting. Vorige
week hadden we het tweeminutendebat Huisartsenzorg en toen hebben we het gehad over
de agenda huisartsenzorg, zoals die uit het AZWA volgt. Die agenda is tot stand gekomen
door de initiatiefnota van de heer Bushoff. Of misschien moet ik «mede tot stand gekomen»
zeggen, om ook de input aan de tafel wel recht te blijven doen. En natuurlijk mag
de motie-Mohandis daarbij ook niet onvermeld blijven. Als Kamer en kabinet hebben
we samengewerkt met alle partijen in het veld om tot die ambitieuze agenda te komen.
Een van de afspraken daarin is dat we regionale tekorten willen terugdringen en dat
zorgverzekeraars de ruimte krijgen om daarvoor regionaal financieel maatwerk te kunnen
bieden, bijvoorbeeld als het gaat over die huisvestingsproblematiek. Dat betekent
dus zoveel dat als blijkt dat als er een financieel knelpunt is voor het starten,
het vinden of het betrekken van huisvesting, de zorgverzekeraar ruimte heeft om samen
met de gemeente de startende huisarts daarbij een handje te helpen.
Voorzitter. De heer Poortman vroeg mij nog heel expliciet wat ik aanvullend op het
AZWA ga doen. Daar wil ik even voorzichtig mee zijn. We hebben in dat AZWA echt een
ambitieuze agenda met elkaar afgesproken. De inkt van dat akkoord is eigenlijk nog
maar net droog. Dus ik zou het uitvoeren van die afspraken echt tijd en ruimte willen
geven. We gaan de Kamer daar wel op regelmatige basis over informeren. Ik deed de
heer Bushoff vorige week de toezegging om daar ook de acties uit de initiatiefnota
aan te koppelen, zodat we met elkaar een goed beeld hebben van alle acties die we
in gang zetten.
Voorzitter. Dan vroeg de heer Claassen, en overigens ook de heer Van Dijk, naar het
inschrijfsysteem bij huisartsen. Sommige mensen willen graag wisselen en zouden daarbij
geholpen kunnen worden. Aan het landelijke ruil- en inschrijfsysteem wordt nu hard
gewerkt. Partijen werken nu samen uit hoe dat er precies uit moet gaan zien. Dat zal
voor de zomer echt weer een stap verder zijn. Ik zal de Kamer daar dan natuurlijk
over informeren. Ik denk dat het heel erg gaat helpen, juist ook op de plekken waar
we tekorten te zien, om mensen op een goede manier en met hulp van zorgverzekeraars
naar een huisarts toe te leiden.
De heer Vervuurt vroeg mij hoe we naar de initiatieven in Zeeland kijken. Volgens
mij is dat een voorbeeld van een provincie waar sprake is van tekorten en waar met
goede initiatieven daarvoor een oplossing wordt gevonden. Zorgverzekeraars kijken
natuurlijk ook hoe de lessen die daar en natuurlijk ook op andere plekken geleerd
worden, gebruikt kunnen worden in het hele land. De mogelijkheid voor regionaal maatwerk
kan er ook weer bij helpen om in dat type initiatieven aanvullend te investeren.
De heer Van Dijk vroeg mij of ik bereid ben om in gesprek te gaan met verzekeraars
over hun rol bij het vinden van huisartsenzorg. Dat is eigenlijk het gesprek over
de zorgplicht met verzekeraars. Dat gesprek hebben we bijna continu, zou ik willen
zeggen, en op hele regelmatige basis, ook als we met alle partijen aan de AZWA-tafel
zitten, want juist in het AZWA zijn er afspraken hierover gemaakt. Tegelijkertijd,
los van al die afspraken, verwacht ik van zorgverzekeraars dat zij hun zorgplicht
invullen door voldoende huisartsenzorg in te kopen en dat als een verzekerde zich
meldt, die ook actief wordt geholpen bij het vinden van een huisarts. Zorgaanbieders
hebben daar natuurlijk zelf ook een verantwoordelijkheid bij. Als zij geen nieuwe
patiënten aannemen, bijvoorbeeld door een patiëntenstop, dan dienen zij de verzekerde
ook te wijzen op de mogelijkheid van zorgbemiddeling via de zorgverzekeraar. Kortom,
daar loopt een heleboel. We houden in de gaten hoe dat gaat, onder andere via het
AZWA. Een aanvullend, apart overleg lijkt me nu dus niet noodzakelijk, maar ik blijf
het natuurlijk wel volgen via die AZWA-tafel.
Voorzitter. Een heel aantal Kamerleden vroeg mij hoe we jonge huisartsen gaan ondersteunen
bij het opstarten van een praktijk. Een aantal van hen zit in de zaal, dus ik zal
deze vraag heel precies en zorgvuldig beantwoorden, want de heer Bushoff riep mij
daar ook toe op in zijn eerste termijn. Wat wij in de onderzoeken en op basis van
gesprekken zien, is dat meer dan 80% van de jonge huisartsen praktijkhouder wil worden.
Als het anders is, dan zie ik dat wel aan de reacties vanuit de zaal. Hier zit dus
heel veel potentie die we moeten benutten. Ik zet mij daarvoor in, samen met partijen
aan die beroemde AZWA-tafel en op basis van de afspraken die we daarover in de werkagenda
gemaakt hebben. Daar hoort ook bij dat we de drempel verlagen om praktijkhouder te
worden. Ik noemde net al dat de zorgverzekeraar de ruimte heeft voor financieel maatwerk,
maar er zijn ook programma’s die jonge huisartsen ondersteunen in hoe je dat nou moet
doen, met allerlei praktische tips en adviezen. Ook daar kan dat regionale, financiële
maatwerk een rol in spelen. Dus ik hoop zeer dat we via dat financiële maatwerk de
financiële knelpunten maar ook een aantal praktische knelpunten die jonge huisartsen
ervaren, kunnen oplossen of kunnen wegnemen, en dat we daarmee de potentie van die
80%, die de wens heeft om praktijkhouder te worden, in de toekomst ook gaan benutten.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma had een vraag over het strategisch toelatings- en opleidingsbeleid.
Ze wees op een voorbeeld uit Duitsland. Ik kan toezeggen dat ik dat gesprek samen
met mijn collega van OCW ga voeren. Wij zien dat de instroom van geneeskundestudenten
achterblijft in regio’s waar ook tekorten aan huisartsen zijn. Dat is precies zoals
mevrouw Wiersma dat schetste. Samen met OCW en natuurlijk de partijen in het veld
werken we aan een verkenning hoe we huisartsen beter over het land kunnen spreiden.
In eerste instantie kijken we naar de mogelijkheden die er bij opleidingsinstituten
al zijn en hoe zij die eventueel nog beter kunnen benutten. Maar wij staan natuurlijk
altijd open voor aanvullende goede ideeën. Ik verwacht dat mevrouw Wiersma mij dan
vraagt wanneer ze daar meer over kan horen. Ik zal de Kamer daar voor de zomer over
informeren.
De voorzitter:
Genoteerd.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Van Brenk vroeg mij om te reflecteren op wat we geleerd hebben
van de situatie met Co-Med. Samen met betrokken partijen heeft VWS het faillissement
laten evalueren. Daar komt bijvoorbeeld uit dat we veel beter signalen moeten gaan
delen rondom discontinuïteit van zorg. Dat zit dan nog echt wel voor het faillissement.
Dit gaat dus ook over het leren herkennen van dat type signalen en over waar je die
dan kwijt kan. Dat is dus een belangrijke les waar nu ook aan gewerkt wordt: hoe implementeren
we dat en hoe geven we dat vorm? Ik denk dat ook belangrijk is dat er naar aanleiding
van het rapport De opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg, van de NZa en
de IGJ, door de beroepsgroep is gewerkt aan concretisering van de kernwaarden van
huisartsenzorg, ook om de inkoop door zorgverzekeraars en natuurlijk het toezicht
van de IGJ en de NZa aan te kunnen scherpen. Dat is ook onderdeel van de agenda. Begin
maart heb ik daarvan een eerste uitwerking naar de Kamer gestuurd. In de voortgangsrapportages
zal ik er natuurlijk steeds op in blijven gaan hoe dat verdergaat. We werken natuurlijk
ook verder aan het weren van niet-integere zorgaanbieders. Daarop zal de Minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport zo meteen nog nader ingaan, waaronder op de Wibz.
Voorzitter. Dan kort de vraag van de heer Poortman over de bekostiging voor de toekomst
en segment 3. Het klopt dat de heer Poortman mij daarnaar vroeg tijdens het tweeminutendebat
van afgelopen donderdag. Het gesprek heeft nog niet plaatsgevonden, maar het gaat
plaatsvinden. Dat heb ik toegezegd. Voor de zomer zal ik de Kamer daarover informeren.
In het verlengde daarvan had de heer Bushoff een vraag over de tarieven in de huisartsenzorg
en de herijking daarvan. Hij zei dat de deadline nadert. De NZa is nu bezig met de
uitwerking van de uitspraak van het College van Beroep. Medio mei 2026 zal de uitkomst
daarvan met ons, en daarmee dus ook met de Kamer, gedeeld worden. Dan gaan we daar
natuurlijk vervolg aan geven, maar ik moet die echt even afwachten. Maar het klopt
dat de deadline nadert. Ik kan vanaf vandaag zeggen dat die volgende maand is.
Mevrouw Dobbe vroeg mij: moeten de tarieven in de huisartsenzorg niet omhoog? Volgens
mij hadden wij het daar vorige week in het tweeminutendebat ook al even over. De NZa
bepaalt de tarieven en kijkt nu, naar aanleiding van die uitspraak, dus ook naar de
tarieven in het verleden, die tussen 2023 en 2025. Zoals gezegd komen medio mei 2026
de uitkomsten daarvan. Daarnaast heb ik, zoals ik ook tegen de heer Poortman zei,
toegezegd dat ik het gesprek voer over de toekomstige bekostiging naar aanleiding
van afspraken in het AZWA. De stand van die gesprekken en die uitkomsten zal ik voor
de zomer met de Kamer delen.
Voorzitter. Dan vroeg mevrouw Van Brenk mij nog naar het belang van 24 uur per dag,
7 dagen per week beschikbare huisartsenspoedzorg. Dat deel ik met mevrouw Van Brenk.
Het is ook een groot goed dat huisartsen de verantwoordelijkheid hebben voor die 24/7-zorg,
want dat zorgt natuurlijk voor een heel belangrijke schakel in onze keten, de acute
zorgketen, moet ik zeggen, in de avond, de nacht en het weekend. De beroepsgroep ziet
dat belang ook. Er is ook geen sprake van dat we dit anders zouden gaan organiseren.
Daarmee ben ik ingegaan op de vraag van mevrouw Van Brenk en kom ik bij de vragen
over de apotheken.
De voorzitter:
Voor ik u dat laat doen, kijk ik even of er nog vragen zijn over het blok huisartsen.
De heer Bushoff had als eerst een interruptie gereserveerd.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat we allemaal met smart wachten en ons afvragen of de voorstellen die allemaal
op papier zijn geland, ook daadwerkelijk goed uitpakken in de praktijk. Dat gaan we
in de komende tijd zien. Op één punt wil ik eigenlijk nog iets meer van de Minister
weten. Dat gaat over het feit dat veel jonge huisartsen zien dat hun beroep in de
afgelopen jaren veranderd is. Er is steeds meer op het bordje van de huisartsen terechtgekomen.
Een praktijk runnen is inmiddels veel meer werk dan een heel aantal jaar geleden een
praktijk aan huis hebben. Daarmee beginnen vraagt dus ook veel meer van jonge startende
huisartsen. Dat in combinatie met een jong gezin kan heel veel tijd kosten en voor
veel belasting zorgen. Ik wil de Minister vragen of het in dat licht niet verstandig
zou zijn om jonge startende huisartsen de mogelijkheid te geven, al dan niet via zorgverzekeraars,
om in die beginfase tijd «vrij te kopen», om het zo maar even te noemen, om een praktijk
op te starten en te runnen, zodat ze aan de andere kant ook nog wat tijd over kunnen
houden, misschien wel voor hun jonge gezin.
Minister Hermans:
Ik realiseer me heel goed wat de heer Bushoff zegt, namelijk dat er heel veel komt
kijken bij het starten van een praktijk en daarna natuurlijk ook bij het leiden daarvan.
Ik realiseer me dat dat zeker geldt voor het opstarten, wat tijd vraagt als je ook
een jong gezin hebt; overigens vraagt dat ook veel tijd dat je dat niet hebt. Daarom
zei ik net dat het financiële regionale maatwerk niet alleen bedoeld is voor sec de
huisvestingsvraag – als er een financiële drempel is om een ruimte te huren of te
betrekken, dan kan de verzekeraar daar een rol in spelen – maar dat het ook kan gaan
om tijd om het opzetten van de praktijk voor elkaar te krijgen. Dat vindt wel echt
plaats in het overleg tussen de verzekeraar en de huisarts, omdat het budget voor
dat financiële maatwerk bij de zorgverzekeraar zit. Het is echt bedoeld om dat praktijkhouden
een impuls te geven. Ik zie de heer Bevers aandachtig kijken. Hij vroeg ook of we
de trend zien van de terugloop in het aantal praktijkhoudende huisartsen. Ja, die
zien we. En we zien de potentie: een hele grote groep, 80% van de jonge huisartsen,
zou graag praktijkhouder willen worden. We moeten dan wel helpen. Dat kan dus via
dat financiële maatwerk door drempels financieel en in tijd weg te nemen.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Ik heb toch één vervolgvraag hierop, om het even wat scherper te krijgen. Eén: hoeveel
is dat budget? Is het inderdaad echt zo dat van dat budget ook precies het voorstel
dat ik noemde gefinancierd kan worden? Valt dat binnen de reikwijdte van dat budget,
ja of nee?
Minister Hermans:
We hebben dus het financiële maatwerk en we hebben ook apart nog startsubsidies voor
jonge huisartsen, begrijp ik. Ik heb nu even niet de exacte bedragen paraat. Dat wil
ik wel even nagaan. Als de heer Bushoff daar prijs op stelt, kan ik zo meteen in tweede
termijn ook nog even terugkomen op wat daar heel precies onder valt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit was het blokje huisartsen, toch? Ik had ook nog gevraagd naar het eigen risico,
want het kabinet wil het eigen risico verhogen en het lijkt mij dat we dat ook hier
in de context van de huisartsenzorg moeten bespreken. Het eigen risico, een boete
op ziek zijn, met fundamentele problemen, wordt dan € 520. Nog los van het feit dat
mensen er niets aan kunnen doen en worden gestraft omdat ze ziek zijn, is de huisarts
ook de poortwachter. Die verwijst mensen door. Op het moment dat de huisarts mensen
doorverwijst, komen ze in de zorg terecht waarbij ze eigen risico moeten betalen.
Mijn vraag was volgens mij heel concreet. Waar komt het wantrouwen van deze Minister
vandaan dat huisartsen dit niet zo goed zouden doen? Als zij dit goed doen volgens
deze Minister, dan is dat eigen risico een hele rare maatregel. Daarom heb ik deze
vraag gesteld. Daar wil ik graag een antwoord op.
