Schriftelijke vragen : De berichten dat kwetsbare vrouwen hun kind afstaan en de rol van instanties bij afstandsprocedures
Vragen van de leden Straatman en Tijs van den Brink (beiden CDA) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Werk en Participatie over de berichten dat kwetsbare vrouwen hun kind afstaan en de rol van instanties bij afstandsprocedures (ingezonden 12 maart 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de artikelen «Arbeidsmigrant Jagoda stond haar eerste kind
af. «We hadden zelfs geen geld voor luiers»» en «Afstandsmoeders boos over druk op
arbeidsmigranten om baby af te staan: «Hebben ze dan niets geleerd van het verleden?»»1,
2
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de in dit artikel beschreven situatie waarin een arbeidsmigrant na
verlies van werk en huisvesting tijdens haar zwangerschap uiteindelijk haar kind heeft
afgestaan voor adoptie? Hoe reflecteert u op de reactie van afstandsmoeders die grote
parallellen zien in de behandeling van arbeidsmigranten door Fiom en de Raad voor
de Kinderbescherming en hun eigen situatie?
Vraag 3
Klopt het dat vrouwen die overwegen hun kind af te staan in het kader van de procedure,
een document moeten ondertekenen dat in de praktijk bekendstaat als een afstandsverklaring
of een vergelijkbaar document dat de procedure richting afstand en adoptie in gang
zet?
Vraag 4
Wat is het beleid van Fiom rondom afstandsverklaringen? Kunt u in kaart brengen hoe
vaak in de afgelopen 5 jaren via afstandsverklaringen afstand is gedaan van een kind?
Wat is de juridische status en betekenis van een dergelijke verklaring of document
binnen de huidige adoptieprocedure?
Vraag 5
Bent u het ermee eens dat zonder wettelijke basis geen gebruik zou moeten worden gemaakt
van afstandsverklaringen?
Vraag 6
Op welke wijze wordt aan vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, duidelijk
gemaakt dat dit document geen onherroepelijke afstand van hun kind betekent en dat
zij op hun beslissing kunnen terugkomen?
Vraag 7
Hoe wordt gecontroleerd of vrouwen die een dergelijk document ondertekenen, daadwerkelijk
begrijpen wat zij ondertekenen, met name wanneer sprake is van taalbarrières, een
kwetsbare sociaaleconomische positie of afhankelijkheid van anderen?
Vraag 8
Hoe verhoudt het gebruik van een dergelijke verklaring zich tot de bevindingen van
eerdere onderzoeken naar afstand en adoptiepraktijken, waarin is vastgesteld dat verklaringen
die vrouwen in het verleden ondertekenden, geen zelfstandige rechtsgeldigheid hadden,
maar wel de indruk konden wekken dat afstand juridisch onherroepelijk was?
Vraag 9
Hoe beoordeelt u signalen van belangenorganisaties van afstandsmoeders en afgestane
kinderen dat vrouwen ook nu nog de indruk kunnen krijgen dat zij juridisch afstand
doen van hun kind wanneer zij een dergelijk document ondertekenen?
Vraag 10
Welke rol speelt Fiom bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te
staan en welke verantwoordelijkheid draagt deze organisatie bij het informeren van
vrouwen over de juridische betekenis van documenten die zij ondertekenen?
Vraag 11
Bent u het ermee eens dat uitgangspunt van het familierecht behoud van de familierechtelijke
betrekkingen tussen moeder en kind is en dat Fiom een cruciale rol speelt om onbedoeld
zwangere vrouwen te beschermen tegen externe druk tot verbreking van die familierechtelijke
betrekkingen?
Vraag 12
Indien het antwoord op de vorige vraag positief is, hoe beoordeelt u de pagina op
de website van Fiom, getiteld: «Arbeidsmigrant en ongewenst zwanger»? Bent u het ermee
eens dat de daarin door Fiom beschreven opties niet bijdragen aan behoud van familierechtelijke
betrekkingen?
Vraag 13
Wat gaat u doen om te voorkomen dat onbedoeld zwangere arbeidsmigranten geen reële
keuzevrijheid ervaren en tegen hun wil afstand doen?
Vraag 14
Welke rol speelt de Raad voor de Kinderbescherming bij de procedure wanneer vrouwen
overwegen hun kind af te staan en op welke wijze wordt daarbij getoetst of de keuze
van de moeder vrij en weloverwogen tot stand komt?
Vraag 15
In hoeverre wordt bij de begeleiding van vrouwen die overwegen hun kind af te staan,
expliciet gekeken naar hun sociaaleconomische omstandigheden, zoals verlies van werk,
inkomen of huisvesting tijdens zwangerschap?
Vraag 16
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het aanstaande commissiedebat over personen-
en familierecht op 16 april 2026?
Indieners
-
Gericht aan
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie -
Gericht aan
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Gericht aan
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Jeltje Straatman, Kamerlid -
Medeindiener
Tijs van den Brink, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.