Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 922 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Deel I Algemeen
1. Inleiding
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever voorzien in een
tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd (huidig
artikel 12.30 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)). De regering vindt deze
tegemoetkoming te laag. Daarom is de regering voornemens om deze groep studenten een
extra tegemoetkoming te geven. De grondslag voor deze tegemoetkoming wordt met dit
wetsvoorstel gecreëerd. Verder wordt met dit wetsvoorstel een grondslag gecreëerd
om een beperkt aantal nieuwe groepen studenten binnen bovengenoemde groep studenten
alsnog in aanmerking te brengen voor de eerstgenoemde tegemoetkoming en in vervolg
daarop ook voor de laatstgenoemde tegemoetkoming.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De regering is – in navolging van het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma van
het kabinet Schoof – voornemens om studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd
een extra tegemoetkoming te geven. Hiervoor is – in het regeerprogramma van dat kabinet –
€ 1,4 miljard inclusief uitvoeringskosten beschikbaar gesteld. Deze extra tegemoetkoming
komt bovenop de tegemoetkoming in de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs die
op 1 januari 2025 in werking is getreden (huidig artikel 12.30 WSF 2000). Dit wetsvoorstel
spreekt over de «tegemoetkoming» als het gaat om de laatstgenoemde tegemoetkoming
en over de «aanvullende tegemoetkoming» als het gaat om de voorgenomen extra tegemoetkoming
van de regering.1 Tot slot, waar in dit wetsvoorstel DUO wordt genoemd gaat het over de Dienst Uitvoering
Onderwijs.
2.1 Probleembeschrijving en doelstellingen
2.1.1 De tegemoetkoming
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgever voorzien in een
tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Het werd
voor deze groep studenten wrang geacht om de basisbeurs, zo snel na het afschaffen
ervan, weer terug te zien komen in het hoger onderwijs.
Toegelicht is dat er juridisch geen verplichting is om deze tegemoetkoming te verstrekken.2 Overheidsbeleid is voortdurend aan verandering onderhevig. Er zullen altijd generaties
of groepen zijn die niet of in mindere mate van specifieke regelingen gebruik hebben
kunnen maken. Er is geen rechtsregel die inhoudt dat bij de overgang naar een gunstiger
rechtsregime aanspraak op vergoeding bestaat voor degenen die onder het oude, minder
gunstige regime vielen. De wetgever is vrij om binnen de grenzen van hoger recht wetten
te wijzigen.
Toegelicht is dat het verstrekken van deze tegemoetkoming voortkomt uit de politieke
wens om een gebaar te maken naar deze groep studenten. Daarbij is vermeld dat deze
studenten in een bijzondere positie verkeren. De basisbeurs heeft vanaf de invoering
in 1986 bijna dertig jaar onderdeel uitgemaakt van het studiefinancieringsstelsel
en ook vóór 1986 bestonden al vormen van toelagen. Al evolueerden in die jaren de
precieze voorwaarden waaronder de basisbeurs werd verstrekt (te denken valt aan duur
en hoogte en de basisbeurs als gift of prestatiebeurs), de basisbeurs was gedurende
deze decennia een vast, herkenbaar onderdeel van het stelsel. Vele generaties studenten
hebben kunnen studeren met een basisbeurs. In 2015 verdween de basisbeurs van het
toneel en werd het leenstelsel ingevoerd. In 2023 – slechts acht jaar later – werd
de basisbeurs weer ingevoerd. De korte periode waarin het leenstelsel heeft gegolden
maakt dat het leenstelsel beschouwd kan worden als «de uitzondering op de regel»,
als men het studiefinancieringsstelsel beziet op de lange termijn. Hoewel de wetgever
binnen de grenzen van hoger recht vrij is om wetten te wijzigen, en de wetgever dus
vrij was om de basisbeurs in 2015 af te schaffen en in 2023 te herintroduceren (zonder
dat sprake is van een verplichting tot vergoeding), is het voor studenten die onder
het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders dan voorgaande en komende
generaties, geen gebruik hebben kunnen maken van een basisbeurs. Deze studenten hebben
namelijk ten opzichte van zowel de studenten vóór hen als (naar verwachting) de studenten
ná hen, gemiddeld gezien een hogere studieschuld opgebouwd.3 Het wegvallen van de basisbeurs heeft ook andere gevolgen gehad voor hen. Deze studenten
hebben een groter beroep moeten doen op ouders, meer moeten werken of een combinatie
hiervan.
De combinatie van het zeer bestendige begunstigende beleid dat slechts relatief kort
is onderbroken en de negatieve effecten van het tussenliggende beleid op de financiële
uitgangspositie van deze studenten heeft gemaakt dat bij de Wet herinvoering basisbeurs
hoger onderwijs is besloten om als gebaar een tegemoetkoming aan hen te verstrekken.
Bij de behandeling van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft het parlement
deze motivering gewogen en bekrachtigd. Deze tegemoetkoming bedraagt € 35,31 per maand
dat een student onder het leenstelsel heeft gestudeerd (prijspeil 2026).4 Bij de vaststelling van dit bedrag vormde het voor de tegemoetkoming beschikbaar
gestelde budget van € 1,0 miljard het kader.5
2.1.2 Een aanvullende tegemoetkoming
De regering onderschrijft bovenstaande redenering van de wetgever, maar vindt de hoogte
van de tegemoetkoming te laag. Daarom is de regering voornemens om studenten die onder
het leenstelsel hebben gestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te geven. Deze aanvullende
tegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand dat een student onder het leenstelsel heeft
gestudeerd (prijspeil 2026). Bij de vaststelling van dit bedrag vormt het voor de
aanvullende tegemoetkoming beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard het kader
(zie paragraaf 2.2.6).6
De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
als «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep (oud-)studenten
een sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning. Dit is niet alleen in het
belang van de (oud-)studenten die het aangaat, maar ook in het algemeen belang. Met
dit gebaar zet de regering een punt achter deze maatschappelijke kwestie.
De aanvullende tegemoetkoming komt voort uit de politieke wens om een extra financieel
gebaar te maken naar de betrokken groep (oud-)studenten. Bij een onverplichte tegemoetkoming
als hier aan de orde kan geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van
de nadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is. De ervaring
van elke (oud)-student met het leenstelsel is immers anders. Er is daarom altijd een
politieke afweging nodig om te komen tot een passend bedrag aan tegemoetkoming. Hierbij
heeft de regering een afweging gemaakt tussen het belang van de betrokken groep (oud-)studenten
bij een sluitend betekenisvol financieel gebaar als erkenning en het beroep dat hiermee
wordt gedaan op de collectieve middelen.
In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties
stelt de Afdeling advisering van de Raad van State onder meer dat «er [...] geen algemeen antwoord te geven [is] op de vraag wanneer de overheid zich
een situatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele en integrale afweging.
Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen, zullen ethische, sociale, economische
en politieke overwegingen de basis vormen voor het onverplichte handelen door de overheid.
Ook de beschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.»7 De regering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afweging om tot
een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben met name sociale en politieke
overwegingen en de beschikbare publieke middelen een rol gespeeld.
Het verstrekken van een onverplichte tegemoetkoming verdient een zorgvuldige afweging
en besluitvorming. Evenals bij de tegemoetkoming is bij de aanvullende tegemoetkoming
mede daarom het voorstel om de grondslag bij wet in formele zin te regelen. Daarmee
wordt ook de aanvullende tegemoetkoming en de hoogte daarvan voluit democratisch gelegitimeerd
en is een zorgvuldige en transparante procedure gegarandeerd.
2.1.3 Instrumentkeuze
De regering heeft als doel voor ogen om een extra financieel gebaar te maken naar
de studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. In het hoofdlijnenakkoord
en het regeerprogramma van het kabinet Schoof is de voorkeur uitgesproken voor een
«extra (eenmalige) tegemoetkoming».
Bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming sluit de regering aan bij de vormgeving
van de tegemoetkoming. De aanvullende tegemoetkoming wordt net als de tegemoetkoming
in beginsel afgetrokken van de studieschuld van de (oud-)student. Als de (oud-)student
geen studieschuld (meer) heeft, dan krijgt hij (het restant van) de aanvullende tegemoetkoming
uitbetaald. Door deze vormgeving hebben alle (oud-)studenten die onder het leenstelsel
hebben gestudeerd (en die voldoen aan de overige voorwaarden) recht op de aanvullende
tegemoetkoming. Daarmee is de aanvullende tegemoetkoming doeltreffend.
Door bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming aan te sluiten bij de vormgeving
van de tegemoetkoming is deze ook doelmatig. De ervaringen met het inrichten van de
tegemoetkoming dragen bij aan het zo efficiënt mogelijk inrichten van de aanvullende
tegemoetkoming. Daarbij komt dat de (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend
hebben gekregen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Bovenstaande
heeft als gevolg dat de uitvoeringskosten voor de aanvullende tegemoetkoming zo laag
mogelijk worden gehouden en zoveel mogelijk budget overblijft om te verdelen onder
de (oud-)studenten.
2.2 Inhoud wetsvoorstel
In dit wetsvoorstel wordt voor de aanvullende tegemoetkoming wat betreft doelgroep
en voorwaarden aangesloten bij de tegemoetkoming (zie paragraaf 2.2.1 en 2.2.2). Verder
wordt in dit wetsvoorstel de doelgroep verruimd met een beperkt aantal nieuwe groepen
(oud-)studenten (zie paragraaf 2.2.3). Deze nieuwe groepen (oud-)studenten komen in
aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming (net als
de overige groepen rechthebbende (oud-)studenten).
2.2.1 Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming
Ingeschreven tussen 2015–2016 en 2022–2023 en recht op volledige studiefinanciering
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ten eerste bepaald dat voor
de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking komen die in de periode van
studiejaar 2015–2016 tot en met studiejaar 2022–2023 stonden ingeschreven bij een
hoger onderwijsinstelling en aanspraak hadden (kunnen maken) op volledige studiefinanciering.8 De wetgever heeft gekozen om de doelgroep ruim te formuleren en alle studenten die
tijdens het leenstelsel recht hadden op volledige studiefinanciering in aanmerking
te laten komen voor de tegemoetkoming, ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering
hebben aangevraagd. Daarbij is toegelicht dat studenten uiteenlopende redenen kunnen
hebben gehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. Sommigen hebben extra
gewerkt om te voorkomen dat zij moesten lenen, anderen konden terugvallen op ouders
of eigen spaargeld. Weer anderen hebben geen studentenreisproduct aangevraagd omdat
zij nabij de ho-instelling woonden of een mogelijke schuld wilden voorkomen (het reisproduct
is een lening als het diploma niet binnen de gestelde termijn wordt behaald). Deze
studenten konden destijds echter niet weten dat hun keuze om geen studiefinanciering
aan te vragen later van invloed zou kunnen zijn op de vraag of zij wel of niet in
aanmerking zouden komen voor een tegemoetkoming.
Studenten die enkel in aanmerking kwamen voor een collegegeldkrediet, komen niet in
aanmerking voor de tegemoetkoming. Het gaat daarbij met name om EER-studenten die
niet voldeden aan de eisen om voor volledige studiefinanciering in aanmerking te komen.
Zij hadden daarom alleen recht op een collegegeldkrediet, wat voor hen de toegankelijkheid
van het onderwijs verbeterde. De overige delen van de studiefinanciering zijn niet
aan hen verstrekt. Om dezelfde reden komen zij nu niet in aanmerking voor de tegemoetkoming.
Uiteraard kunnen EER-studenten die wel recht hadden op volledige studiefinanciering
ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
Ook studenten die enkel gebruik hebben gemaakt van het levenlanglerenkrediet komen
niet voor de tegemoetkoming in aanmerking. Het levenlanglerenkrediet wordt alleen
verstrekt indien een student niet voor reguliere studiefinanciering in aanmerking
komt. Er is op die manier nog wel een voorziening voorhanden waarmee de student financieel
in staat wordt gesteld een opleiding te volgen.
