Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 7 NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 13 maart 2026
Aan artikel IX van het voorstel van wet worden vier artikelleden toegevoegd, luidende:
6. Op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
van de Vreemdelingenwet 2000 ingediend voor 12 juni 2026, blijven de voorschriften
gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 zoals die wet luidde op het moment
van inwerkingtreding van artikel I, van toepassing, voor wat betreft voorschriften
die betrekking hebben op:
a. rechtmatig verblijf tijdens de procedure,
b. afdoeningsgronden,
c. beslistermijnen,
d. rechtsgevolgen van de afwijzing,
e. beroepstermijnen,
f.schorsende werking van het beroep;
g. toetsingswijze in beroep; en
h. termijnen waarbinnen uitspraak wordt gedaan op beroep.
7. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot intrekking van
de internationale bescherming indien het onderzoek met het oog op de intrekking van
de internationale bescherming is begonnen voor 12 juni 2026.
8. Een op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldige verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de wet wordt op dat tijdstip van
rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze wet, waarbij de
geldigheidsduur van de verblijfstitel als bedoeld in artikel 9, tweede lid van de
Vreemdelingenwet 2000 verstrijkt op het moment dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd zou zijn verlopen.
9. Bij ministeriële regeling kunnen de in het zesde lid bedoelde voorschriften nader
worden benoemd.
Toelichting
De nota van wijziging stelt buiten twijfel dat op asielaanvragen van voor 12 juni
2026 ten aanzien van de procedure het oude recht van toepassing blijft, met uitzondering
van nationale voorschriften die voor 12 juni 2026 aan de procedure werden gesteld,
maar niet dwingend uit de Procedurerichtlijn voortvloeiden en met ingang van die datum
worden gewijzigd.
In de memorie van toelichting wordt uitgelegd dat en waarom het van groot belang is
dat het nieuwe recht niet alleen van toepassing wordt op nieuwe asielaanvragen die
worden ingediend na de inwerkingtreding van deze wet en nieuwe rechtsverhoudingen
die ontstaan na de inwerkingtreding van deze wet, maar ook op lopende procedures voor
de behandeling van asielaanvragen en andere rechtsverhoudingen die ten tijde van de
inwerkingtreding van de daarop toepasselijke onderdelen van de wet nog niet zijn afgerond.1 Om die reden zal het onderhavige wetsvoorstel onmiddellijke werking hebben. De regering
heeft er bewust voor gekozen niet te wachten met de invoering van een tweestatusstelsel,
de aanscherping van de voorwaarden voor nareis, het afschaffen van de voornemen- en
zienswijzeprocedure in de asielprocedure en de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde
tijd, het verkorten van de geldigheidsduur van de asielvergunning van vijf naar drie
jaar en de efficiëntere behandeling van (herhaalde) asielaanvragen. Deze keus is gemaakt
omdat het Nederlandse asielsysteem in de huidige vorm onhoudbaar is.
Het is echter goed voor ogen te houden dat de Procedureverordening niet van toepassing
is op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend voor 12 juni 2026,
zo volgt uit artikel 79, derde lid Procedureverordening. Zoals eerder aangegeven2 interpreteert de regering artikel 79, derde lid, van de Procedureverordening zo dat
onverplichte nationale procedureregels die niet voortvloeien uit de Procedurerichtlijn
ook voor verzoeken die zijn ingediend voor 12 juni 2026, kunnen worden gewijzigd omdat
dit voor die datum ook mogelijk was. Voor het overige moeten lopende procedures gelet
op deze bepaling echter worden afgerond met toepassing van het nationale recht dat
een implementatie vormt van de Procedurerichtlijn. Om mogelijke onzekerheid daarover
weg te nemen wordt met deze nota van wijziging duidelijk gemaakt dat op verzoeken
ingediend voor 12 juni 2026 en op besluiten tot intrekking van de internationale bescherming
indien het onderzoek met het oog op de intrekking van de internationale bescherming
is begonnen voor 12 juni 2026, de voorschriften die betrekking hebben op de in het
zesde lid genoemde onderwerpen van toepassing blijven gelden.
Het gaat in ieder geval om: artikel 8 omtrent rechtmatig verblijf tijdens de procedure,
de in de artikelen 30a, 30b, 30c en 31 beschreven afdoeningsgronden, artikel 37 dat
voorziet in het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van regels,
de in de artikelen 42, 43 en 43a bepaalde beslistermijnen, de in artikel 45 beschreven
rechtsgevolgen van de afwijzing, de in artikel 69 bepaalde beroepstermijnen, de in
artikel 82 geregelde schorsende werking van beroep, het in artikel 83a geregelde volledig
en ex nunc onderzoek en de in artikel 83b bepaalde termijnen waarbinnen uitspraak
wordt gedaan op beroep).
Om de mogelijkheid open te houden om op een later moment te voorzien in een specifiekere
aanduiding van de voorschriften die van toepassing blijven – waarbij het ook kan gaan
om voorschriften genoemd in het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen –
heeft de regering in het voorgestelde negende lid een mogelijkheid opgenomen om bij
ministeriële regeling deze voorschriften nader te benoemen. De omvang van het overgangsrecht
wordt dus door het voorgestelde aanvullende zesde en zevende lid bepaald en in zoverre
is aanwijzing van specifieke voorschriften niet nodig, maar in de toekomst mogelijk
wel gewenst.
Om buiten twijfel te stellen dat de beoordeling van de verlenging van de geldigheidsduur
van een op het tijdstip van inwerkingtreding van de wet geldige verblijfsvergunning
voor bepaalde tijd asiel, kan plaatsvinden op grond van de nieuwe regels is in een
nieuw achtste lid voorts toegevoegd dat deze verblijfsvergunning op dat tijdstip van
rechtswege wordt aangemerkt als een verblijfsvergunning op grond van deze gewijzigde
wet. De (resterende) geldigheidsduur van de verblijfvergunning voor bepaalde tijd
asiel bepaalt de geldigheidsduur van de daarmee verbonden verblijfstitel als bedoeld
in artikel 9, tweede en derde lid van de Vreemdelingenwet 2000, ook indien deze meer
dan drie jaar bedraagt. De verblijfsdocumenten als bedoeld in artikel 9 van de Wet
die reeds voor 12 juni 2026 zijn uitgereikt blijven daarmee dus ook na 12 juni 2026
geldig. Eerst met het verstrijken van de geldigheidsduur worden vreemdelingen in het
bezit gesteld van een nieuwe verblijfstitel, welke een geldigheidsduur zal hebben
van ten hoogste drie jaar.
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.