Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Grinwis over terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag
Vragen van het lid Grinwis (ChristenUnie) aan de Staatssecretaris van Financiën over terugvorderingen van de kinderopvangtoeslag (ingezonden 11 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën), mede namens de Minister van Werk
en Participatie (ontvangen 30 maart 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «gemeente Groningen breidt pilot met gratis
kinderopvang uit: veel ouders durven zich niet aan te melden of weten niet hoe»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het signaal uit dit artikel dat ouders terughoudend zijn om gebruik te maken
van kinderopvangvoorzieningen, onder meer uit angst voor financiële risico’s en mogelijke
terugvorderingen van kinderopvangtoeslag?
Antwoord 2
Het signaal dat ouders terughoudend zijn in het aanvragen van kinderopvangvoorzieningen
uit angst voor terugvorderingen wordt herkend. Dit is helaas een uitwerking van de
vormgeving van het toeslagenstelsel. De voorschotsystematiek brengt met zich mee dat
er terugvorderingen kunnen ontstaan. Dit komt voor wanneer achteraf blijkt dat gegevens
in de toeslagaanvraag niet kloppen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin
het voorschotinkomen afwijkt van het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen
of dat niet wordt voldaan aan de arbeidseis. Deze problematiek is een bevestiging
dat het toeslagenstelsel beter kan worden vormgegeven. Het kabinet gaat hiermee aan
de slag en werkt onder meer aan een wetsvoorstel voor een nieuw financieringsstelsel.
Hierbij wordt de kinderopvangtoeslag vervangen door een subsidiestelsel met directe
financiering van kinderopvangorganisaties waardoor er geen terugvorderingen meer mogelijk
zijn.
Het niet-gebruik van de kinderopvangtoeslag is geschat op 3,4%.2 In 2024 is toeslagen breed een strategie opgesteld om niet-gebruik tegen te gaan,
die bestaat uit publiekscampagnes en voor sommige toeslagen individuele attenderingen.
Daarnaast worden activiteiten uitgevoerd om terugvorderingen te voorkomen om zo het
vertrouwen van burgers te vergroten en het niet-gebruik te verminderen. Er is een
succesvolle pilot afgerond die ziet op het muteren van het aantal uren opvang waarvoor
de toeslag is aangevraagd. Hierbij wordt de aanvraag ambtshalve gemuteerd wanneer
uit betrouwbare gegevens van de kinderopvangorganisatie blijkt dat het aantal door
de ouder opgegeven uren niet klopt. De evaluatie van deze pilot laat een positief
beeld zien en de Dienst Toeslagen werkt aan een vervolg op deze pilot.3
Indien mensen niet voldoen aan de arbeidseis kunnen zij worden doorverwezen naar gemeenten
voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Ouders die niet voldoen aan de arbeidseis,
maar waarbij sprake is van sociaal-medische problematiek kunnen zo toch via individueel
maatwerk een vergoeding voor kinderopvang ontvangen. Gemeenten hebben vrijheid om
beleidsmatige invulling te geven aan SMI.
Vraag 3
Klopt het dat huishoudens bij het aanvragen van kinderopvangtoeslag moeten aangeven
dat zij voldoen aan de arbeidseis, terwijl controle hierop vaak pas achteraf plaatsvindt?
Antwoord 3
Bij een aanvraag kinderopvangtoeslag dient de aanvrager aan te geven of wordt voldaan
aan de arbeidseis. Bij het recht op kinderopvangtoeslag is het verrichten van betaald
werk voorwaardelijk, dat geldt voor zowel aanvrager als een eventuele toeslagpartner.
Bij een aanvraag voor kinderopvangtoeslag wordt vooraf uitgevraagd of sprake is van
betaald werk of dat de ouder aangemerkt kan worden als doelgroeper. Als doelgroeper
wordt aangemerkt een ouder die een traject gericht op arbeidsinschakeling volgt, een
inburgeringstraject volgt of studeert. Ook bestaat er recht op kinderopvangtoeslag
als de toeslagpartner in bepaalde gevallen niet kan werken, zoals bij een tijdelijke
of permanente Wlz-indicatie.
Controle op de arbeidseis vindt in de regel achteraf plaats bij het definitief toekennen
van de toeslag. Op dat moment wordt gecontroleerd of sprake is van betaalde arbeid
of dat de aanvrager (of toeslagpartner) kan worden aangemerkt als doelgroeper. Daarnaast
geldt dat in sommige gevallen ook in de voorschotfase op de arbeidseis wordt gecontroleerd.