Minister Hermans:
Die vraag zat in mijn mapje overig, maar ik beantwoord hem met alle plezier en liefde
nu. Ik heb er het volste vertrouwen in, meer dan dat, dat onze huisartsen, alle huisartsen
in Nederland, met hun professionaliteit en deskundigheid doorverwijzen als dat moet
en medisch noodzakelijk is en dat ze dat niet doen als dat niet nodig is en het kan
worden opgelost in de huisartsenpraktijk of mogelijk in het sociaal domein of als
via een praktijkondersteuner de weg naar bijvoorbeeld de ggz kan worden ingezet; ik
noem maar even wat. Dat vertrouwen heb ik volop. Met de koppeling die mevrouw Dobbe
hier maakt met het eigen risico, ben ik het gewoon niet eens. Dit kabinet kiest voor
een verhoging van het eigen risico; dat is zo. Ik weet dat mevrouw Dobbe en ik het
daarover oneens zijn, maar dat doe ik – dat doet dit kabinet – vanuit een andere invalshoek,
namelijk het overeind houden van de solidariteit van en in ons zorgstelsel. In ons
zorgstelsel is het zo dat gezonde mensen meebetalen voor zieke mensen en is het zo
dat hogere inkomen meer meebetalen aan de totale financiering van de zorg. Het eigen
risico is inderdaad een bijdrage die je betaalt als je gebruikmaakt van de zorg. Daar
gaan we overigens wel trancheren, zodat je niet in één keer die, € 385 – dat is het
nu nog, maar straks na indexatie en verhoging is dat een hoger bedrag – kwijt bent.
En we hebben natuurlijk de zorgtoeslag om kwetsbare mensen daarbij te helpen. Die
verhoging is ongelofelijk belangrijk om de toegankelijkheid, de betaalbaarheid én
de solidariteit overeind te houden en staat helemaal los van het vertrouwen dat ik
heb in huisartsen, in dat zij op het juiste moment de medisch noodzakelijke doorverwijzing
daadwerkelijk doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Er gaan toch wel een aantal dingen echt fundamenteel mis in deze redenering. De Minister
zegt dat zij vertrouwen heeft in de huisartsen, in dat zij mensen doorverwijzen die
zorg nodig hebben en dat zij dat goed doen. Dan verwijzen zij dus door op het moment
dat dat nodig is. Op het moment dat mensen echt zorg nodig hebben, zegt deze Minister:
dan heffen wij een boete van € 520 en dat noemen we dan «het overeind houden van de
solidariteit». Dat gaat er bij mij niet in. Als deze Minister er echt op zou vertrouwen
dat dit om mensen gaat die zorg nodig hebben, die echt zorg nodig hebben en dat niet
voor het plezier doen – dat is ook een gek mensbeeld – waarom dan dat eigen risico,
met de wetenschap dat mensen zorg gaan mijden en dat het waarschijnlijk veel duurder
uitpakt? Dus die redenering klopt gewoon niet.
Minister Hermans:
Op het moment dat de huisarts iemand doorverwijst naar het ziekenhuis, naar medisch-specialistische
zorg, dan vragen wij aan die mensen een bijdrage aan de zorgkosten. In de afgelopen
jaren hebben we die bijdrage bevroren op een vast bedrag en dat heeft tot gevolg gehad
dat de zorgpremie, die wij allemaal betalen, fors extra is gestegen. Dat raakt dus
aan solidariteit. Het zijn namelijk communicerende vaten, het eigen risico en de zorgpremie.
Dat is de reden dat wij zeggen: wij gaan dat eigen risico verhogen en we gaan weer
indexeren, om daarmee de bijdrage die iedereen betaalt via de zorgpremie, de ontwikkeling
daarvan, meer in balans te brengen.
Dan over zorgmijding. Mensen die medische zorg nodig hebben, moeten die krijgen. Dus
daar waar de financiën een drempel zijn, is het aan ons om te kijken hoe we dat met
beleid – met flankerend beleid, om maar zo’n beleidsterm te gebruiken – zo veel mogelijk
tegen kunnen gaan. Maar dan moeten we daar ook in de breedte naar kijken, want we
weten ook dat financiële redenen niet de exclusieve redenen zijn voor zorgmijding.
Daar kunnen ook heel veel andere redenen aan ten grondslag liggen. Dat brengen we
nu preciezer in kaart, zodat we ook daar actie op kunnen zetten. Tot slot hebben we
natuurlijk ook in antwoord op de motie van de heer Stoffer bij de regeringsverklaring
gezegd dat we kijken hoe de stapeling van zorgkosten, waar ook de eigen bijdragen,
zoals de eigen bijdrage wijkverpleging, en het eigen risico een rol in spelen, uitpakt.
Daarom is er ook een envelop in het regeerakkoord om daar nog iets aan te kunnen doen.
De voorzitter:
Duidelijk. U was gekomen bij het blok apotheek.
Minister Hermans:
Ja, voorzitter. Ik begin met vragen die gesteld zijn over het ontpillen, een nieuw
woord dat ik in voorbereiding op dit debat heb geleerd. Ik begin met de motie van
Inge van Dijk daarover die er ligt, met de voortgang daarvan. Niet iedereen kent die
motie mogelijk. Die vroeg om alternatieve bekostiging waarmee ontpillen niet ontmoedigd
wordt te onderzoeken en dat gesprek met de apothekersorganisatie en Zorgverzekeraars
Nederland te voeren. Dat gesprek is gevoerd en daaruit blijkt dat de partijen zien
dat er in de contractering van apothekers door zorgverzekeraars ruimte is voor het
maken van afspraken over dat zogenaamde «ontpillen». De huidige bekostiging is volgens
die partijen geen directe belemmering en biedt dus juist mogelijkheden en ruimte om
die afspraken te maken. Dus daar zetten we nu op in. Dat neemt niet weg dat ik weet
en ook hoor, ook uit inbrengen in dit debat, dat het een brede wens is om meer zorgverlening
vanuit de apotheek mogelijk te maken die zit op ontpillen en op het verminderen van
medicijngebruik. VWS heeft toegezegd om die transitie te willen leiden en om dat natuurlijk
samen te willen doen met alle veldpartijen. Het onderwerp ontpillen blijft dus absoluut
op de agenda.
Onder anderen mevrouw Maeijer vroeg hoe we de verspilling en ook de vernietiging van
teruggebrachte ongebruikte medicijnen voorkomen. Ik ben het helemaal met haar eens
dat de vernietiging van ongebruikte medicijnen zonde is; dan druk ik me nog voorzichtig
uit. Je wil die verspilling en daarmee dus vernietiging voorkomen, in de eerste plaats
aan de voorkant door medicijnen gepast voor te schrijven en te verstrekken aan patiënten
en door hen te ondersteunen bij het juiste gebruik daarvan. Ik heb al iets gezegd
over het gesprek over het tegengaan van die verspilling. Op dit moment is het door
Europese wetgeving nog niet mogelijk om medicijnen die teruggebracht worden, opnieuw
te gebruiken, maar er zit een herziening van de Europese wetgeving aan te komen. Nederland
heeft zich er in de onderhandelingen daarover hard voor gemaakt om dit in de toekomst
wel mogelijk te maken en om de heruitgifte van ongebruikte geneesmiddelen mogelijk
te maken onder strikte voorwaarden, want hierbij zijn veiligheid en zorgvuldigheid
natuurlijk van groot belang. Dat is gelukt; dit staat nu in het politiek akkoord.
Dat moeten we nu gaan uitwerken; dat moet nu afgerond worden in Europa en dan moeten
wij het uitwerken in wetgeving. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat nog wel even
gaat duren, want dat soort trajecten hebben even tijd nodig. Ik verwacht dat dat nog
wel drie jaar nodig heeft.
Voorzitter. In aanvulling op het tegengaan van verspilling en overmedicatie hebben
we de Green Deal Duurzame Zorg; dat zeg ik specifiek in de richting van de heer Poortman.
Daarin zijn allerlei schaalbare en impactvolle initiatieven opgenomen die verspilling
van geneesmiddelen aanpakken. Dat gaat over voorraadbeheer en kritisch kijken naar
herhaalmedicatie. Daar waar nodig ondersteunen wij dat natuurlijk, maar dit zijn de
initiatieven die we verder moeten brengen.
Voorzitter. Dan de vraag van de heer Bushoff. Als een preferent middel even niet beschikbaar
is en een alternatief middel wordt ingekocht, blijft het alternatieve middel op de
plank liggen wanneer het preferente middel er weer is. Dat is een andere vorm van
verspilling. Wij zien dat de voorraden bij apotheken beperkt zijn. Daar valt de verspilling
dus mee. De voorraden liggen grotendeels bij de groothandels, die meer flexibiliteit
hebben in hun afzet of verspreiding van de middelen. Daar komt bij dat de apotheek
het alternatieve middel maar in een beperkte periode ter hand mag stellen nadat het
preferente middel weer beschikbaar is gekomen. Zoals de heer Bushoff natuurlijk weet,
werken we op dit moment aan een onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid.
Ik zal het onderwerp verspilling daar een plek in geven. Mocht dit specifieke punt
daarin aan de orde blijken te zijn, dan kom ik daar natuurlijk precies op terug, maar
dit is het beeld dat ik nu heb.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Om het heel precies te schetsen: ik hoorde de Minister zeggen dat er op het moment
dat het preferente middel weer beschikbaar is, een periode is waarin het alternatieve
middel dat ofwel in het buitenland via de ontheffing ofwel in Nederland ingekocht
is omdat tijdelijk een ander middel dan het preferente middel beschikbaar werd gesteld,
nog verkocht mag worden door de apotheek. Hoelang is die periode? Ik hoorde dat er
eigenlijk helemaal geen overgangsperiode is en dat het preferente middel weer strikt
geleverd moet worden vanaf het moment waarop dat preferente middel weer beschikbaar
is. Voor mij zou het dus nieuw zijn als er een overgangsperiode zou zijn. Als dat
zo is, zou ik van de Minister willen horen hoelang die overgangsperiode dan is en
hoe die er precies uitziet.
Minister Hermans:
Dat is een terechte vraag. Die had ik natuurlijk kunnen verwachten. Dus toen ik «beperkte
periode» hoorde, had ik dat gelijk even moeten navragen. Ik begrijp die vraag, dus
ik zal het navragen. Dat is een tweede punt van de heer Bushoff waar ik op terugkom
in tweede termijn.
Voorzitter. De heer Bevers had een vraag over de medicatie-evaluaties en of ik bereid
ben om te kijken of daar een betaaltitel voor mogelijk is. Dit soort evaluaties, waaronder
medicatiebeoordelingen – volgens mij noemde de heer Bevers die ook expliciet – kunnen
bijdragen aan goede patiëntenzorg bij medicijngebruik en bij het minderen en stoppen,
het beroemde «ontpillen». We hebben hierover gesprekken gevoerd met zorgverzekeraars
en apothekers. Zoals ik net al zei, hebben zij aangegeven de ruimte te zien om hierover
afspraken te maken in de contractering. Dat zullen we blijven volgen, en intussen
zullen we de zorgfunctie van de apotheken wel versterken, want dat zit natuurlijk
onder de vraag van de heer Bevers. Dat deel ik helemaal.
Mevrouw Coenradie vindt dat het model van «laagste prijs plus bandbreedte» meer onderbouwing
vergt; wat heb ik daar nu mee gedaan? We werken nu dus aan de evaluatie van het preferentiebeleid.
Die evaluatie wil ik graag afwachten, in combinatie met de toezegging die ik net aan
de heer Bushoff deed. Nu voorsorteren op andere modellen vind ik daarom voorbarig.
Er is onvoldoende onderbouwing. Dat blijft dus zo. Omdat ik de evaluatie van het preferentiebeleid
wil afwachten, ben ik nu namelijk ook niet bezig om die onderbouwing verder uit te
werken. Maar met de uitkomsten van de evaluatie ga ik natuurlijk aan de slag.
Mevrouw Coenradie vroeg ook nog naar de concrete maatregelen in het geval van medicijntekorten
en financiële onzekerheid. De signalen die wij daarover krijgen van apothekers, nemen
we uiteraard zeer serieus. We hebben het zo georganiseerd dat zorgverzekeraars en
apothekers hier afspraken over maken in de inkoopgesprekken. Voor zover dat niet gebeurt,
zal ik dit blijven nagaan zodat het wel gebeurt. Ook hebben we de Landelijke Eerstelijns
Farmacie en de Vereniging van Jonge Apothekers uitgenodigd om in gesprek te gaan over
de problemen die zij signaleren en om verbeteringen te verkennen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik zou in ieder geval willen zien dat deze Minister expliciet met apothekersverenigingen
in gesprek gaat. Zij hebben meermaals een brandbrief gestuurd. We hebben naar aanleiding
van die brandbrieven ook schriftelijke vragen gesteld. Het verhaal is dat die apothekers
nu simpelweg financieel moeten bijleggen op het moment dat zij niet het uitgeschreven
recept kunnen geven. Ik vind dat een kwalijke zaak. Het kan toch niet zijn dat een
ondernemer, zoals een apotheker, financieel moet bijleggen en dat wij eigenlijk maar
een beetje blijven wegkijken; los van het feit dat heel veel medicijnen simpelweg
niet te verkrijgen zijn. Dit gaat niet over tientallen mensen; dit gaat inmiddels
over miljoenen mensen.
Minister Hermans:
Het vraagstuk van geneesmiddelentekorten is een apart vraagstuk en heeft absoluut
mijn en onze aandacht, zeker in de huidige geopolitieke situatie. Voor dit specifieke
vraagstuk hebben we aandacht gevraagd bij zorgverzekeraars en apothekers. Er vindt
natuurlijk doorlopend overleg plaats. Ik zal dus ook zorgen dat we dit nagaan: we
hebben er aandacht voor gevraagd, dus wat gebeurt er nu mee, wat doet u er nu mee?
Zoals ik zei, gaan we met de Landelijke Eerstelijns Farmacie en de Vereniging van
Jonge Apothekers in gesprek om het ook in het algemeen te hebben over de problemen
en mogelijke verbeteringen die ze zien. Daar zal ik ook dit specifieke punt bespreken.
De uitkomsten daarvan zal ik uiteraard met de Kamer delen. Nu krijg ik de vraag wanneer
die uitkomsten komen, maar ik weet niet exact wanneer we dat gesprek voeren en wanneer
ik een brief stuur. Die brief komt er dus aan. Ik zal zo laten weten wanneer we die
brief sturen.
De voorzitter:
Daar komen we nog op terug; dat is goed. De Minister vervolgt.
Minister Hermans:
Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij ook nog een vraag over preferente medicijnen.
Zij vroeg: wat als die niet beschikbaar zijn? Ik denk dat ik daar net al wat over
heb gezegd, maar heel kort: als een preferent medicijn niet beschikbaar is, wijzen
zorgverzekeraars tijdelijk een ander medicijn als preferent aan. Dat medicijn wordt
dan ook gewoon vergoed.
