Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Huidekooper en De Hoop over het artikel ‘Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking’
Vragen van de leden Huidekooper (D66) en De Hoop (Groenlinks-PvdA) aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het artikel «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een beperking». (ingezonden 25 februari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 13 maart
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Veel bushaltes niet toegankelijk voor mensen met een
beperking»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Herkent u het beeld dat uit het onderzoek van RTV Oost – op basis van gegevens van
DOVA – naar voren komt dat zes op de tien bushaltes niet of nauwelijks toegankelijk
zijn voor mensen met een visuele beperking en minder dan de helft voor mensen die
afhankelijk zijn van een rolstoel? Zo ja, wat is uw reactie daarop? Zo nee, wat zijn
de cijfers die bij uw ministerie bekend zijn?
Antwoord 2
Ja, het Ministerie van IenW maakt net als RTV Oost gebruik van cijfers van het samenwerkingsverband
van decentrale ov-autoriteiten DOVA voor het monitoren van de toegankelijkheid van
het openbaar vervoer waaronder de toegankelijkheid van haltes. Het is belangrijk dat
het openbaar vervoer in Nederland voor iedereen toegankelijk is, toegankelijke bushaltes
zijn hier een onderdeel van. Samen met de decentrale ov-autoriteiten, vervoerders,
wegbeheerders, en andere betrokken partijen werkt IenW hieraan.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het juist voor mensen met een beperking, die vaak in grotere
mate afhankelijk zijn van het openbaar vervoer omdat ze geen of weinig alternatieven
hebben, extra ingrijpend is wanneer bushaltes onvoldoende toegankelijk zijn?
Antwoord 3
Ja, juist voor mensen met een beperking kan het extra ingrijpend zijn wanneer bushaltes
onvoldoende toegankelijk zijn.
Vraag 4
Deelt u de mening dat het tegen die achtergrond onacceptabel is dat nog altijd zoveel
bushaltes niet voldoen aan basale toegankelijkheidseisen?
Antwoord 4
Zoals gezegd is het belangrijk dat het openbaar vervoer in Nederland voor iedereen
toegankelijk is. Voor het verder toegankelijk maken van de tienduizenden bus- en tramhaltes
in Nederland staan wegbeheerders (veelal gemeenten) en decentrale ov-autoriteiten
(provincies en vervoerregio’s) aan de lat. In het Bestuursakkoord Toegankelijkheid
Openbaar Vervoer 2022–2032 is opnieuw het belang van toegankelijke haltes onderkend
en zijn er afspraken over gemaakt.2 De decentrale ov-autoriteiten bekijken in overleg met wegbeheerders in welk tempo
en met welke prioritering bestaande haltes toegankelijk gemaakt kunnen worden, gegeven
de daarvoor beschikbare middelen.Onderzocht is dat het verder toegankelijk maken van
bushaltes circa € 670 miljoen kost.3 Dit maakt het een lange termijnopgave. De inzet van het Bestuursakkoord is dat wegbeheerders,
om kosten te besparen, haltes toegankelijk maken wanneer er groot onderhoud of reconstructie
aan de weg plaatsvindt, dit is gemiddeld iedere 25 jaar. Dit betekent dat rond 2047
alle bus- en tramhaltes toegankelijk zouden zijn.
Vraag 5
Hoe verhoudt het argument van gemeenten dat zij bushaltes niet toegankelijker maken
omdat het aantal gebruikers beperkt zou zijn, zich tot de verplichtingen die voortvloeien
uit het door Nederland geratificeerde VN-verdrag inzake de rechten van personen met
een handicap, waarin is vastgelegd dat mensen met een beperking gelijkwaardige en
vrije toegang tot vervoer moeten hebben, ongeacht het aantal gebruikers?
Antwoord 5
Het College voor de Rechten van de Mens heeft in de monitorrapportage «Reizen in het
dagelijks leven» duidelijk weergegeven dat algemene voorzieningen voor eenieder toegankelijk
moeten zijn.4 Het VN-verdrag verplicht overheden om maatregelen te nemen zodat mensen met een beperking
op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de maatschappij. Hierbij geldt dat de
maatregelen geen onevenredige of onredelijke belasting mogen vormen voor de aanbieder,
maar de drempel is hoog. Dat het aantal gebruikers van een halte beperkt zou zijn,
is op zichzelf geen argument om niet te werken aan het verder toegankelijk maken van
haltes.
Vraag 6
Gemeenten zijn veelal verantwoordelijk voor haltes, maar het Rijk is systeemverantwoordelijk
voor toegankelijk openbaar vervoer. Hoe geeft u invulling aan die systeemverantwoordelijkheid
wanneer blijkt dat de voortgang landelijk tekortschiet?