Minimaal twaalf maanden gestudeerd onder het leenstelsel
Ten tweede is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking
komen die ten minste twaalf maanden onder het leenstelsel hebben gestudeerd.9 De wetgever achtte het wenselijk dat alleen de studenten die voor een substantieel
deel onder het leenstelsel hebben gestudeerd, voor de tegemoetkoming in aanmerking
komen. Gekozen is voor een minimale termijn van twaalf maanden. Studenten die slechts
enkele maanden onder het leenstelsel hebben gestudeerd – en daarna bijvoorbeeld hebben
besloten om te gaan werken – komen daarmee niet in aanmerking voor de tegemoetkoming.
Hierdoor wordt voorkomen dat studenten die slechts een paar maanden ingeschreven hebben
gestaan en bijvoorbeeld gebruik hebben gemaakt van de 1-februariregeling, ook aanspraak
kunnen maken op de tegemoetkoming. Studenten die aan het begin van collegejaar 2022–2023
met hun studie zijn begonnen en deze een volledig studiejaar hebben gevolgd, komen
dus wel in aanmerking voor de tegemoetkoming.
Diploma gehaald
Ten derde is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerking
komen die een diploma hebben gehaald.10 Hierbij geldt voor (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd dat
het diploma binnen de diplomatermijn moet zijn gehaald. Voor de diplomatermijn is
aangesloten bij de diplomatermijn zoals die al geldt voor de prestatiebeursonderdelen
van de studiefinanciering, namelijk tien jaar na de eerst ontvangen studiefinanciering
(artikel 5.5 WSF 2000).11 Om de regeling goed te kunnen uitvoeren, geldt dit ook voor studenten die pas later
tijdens hun studie gebruik hebben gemaakt van studiefinanciering. Voor (oud-)studenten
die geen studiefinanciering hebben aangevraagd, geldt dat het diploma binnen tien
jaar na de eerste inschrijving voor het hoger onderwijs moet zijn gehaald. De wetgever
heeft voor deze diploma-eis als toelichting gegeven dat als een basisbeurs had bestaan,
dat een prestatiebeurs was geweest die ook pas werd omgezet in een gift op het moment
dat de student een diploma binnen de diplomatermijn zou hebben behaald.
2.2.2 Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming
Voorgesteld wordt om de doelgroep en voorwaarden van de tegemoetkoming als uitgangspunt
te nemen bij de aanvullende tegemoetkoming en deze daarbij volledig over te nemen.
Daarmee krijgen de (oud-)studenten die recht hebben op de tegemoetkoming ook recht
op de aanvullende tegemoetkoming.
2.2.3 Uitbreiding doelgroep
Bij de uitwerking van de aanvullende tegemoetkoming is bekeken of lessen kunnen worden
getrokken uit de uitvoering van de tegemoetkoming. Daarbij is mede naar aanleiding
van een signaal van DUO gebleken dat bij de uitwerking van de tegemoetkoming een beperkte
groep (oud-)studenten nog niet in beeld was en dat een uitbreiding van de doelgroep
in de rede ligt. Dit wordt hieronder uitgelegd. De nieuwe groepen (oud-)studenten
die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep komen in aanmerking voor zowel de
tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende
(oud-)studenten).
Uitbreiding doelgroep naar (oud-)studenten die door bijzondere omstandigheden geen
diploma hebben kunnen behalen
Zoals beschreven in paragraaf 2.2.1 komen voor de tegemoetkoming op dit moment alleen
(oud-)studenten in aanmerking die binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald.
De reden voor deze diploma-eis is dat als er ten tijde van het leenstelsel wel een
basisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest, die ook alleen in dat
geval zou zijn omgezet in een gift.
Er is een groep (oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd is of wordt
met bijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geen diploma heeft kunnen behalen.
Het gaat dan bijvoorbeeld om studenten die zich geconfronteerd zien met arbeidsongeschiktheid,
een functiebeperking of een chronische ziekte. Voor deze studenten is in de artikelen 5.15
en 5.16, derde lid, WSF 2000 geregeld dat ondanks het niet behalen van een diploma
de aan hen toegekende prestatiebeurs (op aanvraag) wordt omgezet in een gift. Deze
(oud-)studenten kunnen op dit moment niet in aanmerking komen voor de tegemoetkoming.
Zij voldoen namelijk niet aan de voorwaarde om binnen de diplomatermijn een diploma
te hebben behaald en dus niet aan de diploma-eis. Echter, gezien de achtergrond van
de diploma-eis bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is het vanuit het
oogpunt van uitlegbaarheid en rechtsgelijkheid wenselijk om ook deze (oud-)studenten
in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Net als voor de (oud-)studenten die
binnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immers voor hen dat als
er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs
was geweest, deze (op aanvraag) ook voor hen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre
hebben zij hetzelfde financieel nadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten
die wel een diploma hebben behaald. In het verlengde hiervan is het niet aangewezen
om (oud-)studenten die om andere redenen dan bovenbedoelde bijzondere omstandigheden
geen diploma hebben behaald ook in aanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Als
er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs
was geweest, zou deze voor hen immers niet zijn omgezet in een gift. In zoverre hebben
zij niet hetzelfde financieel nadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten
die wel een diploma hebben behaald.
Daarom wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook de groep (oud-)studenten die tijdens
hun studie geconfronteerd is of wordt met bijzondere omstandigheden en als gevolg
daarvan geen diploma heeft kunnen behalen in aanmerking komt voor de tegemoetkoming
en in vervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij wordt ook de
keuze bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs om de doelgroep voor de tegemoetkoming
ruim te formuleren doorgetrokken in die zin dat alle (oud-)studenten die onder deze
groep vallen en die tijdens het leenstelsel recht hadden op volledige studiefinanciering
in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen, ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering
hebben aangevraagd. Ook voor deze (oud-)studenten geldt immers dat zij uiteenlopende
redenen kunnen hebben gehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. En ook
voor deze (oud-)studenten geldt dat zij destijds niet konden weten dat hun keuze om
geen studiefinanciering aan te vragen later van invloed zou kunnen zijn op de vraag
of zij wel of niet in aanmerking zouden komen voor een tegemoetkoming. Het gaat om
ongeveer 5.800 (oud-)studenten die wel studiefinanciering hebben aangevraagd en naar
schatting om enkele tientallen (oud-)studenten die dat niet hebben gedaan.
Uitbreiding doelgroep van (oud-)studenten die door bijzondere omstandigheden langer
hebben gedaan over het behalen van een diploma
Op dit moment komt voor de tegemoetkoming (alleen) een (oud-)student in aanmerking
die, indien hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen de diplomatermijn,
of indien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij
zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een
opleiding heeft afgerond. Hiermee komt tot uitdrukking de keuze bij de Wet herinvoering
basisbeurs hoger onderwijs dat het voor het recht op tegemoetkoming geen verschil
maakt of wel of geen studiefinanciering is aangevraagd.
Voor de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt als voorwaarde
dat hij binnen de diplomatermijn een diploma moeten hebben behaald om voor de tegemoetkoming
in aanmerking te komen. Op grond van artikel 5.5 WSF 2000 is de diplomatermijn een
periode van tien jaar. In geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel
structurele aard als gevolg waarvan niet binnen de diplomatermijn het diploma kan
worden behaald, kan deze termijn op grond van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid,
WSF 2000 worden verlengd met de duur van die bijzondere omstandigheden tot maximaal
een periode van vijftien jaar. Op grond van artikel 5.16, vijfde lid, WSF 2000 wordt
op aanvraag vastgesteld of sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De
bijzondere omstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond met een verklaring
van de onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met
een verklaring van een arts. Voorgaande betekent dat de (oud-)student die wel studiefinanciering
heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van de diplomatermijn,
tot maximaal vijftien jaar heeft om aan de diploma-eis te voldoen.
Voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt als voorwaarde
dat hij binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het
hoger onderwijs, met goed gevolg een opleiding moet hebben afgerond om voor de tegemoetkoming
in aanmerking te komen. Anders dan voor de (oud-)student die wel studiefinanciering
heeft aangevraagd, zijn voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd
geen mogelijkheden om deze termijn te verlengen bij bijzondere omstandigheden. Vanuit
de keuze dat het voor het recht op tegemoetkoming geen verschil maakt of wel of geen
studiefinanciering is aangevraagd, wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook de
(oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan
de voorwaarden van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000, op aanvraag tot
maximaal vijftien jaar heeft om aan de diploma-eis te voldoen. Dit geldt voor de tegemoetkoming
en in vervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Het gaat naar schatting
om in totaal enkele tientallen extra (oud-)studenten die als gevolg hiervan alsnog
voor de beide tegemoetkomingen in aanmerking komen.
Doorwerking van mogelijkheid tot verlenging van termijn
Wat hierboven is vermeld, geldt niet alleen voor wat betreft de termijn waarbinnen
de (oud-)student een diploma moet hebben behaald om in aanmerking te komen voor de
tegemoetkomingen, maar ook voor wat betreft de termijn waarbinnen bij de (oud-)student
de bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen
zich moeten hebben voorgedaan om daarvoor in aanmerking te komen. Met dit wetsvoorstel
wordt geregeld dat deze termijn voor de (oud-)student die geen studiefinanciering
heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.16, eerste
en/of tweede lid, WSF 2000, op aanvraag wordt verlengd tot maximaal vijftien jaar.
Schematisch overzicht uitbreiding doelgroepen
Overzicht van doelgroepen met uitbreidingen
Tegemoetkoming
Aanvullende tegemoetkoming
Studenten die tijdens het leenstelsel studiefinanciering hebben ontvangen
Diploma gehaald binnen (verlengde) diplomatermijn
Huidig artikel 12.30 WSF 2000
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming
Geen diploma gehaald vanwege bijzondere omstandigheden, de prestatiebeurs is omgezet
in een gift
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming
Studenten die tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangen
Diploma gehaald binnen 10 jaar
Huidig artikel 12.30 WSF 2000
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming
Diploma gehaald, vanwege bijzondere omstandigheden na 10 jaar (maar binnen maximaal
15 jaar)
Wetsvoorstel aanvullende tegemoetkoming
Geen diploma gehaald vanwege bijzondere omstandigheden, de prestatiebeurs had kunnen
worden omgezet in een gift
2.2.4 Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenning tegemoetkoming
Ambtshalve toekennen
De toekenning van de aanvullende tegemoetkoming zal volledig ambtshalve plaatsvinden.
De (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, zullen ambtshalve
ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen.
Ook de (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd en die vallen onder
de uitbreiding van de doelgroep zullen de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
ambtshalve toegekend krijgen. Dit zal gebeuren nadat is vastgesteld dat bij de (oud-)student
sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde
lid, WSF 2000 als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen. Concreet betekent
dit dat deze (oud-)student eerst een verzoek heeft gedaan of doet om omzetting van
zijn prestatiebeurs in een gift in verband met bijzondere omstandigheden als bedoeld
in artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 (via de reguliere aanvraagprocedure).
Als dit verzoek wordt toegewezen, krijgt deze (oud-)student vervolgens de tegemoetkoming
en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
Toekennen op aanvraag
De (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd en die vallen onder
de uitbreiding van de doelgroep, kunnen een aanvraag indienen bij DUO voor de tegemoetkoming.
Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve
ook de aanvullende tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud-)studenten moeten een
aanvraag doen, omdat zij niet bekend zijn bij DUO en DUO dus niet over hun gegevens
beschikt.
