Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Oosterhout over gaswinning op land
Vragen van het lid Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over gaswinning op land (ingezonden 5 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris De Bat (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 2 april
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het opinieartikel in het AD waarin de verschillende partijen in
Friesland van links tot rechts aangeven geen gaswinning in Friesland te willen?1 Wat is uw appreciatie van deze gezamenlijke oproep van de Friese partijen?
Antwoord 1
Ja. In het betreffende opinieartikel roepen partijen op om te stoppen met gaswinning
in veenweidegebied in Friesland.
Het kabinet heeft oog voor de effecten en zorgen van Friese partijen over gaswinning
in veenweidegebied en doet daarom in samenwerking met Friese medeoverheden onderzoek
naar de effecten van mijnbouw. Eerste onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om
nu te stoppen met gaswinning in veenweidegebieden2. Recent is in samenwerking met Friese medeoverheden een meerjarig vervolgonderzoek
gestart dat wordt uitgevoerd door TNO en Deltares. Dat onderzoek richt zich op de
directe en indirecte negatieve effecten van diepe en ondiepe bodemdaling in veenweidegebieden
in de provincie Friesland en daarna voor veenweidegebieden in heel Nederland. Uitkomsten
van deze en mogelijk ook toekomstige vervolgonderzoeken zullen te zijner tijd worden
meegenomen in de besluitvorming.
Zo lang er nog onvoldoende andere energiebronnen zijn en Nederland nog afhankelijk
is van aardgas voor het verwarmen van woningen, voor de industrie en om te koken of
te douchen, geniet winning uit kleine velden in eigen land de voorkeur, uiteraard
alleen daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden. Het kabinet blijft
in gesprek met Friese partijen over het gebruik van de diepe ondergrond en het realiseren
van de energietransitie.
Vraag 2
Welke lopende en potentiële projecten voor gaswinning op land zijn er momenteel gekend?
Kunt u per project aangeven wat de status van het project is (verkennend onderzoek,
vergunning aangevraagd, vergunning verleend, gaswinning in voorbereiding, gaswinning
reeds gaande enz.), wat de precieze locatie, wat de gemeente en provincie van de locatie
is? Kunt u per project, indien van toepassing, aangeven wat de verwachte startdatum
van effectieve gaswinning is, wat is de verwachte einddatum, hoeveel boorputten er
zijn of er worden verwacht, hoeveel kuub gas er reeds is gewonnen, hoeveel kuub gas
er naar verwachting nog gewonnen zal worden? Kunt u per project aangeven wat de verwachte
uitstoot van CO2, methaan en stikstof bij de winning en het gebruik van het aldus gewonnen gas (opgesplitst
in scope 1, scope 2 en scope 3) is? Kunt u deze elementen per gaswinningsproject weergeven
in een overzichtelijke tabel? Kunt u met de Kamer een kaart van Nederland delen met
daarop de locatie van de verschillende gaswinningsplannen aangegeven?
Antwoord 2
TNO is gevraagd om in kaart te brengen welke lopende projecten er op dit moment zijn.
Dit overzicht is als bijlage bijgevoegd. In het overzicht (in de vorm van een tabel)
is informatie opgenomen over de vergunde duur van de gaswinning, uit hoeveel putten
wordt gewonnen, hoeveel gas er reeds is gewonnen en hoeveel gas maximaal onder de
verleende vergunning gewonnen mag worden. Tevens zijn kaarten toegevoegd waarop de
ligging van de lopende gaswinningen op land is weergegeven, inclusief welke gemeente
het betreft. Gegevens over de gerealiseerde uitstoot worden door bedrijven per winningslocatie
bijgehouden en niet per gasveld (een gasveld kan meerdere winningslocaties hebben).
Uiteraard moet bij de uitvoering van de gaswinning worden voldaan aan de gestelde
wettelijke eisen.
In het geval een mijnbouwbedrijf een winningsvergunning heeft voor een bepaald gebied,
kunnen daarvoor winningsplannen worden ingediend. Voordat een besluit wordt genomen
over een nieuw winningsplan wordt eerst advies gevraagd aan TNO, SodM, de medeoverheden
en de mijnraad. Daarnaast kunnen huidige winningsplannen worden geactualiseerd of
kan een operator nieuwe putten aanvragen via een omgevingsvergunning. Ook daarvoor
geldt dat adviseurs worden geraadpleegd. In dit overzicht zijn alleen de putten opgenomen
die op dit moment ook daadwerkelijk zijn aangelegd. Het overzicht van TNO is dan ook
een momentopname. In bijlage II van het op 16 januari jl. vastgestelde Sectorakkoord
Land is een overzicht opgenomen van het door EBN verwachte potentiële volume per regio.
