Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden El Abassi en Van Baarle over mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel.
Vragen van de leden El Abassi en Van Baarle (beiden DENK) aan de Minister voor Asiel en Migratie over mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel (ingezonden 4 februari 2026).
Antwoord van Minister Van den Brink (Asiel en Migratie) (ontvangen 27 maart 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1208
Vraag 1
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend,
mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Antwoord 1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers
dat dit vernederend is.
Vraag 2
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker
naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag,
melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Antwoord 2
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn
de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever
heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA
zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies
en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Vraag 3
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop
wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video
onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden
worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken.
Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke
meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze
zich onprettig of onveilig voelen.
Vraag 4
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die
werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht
u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Antwoord 4
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere
beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling
en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in
strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak.
Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef
van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties
mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van
de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond
van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of
omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou
zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst
en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Vraag 5
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door
beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar
bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Antwoord 5
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel
of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag
op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel
van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker
te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie
van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster
te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding
te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan
op de locatie Budel aan te verbeteren.
Vraag 6 en 7
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken
in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening
door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel
in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover
worden geïnformeerd?
Antwoord 6 en 7
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust
is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor
essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties
mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels
en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in
relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van
een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef.
Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie
tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden
zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom
raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te
dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie.
Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk
onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder
is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.