In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is
beschreven welke gegevens DUO controleert wanneer een aanvraag wordt ontvangen voor
de tegemoetkoming van een (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd.12 DUO zal dezelfde gegevens controleren wanneer een dergelijke aanvraag wordt ontvangen
van een (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die valt onder
de uitbreiding van de doelgroep. Afhankelijk van de situatie zal DUO daarbij ook nog
enkele aanvullende gegevens controleren. Zoals beschreven bij de Wet herinvoering
basisbeurs hoger onderwijs zal DUO eerst controleren of de (oud-)student inderdaad
in aanmerking zou zijn gekomen voor volledige studiefinanciering in de periode tussen
september 2015 en september 2023. Hierbij wordt gecontroleerd of:
• De student stond ingeschreven aan een Nederlandse geaccrediteerde hoger onderwijsinstelling.
Indien de student stond ingeschreven aan een buitenlandse hoger onderwijsinstelling
zal DUO eerst toetsen of voor de gevolgde opleiding recht op studiefinanciering bestond.
Ook zal de student in dat geval moeten aantonen dat hij stond ingeschreven aan deze
opleiding en dat een diploma is gehaald dat recht geeft op omzetting van de prestatiebeurs;
• De student op het moment van de inschrijving voldeed aan de leeftijdseis van maximaal
30 jaar;13
• De student op het moment van de inschrijving en tijdens de volledige duur van de studie
voldeed aan de nationaliteitseisen;
• Indien het een student betreft die niet de Nederlandse nationaliteit bezat, maar afkomstig
is uit één van de (toenmalige) lidstaten van de EER of Zwitserland en stelt migrerend
werknemer te zijn geweest, wordt gecontroleerd of werd voldaan aan de daarvoor geldende
voorwaarden. Het bewijs hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van een arbeidscontract,
moet worden aangeleverd door de student.
Voor (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep zal DUO controleren
of bij hen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of
5.16 WSF 2000. Hierbij wordt gecontroleerd of:
• De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandigheden verkeerde als gevolg
waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen. Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden
van de artikelen 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000. De student moet dit aantonen met
een beschikking van een Wajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk
met een verklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden
aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16, derde en vijfde lid, WSF
2000); en/of
• De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandigheden verkeerde als gevolg
waarvan hij er langer dan tien jaar over heeft gedaan om een diploma te behalen. Hierbij
wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en tweede
lid, WSF 2000. De student moet de bijzondere omstandigheden aantonen met een verklaring
van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met
een verklaring van een arts (artikel 5.16, eerste, tweede en vijfde lid, WSF 2000).
Moment van toekennen
De aanvullende tegemoetkoming zal naar verwachting vanaf april 2027 door DUO worden
toegekend. De (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep krijgen
naar verwachting vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming
toegekend. Voor zover deze (oud-)studenten een aanvraag moeten doen voor de tegemoetkoming,
kunnen zij deze naar verwachting vanaf april 2027 indienen bij DUO. Toekenning vindt
niet eerder plaats dan nadat de (oud-)student voldoet aan de voorwaarden voor toekenning.
Dat wil zeggen dat toekenning pas kan plaatsvinden nadat de (oud-)student zijn diploma
heeft behaald dan wel nadat bij de (oud-)student is vastgesteld dat hij door bijzondere
omstandigheden geen diploma heeft kunnen behalen. In het Besluit studiefinanciering
2000 (BSF 2000) wordt nader geregeld op welk moment toekenning plaatsvindt in geval
van ambtshalve toekenning en toekenning op aanvraag.
2.2.5 Vorm aanvullende tegemoetkoming gelijk aan vorm tegemoetkoming
Net als bij de tegemoetkoming zal de uitkering bij de aanvullende tegemoetkoming plaatsvinden
in de vorm van een aftrek op de studieschuld. Hierbij vindt eerst aftrek plaats op
eventuele achterstallige schulden en dan op de hoofdschuld. Op die manier wordt de
studieschuld van (oud-)studenten verminderd. Mocht een (oud-)student geen studieschuld
(meer) hebben, dan wordt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald aan
de (oud-)student. Dat gebeurt ook wanneer het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming
hoger is dan de (resterende) studieschuld. In dat geval wordt het bedrag van de aanvullende
tegemoetkoming dat nog resteert na aftrek van de studieschuld uitbetaald aan de (oud-)student.
DUO vermeldt in de beschikking waarbij (een deel van) de aanvullende tegemoetkoming
wordt uitbetaald, het bij hem bekende rekeningnummer. Een (oud-)student moet alleen
een rekeningnummer doorgeven als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als
de (oud-)student de aanvullende tegemoetkoming op een ander rekeningnummer uitbetaald
wil krijgen.
2.2.6 Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming
Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard beschikbaar. Als gevolg van de
uitbreiding van de doelgroep komen meer (oud-)studenten dan eerst in aanmerking voor
de tegemoetkoming. De kosten hiervan worden uit dit budget gedekt. Ook de uitvoeringskosten
voor DUO van € 4,9 miljoen en de rechtspraak van € 0,32 miljoen (zie paragraaf 5.1
en 6.3) worden uit dit budget gedekt. Het resterende budget wordt vervolgens naar
rato verdeeld.
Bij de tegemoetkoming is voor de verdeling van het budget over de studenten gekozen
voor een verdeling per maand dat de student nominaal onder het leenstelsel studeerde,
wat aansluit bij de voorwaarde voor een basisbeurs, met een minimum van twaalf maanden.
Dit betekent dat studenten die een opleiding met een nominale duur van vier jaar volledig
onder het leenstelsel hebben afgerond aanspraak kunnen maken op een hogere tegemoetkoming
dan studenten die slechts één jaar onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Indien
een student heeft gekozen om langer over zijn studie te doen, bijvoorbeeld om bestuurswerkzaamheden
op te pakken, dan blijft de maximale vergoeding staan op het aantal nominale jaren
van de opleiding. Bij een vierjarige opleiding zal dat achtenveertig maanden zijn.
Indien de prestatiebeursrechten vanwege een handicap of chronische ziekte op grond
van artikel 5.2b WSF 2000 zijn verlengd, dan wordt deze verlenging meegenomen in de
berekening van de hoogte van de tegemoetkoming.14 Bij de aanvullende tegemoetkoming wordt aangesloten bij deze systematiek. Rekening
houdende met de eerdergenoemde uitvoerings- en uitbreidingskosten levert dit een aanvullende
tegemoetkoming op van € 44,50 per maand dat een student onder het leenstelsel heeft
gestudeerd.
3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
3.1 Verhouding tot hoger recht
3.1.1 Verwerking persoonsgegevens tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming
Bij de voorgestelde toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
worden persoonsgegevens verwerkt. Gelet daarop is een Data Protection Impact Assessment
(DPIA) opgesteld. Hieronder is beschreven hoe de verwerking van persoonsgegevens zich
verhoudt tot de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
Gegevensverwerking ambtshalve toekenning
Bij de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
worden persoonsgegevens die al bekend zijn bij DUO verder verwerkt. Deze verdere verwerking
is noodzakelijk om de tegemoetkoming(en) toe te kunnen kennen en daarmee noodzakelijk
voor de vervulling van een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onderdeel e, AVG. De persoonsgegevens worden verder verwerkt voor een ander doel,
namelijk het toekennen van de tegemoetkoming(en), dan het doel waarvoor de persoonsgegevens
aanvankelijk zijn verzameld. De verdere verwerking van de persoonsgegevens voor dit
andere doel is volgens de regering verenigbaar met het doel waarvoor de persoonsgegevens
aanvankelijk zijn verzameld als bedoeld in artikel 6, vierde lid, AVG. Hierbij is
rekening gehouden met de factoren genoemd in de onderdelen a tot en met e van dat
artikellid. Dit is hieronder beschreven.
Onderdeel a – het verband tussen de doeleinden
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende
tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Hiervoor zullen gegevens verwerkt worden die
al bij DUO bekend zijn voor het toekennen van de tegemoetkoming, het toekennen van
de studiefinanciering en het innen van de studieschuld.
Verder krijgt een deel van de (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van
de doelgroep de tegemoetkoming en in vervolg daarop (zie boven) de aanvullende tegemoetkoming
eveneens ambtshalve toegekend. Het gaat om (oud-)studenten die vanwege bijzondere
omstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen en bij wie op grond van artikel 5.15
of 5.16, derde lid, WSF 2000 de toegekende prestatiebeurs is omgezet in een gift.
Hiervoor zullen gegevens verwerkt worden die al bij DUO bekend zijn voor het toekennen
van de studiefinanciering, het omzetten van de prestatiebeurs in een gift bij bijzondere
omstandigheden en het innen van de studieschuld. Wat betreft het tweede wordt uitsluitend
het gegeven dat de prestatiebeurs vanwege bijzondere omstandigheden is omgezet in een gift verder
verwerkt. De onderliggende stukken worden niet opnieuw verwerkt.
Er is een duidelijk verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn
verzameld en de doeleinden van de verdere verwerking. De voorwaarden voor de toekenning
van de tegemoetkoming(en) sluiten namelijk aan bij de voorwaarden voor het toekennen
van de studiefinanciering en het omzetten van de prestatiebeurs in een gift. Verder
worden de tegemoetkoming(en) in beginsel afgetrokken van de studieschuld.
Onderdeel b – het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld
DUO heeft de persoonsgegevens verzameld in het kader van haar wettelijke taken rond
studiefinanciering. De toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
houdt verband met de aard van de studiefinanciering ten tijde van het leenstelsel
en ligt daarmee direct in het verlengde van die taken. Gelet daarop en gezien de verhouding
tussen DUO en de (oud-)studenten, die in de regel ziet op de uitvoering van studiefinanciering,
zal het voor laatstgenoemden in de rede liggen dat hun persoonsgegevens kunnen worden
hergebruikt om ook de toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming
uit te voeren.
Onderdeel c – de aard van de persoonsgegevens
Bij de verdere verwerking worden merendeels geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens
als bedoeld in artikel 9, eerste lid, AVG verwerkt. Alleen het gegeven dat de prestatiebeurs
vanwege bijzondere omstandigheden is omgezet in een gift kwalificeert, gezien de uitleg
die het Hof van Justitie van de Europese Unie geeft aan het begrip «gegevens over
gezondheid» in artikel 9, eerste lid, AVG,15 als een bijzonder persoonsgegeven. De regering acht de verdere verwerking van dit
gegeven voor de toekenning van de tegemoetkoming in overeenstemming met artikel 9,
tweede lid, onderdeel g, AVG. Daarbij speelt mee dat deze verdere verwerking noodzakelijk
is om de betrokken groep (oud-)studenten de tegemoetkoming (en de aanvullende tegemoetkoming)
toe te kunnen kennen, dat met dit wetsvoorstel wordt voorzien in de wettelijke grondslag
om op basis van dit gegeven de tegemoetkoming(en) toe te kennen en dat met dit wetsvoorstel
wordt voorzien in de voor die gegevensverwerking noodzakelijke wettelijke grondslag
en waarborgen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van
de (oud-)studenten. Hierbij wordt gewezen op de voorgestelde wettelijke grondslag
en waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens ten aanzien van de
maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs. Zie daarover verder deze paragraaf,
onder Gegevensverwerking toekenning op aanvraag, en paragraaf 3.1.2.
Onderdeel d – de mogelijke gevolgen van de verdere verwerking
De verdere verwerking van de persoonsgegevens heeft positieve gevolgen voor de
betrokken (oud-)studenten. Enerzijds omdat zij hierdoor (alsnog) de tegemoetkoming(en)
ontvangen. Anderzijds omdat hiermee wordt voorkomen dat zij om in aanmerking te komen
voor de tegemoetkoming(en) gegevens (waaronder eventueel medische gegevens met betrekking
tot de bijzondere omstandigheden) opnieuw moeten aanleveren bij DUO, terwijl DUO al
over deze gegevens beschikt. Dit zou voor hen leiden tot een onnodige verhoging van
de regeldruk.