Voorzitter. Dan wil ik overgaan naar de mondzorg en de fysiotherapie. Ik begin met
de vragen van de heer Van Dijk, mevrouw Van Brenk en mevrouw Dobbe over het vergoeden
van de periodieke tandheelkundige controle voor volwassenen via het basispakket. Volgens
mij zei mevrouw Van Brenk het zelf al in haar inbreng: tandartscontroles zonder medische
indicatie voldoen niet aan het wettelijk criterium van de Zorgverzekeringswet zoals
we dat hebben afgesproken; dat is ook de reden waarom ik die stap nu niet zet. Het
Zorginstituut heeft dat op verzoek van mijn voorganger ook nog een keer getoetst.
Daarnaast is er ook een financiële reden – daar zal ik heel eerlijk over zijn – want
als je dat doet, heb je daar ook geld voor nodig. Er is niet gekozen om daar nu geld
voor vrij te maken en dat toe te voegen aan het pakket.
Voorzitter. De heer Van Dijk vroeg nog of ik hier een kosten-batenanalyse voor wil
maken. Dat is dus al gebeurd in 2024. Die analyse is eind 2024 opgeleverd. Door een
gebrek aan structurele data was het voor het Zorginstituut niet mogelijk om de baten
te koppelen aan de scenario’s. In plaats daarvan hebben ze wel een maatschappelijke-impactanalyse
uitgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat er bredere baten zijn, maar dat het moeilijk
vast te stellen is wat de precieze impact is van goede of verbeterde mondgezondheid.
Dan de vraag van mevrouw Maeijer over de mondhygiënist op het consultatiebureau. Er
is in de afgelopen jaren door alle betrokken partijen heel hard gewerkt aan de inzet
van de mondzorgcoach bij de lokale jeugdgezondheidszorgaanbieder. Dat is gelukt: per
januari 2026 is de mondzorgcoach onderdeel geworden van de reguliere mondzorgbekostiging
in de jgz. Ik denk dat dat een belangrijke stap is voor de samenwerking tussen de
publieke gezondheidszorg en de mondzorg voor kinderen.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe vroeg naar private equity, specifiek in de mondzorg, als
ik het goed heb beluisterd. Zij vroeg hoe ik daarnaar kijk en hoe ik de aangenomen
motie-Dijk/Dobbe ga uitvoeren. Ik denk dat er in de interrupties al gewisseld is dat
private equity in de zorg wat mij betreft voor- en nadelen heeft. Die moet je zorgvuldig
afwegen. Aan de voordeelkant kan het een uitkomst bieden voor zorgaanbieders die moeite
hebben met het vinden van financiering of bedrijfsopvolging. Het kan een positief
effect hebben op de beschikbaarheid, de toegankelijkheid en dus ook op de continuïteit
van zorg. Maar ik zie ook de risico’s en de uitwassen, zoals ook benoemd door een
aantal Kamerleden. Daarom werken we nu aan aangescherpte en verduidelijkte normen.
Daarop zal Minister Sterk zo nog ingaan. Ik heb dus niet het standpunt dat je er zomaar
van het ene op het andere moment totaal mee moet stoppen, omdat er ook echt voordelen
aan zitten, maar op de nadelen en uitwassen moet je een goed antwoord hebben.
Voorzitter. Dan de fysiotherapeuten. Er is zeer terecht genoemd ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, heeft mevrouw Dobbe haar laatste interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit was het blokje mondzorg, toch?
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil nog iets vragen. De overwegingen van de Minister om een periodieke controle
nu niet op te nemen in het basispakket zijn duidelijk. Dat zijn kostenoverwegingen.
Ik wil de Minister graag nog meegeven dat het duurder is om het niet op te nemen,
omdat het leidt tot meer kosten op het moment dat mensen dit niet doen en dit niet
vergoed krijgen. Maar ik had ook een vraag gesteld over het noodfonds. Ik heb de oproep
gezien van Dokters van de Wereld en meerdere andere organisaties dat de groep mensen
die echt met spoed mondzorg nodig heeft maar die dat niet via de tandarts krijgt omdat
die het niet kan betalen, steeds groter wordt. Zij pleiten heel erg voor dat noodfonds.
Nu weet ik dat de Minister ook weet hoe dat zou moeten, omdat dat al is onderzocht
door Gupta, in opdracht van het ministerie. Is de Minister bereid om te kijken of
we dat kunnen gaan doen, zodat we dat in ieder geval voor de korte termijn kunnen
oplossen voor die mensen die nu rondlopen met die ernstige problemen? Zo valt niet
alles op de schouders van die maatschappelijke organisaties, die dat ook niet allemaal
tot het einde der tijden kunnen dragen.
Minister Hermans:
Ik deel met mevrouw Dobbe het belang van een gezond gebit. Wel is het belangrijk om
ook te benoemen dat de mondzorg in Nederland, gelukkig, over het algemeen goed toegankelijk
is. Maar er is een groep volwassenen bij wie dat niet het geval is. Daar is ook geen
eenvoudige oplossing voor, want het is best weerbarstige problematiek. Alle gerichtere
regelingen die we hebben voor mensen die om financiële redenen die mondzorg mijden
of uit de weg gaan, kennen uitdagingen als het gaat om het bereiken van de doelgroep
maar ook als het gaat om het budget en een doelmatige inzet van het beschikbare budget.
Dus we hebben op dit moment andere keuzes gemaakt dan het inzetten van die middelen
in een noodfonds. Naar aanleiding van het AZWA zijn we natuurlijk wel met de motie-Stoffer
aan de slag gegaan. We brengen dus in kaart wat je kunt doen om de groep – dat is
overigens breder dan alleen mondzorg – te kunnen ondersteunen die geraakt wordt en
voor wie de kosten misschien een drempel zijn om zorg te vragen. Sowieso brengen we
in kaart hoe we met die envelop van € 350 miljoen omgaan, maar in brede zin kom ik
hier graag wat uitgebreider op terug voor de zomer als ik ook kan zien hoe we in het
kader van het AZWA met die uitwerking aan de slag zijn.
De voorzitter:
Dat noteren we.
Mevrouw Dobbe (SP):
Naar aanleiding van mijn vraag: komt de uitwerking van een mogelijk noodfonds daarin
dan ook terug?
De voorzitter:
Ik kan de toezegging niet invullen.
Minister Hermans:
Ik zal daar ook op ingaan, want het is een van de instrumenten, maar ik zeg wel: we
hebben daar nu niet voor gekozen. Op basis van de verkenningen die we hebben gedaan,
is het ook niet de route waarvan ik nu denk dat die het meest voor de hand ligt. Aangezien
wij in brede zin kijken naar die stapeling en de effecten, zullen we in die brief
ook deze specifieke vorm of dit instrument nog wel terug laten komen.
De voorzitter:
Check, genoteerd. Even checken, u wilde eigenlijk beginnen met fysio, toch?
Minister Hermans:
Ja.
De voorzitter:
Gaat u voort.
Minister Hermans:
Voorzitter. Daar hebben de heer Bushoff en de heer Poortman mij een vraag over gesteld.
Ik deel met beiden het belang van fysiotherapie in de eerstelijnszorg, juist ook om
de doorstroom naar de tweedelijnszorg te voorkomen.
De heer Poortman vroeg mij wat ik ga doen om de knelpunten in de bekostiging, de contractering
en de tarieven op te lossen met, zoals de heer Poortman heel expliciet zei, «bestaande
instrumenten». Ik denk dat het NZa-onderzoek, de marktverkenning die we net gekregen
hebben, laat zien dat we de uitdaging in de sector niet kunnen versimpelen tot enkel
en alleen tarieven, bekostiging en contractering. Een toekomstbestendige sector vraagt
om een gedeelde visie van fysiotherapeuten op hun vak, nu en in de toekomst. Daar
kan financiële waardering of bekostiging natuurlijk een onderdeel van zijn. Transparantie
over de zorg die vanuit fysiotherapeuten wordt geleverd, is natuurlijk nodig om tot
die gedeelde visie te komen. Dit houdt in dat zorgverzekeraars weer transparant zijn
over de toegepaste indexaties in het tarief, conform de NZa-richtlijnen die daar weer
voor gelden, zodat de NZa ook weer op dat proces kan toezien. Het is dus een kwestie
van transparantie daarover en tot een gedeelde visie komen. Ik verwacht ook dat partijen
daarin gezamenlijk die verantwoordelijkheid nemen.
De heer Bushoff vroeg mij nog hoe ik aankijk tegen de invoering van minimumtarieven.
Op dat punt sluit ik me aan bij het onderzoek van de NZa. Die concludeert dat de invoering
van minimumtarieven niet proportioneel en noodzakelijk is en echt een zwaar en uitzonderlijk
beleidsinstrument is, dat je kan inzetten bij aantoonbaar marktfalen, maar daar is
op dit moment geen sprake van. Ik volg dat standpunt.
Dan wil ik overgaan naar mijn blokje overig.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op dit punt: de NZa zegt ook dat de vergoeding van die eerste twintig behandelingen
voor een chronisch zieke een mogelijke aanpassing is om de positie van de fysiotherapie
te verstevigen. Is iets doen met dat potje voor chronisch zieken een van de opties
die de Minister overweegt in de brief waar ze het volgens mij net met mevrouw Dobbe
over had?
Minister Hermans:
Het korte antwoord daarop is nee. Ik kan dat uitgebreider toelichten, maar we zullen
keuzes moeten maken. Volgens de uitkomsten van het marktonderzoek en de verkenning
van de NZa is er nu niet acuut een probleem, maar moeten we ons wel goed voorbereiden
en moeten we goed nadenken, want er kunnen in de toekomst natuurlijk wel dingen op
ons pad komen. Vandaar mijn antwoord aan de heer Poortman over de verantwoordelijkheid
die partijen ook samen hebben om tot dat gedeelde kader en die gedeelde visie te komen.
Voorzitter. Tot slot het blokje overig. Ik begin met de vraag van mevrouw Van Brenk
wie er gaat over het wijzigen van standaardrichtlijnen van het NHG in relatie tot
virusremmers. Het Nederlands Huisartsen Genootschap ontwikkelt de professionele standaarden
en richtlijnen voor huisartsen. Huisartsen baseren hun zorgverlening op die standaarden
en richtlijnen, die weer gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderzoek. Ze worden door
het NHG herzien wanneer er sprake is van nieuwe wetenschappelijke inzichten en natuurlijk
als er knelpunten worden gesignaleerd.
Dan een vraag van mevrouw Wiersma over de budgetbekostiging van de spoedeisende hulp:
ik had beloofd met een brief te komen en de vraag is of de invoering per 2028 nog
steeds haalbaar is. De budgetbekostiging voor alle spoedeisende hulpen wordt met ingang
van 1 januari 2027 ingevoerd. Dat is een eerste kleine stap met een relatief beperkte
afbakening van het budget. Dat is ongeveer 4,5 miljoen per spoedeisende hulp. Tegelijkertijd
werken we in het zogenaamde groeipad verder aan inhoudelijke vraagstukken. Dat moet
dan dienen als basis voor de doorontwikkeling van de budgetbekostiging. Een overbruggingsfonds
of een beschikbaarheidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen is wat mij betreft nu
niet aan de orde, want we zijn gewoon met partijen hard aan de slag en we steken met
partijen alle energie in het voor elkaar krijgen van de budgetbekostiging en ook de
doorontwikkeling.
Mevrouw Dobbe vroeg mij nog wanneer ik het voorstel van de SP voor de verbetering
van toegang voor onverzekerden tot zorg ga uitvoeren. Zorgaanbieders zijn verplicht
om medisch noodzakelijke zorg te bieden aan iedereen die dat nodig heeft, ongeacht
of je verzekerd bent of niet. Nederland heeft een ruime vergoedingsregeling voor onbetaalde
facturen, de Subsidieregeling medisch noodzakelijke zorg aan onverzekerden. Op basis
van die regeling wordt 100% van de passantentarieven vergoed. De laatste jaren zijn
de administratieve lasten sterk verminderd en kunnen zorgaanbieders digitaal declareren
via hun normale declaratiesysteem. Er gaat ook veel aandacht uit naar de voorlichting
over deze regeling. Ik zie dus op dit moment geen belemmeringen, los van het punt
dat de zorg onder druk staat en dat er wachtlijsten zijn, maar dat geldt natuurlijk
in algemene zin.
Voorzitter. Dan nog een vraag van mevrouw Maeijer en bij interruptie van de heer Bushoff
over C-support. Het uitgangspunt – ik geloof dat de heer Vervuurt dat ook al zei in
reactie op een interruptie – is dat PAIS-patiënten, waaronder dus ook patiënten met
postcovid, goed worden geholpen binnen het bestaande zorg- en welzijnsdomein. Het
is dus van belang dat zorgprofessionals voldoende kennis en handvatten hebben als
het gaat om de zorgverlening aan postcovidpatiënten. VWS financiert daarom onder andere
onderzoek naar die postinfectieuze aandoeningen. Ook hebben we die expertisecentra
opgericht en hebben we recent een Q-koortsambassadeur aangesteld. De verspreiding
van de kennis en van die onderzoeken is onderdeel van het onderzoeksprogramma en van
de opzet van die expertisecentra. Daarnaast vragen we zowel Q-support als C-support
nadrukkelijk om hun kennis over te dragen aan het reguliere veld. Daar is dit jaar
ook nog geld voor beschikbaar. Daarmee hoop ik echt dat we die zorg op een goede manier
in het reguliere domein aan deze patiënten kunnen bieden.
Voorzitter. Tot slot een vraag van meneer Van Meijeren. Deze vraag werd voorafgegaan
door een heel statement, zou ik eigenlijk willen zeggen, over de abortuszorg in Nederland.
Er zat een aantal aannames is. Ik ga die niet allemaal herhalen, maar ik wil er wel
iets tegenoverstellen dan wel ze weerspreken. De heer Van Meijeren wekte namelijk
de indruk dat huisartsen, in het geval van de abortuspil bij de huisarts, of artsen
die werken in abortusklinieken, hun werk onzorgvuldig zouden doen. We hebben zorgvuldigheidseisen
afgesproken in de Wet afbreking zwangerschap. We hebben in de Kamer ook uitvoerig
gedebatteerd over deze zorgvuldigheidseisen toen de initiatiefwet over de abortuspil
bij de huisarts werd bediscussieerd en later werd aangenomen. We hebben het toen ook
gehad over de beraadtermijn en over het belang van de zorgvuldigheidseisen. Niemand
in de Kamer die voor die wetsvoorstellen was, stelt die zorgvuldigheidseisen ter discussie.
Niemand die ik ken, of die ik gesproken heb ten tijde van de behandeling van die initiatiefwetten
– ik was toen zelf nog Kamerlid, daarom weet ik dat nog goed – en die werkzaam is
in de zorg, in een abortuskliniek of bij de huisarts, acht deze zorgvuldigheidseisen
niet belangrijk of schuift ze terzijde. Die zorgvuldigheidseisen bepalen de toegankelijke
en kwalitatief hoogwaardige abortuszorg die wij in Nederland hebben. Dat blijkt ook
uit wetsevaluaties. Daar wordt door niemand lichtzinnig of lichtvaardig mee omgegaan.
Juist om de kwaliteit van onze abortuszorg te kunnen garanderen en om ervoor te zorgen
dat we zeker weten dat de keuze voor abortus een vrijwillige keuze is en dat die niet
onder dwang wordt gemaakt, zijn die zorgvuldigheidseisen zo belangrijk en worden die
ook zo zorgvuldig nageleefd.
