Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Raijer over het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over 'brede welvaart' te vergroten'
Vragen van het lid Raijer (PVV) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over «brede welvaart» te vergroten» (ingezonden 18 maart 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 1 april
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool
Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna
40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart»,
sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Antwoord 1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking
aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In
het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch
domein volgt.
Vraag 2
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen
wordt doorgedrukt?
Antwoord 2
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces
in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk
voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus
van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd
door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar
aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld
en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe
maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf.
Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt
en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces
van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels
van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding)
onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij
de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Vraag 3
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen
aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke
waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen,
banen creëren en economische groei realiseren?
Antwoord 3
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen,
banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief
leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen,
zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien
van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van
onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan
de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag
een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation
betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie
van OCW voor dit doel.
Vraag 4
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s
waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart»,
duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 4
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken,
waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt
als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders
van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover
via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke
projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vraag 5
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op
niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker
dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en
ondernemerschap?
Antwoord 5
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed
aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke
vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende
perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit
van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels
van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding)
onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij
de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het
hoger onderwijs.
Vraag 6
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten
te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven
moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Antwoord 6
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Vraag 7
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten
opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische
theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen
dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 5.
Vraag 8
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen
binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat
studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Antwoord 8
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger
onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij
en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken
vanuit verschillende perspectieven.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.