Amendement (gewijzigd/nader/vervangend) : Gewijzigd amendement van het lid Boomsma c.s. ter vervanging van nr. 33 over een expliciete uitzonderingsgrond voor het onderzoeken van persoonlijke gegevensdragers van vreemdelingen
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 60
GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID BOOMSMA C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER
NR. 33
Ontvangen 30 maart 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
Artikel I, onderdeel AS, wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor «In het eerste lid» wordt de onderdeelsaanduiding «1.» geplaatst.
2. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:
2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de eerste zin wordt na «zijn bagage» ingevoegd «en andere zaken van deze persoon».
b. Na de eerste zin wordt een zin ingevoegd, luidende: Deze bevoegdheid kan tevens worden
gebruikt om vast te stellen of de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van
herkomst en voor onderzoek indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ten aanzien
van de vreemdeling sprake is van het gebruik van routes die gebruikt worden voor mensenhandel
of mensensmokkel of betrokkenheid hierbij, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is
voor en in een redelijke verhouding staat tot het doel om vast te stellen of die aanwijzingen
kloppen.
3. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:
4. De gegevens die worden verzameld bij het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, mogen slechts gebruikt worden voor het onderzoek naar het land van herkomst
en het gebruik van of betrokkenheid bij die routes. Indien deze gegevens niet meer
nodig zijn voor het doel waar ze voor zijn verzameld, worden deze verwijderd, tenzij
er sprake is van noodzaak deze gegevens te bewaren indien uit dat onderzoek blijkt
dat er strafbare feiten zijn begaan waarvoor het langer bewaren van de gegevens noodzakelijk
is.
5. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op persoonsgegevens waaruit
iemands godsdienst of levensovertuiging, ras of etnische afkomst, politieke gezindheid,
gezondheid, seksuele leven of geaardheid of lidmaatschap van een vakvereniging blijkt,
kan slechts plaatsvinden als dit onvermijdelijk is voor een van de doelen in het tweede
lid.
6. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald hoe de ambtenaren bedoeld in het
tweede en derde lid waarborgen dat het onderzoek van gegevensdragers geen grotere
inbreuk maakt op het privéleven van de vreemdeling dan noodzakelijk is voor de in
die leden genoemde doelen. De ambtenaren motiveren schriftelijk wat de concrete aanwijzingen
zijn en op welke wijze de afweging naar de noodzaak van de inbreuk in het concrete
geval heeft plaatsgevonden.
7. De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
II
Aan artikel I, onderdeel AV, worden twee onderdelen toegevoegd:
3. Het achtste lid wordt als volgt gewijzigd:
a. In de tekst wordt «alsmede zaken» vervangen door «alsmede diens bagage en andere
zaken».
b. Er wordt een zin toegevoegd, luidende: Deze bevoegdheid kan tevens worden gebruikt
om vast te stellen of de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst
en voor onderzoek indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ten aanzien van de vreemdeling
sprake is van het gebruik van routes die gebruikt worden voor mensenhandel of mensensmokkel
of betrokkenheid hierbij, voor zover dat onderzoek noodzakelijk is voor en in een
redelijke verhouding staat tot het doel om vast te stellen of die aanwijzingen kloppen.
4. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:
9. De gegevens die worden verzameld bij het gebruik van de bevoegdheid, bedoeld in het
eerste lid, mogen slechts gebruikt worden voor het onderzoek naar het land van herkomst
en het gebruik van of betrokkenheid bij die routes. Indien deze gegevens niet meer
nodig zijn voor het doel waar ze voor zijn verzameld, worden deze verwijderd, tenzij
er sprake is van noodzaak deze gegevens te bewaren indien uit dat onderzoek blijkt
dat er strafbare feiten zijn begaan waarvoor het langer bewaren van de gegevens noodzakelijk
is.
10. De verwerking van persoonsgegevens die betrekking hebben op persoonsgegevens waaruit
iemands godsdienst of levensovertuiging, ras of etnische afkomst, politieke gezindheid,
gezondheid, seksuele leven of geaardheid of lidmaatschap van een vakvereniging blijkt,
kan slechts plaatsvinden als dit onvermijdelijk is voor een van de doelen in het tweede
lid.
11. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald hoe de ambtenaren bedoeld in het
achtste lid waarborgen dat het onderzoek van gegevensdragers geen grotere inbreuk
maakt op het privéleven van de vreemdeling dan noodzakelijk is voor de in die leden
genoemde doelen. De ambtenaren motiveren schriftelijk wat de concrete aanwijzingen
zijn en op welke wijze de afweging naar de noodzaak van de inbreuk in het concrete
geval heeft plaatsgevonden.
12. De voordracht voor een krachtens het elfde lid vast te stellen algemene maatregel
van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers
der Staten-Generaal is overgelegd.
Toelichting
Dit amendement heeft twee doelen. Ten eerste wordt een expliciete en beperkte uitzonderingsgrond
gecreëerd om in individuele zaken gegevensdragers van vreemdelingen te kunnen onderzoeken
met het oog op het in kaart brengen en bestrijden van routes voor mensensmokkel en
mensenhandel, wanneer daar concrete aanwijzingen voor zijn. Ten tweede wordt de bestaande
bevoegdheid om gegevensdragers te onderzoeken beter benut voor een feitelijke verificatie
van verklaringen over herkomst en doorreis, waaronder de vraag of de vreemdeling afkomstig
is uit een veilig land van herkomst.
De voorgestelde verduidelijking sluit aan bij ontwikkelingen in andere Europese landen
met vergelijkbare of strengere privacykaders. In Duitsland is in 2017 in artikel 15a
Asylgesetz vastgelegd dat het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge gegevens van
digitale dragers mag uitlezen ter vaststelling van identiteit en reisroute, indien
andere identificatiemethoden niet volstaan. In Denemarken is in de Udlændingeloven
geregeld dat de politie digitale gegevensdragers, in dit geval zelfs zonder toestemming
van de betrokkene, mag onderzoeken ten behoeve van de vaststelling van identiteit
en reisroute, binnen hetzelfde AVG-kader als in Nederland. In Zweden en Noorwegen
bestaan vergelijkbare bevoegdheden, in Zweden doorgaans met een eenvoudig te verkrijgen
rechterlijk bevel en in Noorwegen onder toezicht van de nationale gegevensbeschermingsautoriteit.
In Italië zijn vergelijkbare regels opgenomen in ministeriële decreten met een vergelijkbare
status als het Nederlandse vreemdelingenbesluit. Met dit amendement brengen de indieners
de Nederlandse regeling op een vergelijkbaar, maar duidelijker begrensd niveau, met
expliciete doelbinding en waarborgen die aansluiten bij de uitspraken van de Afdeling.
De indieners achten het van groot belang dat de Nederlandse autoriteiten over een
heldere en juridisch houdbare basis beschikken om in concrete dossiers zicht te krijgen
op de gebruikte smokkelroutes en op de juistheid van verklaringen over reisroute en
herkomst. Deze informatie is noodzakelijk om misbruik van de asielprocedure tegen
te gaan, mensensmokkelnetwerken te doorbreken en het beleid ten aanzien van veilige
landen en doorreislanden effectief te kunnen uitvoeren. Tegelijkertijd moet elke inbreuk
op de persoonlijke levenssfeer van de vreemdeling strikt doelgebonden, noodzakelijk
en proportioneel zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken van
3 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1387) en 22 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:132) geoordeeld
dat de huidige bepalingen in de Vreemdelingenwet 2000 over het onderzoeken van «zaken»
van vreemdelingen, zowel in artikel 55 als in artikel 59, wel een begin van een grondslag
bieden voor het zonder toestemming onderzoeken van bijvoorbeeld mobiele telefoons,
maar dat deze grondslag onvoldoende duidelijk en nauwkeurig is en te weinig bescherming
biedt tegen willekeur. Zo is in de wet niet vastgelegd in welke omstandigheden en
onder welke voorwaarden een telefoon mag worden onderzocht, ontbreekt een expliciete
doelbinding en wordt niet voorgeschreven dat in het individuele geval een schriftelijke
motivering wordt gegeven, waardoor rechterlijke toetsing wordt bemoeilijkt.
Met dit amendement worden de bepalingen in artikel 55 en 59 langs vier lijnen verduidelijkt
en aangescherpt.
Ten eerste wordt expliciet gemaakt dat de bevoegdheid zich uitstrekt tot de bagage
en andere zaken van de vreemdeling, waaronder in de praktijk persoonsgegevens dragende
apparatuur zoals mobiele telefoons en laptops. Daarmee wordt aangesloten bij de wetsgeschiedenis,
waarin al is aangegeven dat mobiele telefoons onder het begrip «zaken» vallen, maar
wordt dit nu in de wettekst zelf vastgelegd.