De EBN-analyse wordt jaarlijks geactualiseerd en gepubliceerd zodat er beter inzicht
komt in de planvorming en de lopende projecten rond de verantwoorde afbouw van gaswinning
op land.
Meer informatie over gaswinning in Nederland is te vinden op www.nlog.nl.
Vraag 3
Welke van deze projecten vallen binnen of grenzen aan een Veenweidegebied?
Antwoord 3
Met name in Friesland ligt een deel van de bestaande gaswinningen in veenweidegebied.
Uit onderzoek van Deltares blijkt dat de gasvelden in midden en zuid-Friesland (deels)
in veenweidegebied liggen.3 Ook buiten Friesland zijn veenweidegebieden. Het is niet uit te sluiten dat gasvelden
deels overlappen met deze gebieden.
Vraag 4
Wat zouden de juridische en financiële implicaties van een tijdelijke of permanente
stop op gaswinning zijn in specifieke, kwetsbare gebieden?
Antwoord 4
In de Mijnbouwwet zijn limitatieve gronden opgenomen die kunnen leiden tot het intrekken
of wijzigen van bestaande vergunningen, dan wel kunnen leiden tot het intrekken van
instemming met een winningsplan. Buiten deze gronden is nu geen intrekking of wijziging
mogelijk omdat een dergelijk besluit in strijd met de Mijnbouwwet en dus onrechtmatig
is. Daarnaast betekent dit een inbreuk op het eigendomsrecht van gaswinningsbedrijven.
Ten aanzien van de financiële implicaties kan gedacht worden aan schadevergoeding
aan gaswinningsbedrijven voor verlies van hun verwachte inkomsten en reeds gedane
investeringen die niet kunnen worden terugverdiend. Een andere financiële implicatie
van een stop is de afname van rijksinkomsten uit gasbaten. Ook de regio zal bij een
tijdelijke of een permanente stop minder batendeling ontvangen waarover in het kader
van de aanvullende afspraken, in het sectorakkoord gaswinning in de energietransitie,
voor gaswinning op land afspraken zijn gemaakt.
Ter volledigheid wil het kabinet benadrukken dat gaswinning alleen mogelijk is als
dit veilig en verantwoord kan. De huidige regelgeving biedt hiervoor het kader. Dat
geldt ook voor kwetsbare gebieden, zoals veenweidegebieden. Hierbij wordt niet alleen
gekeken naar het hier en nu maar zijn ook waarborgen opgenomen voor de nabije toekomst
(30 jaar na beëindiging van winning) waarop periodiek wordt gemonitord.
Vraag 5
Hoe zouden die juridische en financiële implicaties verschillen afhankelijk van de
status van het project, namelijk wanneer de winningsvergunning nog niet aangevraagd
is, wanneer de winningsvergunning nog niet verleend is, wanneer de vergunning reeds
verleend is, maar de winning nog niet gestart, en wanneer de winning reeds gestart
is?
Antwoord 5
De status van een project speelt mee in het bepalen van de omvang van de juridische
en financiële implicaties maar laat onverlet dat de overheid zou ingrijpen in bestaande
rechten van gaswinningsbedrijven en dat daar omvangrijke bedragen mee kunnen zijn
gemoeid.
Vraag 6
Hoe juridische bindend is het Sectorakkoord Gaswinning op Land, dat door een dubbeldemissionair
kabinet is afgesloten, voor de rijksoverheid?
Antwoord 6
Het coalitieakkoord 2026–2030 van het huidige kabinet zet in op het voortzetten van
alle bestaande sectorakkoorden en het op een verantwoorde manier vormgeven van de
afbouw van gaswinning op land met de sector4.
Onder een verantwoorde afbouw wordt verstaan een afbouw van de winning die gelijke
tred houdt met de daling van het binnenlandse gasverbruik. De daling van het binnenlands
gasverbruik wordt gestimuleerd door de energietransitie. De gaswinning daalt op dit
moment harder dan het binnenlandse gasverbruik waardoor de leveringszekerheid en de
importafhankelijkheid van Nederland worden geraakt. Zolang aardgas nodig is heeft
winning in eigen land, daar waar het veilig en verantwoord gewonnen kan worden, de
voorkeur boven import. Daarbij komt dat de uitstoot van broeikasgassen bij import
vrijwel altijd hoger is dan binnenlandse winning.