Dat gebeurt wanneer een aanvraag uitvalt voor handmatige behandeling. Bij zo’n handmatige
behandeling wordt ook gecontroleerd op de arbeidseis.
Daarnaast zijn in de afgelopen jaren binnen het Verbetertraject Kinderopvangtoeslag
door Dienst Toeslagen, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het
Ministerie van Financiën stappen gezet om de terugvorderingsproblematiek rond de arbeidseis
aan te pakken. Als onderdeel van dit verbetertraject is bijvoorbeeld vroegsignalering
ingevoerd. Ouders worden gestimuleerd en ondersteund bij het tijdig doorgeven van
wijzigingen in hun toeslagaanvraag. Aandacht is daarbij ook voor de arbeidseis. Op
basis van gegevens van UWV, DUO en BIDN4 ontvangen ouders een attendering indien zij niet voldoen aan de arbeidseis of niet
tot een doelgroep behoren. Zo werden in 2024 ongeveer 1.000 ouders geattendeerd op
het niet voldoen aan de arbeidseis en ongeveer 2.700 ouders over de doelgroepstatus.
Een deel van de ouders kwam naar aanleiding van deze attendering in actie en voerde
een wijziging door in de gegevens.5 Daarmee werden terugvorderingen voorkomen. Tegelijkertijd bleek ook dat niet alle
ouders in actie kwamen na een attendering. Het kabinet blijft de komende jaren inzetten
op het verbeteren van ondersteuning van ouders bij het actueel houden van hun gegevens.6
Vraag 4
Deelt u de zorg dat wanneer achteraf blijkt dat niet aan de arbeidseis is voldaan,
dit kan leiden tot forse terugvorderingen, die gezinnen in financiële problemen kunnen
brengen?
Antwoord 4
De zorg dat terugvorderingen van kinderopvangtoeslag die zien op de arbeidseis grote
financiële gevolgen kunnen hebben wordt gedeeld. De arbeidseis is namelijk een alles-of-niets
voorwaarde. Daarnaast zijn de voorschotbedragen van de kinderopvangtoeslag hoger dan
bij de andere toeslagen. Op het moment dat achteraf blijkt dat één van de toeslagpartners
niet voldoet aan de arbeidseis moet het gehele toeslagbedrag worden teruggevorderd.
Over een heel jaar kan dat om tienduizenden euro’s gaan.
Dienst Toeslagen biedt betalingsregelingen aan wanneer de terugvordering niet in één
keer kan worden voldaan, waarna een 24-maanden terugbetaalperiode start. Als dat niet
mogelijk is, biedt Dienst Toeslagen ook persoonlijke begeleiding aan. Mensen met hoge
terugvorderingen worden daarbij door Dienst Toeslagen langdurig geholpen met een betalingsregeling
en een vast aanspreekpunt. De burger wordt daarnaast aan de voorkant zo goed mogelijk
geïnformeerd over de vereiste van arbeid, zodat mensen niet onterecht een aanvraag
doen.
In het voorstel voor het nieuwe financieringsstelsel voor de kinderopvang is de arbeidseis
zo vormgegeven dat terugvorderingen als gevolg van de arbeidseis niet meer voorkomen.
Als er iets wijzigt in de situatie van ouders heeft dat in het nieuwe financieringsstelsel
altijd alleen «naar de toekomst toe» gevolgen voor hun recht op gesubsidieerde kinderopvang.
Dit betekent bijvoorbeeld dat als een ouder niet meer voldoet aan de arbeidseis, de
subsidie die aan de houder van het
kindercentrum of het gastouderbureau wordt uitbetaald alleen vanaf een datum in de
toekomst stopgezet zal worden. De al ontvangen subsidie hoeft in deze situatie niet
terugbetaald te worden.7
Vraag 5, 6 en 7
Kunt u aangeven hoeveel terugvorderingen van kinderopvangtoeslag er per jaar zijn
geweest vanwege het niet voldoen aan de arbeidseis sinds de invoering van deze eis,
uitgesplitst naar het jaar waarin gebruik is gemaakt van de kinderopvang?
Kunt u daarbij inzicht geven in de totale omvang van deze terugvorderingen per jaar?
Kunt u tevens inzicht geven in de verdeling van de hoogte van deze terugvorderingen
door in elk geval per jaar het gemiddelde, het minimum, het maximum en de standaarddeviatie
van de teruggevorderde bedragen te verstrekken?