Onderdeel e – het bestaan van passende waarborgen
DUO bewaart de door haar verzamelde persoonsgegevens in het zogenaamde studiefinancieringssysteem
(SFS). Binnen het SFS wordt gewerkt via een autorisatiebeheersysteem. Voor de persoonsgegevens
in het SFS zijn in de op grond van artikel 5 Archiefwet 1995 vastgestelde Generieke
selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap algemene bewaartermijnen vastgelegd.
In deze selectielijst is bepaald dat gegevens met betrekking tot studiefinanciering
worden bewaard tot vijf jaar na het eindigen van de actieve relatie tussen de (oud-)student
en DUO.16 Bij overlijden van de (oud-)student worden deze gegevens na twee jaar verwijderd.
Aanvullend worden met dit wetsvoorstel verschillende wettelijke waarborgen geregeld
voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. Zie daarover verder deze paragraaf,
onder Gegevensverwerking toekenning op aanvraag, en paragraaf 3.1.2. Daarnaast wordt bij de verdere verwerking van persoonsgegevens
het principe van dataminimalisatie in acht genomen. Er worden niet meer persoonsgegevens
verder verwerkt dan noodzakelijk voor het doel. Zo wordt voor het deel van de (oud-)studenten
dat valt onder de uitbreiding van de doelgroep en dat de tegemoetkoming en in vervolg
daarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgt – naast de gegevens
met betrekking tot het toekennen van de studiefinanciering en het innen van de studieschuld –
uitsluitend het gegeven dat de prestatiebeurs vanwege bijzondere omstandigheden is
omgezet in een gift verder verwerkt. De onderliggende stukken worden niet opnieuw
verwerkt.
Conclusie
Gelet op wat hierboven is beschreven, in samenhang bezien, is volgens de regering
de verdere verwerking van persoonsgegevens in het kader van de ambtshalve toekenning
van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming in overeenstemming met artikel 6,
eerste en vierde lid, AVG.
Gegevensverwerking toekenning op aanvraag
Een deel van de (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep kan
de tegemoetkoming niet ambtshalve toegekend krijgen. Het gaat om (oud-)studenten die
niet eerder studiefinanciering hebben ontvangen. Zij zijn niet bekend bij DUO en DUO
beschikt dus niet over hun gegevens. Deze (oud-)studenten kunnen de tegemoetkoming
aanvragen. Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij in vervolg
daarop (zie boven) de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
Deze (oud-)studenten moeten bij de aanvraag gegevens overleggen waaruit blijkt dat
zij ten tijde van het leenstelsel aanspraak maakten op studiefinanciering. Het gaat
om de volgende gegevens: inschrijvingsgegevens, leeftijd en indien van toepassing
gegevens over nationaliteit en arbeid – zie paragraaf 2.2.4. Verder moeten zij gegevens
overleggen waaruit blijkt dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma
hebben kunnen behalen of er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma
te behalen. Het gaat om de volgende gegevens: een beschikking van een Wajong-uitkering,
respectievelijk een verklaring van een onderwijsinstelling en bij bijzondere medische
omstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts – zie paragraaf 2.2.4 (en
– specifiek in verband met genoemde stukken – de artikelen 5.15 en 5.16, vijfde lid,
WSF 2000). Bedoelde gegevens waaruit de bijzondere omstandigheden blijken, zullen
vaak medische gegevens zijn. Medische gegevens zijn bijzondere persoonsgegevens (gegevens
over gezondheid) als bedoeld in artikel 9, eerste lid, AVG.
Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG is de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens
verboden, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 9, tweede lid, AVG van
toepassing is. Bij de verwerking van bedoelde gegevens over gezondheid in het kader
van de toekenning op aanvraag van de tegemoetkoming is dat het geval. Een beroep wordt
gedaan op de uitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG, te weten:
de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond
van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde
doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens
wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming
van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Hierbij is het
volgende van belang. De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk om de betrokken
groep (oud-)studenten de tegemoetkoming (en de aanvullende tegemoetkoming) toe te
kunnen kennen. In dat kader wordt met dit wetsvoorstel voorzien in de wettelijke grondslag
om op basis van deze gegevens de tegemoetkoming(en) toe te kennen. In aanvulling daarop
wordt met dit wetsvoorstel voorzien in de voor die gegevensverwerking noodzakelijke
wettelijke grondslag en waarborgen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele
belangen van de (oud-)studenten. Hierbij wordt aangesloten bij de voorgestelde wettelijke
grondslag en waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens ten aanzien
van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs. Zie daarover verder paragraaf 3.1.2.
3.1.2 Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevens
Dit wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de doelgroep. De nieuwe groepen (oud-)studenten
die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep komen in aanmerking voor zowel de
tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende
(oud-)studenten). Het gaat om (oud-)studenten die vanwege bijzondere omstandigheden
geen diploma hebben kunnen behalen of er langer dan tien jaar over hebben gedaan om
een diploma te behalen. Hierbij wordt, als eerder vermeld (zie paragraaf 2.2.4), aangesloten
bij de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.15 en 5.16, derde lid, respectievelijk
5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000, specifieker de omzetting van de prestatiebeurs
in een gift in geval van bijzondere omstandigheden, respectievelijk de verlenging
van de diplomatermijn in geval van bijzondere omstandigheden.
Genoemde omzetting van de prestatiebeurs in een gift en verlenging van de diplomatermijn
maken onderdeel uit van een breder pakket aan voorzieningen waarvan studenten gebruik
kunnen maken als zij tijdens hun studie geconfronteerd worden met bijzondere omstandigheden.
Onder dit bredere pakket maatregelen, de zogenoemde Voorziening Prestatiebeurs, vallen
ook de verlenging van de duur van de prestatiebeurs vanwege handicap of chronische
ziekte, bedoeld in artikel 5.2b WSF 2000 alsmede de daarmee samenhangende (gedeeltelijke)
kwijtschelding van studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte,
bedoeld in artikel 12.31 WSF 2000,17 en de nieuwe aanspraak op studiefinanciering verband houdend met handicap of chronische
ziekte, bedoeld in artikel 5.16, vierde lid, WSF 2000. Het equivalent van de maatregelen
binnen de Voorziening Prestatiebeurs is voor mbo-studenten vastgelegd in de artikelen 4.12,
4.13 en 4.14 WSF 2000.
Naar aanleiding van dit wetsvoorstel is breder gekeken naar de maatregelen binnen
de Voorziening Prestatiebeurs, specifieker de daarbij van toepassing zijnde grondslag
en waarborgen ten aanzien van de gegevensverwerking. Bij deze processen kan het namelijk
nodig zijn om bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) van de student
te verwerken. Daarbij is geconstateerd dat de nu van toepassing zijnde grondslag en
waarborgen niet voldoen aan de daarvoor op grond van de AVG geldende verplichtingen
met betrekking tot gegevensverwerking. Met dit wetsvoorstel wordt dat hersteld.
Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG is de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
verboden, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 9, tweede lid, AVG van
toepassing is. Bij de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs is dat het
geval. Van toepassing is de uitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid, onderdeel g,
AVG, te weten: de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang,
op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde
doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens
wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming
van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene.
Zwaarwegend algemeen belang
De verwerking van bedoelde bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid)
in het kader van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs is noodzakelijk
om redenen van zwaarwegend algemeen belang.
Zonder deze verwerking kan niet worden vastgesteld of een student wel of niet aanspraak
maakt op de verschillende ondersteunende maatregelen. Deze ondersteunende maatregelen
zijn in het belang van de studenten die het aangaat. Daarmee is ook de verwerking
van bedoelde bijzondere persoonsgegevens in het kader van deze maatregelen in het
belang van die studenten. Ook is dit in het algemeen belang. Met deze verwerking wordt
bewerkstelligd dat alleen studenten voor wie de maatregelen zijn bedoeld daarvan gebruik
kunnen maken en wordt onrechtmatig gebruik tegengegaan.
Grondslag
Ingevolge artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG is voor de verwerking van bijzondere
persoonsgegevens een expliciete wettelijke grondslag nodig. De formulering van de
artikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16 en 12.31 WSF 2000 over de maatregelen
binnen de Voorziening Prestatiebeurs veronderstelt dat bijzondere persoonsgegevens
(gegevens over gezondheid) kunnen worden verwerkt bij de vaststelling of een student
wel of niet aanspraak maakt op die maatregelen, maar expliciteert dat niet. Voorgesteld
wordt om hiervoor een expliciete wettelijke grondslag op te nemen.
Waarborgen
Verder moeten ingevolge artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG passende en specifieke
maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele
belangen van de betrokkene. Deze waarborgen moeten in elk geval op hoofdlijnen in
de wet zijn verankerd.18 Bij de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs is nog niet voorzien in dergelijke
wettelijke waarborgen.
Bewaartermijnen
Als eerder vermeld,19 bewaart DUO de door haar verzamelde persoonsgegevens in het SFS. Voor de persoonsgegevens
in het SFS zijn in de op grond van artikel 5 Archiefwet 1995 vastgestelde Generieke
selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap algemene bewaartermijnen vastgelegd.
In deze selectielijst is bepaald dat gegevens met betrekking tot studiefinanciering
worden bewaard tot vijf jaar na het eindigen van de actieve relatie tussen de (oud-)student
en DUO. Het eindigen van de actieve relatie betreft het moment dat de rechten en verplichtingen
van de betrokkene uit hoofde van de WSF 2000 zijn geëindigd. Hierbij kan worden gedacht
bijvoorbeeld bij een betrokkene met een studieschuld aan het moment dat de studieschuld
is afgelost of dat de aflosperiode is afgelopen en bij een betrokkene die alleen een
prestatiebeurs heeft ontvangen en die geen studieschuld heeft opgebouwd aan het moment
dat de prestatiebeurs is omgezet in een gift. Verder is in de selectielijst bepaald
dat bij overlijden van de (oud-)student de gegevens na twee jaar worden verwijderd.
Voorgesteld wordt om verschillende, deels afwijkende, wettelijke bewaartermijnen op
te nemen voor gegevens over gezondheid die zijn verwerkt in het kader van besluiten
van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de toekenning dan wel afwijzing
van voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16 en
12.31 WSF 2000.
Voor de in het kader van besluiten over deze voorzieningen verwerkte gegevens over
gezondheid (denk bijvoorbeeld aan de onderliggende stukken – zoals het aanvraagformulier
met de verklaringen van de onderwijsinstelling en de arts – en het gemotiveerde besluit)
wordt voorgesteld om een afwijkende (kortere) bewaartermijn op te nemen inhoudende
dat deze gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat het desbetreffende besluit is
genomen.20 Hierbij is rekening gehouden met de (maximale) termijn van vijf jaar waarbinnen op
grond van artikel 7.1 WSF 2000 een besluit inzake studiefinanciering kan worden herzien
en deze gegevens nog nodig kunnen zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgd dat deze
gegevens nog voldoende lang beschikbaar zijn in geval van een eventuele bezwaar-,
beroeps- of hogerberoepsprocedure tegen het (herziene) besluit over de voorziening.
Daarbij wordt voorgesteld dat als voor het einde van deze bewaartermijn van tien jaar
een van de eerdergenoemde algemene bewaartermijnen bij DUO verstrijkt (bewaren tot
vijf jaar na het eindigen van de actieve relatie tussen de (oud-)student en DUO dan
wel tot twee jaar na het overlijden van de (oud-student)), deze gegevens worden bewaard
tot het einde van die algemene bewaartermijn.