Ten tweede wordt de doelbinding van de bevoegdheid concreet gemaakt. In de gewijzigde
leden van artikel 55 en 59 wordt uitdrukkelijk bepaald dat de bevoegdheid mede kan
worden gebruikt om vast te stellen of de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land
van herkomst en voor onderzoek indien er concrete aanwijzingen zijn dat er ten aanzien
van de vreemdeling sprake is van het gebruik van routes die worden benut voor mensenhandel
of mensensmokkel, dan wel van betrokkenheid daarbij, voor zover dat onderzoek noodzakelijk
is voor en in een redelijke verhouding staat tot het doel om vast te stellen of die
aanwijzingen kloppen. Het gaat daarmee om een uitzonderingsgrond, gericht op de twee
omschreven doelen in individuele zaken; verificatie van herkomst en doorreis en het
verifiëren van concrete aanwijzingen over smokkelroutes of betrokkenheid daarbij,
en niet om een generieke of statistische gegevensverzameling. De nieuwe leden leggen
daarbij vast dat de gegevens die via deze bevoegdheid worden verzameld uitsluitend
mogen worden gebruikt voor deze doelen en, zodra zij daarvoor niet meer nodig zijn,
worden verwijderd, behoudens de situatie waarin uit het onderzoek blijkt dat er strafbare
feiten zijn begaan waarvoor het noodzakelijk is de gegevens langer te bewaren.
Ten derde wordt rekening gehouden met het feit dat het onderzoeken van gegevensdragers
kan leiden tot de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de
zin van artikel 9 AVG, bijvoorbeeld gegevens over religieuze overtuiging, gezondheid
of politieke opvattingen. In de nieuwe leden wordt daarom bepaald dat verwerking van
dergelijke bijzondere persoonsgegevens slechts kan plaatsvinden indien dit onvermijdelijk
is voor de in het tweede lid genoemde doelen. De bevoegdheid wordt beperkt tot gevallen
waarin sprake is van concrete aanwijzingen in het individuele dossier en wordt slechts
gehanteerd voor zwaarwegende algemene belangen zoals omschreven in 3b. De daarbij
voorgeschreven strikte doelbinding, noodzakelijkheidstoets, beperkte bewaartermijnen
en specifieke procedurele waarborgen waarborgen dat de wezenlijke inhoud van het recht
op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en dat passende en specifieke
maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele
belangen van de betrokkenen, in lijn met artikel 9, tweede lid, onder g, AVG.
Ten vierde wordt de noodzakelijkheidstoets en rechterlijke controleerbaarheid versterkt.
In de nieuwe leden
wordt vastgelegd dat het onderzoek aan gegevensdragers geen grotere inbreuk mag maken
op het privéleven van de vreemdeling dan noodzakelijk voor de in de wet genoemde doelen,
en dat ambtenaren schriftelijk motiveren wat de concrete aanwijzingen zijn en op welke
wijze de afweging naar de noodzaak en proportionaliteit van de inbreuk in het individuele
geval heeft plaatsgevonden. Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld hoe
ambtenaren deze toets uitvoeren en welke procedurele en organisatorische waarborgen
daarbij gelden. De formulering van het doel in de wet, het vaststellen of de vreemdeling
afkomstig is uit een veilig land van herkomst en het verifiëren van concrete aanwijzingen
dat gebruik is gemaakt van smokkelroutes of sprake is van betrokkenheid bij mensensmokkel,
is daarbij bewust gekozen om de scope te beperken tot verificatie van concrete aanwijzingen
in individuele dossiers, zoals de Afdeling vereist.
De indieners zijn van oordeel dat met deze aanpassingen een heldere en begrensde wettelijke
grondslag ontstaat waarmee enerzijds effectiever kan worden opgetreden tegen mensensmokkel
en misbruik van de asielprocedure, en anderzijds de persoonlijke levenssfeer en gegevensbescherming
van de vreemdeling beter worden beschermd dan onder het huidige, door de Afdeling
bekritiseerde kader.
Boomsma Ceulemans D. van Dijk
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Diederik Boomsma, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Simon Ceulemans, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Diederik van Dijk, Tweede Kamerlid