Antwoord 6
In lijn met de afspraken in het Bestuursakkoord hebben de decentrale ov-autoriteiten
in 2024 uitvoeringsprogramma’s opgesteld waarin zij aangeven hoe zij uitvoering geven
aan afspraken uit het akkoord. Het toegankelijk maken van haltes vormt hier een belangrijk
onderdeel in. Het Rijk heeft € 28 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van
de programma’s. De decentrale ov-autoriteiten actualiseren de uitvoeringsprogramma’s
iedere vier jaar. IenW bewaakt de voortgang van de afspraken in het Bestuursakkoord,
waaronder het verder toegankelijk maken van bushaltes, en bespreekt het periodiek
met de decentrale ov-autoriteiten.
In het Bestuursakkoord is verder afgesproken dat het Rijk als systeemverantwoordelijke
wegbeheerders stimuleert en motiveert om meer haltes toegankelijk te maken door kennisdeling
te bevorderen, goede voorbeelden te delen en de samenhang te bevorderen met andere
verbeteringen van toegankelijkheid in het fysieke domein.
Er vindt regelmatig overleg plaats tussen de betrokken partijen om concessie-overstijgende
thema’s rondom toegankelijkheid in het OV te bespreken. De overleggen vinden plaats
op beleids-, directie-, en bestuursniveau, onder andere in het Nationaal Openbaar
Vervoer Beraad (NOVB).
Vraag 7
Hoe wordt voorkomen dat, om aan de opgave te voldoen, bushaltes simpelweg worden opgeheven
door vervoerders?
Antwoord 7
De decentrale ov-autoriteiten streven naast toegankelijkheid ook bereikbaarheid na.
Er zijn geen aanwijzingen dat er bushaltes worden opgeheven om toegankelijkheidsdoelstellingen
te halen, ook het samenwerkingsverband van decentrale ov-autoriteiten DOVA herkent
dit niet.
Vraag 8
Wat gaat u doen om de grote regionale verschillen aan te pakken, zodat de vrijheid
om te reizen niet afhankelijk is van de regio of van de specifieke gemeente waar iemand
woont?
Antwoord 8
Alle decentrale ov-autoriteiten hebben het Bestuursakkoord ondertekend en daarmee
het belang van het verder toegankelijk maken van haltes onderkend. We werken dus allemaal
aan hetzelfde doel. Tot dat doel bereikt is kunnen er echter regionale verschillen
zijn doordat de uitgangssituatie per regio verschilt en de decentrale ov-autoriteiten
in overleg met wegbeheerders per regio bekijken in welk tempo en met welke prioritering
haltes verder toegankelijk gemaakt kunnen worden. Zie verder de beantwoording vraag
6 over wat het Rijk doet om het verder toegankelijk maken van haltes te stimuleren.
Vraag 9
Hoe verklaart u dat in 2026 nog steeds haltes worden aangelegd of gerenoveerd zonder
volledige toegankelijkheid als uitgangspunt?
Antwoord 9
In het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is bepaald dat alle nieuwe,
vernieuwde en verbeterde haltes toegankelijk opgeleverd moeten worden. Er kunnen regionale
omstandigheden zijn waardoor een bushalte niet direct volledig toegankelijk gemaakt
kan worden zoals beperkte fysieke ruimte in dichtbebouwde gebieden of ligging van
haltes op dijken of andere complexe locaties. De decentrale ov-autoriteiten overleggen
hierover met wegbeheerders en informeren hen zo goed mogelijk over de geldende en
afgesproken toegankelijkheidseisen. IenW bespreekt de voortgang van het verder toegankelijk
maken van de bushaltes periodiek met de decentrale ov-autoriteiten als onderdeel van
ons gesprek over de voortgang op de afspraken van het Bestuursakkoord.
Vraag 10
Bent u bereid vast te leggen dat toegankelijkheid voortaan een harde voorwaarde is
bij nieuwe aanleg en herinrichting?
Antwoord 10
In het Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer is al vastgelegd dat alle
nieuwe, vernieuwde en verbeterde haltes toegankelijk opgeleverd moeten worden.
Vraag 11
Bent u bereid samen met provincies en gemeenten een versnellingsplan op te stellen
om uiterlijk vóór 2030 substantiële voortgang te realiseren, en de Kamer daarover
jaarlijks te rapporteren?
Antwoord 11
Zoals gezegd zet IenW zich samen met alle betrokken partijen onverminderd in voor
de uitvoering van de afspraken in het Bestuursakkoord, binnen de daarvoor beschikbare
budgettaire middelen. Over de voortgang hiervan wordt uw Kamer periodiek geïnformeerd.
Bij het verschijnen van de Staat van het openbaar vervoer later dit jaar zal uw Kamer ook geïnformeerd worden over specifiek de voortgang op
het verder toegankelijk maken van bus- en tramhaltes.
Ondertekenaars
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.