Onder de in het kader van besluiten over voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid
vallen ook het (enkele, desalniettemin bijzondere21 persoons)gegeven dat een voorziening is toegekend en gegevens over de aan het toekenningsbesluit verbonden
rechtsgevolgen. Denk bijvoorbeeld aan het (enkele) gegeven dat de prestatiebeurs vanwege bijzondere omstandigheden is omgezet in een gift, en het
bedrag dat is omgezet in een gift, of het (enkele) gegeven dat de diplomatermijn vanwege
bijzondere omstandigheden is verlengd, en de duur van de verlenging. In afwijking
van bovenstaande wordt voorgesteld om voor deze gegevens onverkort aan te sluiten
bij de eerdergenoemde algemene bewaartermijnen bij DUO (zie ook hierboven). Voor deze
gegevens zijn deze reguliere (langere) bewaartermijnen noodzakelijk om de uitvoeringsprocessen,
dienstverlening, informatievoorziening en de financiële verantwoording met betrekking
tot de voorzieningen te kunnen waarborgen.
Toegang na autorisatie
Daarnaast wordt voorgesteld om wettelijk te regelen dat de gegevens over gezondheid
die zijn verwerkt in het kader van besluiten over eerdergenoemde voorzieningen alleen
toegankelijk zijn voor daartoe geautoriseerde personen. Daarbij wordt voorgesteld
om een delegatiegrondslag op te nemen om dit bij ministeriële regeling verder uit
te werken. Hierbij worden de autorisaties van de personen, medewerkers van DUO, afgestemd
op de door hen te verrichten werkzaamheden. Het (enkele) gegeven dat een voorziening is toegekend en gegevens over de aan het toekenningsbesluit verbonden
rechtsgevolgen zullen voor een bredere groep medewerkers toegankelijk blijven dan
de overige in het kader van die voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid.
Dit is noodzakelijk vanwege dezelfde redenen als de redenen waarom voor deze gegevens
de reguliere (langere) bewaartermijnen noodzakelijk zijn.
Conclusie
Met de voorgestelde wettelijke grondslag en waarborgen bij de maatregelen binnen de
Voorziening Prestatiebeurs wordt ten aanzien van die maatregelen voldaan aan de daarvoor
op grond van de AVG geldende verplichtingen met betrekking tot gegevensverwerking.
3.2 Verhouding tot nationale regelgeving
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs en de daarop gevolgde lagere regelgeving
is de toekenning van de tegemoetkoming geregeld in artikel 12.30 WSF 2000, de artikelen 21a,
21b en 21c BSF 2000 en artikel 2.7 van de Regeling studiefinanciering 2000 (RSF 2000).
Met dit wetsvoorstel wordt artikel 12.30 WSF 2000 gewijzigd in verband met de toekenning
van de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding van de doelgroep. De bepalingen
in het BSF 2000 en de RSF 2000 worden voor zover nodig bij lagere regelgeving gewijzigd.
4. Gevolgen voor (oud-)studenten
4.1 Financiële gevolgen
Studenten die tijdens het leenstelsel hebben gestudeerd en die aan de voorwaarden
voldoen, komen, in aanvulling op de tegemoetkoming, in aanmerking voor de aanvullende
tegemoetkoming. Hiermee wordt hun studieschuld verminderd of – als zij geen studieschuld
(meer) hebben – krijgen zij (het restant van) de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald.
De aanvullende tegemoetkoming wordt uitgekeerd vanaf april 2027. Studenten die onder
de nieuw toegevoegde doelgroepen vallen, ontvangen vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming
als de aanvullende tegemoetkoming.
De bedragen van de tegemoetkomingen worden jaarlijks bij ministeriële regeling per
1 januari geïndexeerd. Deze geïndexeerde (hogere) bedragen gelden voor studenten die
de tegemoetkomingen op een later moment toegekend krijgen. In onderstaand overzicht
staan de bedragen van de beide tegemoetkomingen. De aanvullende tegemoetkoming wordt
vóór de uitkering vanaf april 2027 nog eenmaal geïndexeerd per 1 januari 2027. Zie
in dit verband de toelichting bij artikel II van dit wetsvoorstel. Vervolgens wordt
de aanvullende tegemoetkoming net als de tegemoetkoming jaarlijks op reguliere wijze
geïndexeerd.
Overzicht verschillende tegemoetkomingen
Bedrag per maand
Bedrag voor vier jaar
Tegemoetkoming
€ 35,31
(prijspeil 2026)
€ 1.694,88
(prijspeil 2026)
Aanvullende tegemoetkoming
€ 44,50
(prijspeil 2026)
€ 2.136,00
(prijspeil 2026)
4.2 Fiscale gevolgen
4.2.1 Inkomstenbelasting
De aanvullende tegemoetkoming wordt (net als de tegemoetkoming) van de studieschuld
afgetrokken of (deels) uitbetaald als er geen studieschuld (meer) is. De aanvullende
tegemoetkoming is (net als de tegemoetkoming) niet belast voor de inkomstenbelasting
in box 1.
4.2.2 Vermogensbelasting
De aanvullende tegemoetkoming kan (net als de tegemoetkoming) gevolgen hebben voor
de vermogensbelasting in box 3. Als de aanvullende tegemoetkoming wordt afgetrokken
van de studieschuld, kan dat gevolgen hebben voor de aftrekbaarheid van de studieschuld
in box 3. In geval van (gedeeltelijke) uitbetaling verhoogt de aanvullende tegemoetkoming
het vermogen van de ontvanger. Als het totale vermogen meer bedraagt dan het heffingsvrije
vermogen, kan dat gevolgen hebben voor de heffing over vermogen in box 3.
4.2.3 Vermogensafhankelijke regelingen
De hoogte van het vermogen is ook voor verschillende vermogensafhankelijke regelingen
relevant. Bij de Participatiewet (bijstand) is het vermogen op elk moment relevant.
Bij onder meer de toeslagen en de Wet langdurige zorg (Wlz) is het vermogen op peildatum
1 januari relevant. Het uitbetalen van de beide tegemoetkomingen kan leiden tot terugvorderingen
(bijstand en toeslagen) of een hogere eigen bijdrage (Wlz). Een (oud-)student kan
de tegemoetkomingen weigeren door deze bijvoorbeeld terug te storten, maar dat kan
gevolgen hebben voor de bijstandsuitkering. De gemeente kan dat zien als onredelijk
gebruik maken van eigen geld, waardoor de (oud-)student zich «bijstandsafhankelijk»
maakt. Dit kan leiden tot een korting op de bijstandsuitkering. Het weigeren van de
tegemoetkomingen heeft geen gevolgen voor toeslagen en Wlz.
DUO informeert (oud-)studenten over de gevolgen die de tegemoetkomingen (kunnen) hebben
voor het vermogen. Daarbij wordt ook benoemd dat het effect kan hebben op de bijstand,
toeslagen en Wlz. DUO zal zoveel mogelijk voorkomen dat de uitbetaling van de tegemoetkomingen
vlak voor de vermogensvaststelling plaatsvindt.
4.3 Doenvermogen
Oud-studenten krijgen direct na hun studie te maken met veel veranderingen, zoals
doorstromen naar een nieuwe of vervolgopleiding, een eerste (voltijds)baan en veranderingen
in de woonsituatie. Al deze gebeurtenissen en veranderingen hebben invloed op het
doenvermogen van de oud-studenten. De aanvullende tegemoetkoming sluit qua vormgeving
aan bij de tegemoetkoming. Dit draagt in belangrijke mate bij aan de «doenlijkheid»
van dit wetsvoorstel. Hieronder is beschreven hoe in dit wetsvoorstel verder rekening
wordt gehouden met het doenvermogen.
4.3.1 Ambtshalve toekennen
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende
tegemoetkoming ambtshalve toegekend. (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding
van de doelgroep en van wie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinanciering
hebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende
tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend (zie ook paragraaf 2.2.4, onder Ambtshalve toekennen).
(Oud-)studenten ontvangen een beschikking over de toekenning met het bedrag dat wordt
afgetrokken van de studieschuld en/of wordt uitbetaald. (Oud-)studenten waarbij de
(aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald, hoeven alleen actie
te ondernemen als DUO niet beschikt over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling
op een ander rekeningnummer willen ontvangen.
4.3.2 Op aanvraag toekennen
(Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens
niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd,
moeten een aanvraag doen om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij
de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende
tegemoetkoming toegekend krijgen (zie ook paragraaf 2.2.4, onder Toekennen op aanvraag).
De aanvraagprocedure voor deze (kleine) groep zal zo laagdrempelig mogelijk worden
ingericht. De (oud-)student kan in de aanvraagprocedure kenbaar maken te hebben gestudeerd
onder het leenstelsel en zal moeten aantonen dat hij aanspraak had kunnen maken op
studiefinanciering.
De student moet ook aantonen dat hij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzij
geen diploma heeft kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar over heeft gedaan
om een diploma te behalen. Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden
van de artikelen 5.15 en 5.16 WSF 2000. De student kan dit aantonen met een beschikking
van een Wajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met een verklaring
van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld met
een verklaring van een arts (artikel 5.16 WSF 2000). Dit vraagt een zeker doenvermogen
van een relatief kwetsbare groep (oud-)studenten. Er is geen andere mogelijkheid om
de tegemoetkomingen toe te kennen, omdat deze (oud-)studenten en hun bijzondere omstandigheden
niet bij DUO bekend zijn. Er is ook geen eenvoudiger manier om vast te stellen dat
zij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzij geen diploma hebben kunnen behalen
hetzij er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Bovendien
is het wenselijk om deze groep zoveel mogelijk gelijk te behandelen met de groep met
bijzondere omstandigheden die wel studiefinanciering heeft aangevraagd.
Ook voor de onderwijsinstelling en in voorkomende gevallen een arts vraagt dit een
zeker doenvermogen om een goede beoordeling van de bijzondere omstandigheden te maken.
4.4 Regeldruk
Regeldrukkosten zijn alle kosten die een burger of bedrijf moet maken om aan wet-
en regelgeving te voldoen. In deze paragraaf is bij de berekeningen gebruikgemaakt
van de methodiek en standaarduurtarieven uit het Handboek Meting Regeldruk (september
2023). Regeldruk is breder dan tijd en geld, maar is ook hoe een verplichting wordt
ervaren.
4.4.1 Ambtshalve toekennen
Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen, krijgen de aanvullende
tegemoetkoming ambtshalve toegekend. (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding
van de doelgroep en van wie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinanciering
hebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvullende
tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend. Deze (oud-)studenten hoeven in beginsel
geen actie te ondernemen. Deze (oud-)studenten hoeven alleen actie te ondernemen als
de (aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald en als DUO niet beschikt
over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een ander rekeningnummer willen
ontvangen. Dit leidt tot een regeldruk van 2 minuten per (oud-)student om kennis te
nemen van de toekenningsbeschikking (100 procent van de (oud-)studenten) en 3 minuten
extra per (oud-)student als deze een rekeningnummer moet doorgeven of wil wijzigen
(3 procent van de (oud-)studenten). Het gaat in totaal om ongeveer 1.070.000 (oud-)studenten.
De regeldruk daarvan komt uit op € 0,57–1,42 per (oud-)student (bij uurtarief «burgers»
van € 17) en afgerond € 634.000 totaal (incidenteel). Op individuele basis zullen
(oud-)studenten van de toekenning van de beide tegemoetkomingen dan ook geen of weinig
regeldruk ervaren.
4.4.2 Op aanvraag toekennen
(Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie de gegevens
niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd,
moeten een aanvraag doen om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij
de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvullende
tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud-)studenten moeten de tegemoetkoming aanvragen
en daarbij hun bijzondere omstandigheden aantonen. Deze (oud-)studenten moeten een
formulier invullen om de tegemoetkoming aan te vragen en daarbij enkele bewijsstukken
voegen (inschrijvingsgegevens, leeftijd en indien van toepassing gegevens over nationaliteit
en arbeid). Ook moeten deze (oud-)studenten een formulier invullen over hun bijzondere
omstandigheden als gevolg waarvan zij hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij
er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen en daarbij bewijsstukken
voegen (een verklaring van de onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandigheden
aangevuld met een verklaring van een arts).
