Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boomsma over samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)
Vragen van het lid Boomsma (JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) (ingezonden 9 maart 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 31 maart
2026).
Vraag 1
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese
Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Antwoord 1
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal
Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat
de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+
programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical
Sciences (TUMS).
Vraag 2
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er
Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm
samenwerken met TUMS?
Antwoord 2
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap
Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader
van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege
januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment
nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor
het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen
daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Vraag 3
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het
sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie
Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en
sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Antwoord 3
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties.
In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met
gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen
specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke
goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese
Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting
dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische
bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de
rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van
hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting
op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij
het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie
specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld
om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart
te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Vraag 4
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden
van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University
behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
Antwoord 4
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over
één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van
onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke
samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid
van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren.
Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten
betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd
(Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Vraag 5
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen
in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten
met TUMS?
Antwoord 5
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij
het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking
met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en
het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt.
Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden
zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Vraag 6
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van
deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Antwoord 6
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Vraag 7
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek
moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober
2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Antwoord 7
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld
naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit
Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen
en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human
Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma
werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over
institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over
de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun
internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid
van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met
de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking
tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling
waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale
waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale
samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft
gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Vraag 8
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun
samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd
hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking
met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om
welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Antwoord 8
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Vraag 9
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren
of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen
door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig
en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Antwoord 9
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming
van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van
institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen
van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen
hier zorgvuldig mee omgaan.
Vraag 10
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger
onderwijs?
Antwoord 10
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Vraag 11
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof.
dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website
van TUMS?
Antwoord 11
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding
niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof.
Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform
de afronding van het project.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.