Voorzitter. Dat gezegd hebbend, betekent dit wel dat als we een wet hebben en als
we afspraken hebben, die ook moeten worden gehandhaafd. De IGJ ziet daarop toe en
kijkt daar nu ook naar in het kader van het initiatief waar de heer Van Meijeren naar
verwees, het verkrijgen van de abortuspil online. Daar staat precies die vraag centraal:
kun je zeggen dat wordt voldaan aan de zorgvuldigheidseisen op het moment dat er alleen
een formulier wordt ingevuld en er geen fysiek gesprek plaatsvindt, of dat nou gebeurt
via een beeldscherm of in de praktijk, tussen arts en de vrouw die voor de ingewikkelde
keus van abortus staat? Dat vraagstuk ligt nu voor. Daar buigt de IGJ zich over en
als daar een uitspraak over is, dan weten we hoe dit initiatief zich verhoudt tot
onze wetten. Maar ik herhaal: ik sta onvoorwaardelijk voor de kwaliteit van de abortuszorg
in Nederland en voor alle huisartsen en artsen in abortusklinieken die daar dag in,
dag uit op de meest zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
De heer Van Meijeren (FVD):
De Minister verwijt mij dat ik aannames doe en geeft aan dat alle artsen de zorgvuldigheidseisen
naleven en dat het niet voorkomt dat die terzijde worden geschoven. Dat zou volgens
de Minister ook blijken uit wetsevaluaties. Dat is toch echt feitelijk onjuist. Als
je kijkt naar de eerste wetsevaluatie uit 2005, dan zie je dat daaruit blijkt dat
57% van de abortusartsen geen voorlichting geeft over alternatieve oplossingen van
de eventuele noodsituatie. Dat is in strijd met de wet. Dit werd bij de tweede wetsevaluatie
herhaald. Toen was het 58% nota bene. Dit zijn harde cijfers. Ik heb alleen maar feiten
benoemd. En als het dan gaat over dat initiatief Thuisabortus.nl: daar hoeft überhaupt
geen gesprek plaats te vinden, ook niet via een beeldscherm. Het invullen van een
formuliertje is genoeg. Dat is direct in strijd met een evidente bepaling uit het
Besluit afbreking zwangerschap. Dit wordt ook bevestigd door hoogleraar gezondheidsrecht
Martin Buijsen, verbonden aan de Erasmus Universiteit. Die zegt: dit is illegaal en
hier moet handhavend tegen worden opgetreden.
De voorzitter:
En uw vraag?
De heer Van Meijeren (FVD):
De vraag is: wanneer gaat deze Minister, in plaats van om de feiten heen te draaien
en zelfs feiten te ontkennen, zorgen dat de wet wordt gehandhaafd? We lijken met elkaar
te delen dat dat moet gebeuren, maar het gebeurt niet.
Minister Hermans:
Als er artsen zijn die op onzorgvuldige wijze omgaan met de wet of – nee, ik moet
het anders zeggen – die de wet niet naleven, dan hebben we daar een inspectie voor.
Die ziet erop toe en die grijpt in. Dus dat dat moet gebeuren als dat plaatsvindt,
daar ben ik het honderd procent mee eens. De inleiding van de inbreng van de heer
Van Meijeren suggereerde iets heel anders – althans ik heb daar iets anders in gehoord
– namelijk dat dit aan de orde van de dag is. Daar heb ik me tegen uitgesproken en
dat zou ik met alle liefde en plezier nog een keer doen, maar dat zal ik omwille van
de tijd niet doen. Daar blijf ik voor staan. Wat dat specifieke initiatief betreft,
heeft de heer Van Meijeren gelijk. Daarom zei ik ook: hier gaat het alleen om het
invullen van een formulier en vindt er geen mondeling gesprek plaats tussen arts en
vrouw. De vraag is nu hoe zich dat verhoudt tot de afspraken die we in de wet hebben
gemaakt. Daar kijkt de IGJ naar en ik wacht de uitspraak die zij daarover doen af,
zodat wij weten wat de situatie is.
De voorzitter:
Duidelijk. Ik zag mevrouw Wiersma nog even. Uiteraard, u krijgt zo nog een mogelijkheid
om een vraag te stellen, meneer Van Meijeren. Mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik had nog een verduidelijkende vraag.
De voorzitter:
Dan geef ik u zo het woord. Ik dacht dat het hierover ging.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Nee, het gaat niet hierover.
De voorzitter:
Dan ga ik eerst even terug naar de heer Van Meijeren.
De heer Van Meijeren (FVD):
Het stoort mij echt heel erg dat de Minister doet alsof ik iets suggereer in inbreng.
Ik noem alleen maar feiten. Iedere zin die ik heb uitgesproken, kan ik feitelijk onderbouwen.
Het is zo dat het structureel gebeurt dat wettelijke voorschriften niet worden nageleefd.
Dat blijkt uit evaluaties en de inspectie kan daartegen optreden, maar dat gebeurt
niet, al 40 jaar niet, en daar is deze Minister voor verantwoordelijk. Dus daarom
nogmaals de vraag: is deze Minister bereid om de inspectie op te dragen om daadwerkelijk
te gaan handhaven? En op welke termijn kunnen we verwachten dat in ieder geval tegen
dit initiatief van Thuisabortus.nl wordt opgetreden, omdat dat evident in strijd is
met de wet? En dat is niet alleen mijn bewering, maar ook de bewering van hoogleraar
gezondheidsrecht Martin Buijsen, die ik zojuist al aanhaalde.
De voorzitter:
Ik wil voorkomen dat we in rondjes blijven draaien. De vraag wordt herhaald en de
Minister gaat over haar eigen antwoorden. Minister, tot slot. En dan wil ik echt naar
het volgende blok, omwille van de tijd.
Minister Hermans:
Ik neem de signalen over Thuisabortus.nl, het initiatief dat vorige week gelanceerd
is, heel serieus. Een aantal van de vragen die de heer Van Meijeren stelt, werpt het
initiatief op. Die zijn ook gesteld door de huisartsenvereniging en zijn ook, als
ik me niet vergis, door de vereniging van abortusklinieken zelf in reactie op dit
initiatief in de media genoemd. Het is nu aan de IGJ. Die kijkt nu op basis van signalen,
die ook in de krant gemeld zijn, hoe dit initiatief binnen onze wet- en regelgeving
past. Dat gebeurt nu dus. Op basis van dat oordeel zullen we verder kijken.
De voorzitter:
Heel kort, want het wordt herhaling. Echt, echt, echt een slotvraag.
De heer Van Meijeren (FVD):
Ja, afrondend, voorzitter. Ik mis ieder gevoel van urgentie. Het gaat hier wel om
strafbare feiten met als gevolg dat ongeboren menselijk leven onrechtmatig wordt beëindigd.
De voorzitter:
Maar nu valt u in herhaling.
De heer Van Meijeren (FVD):
Dat is geen herhaling. Ik hoor deze Minister namelijk zeggen dat ernaar wordt gekeken,
maar op dit moment moet er worden gehandhaafd.
De voorzitter:
Oké.
De heer Van Meijeren (FVD):
Kan ik dan in ieder geval van deze Minister de toezegging krijgen dat als ze erkent
dat er inderdaad juridische vragen zijn over deze kwestie, ze in gesprek treedt met
de initiatiefnemers achter Thuisarbortus.nl om ervoor te zorgen dat deze praktijken
in ieder geval stoppen totdat dat onderzoek waarnaar de Minister verwijst, is afgerond?
De voorzitter:
De Minister, tot slot.
Minister Hermans:
Nadat het initiatief bekend is geworden bij mij op het ministerie, hebben wij het
direct onder de aandacht gebracht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Daar
hoort het. Daar ligt het. Zij ziet toe op het online voorschrijven van geneesmiddelen
en op de Wet afbreking zwangerschap. Ik wacht nu het oordeel van de IGJ af.
De voorzitter:
Duidelijk. Zo is de rolverdeling in ieder geval in de wet verankerd.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik had nog één verduidelijkende vraag over de budgetbekostiging. Mijn vraag ging namelijk
niet zozeer over de budgetbekostiging zelf, want zoals ik het begrijp is er sprake
van een ingroeipad vanaf 2027. Stelt de Minister nu dat dat ingroeipad gegarandeerd
eindigt in 2028? Of kan de situatie ontstaan waarin tijdens het ingroeipad er spoedeisendehulpposten
met een tekort bestaan, waardoor toch de continuïteit van die SEH’s onder druk komen
te staan? Dan zou het namelijk zo kunnen zijn dat voordat je dat ingroeipad voltooit,
je toch eerst met een specifieke overbruggingsmaatregel moet komen, ook omdat we het
heel belangrijk vinden dat het in de regio’s beschikbaar blijft. Dat was eigenlijk
de vraag die ik poogde te stellen. Graag nog verduidelijking op dat punt.
Minister Hermans:
Mijn beeld is dat zo’n overbruggingsfonds niet nodig is. Het is inderdaad wel een
ingroeipad of een «doorontwikkeling», zoals ik het net noemde. Er komt nog dit voorjaar
een brief over hoe we dat groeipad concreet gaan uitwerken. Ik kan in die brief op
basis van dat groeipad aangeven waarom ik vind en inschat dat zo’n overbruggingsregeling
of een beschikbaarheidsbijdrage voor regionale ziekenhuizen niet aan de orde is.
De voorzitter:
Ik kijk even naar Minister Hermans om te zien of zij klaar is. Ja, dan gaan we naar
Minister Sterk.
Minister Sterk:
Voorzitter. Misschien is het goed als ik nog even kort de blokjes herhaal die ik heb
meegekregen. Dat zijn het blokje opleiden en het blokje wijkverpleging. Ik zag net
trouwens ook nog een heel klein blokje regeldruk en daarna heb ik nog een blokje met
overige vragen.
Ik begin met het blokje opleiden. Ik denk dat ik net uit al uw woorden heb gehoord
dat de zorg die wij hebben mede het gevolg is van de goede en gekwalificeerde mensen
die daarin werken. We hebben daar heel veel zorg voor en zijn daar trots op. Het is
ontzettend belangrijk dat wij deze zorg- en welzijnsprofessionals goed opleiden voor
de toekomst. Het gaat niet alleen om goed opleiden, maar ook om ervoor zorgen dat
er meer mensen in de zorg komen te werken. Het goede nieuws is in ieder geval dat
dat ook in de sector zo is gezien en dat in het AZWA hele concrete afspraken zijn
gemaakt over hoe we die lerende omgeving die daarvoor nodig is met elkaar vormgeven.
We hebben het vandaag eigenlijk over die eerstelijnszorg. Als we de zorg meer naar
de voorkant willen bewegen, hebben we ten eerste meer zorgmedewerkers nodig, en snel
ook, om ervoor te zorgen dat we die handen houden, maar we hebben vooral ook zorgmedewerkers
nodig die zijn opgeleid voor de vragen die dat oproept. We gaan namelijk van zorgen
voor naar zorgen dat. Dat vraagt soms ook andere competenties van zorgmedewerkers
dan we misschien in het verleden van hen hebben gevraagd. Dat is een gesprek dat we
vooral in overleg met alle veldpartijen moeten voeren. Dat doen we dus ook en dat
blijven we ook op die manier voortzetten.
Dan wil ik nu terugkomen op de vragen die u heeft gesteld. Ik wil eerst even ingaan
op de vragen rondom het Capaciteitsorgaan en daarna op een aantal andere vragen over
de instroom van eerstelijnsartsen en anderen.
Mevrouw Coenradie, mevrouw Wiersma en mevrouw Van Brenk vroegen: «Waarom lijkt het
dat de Minister afwijkt van het advies van het Capaciteitsorgaan, terwijl we daar
normaal aan vasthouden? Wil de Minister samen met verzekeraars werken aan extra opleidingsplaatsen
in de acute zorg?» Ik kan in ieder geval niet bevestigen dat wij afwijken van dat
advies van het Capaciteitsorgaan. De ramingen zijn natuurlijk in principe altijd leidend,
ook voor de besluiten die genomen worden over het aantal centraal gefinancierde opleidingsplekken,
maar we nemen ze niet altijd een-op-een over. Waar ligt dat dan aan? Dat heeft eigenlijk
vooral met de absorptiecapaciteit van de sector te maken. De sector moet het namelijk
wel aankunnen om meer mensen op te leiden. We zien dat bijvoorbeeld de huisartsenzorg
dat op dit moment niet aankan. Daar voeren we het gesprek over. Dat kan dus een reden
zijn waarom je zo’n advies van het Capaciteitsorgaan niet een-op-een kunt implementeren.
De integrale besluitvorming over dat advies en de door ons als ministerie gefinancierde
opleidingsplekken voor aankomend jaar zal later dit jaar plaatsvinden, want daarover
zijn we nog in gesprek met het Ministerie van OCW, dat daar natuurlijk ook een rol
in heeft. Ik ben van plan u daar voor de zomer over te informeren. De gestelde vraag
over de extra opleidingsplaatsen in de acute zorg zullen we daarin ook meenemen. Het
lijkt me goed dat ik dat doe voordat we het debat over het arbeidsmarktbeleid hebben.
Dat staat namelijk nog voor de zomer geagendeerd. Dit lijken me echt vragen die daar
ook bij thuishoren.
Dan was er door mevrouw Van Brenk ...
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dit is heel veel tekst, maar ik heb eigenlijk gewoon een concrete vraag, waar ik gewoon
ja of nee op wil horen. 50 SEH-opleidingsplaatsen in plaats van 60: gaan we dat nou
wel doen of gaan we dat nou niet doen? Ja of nee.
Minister Sterk:
Ik zou willen dat ik daar een simpel ja of nee op kan zeggen, maar we zijn daarover
nog in gesprek. Ik zeg u in ieder geval toe dat ik er in die brief op terugkom. Dan
kunnen we het er volgens mij bij dat debat met elkaar over hebben.
De voorzitter:
Gaat u voort, mevrouw de Minister.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ik was bezig om de vraag van mevrouw Van Brenk te beantwoorden, die zich
afvroeg of er plannen zijn om meer huisartsen op te leiden en meer verpleegkundigen
te vinden. Ik zei net al dat we met een reactie komen op dat advies van het Capaciteitsorgaan.
Daarin wordt het opleiden van huisartsen meegenomen, maar het is natuurlijk ook heel
belangrijk dat er instroom is in de initiële opleidingen, waaronder dus ook de opleidingen
voor verpleegkundigen en wijkverpleegkundigen. We zien dat die instroom afhangt van
de interesse van mensen. Er kunnen wel middelen zijn, maar er moeten ook mensen zijn
die het willen doen.
Ik denk dat we daarin met z’n allen iets te doen hebben. Daarom is het, denk ik, belangrijk
dat we het niet alleen hebben over de moeilijkheden die er soms in de zorg zijn, maar
dat we ook met elkaar blijven uitdragen hoe mooi het is om in die zorg te werken.
U kent daar ongetwijfeld de voorbeelden van. Ik kom ze ook met grote regelmaat tegen.
Ik denk dat het belangrijk is dat we dat met elkaar blijven uitdragen. Zoals ik net
al zei, hebben we in het AZWA concrete afspraken gemaakt over het versterken van de
lerende omgeving. Specifiek voor de wijkverpleging is er voor de komende jaren structureel
60 miljoen beschikbaar om nieuwe wijkverpleegkundigen op te leiden. Ik ben op dit
moment met het veld in gesprek over hoe we die dan ook zo goed mogelijk inzetten.