De aanvullende afspraken voor gaswinning op land maken deel uit van het op 23 april
jl. vastgestelde Sectorakkoord Gaswinning in de Energietransitie en zijn – net als
de gemaakte afspraken in dit generieke sectorakkoord – niet in rechte afdwingbaar
omdat het sectorakkoord geen overeenkomst is in de zin van het burgerlijk recht.
De gemaakte afspraken zijn extra’s bovenop de bestaande regelgeving. Met de gemaakte
aanvullende afspraken voor gaswinning op land beoogt het kabinet meer transparantie,
betrokkenheid en perspectief te bieden aan alle betrokkenen (zowel omgeving als sector)
rond gaswinning uit kleine velden op land zodat deze verantwoord kan worden afgebouwd
tijdens de transitieperiode.
Vraag 7
Welk percentage van de circa 50 miljard kuub gas dat technisch en economisch winbaar
is5, zal in de bodem blijven naar aanleiding van het in het Sectorakkoord afgesproken
Afbouwpad? Welk percentage van die 50 miljard kuub zal wel gewonnen worden?
Antwoord 7
Circa 60 procent van het aanwezige volume gas in de diepe ondergrond (in totaal circa
127 miljard kuub) zal naar verwachting niet worden ontwikkeld. Welk percentage van
het technisch en economisch winbaar gas (circa 50 miljard kuub) daadwerkelijk zal
worden gewonnen in de transitieperiode is op voorhand niet te zeggen. Uit de EBN-analyse
(in bijlage II bij de aanvullende afspraken voor gaswinning op land6) volgt dat circa 12 miljard kuub uit huidige producerende velden komt en circa 38
miljard kuub mogelijk ontwikkelbaar is. Dit laatste deel is mede afhankelijk van diverse
factoren zoals gasprijs, volume, beschikbare infrastructuur en investeringsklimaat.
Vraag 8
Wat zijn de te verwachten kosten voor de noodzakelijke aanpassingen van het watersysteem
en de structurele jaarlijkse kosten voor de waterschappen voor het uitvoeren van hun
(wettelijke) taken in de verschillende veenweidegebieden waar mogelijks gas gewonnen
zal worden? Hoe verschillen die kosten naarmate bepaalde gaswinningsprojecten wel
of niet doorgaan?
Antwoord 8
Deze vraag kan alleen door betrokken waterschappen worden beantwoord en is casus specifiek.
Daarbij is het van belang om te realiseren dat bodemdaling in veenweidegebieden uiteenlopende
oorzaken kan hebben waarbij gaswinning een bescheiden bijdrage kent; het is daarom
belangrijk om alle oorzaken in ogenschouw te nemen.
Gaswinning in veenweidegebieden is een actueel onderwerp van gesprek tussen betrokken
partijen in de Commissie Bodemdaling Aardgaswinning Fryslan (CBAF). Ook wordt daar
in gezamenlijkheid onderzoek naar gedaan. Zo is naast in het antwoord op vraag 1 vermelde
onderzoek ook door het Wetterskip samen met de CBAF recent een onderzoek gestart om
in beeld te brengen hoe de compensatie van de negatieve gevolgen van bodemdaling door
onder meer aardgaswinning in veenweidegebied «De Hegewarren» kan worden opgepakt.
Het gaat daarbij om een verkenning naar alternatieven voor schadebepaling en -herstel.
De uitkomsten hiervan zullen te zijner tijd meegenomen worden in de verdere besluitvorming.
Vraag 9
Wat zijn de sociale gevolgen van de gaswinning voor de bewoners en bedrijven in en
grenzend aan de veenweidegebieden? Worden deze gevolgen ook meegenomen in de verschillende
onderzoeken die plaatsvinden naar de gevolgen van gaswinning? Zo nee, bent u bereid
deze gevolgen alsnog in beeld te brengen?
Antwoord 9
De sociale gevolgen van gaswinning zijn tot nu toe met name onderzocht voor de gaswinning
in Groningen (kennisplatform leefbaar en kansrijk Groningen). Sinds 2025 is ook een
Sociale Effectenpanel Mijnbouw (SEM) geïnstalleerd als onderdeel van het Kennisprogramma
Effecten Mijnbouw (KEM) om onderzoek te doen naar de maatschappelijke gevolgen van
activiteiten in de diepe ondergrond7.
Het SEM panel richt zich specifiek op de effecten op het welbevinden van personen
en sociale structuren in de samenleving. De eerste onderzoeken starten dit jaar en
betreffen onderzoeken naar alle activiteiten in de diepe ondergrond. Als hieruit blijkt
dat veenweide vraagt om aparte onderzoeken naar sociale gevolgen van activiteiten
in de diepe ondergrond dan kan dat later worden opgepakt.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.