Schriftelijke vragen : TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers
Vragen van het lid Patijn (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers (ingezonden 1 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de
zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van
de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever
ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak
kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese
Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Vraag 3
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn,
dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij
een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling
valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Vraag 4
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde
werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel
van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent
u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake
ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten
van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde
werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 6
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare
constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking
van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Vraag 7
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede
Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid
verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden
hebben dan direct aangestelde collega’s?
Vraag 8
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende
onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties
hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse
naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Indieners
-
Gericht aan
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Indiener
Mariëtte Patijn, Kamerlid