Dan was er een vraag van de heer Van Dijk – die is hier inmiddels niet meer, maar
ik ga de vraag toch beantwoorden – en de heer Vervuurt, over het tekort aan doktersassistenten
en wat wij doen aan voldoende instroom voor de opleiding en aan de regionale spreiding.
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik het zorgelijk vind dat de instroom stokt en
dat er op dit moment in ieder geval een tekort is aan doktersassistenten. Dat zet
het werk in de huisartsenpraktijken onder druk.
De opleiding voor doktersassistenten, die een mbo-opleiding is, is in principe breed
verspreid over Nederland. Een belangrijke reden dat die instroom daalt, is dat er
een tekort is aan stageplekken. Dat heeft weer alles te maken met de krapte op de
arbeidsmarkt. Als VWS doen we daaraan drie dingen. Ten eerste kunnen wij werkgevers
een tegemoetkoming geven voor het opleiden via subsidies voor strategisch opleiden
in zorg en welzijn en via het Stagefonds Zorg. Het tweede wat wij daaraan doen – dat
heb ik net ook al wel benoemd – is samen met al die veldpartijen werken aan het versterken
van de lerende omgeving. We zijn aan het kijken hoe we de opleidingsmiddelen, bijvoorbeeld
de 60 miljoen voor de wijkverpleegkundigen, goed in kunnen zetten, maar dat geldt
ook voor de andere middelen die ik net noemde.
Ten slotte is geld alleen niet de oplossing voor dit probleem. Er moeten ook mensen
zijn die willen instromen. Zoals ik net al zei is de krapte op de arbeidsmarkt soms
een probleem, maar ook de begeleidingscapaciteit is een zorg. Daarom moedigen we creatieve
oplossingen aan vanuit de tekortregio’s, waar krapte is bij de begeleiding, zodat
werkgevers en het onderwijs extra stageplaatsen kunnen gaan aanbieden. Dat is dus
het gesprek dat we ook met het veld voeren, van: hoe kunnen we de initiatieven die
daarin tegemoetkomen, verder brengen? Daarover heb ik ook overleg met het Ministerie
van OCW, want dat heeft natuurlijk ook verantwoordelijkheid ten aanzien van die stageplekken
op het gebied van zorg en welzijn.
Dan hadden de heer Bevers en, als ik het me goed herinner, ook mevrouw Maeijer en
de heer Vervuurt de vraag of we bereid zijn met huisartsen in gesprek te gaan over
de manier waarop beperkingen kunnen worden weggenomen, ook wat betreft het tekort
aan doktersassistenten. Met de AZWA-partijen hebben we met enige regelmaat overleg.
Daarbij zetten we vaak een thema centraal. In het tweede kwartaal van dit jaar hebben
we het thema arbeidsmarkt en opleiden centraal gezet. Dat is bedoeld voor het aandragen
van innovatieve ideeën, bijvoorbeeld voor de stagebegeleiding. Dat gesprek gaan we
dus inderdaad aan met iedereen die daar een verantwoordelijkheid in heeft.
De heer Van Dijk had een hele specifieke vraag over een nieuwe opleidingslocatie voor
Zuidwest-Nederland, omdat daar een regionaal tandartsentekort is. Ik denk dat het
goed is dat er wordt gekeken hoe we een evenwichtige spreiding van tandartsen over
het hele land kunnen krijgen, maar het is aan het veld en de opleidingen zelf om te
bepalen of er een nieuwe opleiding gestart moet worden. De Commissie Doelmatigheid
Hoger Onderwijs brengt op basis van de Regeling macrodoelmatigheid hoger onderwijs
advies uit aan de Minister van OCW, en dus niet aan deze Minister, over een eventuele
aanvraag voor een nieuwe opleiding.
De laatste vraag in dit blokje is ook een vraag van de heer Bevers. Die vroeg of wij
samen met de beroepsverenigingen, de umc’s en de vakopleidingen een actieplan zouden
willen opstellen voor meer instroom in de cluster 1-beroepen. Dit vraagstuk van de
achterblijvende instroom in de extramurale artsenberoepen speelt al langer. Daarom
hebben de branche- en beroepsorganisaties in 2024 al een werkgroep opgericht. Die
noemen ze Meer extramurale artsen. Daar zijn ook actieplannen uit voortgekomen, onder
andere om de instroom te verhogen. In die werkgroep zaten onder andere UMCNL, de KMMG,
de Landelijke Huisartsen Vereniging en Huisartsopleiding Nederland, maar daar zaten
nog meer partijen in.
Dat project heeft al een aantal positieve effecten teweeggebracht, onder andere rond
de verbetering van de onderlinge contacten en het imago en de bekendheid van extramurale
artsenberoepen. Maar we moeten ook constateren dat de beschikbare opleidingsplaatsen
op dit moment nog niet volledig zijn gevuld, dus we zullen ook de ingezette acties
moeten doorzetten en borgen. Binnenkort komt die werkgroep met een eindrapport en
een evaluatie van de actieplannen. Ik wil daar graag goed naar kijken om te zien welke
vervolgacties daaruit voort zouden kunnen komen.
Dat was het blokje opleiding. Dan ga ik door naar het volgende blokje.
Dat is het blokje wijkverpleegkundigen. Nee, wijkverpleegkundigi... Wijkverpleging,
bedoel ik. Dat is een moeilijk woord. Ik had me eigenlijk voorgenomen om een heel
mooi verhaal te houden over de wijkverpleging en hoe belangrijk die is, juist vanwege
de rol daarvan in de beweging naar de voorkant, maar eigenlijk heeft u daar zelf al
heel veel mooie woorden aan gewijd. Ook mijn collega heeft net het belang aangegeven
van de verbinding van het sociaal domein met die eerste lijn, waarin de verpleegkundigen
ook een cruciale rol spelen. Ik wil eigenlijk alleen maar zeggen dat wij volgens mij
heel trots mogen zijn op de wijkverpleging zoals wij die in Nederland hebben en ook
op hoe die zich de laatste jaren heeft ontwikkeld. Als één beroepsgroep die hele beweging
van «zorgen voor» naar «zorgen dat» en naar de passende zorg eigenlijk al goed heeft
door laten werken in het werk dat ze doen, dan is dat wel de wijkverpleging.
Dat laat zich, denk ik, ook in financiële zin zien, maar dat is een zijpad, wat mij
betreft. Zij zijn dus de spin in het web. Zij hebben een hele belangrijke rol. Volgens
mij is het bij alles wat we de komende tijd doen ook belangrijk dat we dat ook in
ogenschouw blijven houden, want we hebben dat nodig als we gaan werken aan de zorgzame
wijken en buurten waarin we de kwaliteit van leven centraal willen stellen.
Door het CDA werd gevraagd: hoe kijken we nou naar de uitwerking van die eigen bijdrage
in de wijkverpleging? Er werd door andere partijen, onder anderen door mevrouw Van
Brenk, gezegd: wij willen die eigen bijdrage eigenlijk helemaal niet in de wijkverpleging.
Dat laatste ga ik hier nu niet toezeggen, maar dat zal u waarschijnlijk niet verbazen.
Ik wil echter wel aangeven wat de gedachte is waarom we dit doen en hoe ik aan het
bekijken ben hoe we dat nou zo goed mogelijk kunnen gaan invullen.
Waarom doen we het? Ik denk dat mijn collega Hermans net al heel duidelijk heeft uitgelegd
dat wij in ons systeem werken vanuit de solidariteitsgedachte, dus dat hogere inkomens
meer betalen dan lagere inkomens en dat mensen die gezond zijn soms ook betalen voor
mensen die zorg nodig hebben of ziek zijn, maar dat we als mensen dan zorg nodig hebben
ook wat vragen om daar dan een bijdrage aan te leveren. Dat doen we op een heleboel
vlakken. Dat willen we ook gaan doen bij de eigen bijdrage voor de wijkverpleging.
Dat doen we ook omdat we de premies beheersbaar willen houden en omdat we de solidariteit
in het systeem willen houden. Ik heb zelf ook al gesproken met de wijkverpleging.
Jullie hebben als commissie de petitie ook in ontvangst genomen. Ik ben dus ook niet
doof voor de zorgen die zij hebben. Ik denk dus dat we goed moeten kijken naar wat
potentieel de consequenties zijn van deze invoering.
Wat mij betreft zijn er een aantal voorwaarden voor de vormgeving van die eigen bijdrage.
Dat is ten eerste dat we rekening houden met de draagkracht van mensen. We moeten
ook goed bezien dat we zo veel mogelijk voorkomen dat er een verschuiving naar andere
domeinen of andere regelingen plaatsvindt. Ten derde dat we de regeling begrijpelijk
houden voor de burger, maar zeker ook voor de uitvoeringsorganisatie. We moeten het
tijdig doen, maar ook zorgvuldig. Ten slotte moeten we de uitvoeringskosten van die
regeling zo laag mogelijk houden.
Als dat je randvoorwaarden zijn, stuit je natuurlijk wel op een aantal dilemma’s.
Ik zie de heer Bushoff al een beetje heen en weer bewegen; ik weet niet of dat daarmee
te maken heeft. Er zijn natuurlijk dilemma’s, want aan de ene kant kun je een hele
eenvoudige regeling maken die heel begrijpelijk is, maar die misschien niet goed rekening
houdt met draagkracht. Als je dat omdraait, dan krijg je een hele complexe regeling
die misschien wel rekening houdt met draagkracht, maar die tegelijkertijd weer heel
complex is in de uitvoering voor burgers en voor uitvoerende partijen.
Je kunt ook kijken naar de manier waarop je die regeling precies invult. De eigen
bijdrage kun je natuurlijk op verschillende manieren vormgeven als je die bijvoorbeeld
inkomensafhankelijk maakt. Je zou het ook via een vaste bijdrage kunnen doen. Je zou
ook kunnen bekijken wanneer je hem gaat vragen in het proces waarin mensen met de
wijkverpleging te maken krijgen. Dat zijn allemaal dilemma’s. Ik zeg u alvast: ik
ben daar nog niet helemaal uit, want ik wil graag uitgewerkt hebben hoe het er dan
uitziet, wat het precies doet als we aan die knoppen gaan draaien, en hoe we het,
uitgaande van de randvoorwaarden die ik net heb genoemd, zo goed mogelijk kunnen vormgeven.
Ten slotte wil ik daarbij ook betrekken dat er natuurlijk meer regelingen zijn die
een rol kunnen spelen en impact kunnen hebben op bepaalde groepen in onze samenleving;
dat heeft mijn collega Hermans net ook al aangegeven. De stapeling van al die maatregelen,
niet alleen vanuit ons ministerie, maar ook vanuit Sociale Zaken, wordt nu in beeld
gebracht, niet alleen voor de koopkracht, maar juist ook voor bepaalde doelgroepen
die misschien heel veel zorgkosten hebben. Daar wil ik de uitwerking van die regeling
ook bij betrekken en ook bekijken wat we uiteindelijk doen met de enveloppe die er
is met die 350 miljoen. Dat is volgens mij een pakket aan knoppen die we hebben om
ervoor te zorgen dat we de voorwaarden zoals ik die net noemde, dus de draagkracht
en de uitvoerbaarheid, zo goed mogelijk inregelen. Ik zit nog in dat proces. Ik wil
u als Kamer er in ieder geval nu alvast aan de voorkant in meenemen hoe we daarnaar
kijken. Ik wil ook voor de zomer, als we verder zijn met de uitwerking, graag daarover
met u in gesprek om daarover uw visie te horen.
Voorzitter. Dan ga ik nog toe naar een aantal specifiekere vragen. Mevrouw Van Brenk
vraagt hoe dit zich verhoudt tot de eerstelijnszorg wat betreft nabijheid en toegankelijkheid.
Uitgangspunt blijft juist dat wij willen dat mensen in hun eigen omgeving kwalitatief
goede zorg krijgen. Daar is de eerstelijnsbeweging ook op gericht. Daarom willen we
ook die sterke lokale teams maken. Wijkverpleging is hierin een cruciale schakel.
Die zit immers in zowel de wijkteams vanuit de huisartsen, de medische teams, als
in de welzijnsteams; hechte wijkverbanden. Dat is cruciaal. Het is belangrijk dat
we dit goed blijven inregelen, dat we goed kijken of er een zorgvraag is of een ondersteuningsvraag,
of er een welzijnsaanbod nodig is of dat er zorg nodig is en wat dan passende zorg
is.
Mevrouw Maeijer had een vraag over de palliatieve zorg: zet die niet een rem op mensen
die thuis willen sterven? Ik gaf net al aan welke randvoorwaarden er zijn. De eigen
bijdrage mag in ieder geval geen onoverkomelijke financiële drempel worden voor mensen
om noodzakelijke zorg te ontvangen. Daarom ben ik ook op zoek naar een zo optimaal
mogelijke vormgeving.
Mevrouw Van Brenk zei – althans, zo hebben wij het gehoord – dat De Buurt als Ecosysteem
kritisch is op de bezuiniging op de wijkverpleging. Maar er is geen bezuiniging op
de wijkverpleging. Sterker nog, we hebben voor de komende jaren zelfs meer middelen.
Wel hebben we het over een eigen bijdrage voor de wijkverpleging, maar dat is iets
anders dan een bezuiniging op de wijkverpleging.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Zo heb ik het niet gezegd. Zo heb ik het in ieder geval zeker niet bedoeld. Ik weet
dat er vanuit de zorgverzekeraars geld beschikbaar is om De Buurt als Ecosysteem te
gaan ontwikkelen, maar dat zij daarbij wel de opdracht hebben verstrekt dat het aantal
uren wijkverpleging met 15% moet afnemen. Dat is dus wel een taakstelling.
Minister Sterk:
Vindt u het goed dat ik daar in tweede termijn op terugkom? Dan laat ik het even uitzoeken,
want zo scherp is mij dat niet bekend. Hier kom ik in tweede termijn dus op terug.
Er was een vraag van de heer Poortman over de opties. Die heb ik net aangegeven.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee de vragen op het punt van de wijkverpleging heb
beantwoord.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Op dit punt. De Minister spreekt mooie woorden over de wijkverpleging, over de spin
in het web. Die woorden zijn allemaal waar, maar de financiële drempel, die er nu
niet is, gaat de Minister nu wel invoeren. De mensen die ons de petitie overhandigden
en die de Minister ook heeft gesproken, maken zich zorgen. Ze denken dat er niemand
meer achter de voordeur komt, met alle gevolgen van dien: escalatie, verwaarlozing,
mensen die in een veel slechtere staat straks in het ziekenhuis terechtkomen of in
het verpleeghuis. Dat is ten eerste niet leuk voor de persoon in kwestie, maar bovendien
ook nog een stuk duurder. Ongeacht hoe je die regeling gaat inrichten – nogmaals,
wij zijn daar tegen – zul je altijd mensen hebben die vanwege het feit dat er nu een
financiële drempel is, zorg gaan mijden. Daardoor zullen de problemen, in welke vorm
dan ook, gaan escaleren. Neemt de Minister dat dan voor lief, vraag ik haar.