• (Oud-)studenten: Het gaat om enkele tientallen (oud-)studenten. De berekening van
de regeldruk gaat uit van ongeveer 100 (oud-)studenten. Naar verwachting zullen (oud-)studenten gemiddeld ongeveer 3,5 uur bezig
zijn met het doen van een aanvraag voor de tegemoetkoming inclusief het verzamelen
van documenten, bezoek aan of contact met de onderwijsinstelling en in 85% van de
gevallen een bezoek aan een arts (reistijd en gemiddeld € 30 reiskosten). De kosten
daarvan komen uit op € 90 per (oud-)student (bij uurtarief «burgers» van € 17) en
afgerond € 9.000 totaal (incidenteel).
• Onderwijsinstellingen: De berekening van de regeldruk gaat uit van maximaal 100 benodigde
verklaringen van onderwijsinstellingen. Naar verwachting zullen onderwijsinstellingen
gemiddeld ongeveer 1,5 uur bezig zijn met bezoek van of contact met de (oud-)student,
het opstellen van een verklaring inclusief het verzamelen van documenten en het inhoudelijk
beoordelen van het verzoek. De kosten daarvan komen uit op € 81 per onderwijsinstelling
per (oud-)student (bij uurtarief «hoogopgeleide medewerkers» van € 54) en afgerond
€ 8.100 totaal (incidenteel).
• Artsen: De berekening van de regeldruk gaat uit van maximaal 85 benodigde verklaringen
van artsen (85% van de aanvragen). Naar verwachting zullen artsen gemiddeld ongeveer
45 minuten bezig zijn met het consult met de (oud-)student, het opstellen van een
verklaring inclusief het verzamelen van documenten en het inhoudelijk beoordelen van
het verzoek. De kosten daarvan komen uit op € 41 per arts per (oud-)student (bij uurtarief
«hoogopgeleide medewerkers» van € 54) en afgerond € 3.500 totaal (incidenteel).
Dit leidt tot een eenmalige regeldruk van afgerond € 20.500 in totaal. De (kleine)
groep (oud-)studenten zal hier ook regeldruk van ervaren. Zij kunnen de afweging maken
of deze inspanning opweegt tegen het bedrag van de beide tegemoetkomingen waarop zij
recht zouden krijgen. Onderwijsinstellingen en artsen hebben deze keuzeruimte niet.
4.4.3 Bezwaar
Een deel van de (oud-)studenten zal in bezwaar gaan tegen de beschikking over de (aanvullende)
tegemoetkoming. Bij een positief besluit waarschijnlijk tegen de hoogte van de tegemoetkoming.
Bij een negatief besluit waarschijnlijk tegen de afwijzing van de tegemoetkoming.
Een deel van de bezwaren zal relatief weinig inspanning vragen van de (oud-)student.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een bezwaar tegen de vaststelling van het aantal maanden
recht op tegemoetkoming. Alleen van de (oud-)student zonder studiefinanciering die
in het kader van zijn aanvraag moet aantonen dat bij hem sprake is van bijzondere
omstandigheden zal een bezwaar tegen een negatief besluit waarschijnlijk aanmerkelijk
meer inspanning vragen. Doorgaans zal deze (oud-)student zich dan opnieuw tot zijn
onderwijsinstelling en/of arts moeten wenden voor een aanvullende verklaring. Dit
zal mogelijk om enkele tientallen (oud-)studenten gaan. Bezwaar maken vraagt gemiddeld
een inspanning van 45 minuten. Dat betekent dat de kosten voor het maken van bezwaar
ongeveer € 12,75 per bezwaar zijn (bij uurtarief «burgers» van € 17). Naar verwachting
gaan ongeveer 2.000 (oud-)studenten in bezwaar.22 Daarmee komen de totale regeldrukkosten van bezwaar maken op ongeveer € 25.500 totaal
(incidenteel). In (hoger) beroep gaan is geen onderdeel van de beoordeling van de
regeldruk.
4.5 Gendergelijkheid
Net als de tegemoetkoming, wordt de aanvullende tegemoetkoming beschikbaar gesteld
aan alle (oud-)studenten. Gelet op het eenmalige karakter van de aanvullende tegemoetkoming
en de gelijke hoogte van deze tegemoetkoming voor alle (oud-)studenten is de verwachting
dat het effect van dit wetsvoorstel op de gendergelijkheid neutraal is. Dit wetsvoorstel
vergroot noch verkleint de verschillen.
4.6 Gevolgen voor Caribisch Nederland
Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor inwoners van Caribisch Nederland die ten tijde
van het leenstelsel in het Europees deel van Nederland hebben gestudeerd. Als zij
voldoen aan de voorwaarden voor de tegemoetkomingen, dan komen ook zij daarvoor in
aanmerking. Dit geldt ook voor studenten uit de andere landen van het Koninkrijk (Aruba,
Curaçao en Sint Maarten). De Wet studiefinanciering BES (WSF BES) wordt met dit wetsvoorstel
niet gewijzigd.23
5. Gevolgen voor de uitvoering, rechtspraak en Rijksbegroting
5.1 Gevolgen voor de uitvoering
DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 een aanvullende
uitvoeringstoets uitgebracht. Ook in de beleidsvoorbereiding heeft DUO al intensief
meegewerkt en zijn signalen van DUO meegenomen. Dit wetsvoorstel leidt tot aanpassingen
van de systemen en processen bij DUO voor het toekennen van de tegemoetkoming en de
aanvullende tegemoetkoming. Ook is extra communicatie nodig richting (oud-)studenten
en decanen. Daarnaast moeten extra waarborgen voor de bescherming van bijzondere persoonsgegevens
in het kader van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs worden ingeregeld
bij DUO.
Volgens DUO is het wetsvoorstel uitvoerbaar. De totale kosten voor de invoering en
voor de uitvoering van de uitbreiding van de doelgroep en van de toekenning en uitkering
van de (aanvullende) tegemoetkoming gedurende de looptijd van de regeling tot en met
2036 zijn € 4,9 miljoen (prijspeil 2025). Deze kosten worden gedekt uit het beschikbaar
gestelde budget van € 1,4 miljard. De kosten voor de invoering en uitvoering van bovenbedoelde
extra waarborgen voor de bescherming van bijzondere persoonsgegevens worden niet uit
dat budget, maar uit de reguliere structurele budgetten van DUO gedekt. Deze kosten
zien immers voor een groot deel op de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs
en maar voor een klein deel op de (aanvullende) tegemoetkoming.
De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2027. Volgens DUO is
het mogelijk om per die datum de extra waarborgen voor de bescherming van bijzondere
persoonsgegevens in te regelen. DUO adviseert om de uitbreiding van de doelgroep en
de toekenning en uitkering van de (aanvullende) tegemoetkoming uit te voeren vanaf
april 2027. Deze periode valt na de reguliere pieken in de dienstverlening en het
bezwaarproces in het eerste kwartaal. De dienstverlening kan dan het beste worden
vormgegeven. Dit is overgenomen en op diverse plekken in deze toelichting ingevuld.
Wat betreft de extra waarborgen voor de bescherming van bijzondere persoonsgegevens,
specifiek de bewaartermijn, adviseert DUO om een bewaartermijn van tien jaar te hanteren.
Volgens DUO is deze bewaartermijn noodzakelijk om ook verzoeken die aan het einde
van de herzieningstermijn worden ingediend goed te kunnen afhandelen. Wel is het volgens
DUO noodzakelijk dat het gegeven dat een van de genoemde voorzieningen is toegekend
en de uitkomst daarvan langer bewaard en breder toegankelijk blijft om de (oud-)studenten
van de juiste informatie te kunnen voorzien en de financiële verantwoording te kunnen
borgen. Daarom adviseert DUO om voor deze gegevens de reguliere (langere) bewaartermijnen
te blijven hanteren (bewaren tot vijf jaar na het eindigen van de actieve relatie
tussen de (oud-)student en DUO dan wel tot twee jaar na het overlijden van de (oud-student))
en deze toegankelijk te houden voor een bredere groep geautoriseerde medewerkers.
Dit is overgenomen. Het wetsvoorstel voorziet in een bewaartermijn van tien jaar voor
in het kader van besluiten over genoemde voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid.
Waar het gaat om het gegeven dat een voorziening is toegekend en gegevens over aan
dergelijke toekenningsbesluiten verbonden rechtsgevolgen wordt in afwijking daarvan
aangesloten bij de reguliere (langere) bewaartermijnen (zie hierboven). Het autorisatiebeheer
wordt uitgewerkt bij ministeriële regeling. Hierbij worden de autorisaties van de
medewerkers afgestemd op de door hen te verrichten werkzaamheden. Daarbij zullen het
gegeven dat een voorziening is toegekend en gegevens over de rechtsgevolgen daarvan
voor een bredere groep medewerkers toegankelijk blijven dan de overige in het kader
van die voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid.
DUO stelt voor om artikel 7.1 WSF 2000 te wijzigen om de herziening van beschikkingen
inzake de tegemoetkomingen juridisch mogelijk te maken. Hiervoor is geen aanleiding.
Dit artikel biedt al een grondslag om beschikkingen inzake de tegemoetkomingen te
herzien, nu de tegemoetkoming valt onder het begrip «studiefinanciering» als bedoeld
in dat artikel.
Tot slot geeft DUO aan dat zij in juli/augustus 2025 moet starten met de voorbereiding
van de invoering om de (aanvullende) tegemoetkoming vanaf 2027 uit te kunnen keren.
Verder geeft DUO aan dat zij uiterlijk in maart 2026 moet starten met de voorbereiding
van de invoering van de extra waarborgen voor de bescherming van bijzondere persoonsgegevens
om deze per 1 januari 2027 uit te kunnen voeren. De voorbereiding van de invoering
loopt daarmee parallel aan het verdere wetstraject.
5.2 Gevolgen voor de rechtspraak
Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat (oud-)studenten die onder het leenstelsel
hebben gestudeerd aanspraak maken op een aanvullende tegemoetkoming. Verder wordt
de doelgroep voor de tegemoetkoming (en in het verlengde daarvan de aanvullende tegemoetkoming)
enigszins uitgebreid. De toekenning dan wel afwijzing van een tegemoetkoming is een
voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Tegen besluiten genomen op grond van de WSF
2000 staat beroep open bij de rechtbanken en hoger beroep bij de Centrale Raad van
Beroep. Dit levert naar verwachting in totaal ongeveer 110 extra (hoger)beroepszaken
op, bezien over de gehele looptijd van de regeling. De tegemoetkomingsregeling is
een tijdelijke regeling. Na afloop zijn er geen extra lasten meer voor de rechtspraak.
5.3 Gevolgen voor de Rijksbegroting
Met dit wetsvoorstel worden financiële middelen ingezet voor de aanvullende tegemoetkoming
en voor de uitbreiding van de doelgroep voor de tegemoetkoming (en in het verlengde
daarvan de aanvullende tegemoetkoming). Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard
beschikbaar gesteld.
In de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW) voor het begrotingsjaar 2025 is € 47 miljoen toegevoegd voor indexering van
de aanvullende tegemoetkoming naar prijspeil 2026.
De uitvoeringskosten zijn voor DUO € 4,9 miljoen en voor de rechtspraak € 0,32 miljoen
(zie paragraaf 5.1 en 6.3). De uitvoeringskosten worden uit het totaalbudget gedekt.
De uitvoeringskosten voor de rechtspraak worden naar de begroting van het Ministerie
van Justitie en Veiligheid overgeboekt.
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
2032
struc.
Aanvullende tegemoetkoming
0
0
1.327
48
28
15
9
6
0
Bedragen x € miljoen
6. Advies en consultatie
6.1 Internetconsultatie
Het wetsvoorstel heeft van 24 maart 2025 tot en met 2 mei 2025 opgestaan voor internetconsultatie.
De consultatie heeft 28 reacties opgeleverd, waarbij 23 respondenten hebben gekozen
voor een openbare reactie. Het gaat om reacties van (oud-)studenten, een studentendecaan
en overige burgers. De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft ook een reactie ingediend.
6.1.1 Samenvatting
Over het algemeen is positief gereageerd op de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding
van de doelgroep. Wel vinden meerdere respondenten de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming
te laag. Een aantal respondenten legt hierbij een verband met de hoogte van de rente
op de studielening en met de gevolgen van een studielening voor het kopen van een
huis. De reacties hebben geen aanleiding gegeven om het wetsvoorstel te wijzigen.
De regering bedankt iedereen die heeft gereageerd op het wetsvoorstel. Hieronder gaat
de regering – voor zover nodig – in op de reacties.
6.1.2 Een aanvullende tegemoetkoming
De meeste respondenten kijken positief naar een aanvullende tegemoetkoming, maar geven
daarbij aan dat de voorgestelde hoogte van die tegemoetkoming te laag is. Zij vinden
deze te laag in verhouding tot de gemiste basisbeurs, de hoogte van hun studieschuld
of hun huidige persoonlijke omstandigheden. In reactie daarop merkt de regering op
te begrijpen dat een hoge studieschuld vervelend is voor (oud-)studenten. Het is echter
hoogst uitzonderlijk dat bij een beleidswijziging een tegemoetkoming wordt gegeven.
Aangezien deze beleidswijziging hier na acht jaar weer is teruggedraaid, heeft de
wetgever eerder bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs besloten om de
(oud-)studenten die hiermee te maken hebben gehad een tegemoetkoming te geven. De
regering vindt die tegemoetkoming te laag en heeft daarom besloten om deze (oud-)studenten
(ook) een aanvullende tegemoetkoming te geven. Er zijn beperkte financiële middelen
beschikbaar en daarom moeten er scherpe keuzes worden gemaakt. Voor de aanvullende
tegemoetkoming is € 1,4 miljard gereserveerd. In het ontwerpwetsvoorstel dat voorlag
bij de internetconsultatie is een aanvullende tegemoetkoming opgenomen van ongeveer
€ 40 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel. Sindsdien is budget
beschikbaar gesteld om de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming te indexeren. Daarnaast
zijn de definitieve uitvoeringskosten berekend en is de raming van het aantal rechthebbende
(oud-)studenten geactualiseerd. Dit resulteert in een aanvullende tegemoetkoming van
€ 44,50 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2026).
Dit is € 2.136,00 per vier jaar studie. Deze aanvullende tegemoetkoming komt bovenop
de eerder ingevoerde tegemoetkoming van € 35,31 per maand studie zonder basisbeurs
onder het leenstelsel (prijspeil 2026). Dit is € 1.694,88 per vier jaar studie.
Enkele respondenten stellen voor de behoefte van elke (oud-)student aan tegemoetkoming
te bekijken, te kiezen voor (volledige) kwijtschelding van de studieschuld of te kiezen
voor een structurele tegemoetkoming. De regering kiest voor een incidentele aanvullende
tegemoetkoming. Dit past bij het maken van een gebaar. De regering kiest hierbij voor
een generieke aanvullende tegemoetkoming voor alle (oud-)studenten die zonder basisbeurs
onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Voor al deze studenten geldt immers in dezelfde
mate dat zij in die periode geen basisbeurs hebben ontvangen.
Eén respondent stelt voor om in plaats van een ondergrens van twaalf maanden studiefinanciering
te kiezen voor een ondergrens van één studiejaar ook als de (oud-)student in dat studiejaar
minder dan twaalf maanden studiefinanciering heeft gehad. Hierdoor zouden bijvoorbeeld
(oud-)studenten die tijdens een éénjarige master minder dan twaalf maanden studiefinanciering
hebben gehad ook in aanmerking kunnen komen voor de (aanvullende) tegemoetkoming.
De regering kiest ervoor om alleen (oud-)studenten die voor een substantiële periode
met aanspraak op studiefinanciering onder het leenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking
te brengen voor de aanvullende tegemoetkoming. Hetzelfde heeft de wetgever ook besloten
bij de eerder ingevoerde tegemoetkoming. Daarbij is gekozen voor een ondergrens van
twaalf maanden wat overeenkomt met één volledig studiejaar. De regering begrijpt dat
dit vervelend is voor (oud-)studenten die (net) niet aan die grens voldoen, maar elke
grens brengt mee dat er altijd personen zullen zijn die net boven of net onder de
grens zitten. Dit is helaas niet te voorkomen. Deze keuze is in paragraaf 2.2.1 nader
toegelicht.
6.1.3 De uitbreiding van de doelgroep
Een aantal respondenten spreekt (in)direct steun uit voor de uitbreiding van de doelgroep
met (oud-)studenten die vanwege bijzondere (medische) omstandigheden geen diploma
hebben gehaald of langer hebben gedaan over het halen van een diploma. Geen van de
respondenten was tegen deze uitbreiding van de doelgroep.
Eén respondent stelt voor om een hogere tegemoetkoming te geven aan (oud-)studenten
met bijzondere (medische) omstandigheden. De regering kiest voor een generieke (aanvullende)
tegemoetkoming voor alle (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel
hebben gestudeerd. Voor al deze studenten geldt immers in dezelfde mate dat zij in
die periode geen basisbeurs hebben ontvangen. Het past hierbij niet om specifieke
groepen (oud-)studenten een hogere (aanvullende) tegemoetkoming te geven.
Een andere respondent stelt voor om ook (oud-)studenten die geraakt zijn door de toeslagenaffaire
en die geen diploma hebben gehaald een aanvullende tegemoetkoming te geven. In dit
wetsvoorstel komen ook (oud-)studenten die vanwege bijzondere omstandigheden geen
diploma hebben gehaald of langer hebben gedaan over het halen van een diploma in aanmerking
voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij sluit de regering
aan bij de bestaande regels in geval van bijzondere omstandigheden in de WSF 2000.
Geraakt zijn door de toeslagenaffaire is daarbij geen criterium. (Oud-)studenten die
geraakt zijn door de toeslagenaffaire komen – net als alle andere (oud-)studenten –
als zij aan de gestelde voorwaarden voldoen in aanmerking voor de tegemoetkoming en
de aanvullende tegemoetkoming.
6.1.4 Hypotheken en rente
De regering staat hierbij ook stil bij enkele reacties en veronderstellingen die de
respondenten in hun reacties hebben geuit welke niet (direct) zien op het wetsvoorstel.
In enkele reacties is opgemerkt dat voorafgaand aan het leenstelsel zou zijn toegezegd
dat de studieschuld niet meetelt bij het aanvragen van een hypotheek. Dit is niet
juist. Bij het verstrekken van een hypothecair krediet dient de kredietverstrekker
op grond van de Wet op het financieel toezicht informatie over de financiële positie
van de consument in te winnen om overkreditering van de consument te voorkomen. Hierbij
moet ook rekening worden gehouden met de financiële verplichtingen die een consument
heeft. Het inkomen moet toereikend zijn om zowel aan de verplichtingen voor de hypotheek
als voor de studieschuld te kunnen voldoen. Sommige (oud-)studenten met een studieschuld
kunnen vanaf 2024 wel een hogere hypotheek krijgen dan in de voorgaande jaren. Dit
komt omdat de bank of andere hypotheekverstrekkers vanaf 2024 kijken naar het actueel
te betalen maandbedrag aan aflossing en rente op de studieschuld. (Als een (oud-)student
tijdelijk geen of een minder hoog maandbedrag betaalt (bijvoorbeeld door draagkracht),
gaat de hypotheekverstrekker uit van het bedrag dat per maand zou moeten worden betaald.)
Voor 2024 keken hypotheekverstrekkers naar de oorspronkelijke (totale) studieschuld.
Hierbij werden (extra) aflossingen op de studieschuld niet altijd goed meegenomen.
Daarnaast stellen meerdere respondenten dat de rente op de studieschuld moet worden
verlaagd (in sommige reacties naar 0%) en dat ook dit eerder zou zijn toegezegd. Ook
dit is niet juist. In de WSF 2000 is bepaald hoe de hoogte van de rente wordt berekend.
De rente op de studieschuld wordt steeds aan het einde van het jaar vastgesteld voor
het volgende jaar. Deze rente is afhankelijk van de rente op de staatsobligaties.
Ter illustratie: de rente in 2008 piekte op 4,17% en is daarna gedaald tot 0,01% in
2016. De rente was van 2017 tot en met 2022 0%. Daarna is de rente van het terugbetalingsregime
dat uitgaat van aflossing in maximaal 35 jaar gestegen naar 0,46% in 2023 tot 2,57%
in 2025.
In een Kamerbrief van 22 november 2022 is op de vermeende beloftes rond hypotheken
en rente ingegaan.24
6.1.5 Tot slot
Tot slot gaan enkele respondenten in op andere aspecten van de studiefinanciering,
zoals de aanvullende beurs en de tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher.
Deze onderwerpen vallen buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel en worden hier daarom
buiten beschouwing gelaten.
Een aantal respondenten gaat niet in op de inhoud van het wetsvoorstel, maar op hun
persoonlijke (financiële) situatie en de studiefinanciering die zij (hebben) ontvangen.
Deze respondenten kunnen – als zij dat willen – bij vragen hierover contact opnemen
met DUO. Op de website van DUO staat op welke manieren contact kan worden opgenomen.
6.2 Autoriteit persoonsgegevens
De Autoriteit persoonsgegevens (AP) heeft op 12 juni 2025 advies uitgebracht. De AP
heeft gekeken naar de bescherming van persoonsgegevens in het wetsvoorstel. De AP
heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel.
6.3 Raad voor de rechtspraak
De Raad voor de rechtspraak (RvdR) heeft op 21 mei 2025 advies uitgebracht. De RvdR
heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het wetsvoorstel. De uitvoeringskosten voor
de rechtspraak zijn in totaal € 0,32 miljoen. Het gaat naar verwachting om 110 extra
(hoger)beroepszaken. Het grootste deel van de extra werklast is in 2027 en 2028. Na
deze periode is de extra werklast beperkt. De regeling is na ongeveer tien jaar uitgewerkt.
De uitvoeringskosten voor de rechtspraak worden gedekt uit het beschikbaar gestelde
budget van € 1,4 miljard.
6.4 Adviescollege toetsing regeldruk
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft op 9 april 2025 advies uitgebracht.
Het ATR heeft gekeken naar nut en noodzaak van het wetsvoorstel en naar mogelijkheden
voor minder belastende alternatieven. Ook heeft het ATR gekeken naar de werkbaarheid
van het wetsvoorstel en naar de (berekening van de) regeldruk. Het ATR heeft geen
opmerkingen met betrekking tot deze punten en adviseert het wetsvoorstel in te dienen.
7. Inwerkingtreding en communicatie
7.1 Inwerkingtreding
De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal worden geregeld bij koninklijk besluit,
met de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding, alsmede met de mogelijkheid om
terugwerkende kracht te verlenen aan de onderdelen die betrekking hebben op het bedrag
van de aanvullende tegemoetkoming en de indexering daarvan. Het streven is om dit
wetsvoorstel op 1 januari 2027 volledig in werking te laten treden.
7.2 Communicatie
De communicatie over dit wetsvoorstel verloopt (grotendeels) via DUO. DUO zal voorafgaand
aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel breed algemeen communiceren over de tegemoetkoming
en de aanvullende tegemoetkoming. De (oud-)studenten die bekend zijn bij DUO ontvangen
beschikkingen over de tegemoetkoming(en). Daarnaast zal DUO de bij de tegemoetkoming
gestarte informatiecampagne voortzetten om de (oud-)studenten te bereiken die niet
bij DUO bekend zijn. Deze (oud-)studenten hebben en houden speciale aandacht in de
communicatie, omdat zij zelf de tegemoetkoming moeten aanvragen. Wanneer zij de tegemoetkoming
toegekend krijgen, krijgen zij de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.