Antwoord 5, 6 en 7
In tabel 1 treft u de gevraagde cijfers over de terugvordering van kinderopvangtoeslag
waarbij (onvoldoende) arbeidseis een aanleiding is geweest. Hierbij zijn een paar
opmerkingen te maken. Sinds de invoering van de kinderopvangtoeslag is er sprake van
een arbeidseis. In 2012 is daar de koppeling aan het aantal gewerkte uren (kgu) aan
toegevoegd, waardoor het aantal gewerkte uren van invloed was op het aantal uren waarvoor
aanspraak gemaakt kon worden op kinderopvangtoeslag. In 2023 is deze kgu weer afgeschaft.
De reden voor het afschaffen was om ervoor te zorgen dat ouders beter hun gewenste
urengebruik kunnen realiseren, waardoor zij effectiever worden ondersteund en gestimuleerd
om (meer uren) te gaan werken. Het zorgde tegelijkertijd voor een vereenvoudiging
van de systematiek voor ouders. In tabel 1 zijn vanaf 2012 de gevraagd cijfers weergegeven
van terugvorderingen die ontstaan zijn als gevolg van het niet voldoen aan beide criteria.8 Voor wat betreft de gevraagde minimale terugvordering en standaarddeviatie is in
tabel 2 een verdeling naar vijf klassen weergegeven van de jaarlijkse terugvorderingen
om inzicht te geven in de hoogte en spreiding.
Uit de cijfers blijkt dat het bij terugvorderingen voor de arbeidseis in de praktijk
om (zeer) hoge bedragen kan gaan. In 2024 was de gemiddelde terugvordering als gevolg
van de arbeidseis bijvoorbeeld € 6.772. De maximale terugvordering betrof bijna € 53.000.
Deze cijfers tonen de soms harde uitwerking van de voorschotsystematiek van de kinderopvangtoeslag.
Vooral bij financieel kwetsbare ouders heeft dit veel impact op het leven. Zoals in
het antwoord op vraag 4 aangegeven kunnen ze naast de standaardbetalingsregeling van
24 maanden ook in aanmerking komen voor maatwerk. De omvang van deze terugvorderingen
benadrukt het belang van het herzien van het financieringsstelsel voor de kinderopvang.
Het kabinet blijft daarom vol inzetten op een eenvoudiger stelsel voor ouders, met
meer (financiële) zekerheid waarin terugvorderingen niet meer voorkomen. In de jaren
in aanloop naar dit nieuwe stelsel wordt ingezet op vroegsignalering (zie hiervoor
ook het antwoord op vraag 3) en een betere dienstverlening aan ouders om hoge terugvordering
zoveel mogelijk te voorkomen.
Tabel 1 Terugvorderingen a.g.v. arbeidseis/urencriterium kinderopvangtoeslag 2012–2024
Toeslagjaar
Aantal terugvorderingen
Bedrag (€ mln)
Maximaal bedrag (€)
Gemiddeld bedrag (€)
2012
1.161
5,2
28.218
4.479
2013
2.563
8,9
32.553
3.472
2014
3.320
9,9
34.177
2.982
2015
10.380
18,8
32.509
1.811
2016
6.745
12,9
27.499
1.913
2017
1.978
4,9
29.205
2.477
2018
1.179
2,6
20.876
2.205
2019
454
1,5
21.066
3.304
2020
413
1,8
61.581
4.358
2021
345
1,5
31.100
4.348
2022
809
6
64.876
7.417
2023
541
3,8
67.877
7.024
2024
443
3
52.699
6.772
Tabel 2 Verdeling terugvorderingen a.g.v. arbeidseis/urencriterium kinderopvangtoeslag
2012–2024
Toeslagjaar
Totaal
Minder dan € 100
€ 101–€ 500
€ 501–€ 1.000
€ 1.001–€ 5.000
Meer dan € 5.000
2012
1.161
11
61
91
638
360
2013
2.563
38
309
349
1.256
611
2014
3.320
57
447
554
1.693
569
2015
10.380
439
2.410
2.132
4.605
794
2016
6.745
186
1.571
1.447
2.952
589
2017
1.978
29
267
294
1.176
212
2018
1.179
26
271
241
490
151
2019
454
7
52
73
230
92
2020
413
8
58
47
177
123
2021
345
2
45
37
158
103
2022
809
8
51
67
252
431
2023
541
9
39
47
195
251
2024
443
6
48
48
143
198
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.