Minister Sterk:
Ik heb oog voor de risico’s die er zijn. Daar wil ik ook naar kijken. Tegelijkertijd
wil ik daartegenover zetten dat we proberen om veel meer aan de voorkant, ook via
zorgzame buurten, te signaleren wat er speelt bij mensen thuis. De wijkverpleegkundige
heeft hierin wel een belangrijke rol, maar is niet de enige. Dat is bijvoorbeeld ook
de huisarts of de mensen die in de buurt actief zijn vanuit welzijn en anderszins.
Daarbij moeten mensen natuurlijk de ruimte blijven voelen om inderdaad de hulp te
kunnen krijgen van de wijkverpleging, maar de vraag is of die eigen bijdrage daarbij
nou het meest beslissend is. Als het bijvoorbeeld gaat over mensen met dementie –
ik kom daar straks nog op terug bij mijn blokje overig – is het de vraag of een eigen
bijdrage voor de wijkverpleging nou de drempel is om uiteindelijk hulp te zoeken of
dat het is dat mensen er misschien nog mee in het reine moeten komen of de ontwikkelingen
nog willen ontkennen; ik heb dat in mijn omgeving ook gezien.
Nogmaals, wij denken, waarschijnlijk vanuit een ander principe dan u, namelijk vanuit
de solidariteitsgedachte in ons stelsel, dat deze zorg inderdaad een bijdrage mag
vragen. Tegelijkertijd willen we ook dat die wijkverpleging die belangrijke rol goed
kan blijven vervullen in het systeem. Daar zullen we ook oog voor houden.
De voorzitter:
Laten we even doorgaan. De Minister.
Minister Sterk:
Dan ben ik bij mijn blokje regeldruk. Daarover was een vraag van mevrouw Coenradie
en een van de heer Van Dijk. De vraag van mevrouw Coenradie ging volgens mij niet
heel expliciet over de eerstelijnscoalitie.
Ik ga nu antwoord geven op de vraag van volgens mij de heer Van Dijk of wij in overleg
willen treden over de voorstellen van de eerstelijnscoalitie om administratieve lasten
in de zorg echt te verlagen. Ja, ik wil daarover in overleg treden, maar we zien ook
dat die eerstelijnscoalitie voorstellen doet die al heel nauw aansluiten bij de huidige
wetgevingspraktijk. Bijvoorbeeld gedistantieerde regelgeving, waar zij voor pleiten,
of consistente wetgeving, dus dat regels logisch in elkaar moeten steken en te begrijpen
moeten zijn, en zorgvuldige beoordeling, dus of wetgeving echt nodig is, of er misschien
alternatieven zijn, of het wel uitvoerbaar is en of het niet tot te veel regeldruk
leidt, zijn dingen die al verplicht moeten worden nagegaan bij alle nieuwe wet- en
regelgeving.
We hebben daar een kompas voor, het Beleidskompas. Dat vraagt dat we dat sowieso doen.
Daarna worden voorstellen ook nog eens getoetst door het Adviescollege toetsing regeldruk,
dat ook altijd op deze punten ingaat. Nogmaals, ik denk dat het goed is dat wij het
gesprek aangaan met deze eerstelijnscoalitie, want we moeten altijd leren van goede
ideeën. Als er concrete beleidsvoorstellen zijn, moeten we die ook met hen bespreken.
Voorzitter. Er was nog een vraag van mevrouw Dobbe over de vijfminutenregistratie.
Laat ik het anders zeggen: wij hebben echt gezocht naar voorbeelden waarbij dit een
blokkade is en we hebben ze gewoon niet kunnen vinden. Vandaaruit zie ik op dit moment
geen reden om dat aan te pakken, gezien alle dingen die we op dit moment te doen hebben;
we hebben ontzettend veel wet- en regelgeving en heel veel dingen die we willen organiseren
in de zorg. Maar als u mij een concreet en tastbaar voorbeeld kunt aandragen waarin
dit inderdaad speelt en een blokkade is, dan wil ik heel graag daarover met u in gesprek,
want wij kunnen ze niet vinden. Als u mij dat inderdaad kunt doen toekomen, dan zeg
ik u toe dat we daarmee aan de gang gaan.
De voorzitter:
U was door uw interrupties heen, mevrouw Dobbe, maar dit was een beetje uitlokking.
Maak geen nieuw punt, maar u mag even hierop ingaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Zo hard heeft het ministerie dus helemaal niet gezocht. Dat is wat ik denk. Maar goed,
prima. Ik wil best het voorbeeld aandragen, maar dan gaan we niet nog een keer een
gesprek daarover voeren. We hebben gewoon een motie ingediend. Er zijn twee opties:
of die motie wordt uitgevoerd of die wordt niet uitgevoerd. Volgens mij is er ook
als er weinig voorbeelden zijn geen enkele belemmering om die motie uit te voeren.
Ik kan u voorbeelden doen toekomen, maar niet om als een reden om af te wegen om die
motie wel of niet uit te voeren, want die motie is gewoon aangenomen.
De voorzitter:
Oké. Misschien wordt de motie wel uitgevoerd als die voorbeelden komen, maar goed,
ik ga er helemaal niet over. De Minister.
Minister Sterk:
Het punt is juist dat wij geen voorbeelden hebben kunnen vinden. Nogmaals, ik ben
echt bereid om dit op te lossen als dit echt een probleem is, maar ik wil dan ook
graag wel de voorbeelden erbij. Wij hebben echt gezocht, maar ze nog niet gevonden.
Als u beter kunt zoeken, dan wil ik ze heel graag ook ontvangen.
De voorzitter:
Oké. Wordt vervolgd.
Minister Sterk:
Voorzitter. Ten slotte heb ik nog de vraag van de heer Vervuurt over de digitale intakeprocessen
en wat wij doen om dat op te schalen. Ik hoorde pas een heel mooi voorbeeld daarvan
van een huisarts die dat gebruikte in haar praktijk. Dat scheelde heel veel tijd en
maakte juist ook heel scherp wat nou de vraag was en wat de afspraken waren, ook voor
de patiënt. Dat gaf gewoon heel veel rust en helderheid over wat daar gebeurde.
We hebben in de akkoorden met de veldpartijen afspraken gemaakt om die digitale vormen
van zorg en ondersteuning een impuls te geven, maar dan wel – ik denk dat we niet
overal achteraan moeten lopen – als het bijdraagt aan passende zorg, want dat is de
beweging die we willen maken.
Voorzitter, dat was dit blokje. Dan heb ik nog een aantal vragen in overig.
Mevrouw Van Brenk had een vraag – eigenlijk heb ik daar net al even op gereflecteerd
– over de toegankelijkheid van de casemanager dementie. Ik heb net al aangegeven dat
ik denk dat er allerlei redenen zijn waarom het soms moeilijk is om die hulp te vragen.
Het is in ieder geval ontzettend belangrijk dat die zorg wel vergoed wordt en dat
de zorgverzekeraars die zorg breed gaan inkopen. Ze mogen het in principe vergoeden
vanaf het sociaal domein tot aan de heel zware zorg als mensen uiteindelijk in een
verpleeghuis zitten en soms echt in de laatste fase van dementie zitten.
Ik denk dat het heel erg belangrijk is dat de zorgverzekeraars dat financieren en
ik verwacht dan ook dat de zorgverzekeraars samen met gemeenten en de zorgaanbieders
in elke regio een plan maken voor hoe ze dit onderdeel van hun zorgplicht – die hebben
die zorgverzekeraars ook op dementie – invullen.
Voorzitter. Dan de voorzorgcirkels. Daar begon mevrouw Van Brenk over en ik herinner
me dat ze het daar ook al over had bij de begroting. Volgens mij zijn dat heel mooie
voorbeelden. Ze vroeg of wij zien dat welzijnswerk een belangrijke partner is voor
zorgzame buurten, maar daar heeft mijn collega daar net al iets over gezegd. Ik denk
dat het juist zo mooi is dat de beweging die we nu maken het welzijn en de zorg bij
elkaar brengt, want juist vanuit welzijn kun je heel veel problemen op een andere
manier aanpakken en kan je soms veel toevoegen aan de kwaliteit van leven en ook aan
de zingeving van mensen. Hoe mooi is het als je gewoon ergens kunt gaan eten als je
eenzaam bent, ’s avonds met mensen in een buurthuis? Dan kun je wel pillen voorschrijven
als arts, maar misschien is het wel veel beter als je dat een paar keer per week kunt
doen met de mensen uit je buurt. Ik geloof er heel erg in dat we die bewegingen bij
elkaar moeten brengen.
Er waren nog een aantal vragen over de flexibele schil van zzp-huisartsen, onder anderen
van de heer Van Dijk. Ook mevrouw Coenradie stelde daar vragen over. De vraag was
hoe het nou zit met de wet waaraan gewerkt wordt, die nieuwe Zelfstandigenwet. Ik
moet zeggen dat die wet primair de verantwoordelijkheid is van mijn collega hier aan
de andere kant van het Ministerie van VWS, namelijk die van Sociale Zaken. Daarom
kan ik nu nog niet op de invulling van dat wetsvoorstel vooruitlopen. Ik ben uiteraard
wel betrokken bij het verder uitwerken daarvan. Wat volgens mij vooral belangrijk
is, is de vraag of die flexibele schil nou echt zo samenhangt met de inzet van zzp’ers.
Ook zonder zzp’ers is het mogelijk om die zorg, bijvoorbeeld die 24 uurszorg, te borgen
bij de haps, om dat te regelen. Wij zijn al geruime tijd in gesprek met de huisartsenvereniging
en met InEen over de mogelijkheden om dat te doen met mensen in loondienst. Dus mijn
collega is bezig met de wet – daar komen we later op terug – maar we zijn nu al aan
het kijken hoe dat ingevuld kan worden vanuit loondienst.
De heer Bushoff had nog een hele ...
De voorzitter:
Voordat u naar de heer Bushoff gaat, heeft de heer Bevers nog een vraag.
De heer Bevers (VVD):
Ja, over dit onderdeel specifiek. Ik kreeg de vraag bij interruptie. Ik ben er heel
duidelijk over geweest. Wij hebben er in het verleden heel veel contact over gehad,
ook met de Landelijke Huisartsen Vereniging en met de huisartsenposten. Het is dus
wel een probleem. Het is wel een probleem om voldoende huisartsen te krijgen in loondienst.
Met name in de spoedzorg zie je vaak dat vaak huisartsen die bijvoorbeeld gestopt
zijn met hun eigen praktijk zich als zelfstandige vestigen en op basis daarvan een
aantal huisartsenspoedposten bemannen. Dat is heel breed. Dat is ook iets wat wij
in ieder geval vanuit de sector als probleem hebben gehoord, de flexibele schil. Alle
huisartsenposten willen het liefste artsen in loondienst, maar het lukt gewoon niet.
Die artsen zeggen gewoon: sorry, ik ben altijd zelfstandig arts geweest en ik ga nu
niet ineens in loondienst. Het is dus wat ons betreft echt wel een probleem. In het
verleden hebben we uw voorgangers opgeroepen – dit is een heel specifiek punt – om
daar blijvend aandacht voor te hebben namens het ministerie om dat goed te regelen.
Ik ben echt bang dat we anders bij de huisartsenposten, de haps, echt een probleem
gaan krijgen. Ik wil daar dus nogmaals toe oproepen.
Minister Sterk:
Als de heer Bevers de indruk heeft gekregen dat ik denk dat dat geen probleem is,
dan werp ik dat verre van mij. Ik denk namelijk dat er inderdaad een probleem is.
De vragen gingen alleen heel erg over de vraag of je zzp’ers in kan zetten en hoe
dat zit in relatie tot de wet. Daarvan heb ik gezegd: daar kan ik nu nog niet zo veel
over zeggen, want dat ligt bij mijn collega. Maar we zijn hierover al geruime tijd
in gesprek met de huisartsenvereniging en InEen, juist omdat het een probleem is.
We zijn uit aan het zoeken of het ook mogelijk is om daarvoor vanuit de loondienst
een oplossing te vinden. Ik zal me de volgende keer iets specifieker uitdrukken.
De voorzitter:
Daar wil mevrouw Coenradie nog op doorvragen. Dat mag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik vind dat toch te vaag. Je kunt namelijk wel zeggen «de wet ligt niet bij mij, maar
bij iemand anders», maar je hebt ook nog een boodschap aan degene die die wet maakt.
De vraag is dus eigenlijk of deze Minister bereid is om dit mee te nemen in de gesprekken
die zij heeft binnen het kabinet en dus ook met de Minister die verantwoordelijk is
voor deze wet, en om daarbij de urgentie neer te leggen en te zeggen: luister eens,
wij willen dit heel erg graag in deze wet verankerd hebben of dat daar in ieder geval
aandacht voor is. Anders zie ik op mijn terrein dadelijk echt heel veel problemen.
Minister Sterk:
Op dat laatste kan ik volmondig ja zeggen. Dat heb ik net ook aangegeven. Ik ga hier
natuurlijk over in gesprek. Ik kan aan wat ik net heb gezegd nog toevoegen dat er
in dat gesprek met de huisartsenvereniging en InEen wel kansrijke ideeën op tafel
liggen, maar dat we daarover nu ook in gesprek zijn met de Belastingdienst. Er wordt
dus gewerkt aan oplossingen. Ik ga dit gesprek ook aan met mijn collega, want wij
hebben er belang bij dat deze wet ook werkt voor de problemen die we hebben in de
zorg en specifiek in de huisartsenzorg.
Voorzitter. Er was een vraag van de heer Claassen over de dividenduitkering. Hij vraagt:
is de Minister bereid om pas conclusies te trekken op basis van een volledig beeld?
Het ingewikkelde is een beetje ... Laat ik het zo zeggen: we zijn blij dat die informatie
nu op tafel ligt, want dat geeft ook een beeld van hoe het ervoor staat en wat er
misschien nog niet helemaal goed gaat. Daar kunnen we vervolgens onze maatregelen
op nemen. Alleen bij de organisaties of aanbieders die een jaaroverzicht hebben, kun
je zien hoe dit werkt. Het is eigenlijk niet mogelijk om dat in beeld te krijgen bij
aanbieders die dat niet hebben. Een type investeerder is ook niet per definitie goed
of slecht, dus volgens mij is het op dit moment niet nodig en, zoals ik al zei, niet
haalbaar om daar een heel volledig beeld van te krijgen en daarvoor aanvullend onderzoek
te doen. Ik wil me vooral richten op onwenselijk gedrag. Daarvoor zijn we bezig met
wetgeving.
Dan kom ik bij mijn laatste punt. Daarom zijn we ook bezig met het wetsvoorstel Wet
integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders. Dat willen we gaan aanscherpen,
want geld voor de zorg moet gewoon in de zorg blijven, zoals de heer Bushoff aangeeft.
Volgens mij wordt dat trouwens breed in de Kamer gedeeld. Ik ben gisteren op werkbezoek
geweest. Daar hoorde ik hoe slinks mensen soms gebruikmaken en vooral misbruik maken
van de regelingen die er zijn. Dan kunnen we maar één ding doen: daar keihard tegen
optreden en zorgen dat we dat voorkomen. Dit wetsvoorstel moet daarbij gaan helpen.