Deel II Artikelsgewijs
Artikel I
A
(Artikelen 11.6 en 11.7 WSF 2000)
In het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4.12, 4.13,
4.14, 5.2b, 5.15, 5.16, 12.30 en 12.31 WSF 2000 kan het nodig zijn om bijzondere persoonsgegevens
(gegevens over gezondheid) te verwerken. Met (de nieuwe) artikelen 11.6 en 11.7 wordt
voorzien in de wettelijke grondslag en waarborgen (bewaartermijnen en toegang na autorisatie)
voor de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens.
Zie met betrekking tot deze grondslag en waarborgen verder paragraaf 3.1.1 en 3.1.2
van het algemeen deel van de memorie van toelichting.
Daarbij wordt volledigheidshalve erop geattendeerd dat de waarborgen (waaronder dus
ook de bewaartermijnen) per de datum van inwerkingtreding niet alleen gelden voor
de gegevens over gezondheid die vanaf dat moment in het kader van de voorzieningen
als bedoeld in de artikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16, 12.30 en 12.31 WSF
2000 worden verwerkt bij DUO, maar ook voor alle gegevens over gezondheid die op dat
moment al in het kader van die voorzieningen zijn verwerkt bij DUO.
In aanvulling op wat over de bewaartermijnen in paragraaf 3.1.2 uiteen is gezet, volgt
hieronder een uitleg bij de verschillende leden van artikel 11.7.
Eerste en tweede lid
Op grond van het eerste lid worden gezondheidsgegevens, verwerkt in het kader van besluiten over voorzieningen
als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, in beginsel bewaard tot tien jaar nadat het
betrokken besluit is genomen.25 Als echter een termijn van vijf jaar na het eindigen van de rechten en verplichtingen
van de betrokkene op grond van de WSF 2000 verstrijkt vóórdat deze tienjaarstermijn
is verstreken, dan worden de gezondheidsgegevens op grond van het tweede lid korter bewaard. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als de betrokkene kort na het
besluit over de voorziening geen studiefinanciering meer ontvangt en geen studieschuld
(meer) heeft. In dat geval worden de gezondheidsgegevens op grond van het tweede lid
bewaard tot vijf jaar na het einde van de rechtsbetrekking. Deze kortere bewaartermijn
geldt, als een voorziening is toegekend, zowel voor het (enkele) gegeven dat de voorziening
is toegekend en gegevens over de rechtsgevolgen van het toekenningsbesluit (bijvoorbeeld
de duur van de verlenging van de diplomatermijn), als voor de overige gezondheidsgegevens
(bijvoorbeeld de aanvraag van de voorziening of de daarbij gevoegde verklaringen van
onderwijsinstellingen of artsen). Dit is conform de algemene bewaartermijn van vijf
jaar na het eindigen van de actieve relatie tussen betrokkene en DUO, die in de Generieke
selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is opgenomen.
Derde lid
Dit lid regelt dat enkele specifieke gezondheidsgegevens langer dan tien jaar na een
besluit tot toekenning van een voorziening worden bewaard, namelijk als de termijn
van vijf jaar na het eindigen van de rechten en verplichtingen van de betrokkene op
grond van de WSF 2000 verstrijkt nádat deze tienjaarstermijn is verstreken. Dit kan
zich bijvoorbeeld voordoen als de betrokkene nog gedurende een reeks van jaren verplichtingen
houdt vanwege een studieschuld. Deze langere bewaartermijn, die door het derde lid
wordt gesteld op vijf jaar na het einde van de rechtsbetrekking (conform bovengenoemde
selectielijst), geldt alleen voor het (enkele) gegeven dat de voorziening is toegekend
en gegevens over de rechtsgevolgen van het toekenningsbesluit, maar niet voor de overige
gezondheidsgegevens. Voor die gezondheidsgegevens blijft de bewaartermijn van tien
jaar gelden.
Vierde lid
Dit lid regelt dat wanneer een betrokkene overlijdt, en een termijn van twee jaar
na het overlijden van de betrokkene verstrijkt vóórdat de tienjaarstermijn uit het
eerste lid, de kortere termijn uit het tweede lid of de (voor de specifieke set gezondheidsgegevens
geldende) langere termijn uit het derde lid is verstreken, de gezondheidsgegevens
worden bewaard tot twee jaar na het overlijden (in afwijking van die andere termijn
of termijnen). Dit is conform de algemene bewaartermijn van twee jaar na overlijden,
die in eerdergenoemde selectielijst is opgenomen.
B
(Wijziging artikel 12.30 WSF 2000)
Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is artikel 12.30 toegevoegd aan
de WSF 2000. Daarmee is voorzien in de grondslag om een tegemoetkoming toe te kennen
aan (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd en die geen aanspraak
konden maken op een basisbeurs. Met de voorgestelde wijziging van artikel 12.30 wordt
voorzien in de grondslag om een aanvullende tegemoetkoming toe te kennen aan deze
(oud-)studenten. In deze toelichting worden deze tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming
samen de tegemoetkomingen genoemd. Deze tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming
staan los van de tegemoetkoming ter vervanging van de studievoorschotvoucher van artikel 12.15
WSF 2000.
Tweede lid
Met de voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 12.30 wordt de groep
(oud-)studenten die in aanmerking komt voor de tegemoetkomingen uitgebreid ten opzichte
van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs. Ook een (oud-)student die als
direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structurele aard niet in staat is
geweest binnen de diplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen
te behalen kan in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen (voorgesteld artikel 12.30,
tweede lid, onderdeel c, onder 2°) en ook een (oud-)student die op enig moment binnen
de diplomatermijn hoger onderwijs recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
(Wajong) kan daarvoor in aanmerking komen (voorgesteld artikel 12.30, tweede lid,
onderdeel c, onder 3°). De uitbreiding van de doelgroep geldt voor alle (oud-)studenten
ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd. Voor de (oud-)student
die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt niet de diplomatermijn hoger
onderwijs. Deze (oud-)student moet binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst
heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs voldoen aan de voorwaarden van het voorgestelde
artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° of 3°, om in aanmerking te komen
voor de tegemoetkomingen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van het huidige
artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c. De toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde
artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° en 3°, sluiten inhoudelijk aan bij
de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.16, derde lid, en 5.15 WSF 2000.
Derde lid
De diplomatermijn hoger onderwijs kan op grond van artikel 5.16, eerste en tweede
lid, WSF 2000 bij bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel structurele aard
worden verlengd met de duur van die omstandigheden tot en met maximaal vijftien jaar.
Als sprake is van een verlenging van de diplomatermijn hoger onderwijs werkt dit door
bij de toepassing van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30. Met het voorgestelde
nieuwe derde lid van artikel 12.30 wordt voor de (oud-)studenten die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd geregeld dat indien sprake is van bijzondere omstandigheden van
tijdelijke dan wel structurele aard de termijn van tien jaar in het (voorgestelde)
tweede lid van artikel 12.30 wordt verlengd met de duur van die omstandigheden tot
en met maximaal vijftien jaar. Indien de (oud-)student vervolgens binnen die verlengde
termijn voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde artikel 12.30,
tweede lid, onderdeel c, onder 1° (diploma gehaald), 2° (geen diploma gehaald door
bijzondere omstandigheden) of 3° (Wajong-uitkering), kan hij (alsnog) in aanmerking
komen voor de tegemoetkomingen. De toepassingsvoorwaarden van het voorgestelde nieuwe
derde lid van artikel 12.30 sluiten inhoudelijk aan bij de toepassingsvoorwaarden
van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000.
Vierde lid
Met het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 12.30 wordt geregeld dat voor (oud-)studenten
die op grond van artikel 5.16, vierde lid, WSF 2000 een nieuwe aanspraak op studiefinanciering
hebben ontvangen bij de toepassing van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30
alleen de periode van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering wordt betrokken. De
tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming zijn bedoeld als gebaar voor het hebben
moeten missen van een basisbeurs. Als de (oud-)student een nieuwe aanspraak op studiefinanciering
heeft ontvangen in de periode ná de leenstelselperiode heeft hij (alsnog) aanspraak
kunnen maken op een basisbeurs. Als de (oud-)student een nieuwe aanspraak op studiefinanciering
heeft ontvangen in de periode tijdens de leenstelselperiode kan hij voor die nieuwe
periode (alsnog) aanspraak maken op de tegemoetkomingen.
Vijfde lid
Met de voorgestelde wijziging van het vijfde lid (nu derde lid) van artikel 12.30
wordt de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming vastgesteld. Het gaat om een bedrag
per maand van € 44,50 (prijspeil 2026). Met de voorgestelde wijziging van het vijfde
lid (nu derde lid) van artikel 12.30 wordt de systematiek van de berekening van de
hoogte van de tegemoetkoming(en) niet gewijzigd.
Zesde lid
Met de voorgestelde wijziging van het zesde lid (nu vierde lid) van artikel 12.30
wordt geregeld dat deze afwijkingsbepaling alleen geldt voor de (oud-)studenten die
vallen onder voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 1°. Met deze
afwijkingsbepaling is (kort gezegd) geregeld dat (oud-)studenten die een opleiding
van korter dan vier jaar hebben afgerond, slechts voor de duur van die opleiding in
aanmerking komen voor de tegemoetkomingen. Deze afwijkingsbepaling is niet van toepassing
voor de (oud-)studenten die vallen onder voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c,
onder 2° of 3°. Deze (oud-)studenten hebben immers juist geen opleiding afgerond (onder
2°) of voor hen is voor het recht op tegemoetkoming niet relevant of zij wel of geen
opleiding hebben afgerond (onder 3°). Voor deze (oud-)studenten onder 2° of 3° wordt
voor de berekening van de hoogte van de tegemoetkomingen uitgegaan van maximaal het
aantal maanden waarin zij recht op prestatiebeurs hadden en/of, als zij geen studiefinanciering
hebben aangevraagd, dat hadden kunnen hebben als zij wel studiefinanciering zouden
hebben aangevraagd.
Achtste lid
Met de voorgestelde wijziging van het achtste lid (nu zesde lid) van artikel 12.30
wordt geregeld en geëxpliciteerd dat de bedragen van de tegemoetkomingen worden geïndexeerd
aan de hand van artikel 11.1, eerste lid, WSF 2000. Het is de bedoeling dat deze bedragen
jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de prijsontwikkelingen. Deze wijze van
indexering is van begin af beoogd geweest.26
Artikel II
Het streven is om dit wetsvoorstel op 1 januari 2027 volledig in werking te laten
treden. In verband met de voorgestelde uitbreiding van de doelgroep en de daarmee
samenhangende voorgestelde waarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens
kan het evenwel nodig blijken om onderdelen van het wetsvoorstel op een later moment
in werking te laten treden.
Dit artikel regelt daarom dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal worden
geregeld bij koninklijk besluit, met de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding.
In het wetsvoorstel wordt onder meer de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming vastgesteld.
Het gaat om een bedrag per maand van € 44,50 (prijspeil 2026). De wet regelt een jaarlijkse
indexering per 1 januari van de bedragen van de tegemoetkomingen om er zo voor te
zorgen dat de reële waarde van de tegemoetkomingen op peil blijft. De inwerkingtreding
van het wetsvoorstel is voorzien op 1 januari 2027, zodat normaal gesproken de indexering
van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming voor het eerst per 1 januari 2028
plaatsvindt. De indexering van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming per 1 januari
2027 wordt in dat geval gemist.
Dit artikel regelt daarom dat bij koninklijk besluit kan worden bepaald dat het vijfde
en achtste lid (nu derde en zesde lid) van artikel 12.30 na inwerkingtreding terugwerken
tot en met 1 september 2026. Dit zorgt ervoor dat de indexering van het bedrag van
de aanvullende tegemoetkoming per 1 januari 2027 niet wordt gemist.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.