Dat willen we doen door daarin aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap
op te nemen, waardoor je de uitwassen van private equity kunt inperken. We willen
ook voorwaarden stellen aan winstuitkering. In de aanscherping van het wetsvoorstel
neem ik dus ook de reikwijdte van het winstuitkeringsverbod mee. We willen gewoon
zorgen dat die zorgeuro echt goed terechtkomt, waar die hoort. Ik zal de Kamer voor
de zomer informeren over de aanpassingen van het wetsvoorstel.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Veel dank. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van
het kabinet. Ik wil gelet op de tijd gelijk doorgaan naar de tweede termijn. We hebben
een sprekersvolgorde. Er zijn wat collega’s niet meer bij dit debat vanwege andere
verplichtingen, dus ik begin bij mevrouw Coenradie, daarna is mevrouw Van Brenk en
daarna hanteer ik weer de volgorde waarin iedereen zit. Mevrouw Coenradie, uw tweede
termijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Laat ik allereerst even beginnen met het aanvragen van een tweeminutendebat.
Bij dezen dus.
Dan het volgende. Ik hoor toch heel veel taal, maar weinig waarvan ik denk: nou, na
dit debat zijn we veel wijzer geworden en hebben we echt wel vooruitgang met elkaar
geboekt. Als u mij nou vraagt, wat dat is, dan weet ik daar het antwoord eigenlijk
niet heel goed op. Ik vind zorgverzekeraars nog steeds niet transparant. Ik vind daarin
de schriftelijke beantwoording en de zaken zoals die vandaag besproken zijn, echt
nog niet bevredigend. Dat apothekers niet hoeven bijleggen en het hele verhaal daaromheen,
vind ik ook echt nog veel te vaag en niet concreet. Regeldruk: «Ja, we willen allemaal
minder regeldruk. Ja, we nemen het mee. Er worden gesprekken gevoerd.»
Ik mis daarin gewoon daadkracht, zo van: ja, dit gaan we doen, dit gaan we regelen
en dit is het idee hierbij. Het blijft allemaal heel erg vaag. Ik merk ook dat het
mij ontzettend uitnodigt, maar ook dwingt om dan dus maar gewoon een tweeminutendebat
aan te vragen, om dan maar via moties veel concreter te zijn en om daadkracht vanuit
de Ministers te vragen. Ik vind dat vervelend, want aanvankelijk was ik dat niet voornemens,
omdat ik vind dat we elkaar vooral niet iedere keer moeten overladen met allerlei
debatten. Ik merk dat door de beantwoording van de Ministers mij niets anders rest.
We gaan dat dus doen en dan gaan we zien wat de opdracht op dit terrein vanuit de
Kamer is richting het kabinet.
De voorzitter:
Dank u zeer. De volgende spreker is mevrouw Van Brenk, van 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik hoop eigenlijk op een toezegging van de Minister. Kan zij misschien
iets betekenen? Ik noemde al de standaard van het Nederlands Huisartsen Genootschap
over gordelroos. Nu ligt er een brief van Stichting Pijn na Gordelroos en SeniorenNetwerkNL,
waarin zij wijzen op een internationale richtlijn over de advisering rondom antivirale
middelen binnen 72 uur nadat het geconstateerd is. Het is nog niet aangepast, maar
misschien kan de Minister iets betekenen om partijen bij elkaar te zetten of misschien
wil ze daar zelf iets in betekenen. Ik denk dat dat van groot belang is in het kader
van zenuwpijn die optreedt na gordelroos. Dat is heel belangrijk.
Voorzitter. Ik ben blij dat de Minister waardering heeft voor casemanagementschap.
Ik denk dat dat heel erg van belang is, zeker vanwege een groeiend aantal mensen met
dementie. Dus ik ben blij dat die voorop het netvlies staan. Wat ons betreft zou ik
het daarbij willen laten.
De voorzitter:
Mooi. Dat was plusminus 1 minuut en 20 seconden. Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik heb geen stopwatch liggen, voorzitter, maar ik neem aan dat u mij eraan herinnert.
Voorzitter. Ik zei het in de eerste termijn ook al, maar ik maak mij grote zorgen
over hoe die maatregelen nou eigenlijk uitpakken voor al die kwetsbare mensen, zoals
de ouderen en de chronisch zieken. Ik heb het dan over de stapeling van het geheel:
het omhooggaan van het eigen risico, het afschaffen van de tegemoetkoming voor chronisch
zieken, de eigen bijdrage. Ik hoor ook niet heel veel enthousiasme over het kijken
naar financiële toegankelijkheid op het gebied van mondzorg of fysiotherapie. Ik voorzie
gewoon een hele forse stapeling met grote gevolgen voor mensen. De eigen bijdrage
in de wijkverpleging kan ik ook niet echt rijmen met alle mooie woorden over het belang
van de wijkverpleging en het belang van de casemanager dementie. Die mooie woorden
deel ik, maar ik denk dat dit gewoon een slecht idee is.
Ik heb de Minister in de eerste termijn ook nog gevraagd, naar aanleiding van het
onderzoek van PwC naar de casemanagers, hoe zij nou gaat zorgen voor voldoende casemanagers
dementie.
Tot slot, voorzitter, heb ik nog één vraag over C-support. Het ging net een beetje
snel in de beantwoording van het geheel. Ik zie toch eigenlijk vooral berichten dat
de zorg nog niet klaar is om die taken van C-support over te nemen en dat de kennis
die daar nu zit, er gewoon nog niet overal is. Ik wil de Minister toch nog vragen:
herkent zij die signalen en hoe ziet zij dat voor zich?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank. Mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Ik hou het kort. Ik ben blij met de toezegging van de Minister van
VWS dat ze in gesprek gaat met de Minister van OCW over de mogelijkheden die er zijn
om een soortgelijke systematiek in te voeren in Nederland. Ik kijk ook heel erg uit
naar de brief die voor de zomer komt. Ik hoop dat ze daar uitvoerig op in wil gaan.
De algehele afdronk is namelijk wel dat de regio hierin gewoon zwaar onder druk staat.
Nogmaals, ik ben blij dat daar meer aandacht voor is, ook hier in deze Kamer.
Over het ingroeipad heeft de Minister ook gezegd dat daar een brief over komt. Ik
zou daarin dan echt wel heel graag expliciet willen zien hoe zij ervoor gaat zorgen
dat de regionale ziekenhuizen, die op dit moment al kampen met een tekort, met name
waar het gaat om de spoedeisende hulp, in de toekomst niet verder onder druk komen
te staan. Dat is van het grootste belang, ook in de regio. Zorg is geen luxe is en
toegang tot spoedeisende hulp ook niet. Dat is gewoon broodnodig en een fundamentele
basisvoorziening. Ik kijk dus uit naar deze brief en ik zal die kritisch bestuderen.
De voorzitter:
Poortman.
De heer Poortman (CDA):
Dank, voorzitter. Dat klonk bijna als een stemming. Verder geen aanvullende vragen.
Dank aan beide bewindslieden voor de beantwoording, voor hun aanwezigheid hier en
voor de toezeggingen. Ik zal die kritisch en met veel interesse volgen. Ik zie uit
naar het vervolg en de uitwerking van dingen.
De voorzitter:
Meneer Poortman namens de CDA-fractie. Heel veel dank. Meneer Bevers van de VVD-fractie.
De heer Bevers (VVD):
Dank, voorzitter. Dank voor de uitgebreide beantwoording. De meeste van mijn vragen
zijn beantwoord. Ik hoop dat het volgende misschien toch in de tweede termijn nog
kan. Ik heb het gehad over de oproep die wij in ieder geval hebben gekregen van de
LHV, NHG, InEen en het UNH om wél met een nieuw actieplan te komen om de werving van
artsen buiten het ziekenhuis een nieuwe impuls te geven. Ik zou u toch willen vragen
of u op zijn minst het gesprek daarover wilt aangaan. Daar komen we vast uit en anders
kijk ik inderdaad naar een tweeminutendebat als daar een motie voor nodig is. Ik wilde
die oproep toch nog even bij u neerleggen. Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Bushoff, en die is zeker PRO GroenLinks-PvdA.
De heer Bevers (VVD):
Vandaag.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Eerst even kort nog over C-support. Ik ben benieuwd of de Minister erkent
dat de kennis over post-acute infectiesyndromen zoals long covid nog onvoldoende aanwezig
is bij bijvoorbeeld huisartsen, Wmo-consulenten, keuringsartsen et cetera en dat dat
kennisniveau echt nog een stapje hoger moet. Is in het verhogen van dat kennisniveau
niet juist een opdracht weggelegd voor C-support, waarvoor we ze nog een jaar langer
dan nu moeten laten voortbestaan? Als je ze nu al gaat afschalen, kunnen ze daar eigenlijk
ook niet meer in voorzien. Zou u ze niet een jaar langer moeten laten bestaan met
deze concrete opdracht?
Voorzitter. Dan twee, over de Wibz. Ik hoop wel dat die er snel komt, want we zien
in de tussentijd nu al dat het erop lijkt dat zorginstellingen nu maar zo veel mogelijk
winst nog uitkeren zolang de Wibz er niet is. Ik zou de oproep willen doen, aan al
die organisaties maar ook aan deze Minister, om in ieder geval alvast in lijn met
die Wibz winstuitkeringen wel of niet te doen, of om in ieder geval daartoe een oproep
te doen aan de verschillende zorgpartijen.
Voorzitter. Helemaal tot slot nog één ding. Minister Sterk schermde met inkomenssolidariteit
en risicosolidariteit. Risicosolidariteit, want gezond betaalt voor ziek, en inkomenssolidariteit,
want rijk betaalt voor arm. Ik zou in het licht van alle voorstellen die nu worden
gedaan, bijvoorbeeld de eigen bijdrage in de wijkverpleging, de verhoging van het
eigen risico et cetera, willen weten in welke mate al die maatregelen ofwel de inkomenssolidariteit
en risicosolidariteit versterken, of die juist verminderen. Ik zou van de Minister
eigenlijk de toezegging willen dat ze dat per maatregel in kaart brengt. Als je ermee
schermt, ben ik namelijk ook wel benieuwd wat het effect op de risico- en inkomenssolidariteit
van al die maatregelen is.
De voorzitter:
Volgens mij is uw vraag helder. De volgende spreker is de heer Vervuurt, D66.
De heer Vervuurt (D66):
Voorzitter. Ook vanuit D66 dank voor de beantwoording door het kabinet. Ik denk dat
deze commissie vandaag heel eensgezind haar zorgen heeft uitgesproken over met name
het tekort aan huisartsen en praktijkhouders. Daar hebben we het vrij uitgebreid over
gehad. Ik heb gehoord dat het kabinet daar voortvarend mee aan de slag gaat en de
vinger aan de pols houdt. Ik hoop dat de Kamer daar ook met enige regelmaat goed over
geïnformeerd wordt via rapportages, zoals vorige week in het tweeminutendebat is toegezegd.
Ik vond het een goed idee van de heer Bushoff om die rapportages op te stellen met
in de ene hand het AZWA en in de andere hand het actieplan van de heer Bushoff. Ik
zou het kabinet daartoe dus willen oproepen.
Datzelfde geldt eigenlijk voor de ontwikkelingen omtrent de opleidingen van doktersassistenten.
Dat is natuurlijk ook iets waarop ik heb gehamerd in mijn bijdrage. Die zijn van cruciaal
belang voor het goed draaien van de huisartsenzorg.
Ten aanzien van de wijkverpleging hoor ik Minister Sterk zeggen dat er een heleboel
knoppen zijn waaraan je zou kunnen draaien. Ik denk dat het goed is dat ze al die
knoppen meeneemt. Ik heb haar daarbij geen expliciete opties horen noemen, zoals het
gratis maken van een x-aantal eerste behandelingen, maximering of inkomensafhankelijkheid.
Ik ga ervan uit dat zij die gaat meenemen in het arsenaal dat zij beschreef. Daar
ben ik blij mee, want ik denk dat het goed is dat dit integraal wordt aangevlogen.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Zeker. Dan komen we bij mevrouw Dobbe, SP-fractie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog twee punten.
Over mondzorg gaf de Minister aan dat er een kleine groep is voor wie mondzorg niet
goed toegankelijk is. Nu zien we dat onderzoek van Nivel het sowieso al heeft over
11% van de mensen die moeite heeft om de mondzorgkosten te betalen en daardoor zorg
mijdt. Een ander onderzoek heeft het zelfs over een op de drie. Nou, me dunkt dat
dat geen kleine groep is en dat dit dus wel een oplossing vereist. Dat verklaart ook
waarom maatschappelijke organisaties zoals Dokters van de Wereld en allerlei andere
organisaties zo veel werk hebben, en zij een groeiende groep mensen zien die in acute
nood komt vanwege mondzorgproblemen.
Ik wil de Minister dus het volgende vragen. Het is goed dat zij een brief toezegt,
waarin bijvoorbeeld ook de optie van het noodfonds wordt genoemd, maar als daarin
komt te staan «we gaan het niet doen maar we noemen het even in de brief, want dat
is toegezegd», is dat natuurlijk niet waarnaar ik op zoek ben. Ik zou de Minister
graag willen vragen om dit gewoon te gaan uitwerken. Het is een kortetermijnoplossing,
maar die is wel nú nodig voor mensen die in acute problemen raken.
Dan de zorg voor onverzekerden. De Minister ziet op dit moment geen problemen, omdat
hier al regelingen voor zijn. Dat klopt ook – hier zijn regelingen voor – maar de
problemen zijn er wel. We hebben hierover met patiënten gesproken en ik heb ook zelf
gezien en gehoord, toen ik meeluisterde, dat huisartsen zeggen: we hebben geen plek
voor mensen zonder zorgverzekering; we hebben wel plek voor mensen mét een zorgverzekering.
Daardoor komen mensen echt in de knel, omdat ze niet de zorg krijgen die ze zouden
moeten krijgen, ondanks al die regelingen. Dit is niet alleen een anekdotisch voorbeeld;
er zijn veel organisaties waarbij de Minister dit zou kunnen verifiëren en navragen.
Deze organisaties lossen dit nu op. Ze bemiddelen voor die mensen, zodat mensen wel
de zorg krijgen die ze nodig hebben. Daarom hebben wij eerder een motie ingediend
om een actieplan te maken voor mensen die geen zorgverzekering hebben. Het stelt mij
niet erg gerust als deze Minister zegt «er is geen probleem» als het gaat over de
uitvoering van die motie. Dat actieplan moet er namelijk wel komen, en ik heb daar
nog geen antwoord op gehad.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, als ik een gong had, had ik die allang gebruikt ...
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, dank u!
De voorzitter:
... maar die heb ik niet. Wie weet schaf ik die nog aan! Ik schors voor enkele ogenblikken,
om de Minister de gelegenheid te geven om in conclaaf te gaan over de laatste vragen
die gesteld zijn. Daarna ronden we het af. We komen zo terug voor de tweede termijn
van het kabinet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik verzoek alle aanwezigen hier in de zaal te gaan zitten.
Meneer Bevers, we gaan door. Ik geef het woord aan Minister Hermans.
Minister Hermans:
Voorzitter, dank. Ik ben de heer Bushoff nog twee antwoorden uit de eerste termijn
verschuldigd. Het eerste antwoord gaat over financieel maatwerk en het beschikbare
budget daarvoor. Het kader huisartsenzorg groeit jaarlijks met 3,5%, exclusief de
indexatie. Concreet betekent dat voor de jaren 2026, 2027 en 2028 circa 200 miljoen
euro per jaar erbij. Die ruimte kunnen zorgverzekeraars gebruiken voor aan de ene
kant natuurlijk de stijging van de zorgvraag en anderzijds het financiële maatwerk.
Daar zit ook de subsidie in, die gebruikt kan worden voor ruimte of lucht in de agenda.
Voorzitter. De heer Bushoff stelde mij nog de vraag voor welke periode dat alternatieve
geneesmiddel nog ter hand gesteld kan worden nadat het preferente middel weer beschikbaar
is. Dat gaat om enkele weken, maximaal zes.
Dan had ik mevrouw Coenradie nog toegezegd aan te geven wanneer de brief over de apothekers
zal verschijnen en wanneer ik het gesprek zal voeren, zoals haar toegezegd. Dat vond
ik toch best een concrete toezegging. Die brief komt er voor de zomer.
Voorzitter. Mevrouw Van Brenk stelde mij nog een vraag over de richtlijn voor gordelroos.
Ik kan de vraag van mevrouw Van Brenk overbrengen aan de beroepsgroep, maar het is
natuurlijk wel iets wat partijen samen doen, zoals ik dat al in de eerste termijn
zei. Maar naar aanleiding van het debat zal ik dit punt overbrengen.
Voorzitter. Mevrouw Maeijer stelde mij, net als de heer Bushoff, nog een vraag over
C-support. Wij hebben voor dit jaar nog geld beschikbaar om die kennis over te dragen.
Het is nu 1 april. Het is nog niet het einde van het jaar, dus dat daar nog werk moet
gebeuren en dat we die maanden daarvoor nog nodig hebben, lijkt me ook logisch. Dat
vind ik ook niet raar. Ik zal de vinger aan de pols houden. Wij sturen sowieso nog
een brief over PAIS. Ik zal daarin ook ingaan op hoe het hiermee staat en wat ons
beeld is. Het is nu maart. Ik zal even checken nu of ik al weet wanneer de brief er
komt. Ik zie dat dit voor de zomer is. Dat lijkt me mooi. Dan zijn we ongeveer halverwege
het jaar. Dus dan hebben we een beetje een beeld van hoe het ervoor staat.
De voorzitter:
Meneer Bushoff, u krijgt gelet op de tijd heel kort het woord. Eén vraag. Dat geldt
ook voor de andere Kamerleden.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Eén vraag. Als dit jaar de financiering al afloopt, wordt dus de komende maanden de
capaciteit bij C-support al afgebouwd. Dat zal wel nodig zijn. Dus dan kunnen ze niet
meer volledig hun taak uitvoeren, zou je zeggen. Ik vraag de Minister hoe zij hiernaar
kijkt.
De voorzitter:
Er komt nog een tweeminutendebat. Dat zeg ik ook gelijk tegen alle leden.
Minister Hermans:
We hebben voor dit jaar nog die subsidie, ook om de kennisoverdracht te doen. Daarna,
dus na dit jaar, blijft er een zogenaamde waakvlamfunctie die ziet op die kennis en
die kennisoverdracht. Het risico dat de heer Bushoff schetst, is daarmee misschien
niet helemaal, maar wel voor een deel ondervangen. Nogmaals, ik stuur dus voor de
zomer nog een brief over PAIS en C-support.
Voorzitter. Mevrouw Wiersma kijkt uit naar de brief, ook over het ingroeipad. Ik heb
gehoord wat zij daarbij ook zei over de regionale zorg, in het bijzonder de spoedeisende
hulpen. Ik zal daar in de brief ook op ingaan.
Voorzitter. Mevrouw Dobbe had het over de mondzorg en het noodfonds. Ik zei dat ik
daar in de brief naar aanleiding van de motie van de heer Stoffer op terug zou komen.
Ik denk eigenlijk dat de brief die ik nog over de voortgang van het AZWA stuur – dat
is er niet eentje die er heel binnenkort komt, maar wel voor de zomer, omdat we daar
dan ook nog een debat over hebben – een goede plek is om daarop in te gaan. Wij delen
namelijk volgens mij, zoals ik ook in mijn beantwoording zei, dat er hier voor een
bepaalde groep een probleem is. We hebben in een schriftelijk overleg dat onlangs
geweest is, geschetst waarom wij niet denken dat een noodfonds de oplossing is voor
het probleem waarvan wij ook zien dat het er is. Maar in de AZWA-ontwikkelagenda kijken
we waar er manieren zijn om hier iets aan te doen. In die brief, die voor de zomer
komt, zal ik daarop ingaan.
Ik hoop dat ik daarmee ook de vraag van mevrouw Dobbe, die zij aan het eind van haar
bijdrage stelde over het actieplan, heb beantwoord. Die vraag begreep ik namelijk
niet helemaal.
De voorzitter:
Mevrouw Dobbe, tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, hoewel ik nu mijn vraag moet herhalen. Ik zal dat niet zo lang doen. De vraag
ging over het actieplan voor zorg voor onverzekerden.
De voorzitter:
Check.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik haalde daarbij een aantal voorbeelden aan, waarbij ik zelf heb gezien dat dit niet
goed werkt. Ook maatschappelijke organisaties hebben gezien dat het nog veel problemen
heeft.
De voorzitter:
Dank voor de verduidelijking.
Minister Hermans:
Hier zal ik in een aparte brief op terugkomen. Ik heb nu geen reactie paraat op alle
voorbeelden die mevrouw Dobbe schetste, dus ik wil daar best in een aparte brief op
terugkomen. Zeker.
De voorzitter:
Wordt vervolgd. Heel goed.
Minister Hermans:
Voor de zomer.
De voorzitter:
Voor het zomerreces. In reactie op dat Minister Sterk buiten de microfoon zegt dat
het vandaag 1 april is: alles wat gezegd is vandaag, is waar. Maar dat terzijde. Minister
Sterk.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik had ook nog een aantal vragen die in tweede termijn zijn
gesteld.
Mevrouw Van Brenk had nog een antwoord tegoed op de vraag over De Buurt als Ecosysteem,
de taakstelling en de afname van het aantal uren wijkverpleging door de zorgverzekeraar.
Ik zou het graag nog een keer zien, maar ik krijg mee dat De Buurt als Ecosysteem
wel een heel mooi voorbeeld is van een transformatieplan. Het wordt inderdaad gefinancierd
door zorgverzekeraars en moet vooral bijdragen aan de beweging naar de voorkant.
Ik ben niet precies bekend met de exacte voorwaarden die door zorgverzekeraars zijn
gesteld aan deze financiering, maar op zich vind ik het ook niet vreemd dat als zorgverzekeraars
ergens financiering aan geven, ze uiteindelijk het zorggebruik in dezen en de effecten
van het zorggebruik in die wijk willen zien. Dat leidt mogelijk tot afname van uren.
Maar ik vind het moeilijk om zo te zeggen omdat ik er zelf niet bij betrokken ben
geweest vanuit het ministerie.
De voorzitter:
Een verduidelijkende vraag, mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mijn specifieke vraag was de volgende. We weten dat het aantal ouderen toeneemt. Omdat
er nog een aanloop is voordat dit gerealiseerd is, zou je eigenlijk mogen verwachten
dat de status quo al een mooi resultaat is. Ik begrijp dat de Minister daar anders
over denkt.
Minister Sterk:
Ik weet niet of ik daar per se anders over denk. Ik zeg volgens mij vooral dat het
iets is van de zorgverzekeraar met degenen die dat project uitvoeren. Daar wordt op
dit moment dit gesprek gevoerd. Verder heb ik daar geen bemoeienis mee.
Mevrouw Maeijer had een vraag gesteld over casemanagement dementie en over het tekort.
Ik denk dat het belangrijk is, ook zeker gezien de vergrijzing, dat de dementiecasemanagers
goed georganiseerd zijn en over het hele land bereikbaar zijn. Het veld heeft zelf
aangegeven dat het haalbaar is om toegang te borgen voor iedereen die het nodig heeft.
Dat vraagt ook iets van hun organisatie. Dan is het wel belangrijk – we hadden het
net ook al over de zorgverzekeraars – dat de zorgverzekeraars dat goed inkopen. Ik
gaf net al aan dat ze dat kunnen doen vanaf het begin tot helemaal aan het eind.
De heer Bevers had toch nog een vraag naar aanleiding van het actieplan en was nog
niet helemaal tevreden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de brief niet ken, maar ik wil
in ieder geval toezeggen om dat gesprek aan te gaan. Ik ben wel benieuwd naar de achtergrond
van die brief, ook in relatie tot wat ik u net meldde, over hoe dat zich tot elkaar
verhoudt.
De heer Bushoff. Net als de heer Bushoff kan aanscherping van de wet mij niet snel
genoeg gaan, zodat die excessen niet meer plaats kunnen vinden, maar ik vrees toch
dat veel sneller dan voor de zomer gewoon niet gaat lukken. Ik hoop net als u dat
ondertussen zorgorganisaties zelf zo verstandig zijn om daarin de goede keuzes te
maken. Ik vrees dat ik daar, behalve dit moreel appel, niet zo heel veel invloed op
kan uitoefenen.
De heer Bushoff gaf ook aan – ik ben op zich blij om dat te horen – dat we bij de
eigen bijdrage moeten kijken wat de effecten zijn van de mogelijke manieren waarop
je die invult. Ik moet alleen even kijken hoe we dat precies in beeld kunnen brengen.
Ik noem een voorbeeld. Stel dat je iets doet met inkomensafhankelijk, maakt het natuurlijk
uit hoe je dat vormgeeft en hoe snel je die lijn laat oplopen of niet. Dat heeft natuurlijk
weer effecten op inkomens van mensen en soms ook op de samenloop met andere maatregelen.
Ik wil daarnaar kijken, maar ook in het licht van het onderzoek dat naar die stapeling
gebeurt. Het gaat namelijk niet om één maatregel, maar er spelen daar natuurlijk meerdere
maatregelen.
Ten slotte. De heer Vervuurt vroeg of ik bij die knoppen dan ook wil kijken naar de
tijdigheid van wanneer iets ingaat. Ik meende dat in de eerste termijn al te hebben
genoemd, maar we gaan daar uiteraard ook naar kijken. Misschien zijn er nog meer ideeën
en nog meer manieren om daarnaar te kijken. Dat wil ik de komende weken gaan verkennen.
De voorzitter:
Meneer Bushoff, eigenlijk niet.
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Eén punt. Mijn woorden werden namelijk wel erg ruim genomen door de Minister. Het
was een hele ruime interpretatie.
De voorzitter:
Dat kan, maar dat is echt politiek. U heeft een tweeminutendebat, dus ik zou zeggen...
De heer Bushoff (GroenLinks-PvdA):
Dan gaan we het daar weer hebben over de eigen bijdrage en hoe dat risico...
De voorzitter:
Het is wat het is. Dit is niet de laatste keer dat u dit onderwerp opbrengt, lijkt
mij. Laten we het hierbij houden. Er is in ieder geval een tweeminutendebat aangevraagd
door mevrouw Coenradie. Dat is bij dezen doorgeleid naar de Griffie plenair. Er zijn
verschillende toezeggingen gedaan. Die lees ik gewoon voor. U moet maar even meeluisteren
om te horen of ik iets vergeet.
– Punt één. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de voortgang omtrent
het landelijk ruil- en inschrijfsysteem bij huisartsen.
– Punt twee. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de gesprekken
die zij gaat voeren over strategisch toelatings- en opleidingsbeleid in regio’s waar
huisartsentekorten zijn.
– Punt drie. De Minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een brief over de gesprekken
die zij voert met de apothekersverenigingen en zal hierin onder andere ingaan op het
thema geneesmiddelentekorten in tijden van onzekerheid.
Minister Hermans:
Voorzitter, als ik het mag specificeren: ik ga daarin in op de vraag die mevrouw Coenradie
mij stelde, die ook zag op inkoop en de financiële onzekerheid die daarmee samenhangt
in het geval van tekorten.
De voorzitter:
Ik denk dat dit een preciezere invulling is, dus dat voegen we nu toe.
– Punt vier. De Minister stuurt de Kamer voor het zomerreces een brief over het AZWA
en zal hierin ook ingaan op instrumenten zoals een noodfonds om financiële drempels
inzake mondzorg te verlagen.
Minister Hermans:
Ja, voor minima. Dat was het debat dat ik met mevrouw Dobbe had.
De voorzitter:
Oké.
– Punt vijf. De Minister informeert de Kamer voor het commissiedebat Arbeidsmarktbeleid
in de zorg op 18 juni over haar reactie op het advies van het Capaciteitsorgaan en
het aantal vast te stellen opleidingsplaatsen.
– Punt zes. De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces over de stand van zaken
met betrekking tot de uitwerking van de invulling van de eigen bijdrage in de wijkverpleging.
– Punt zeven. De Minister stuurt een brief over het groeipad richting budgetbekostiging
voor onder andere de spoedeisende hulp.
– Punt acht. De Minister stuurt voor de zomer een brief over PAIS en gaat hierin ook
in op zaken omtrent C-support.
Minister Hermans:
Voorzitter, het is echt een brief over C-support.
De voorzitter:
Gewoon een algemene brief? Oké, check.
– Punt negen. De Minister stuurt voor het zomerreces een brief over het actieplan omtrent
onverzekerden.
Dank. Dan heeft mevrouw Wiersma waarschijnlijk nog een aanvullend punt.
Mevrouw Wiersma (BBB):
U noemde bij die opleidingsplekken en regio’s expliciet de huisartsen, maar het gaat
om medisch specialisten. Bij huisartsen is ook een heel groot probleem, maar het beperkt
zich niet tot de groep huisartsen. Maar goed, ik denk dat dat goed overkomt. Bij dezen.
De voorzitter:
Het gaat erom dat het iets breder is.
Minister Hermans:
Ik moet even precies zijn. Volgens mij stelde mevrouw Wiersma mij de vraag in de context
van het tekort aan huisartsen. Dat is ook hoe wij het gesprek voeren en de verkenning
doen met OCW.
De voorzitter:
Ja, dat is de context.
Minister Hermans:
Ik ben altijd bereid om dat breder te trekken, dus naar medisch specialisten. Ik vind
het echter wel belangrijk om de verwachtingen even te managen: de focus van wat ik
nu met OCW bespreek, ligt op huisartsen.
De voorzitter:
Mevrouw Wiersma nog?
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dat is dan zo, maar het gaat wel om medisch specialisten in het algemeen. Het speelt
namelijk breder dan de huisartsen.
De voorzitter:
Er is nog een tweeminutendebat, mevrouw Wiersma. Wellicht is dat het moment om daar
nog op door te gaan. Ik dank u allemaal: de bewindspersonen, de Kamerleden, alle aanwezigen.
Ik sluit de vergadering. Om 17.30 uur is er een technische briefing over de wijziging
van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie, zeg ik voor degenen die
dat interessant vinden. Die technische briefing is om 17.30 uur in de Troelstrazaal.
Sluiting 17.18 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier