Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kostic en en Hollander over het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd
Vragen van de leden Kostić (PvdD) en Den Hollander (VVD) aan de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland niet mogen worden gefokt, maar wel nog worden geïmporteerd (ingezonden 29 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Erkens (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur)
(ontvangen 9 maart 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 1156.
Vraag 1
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2021 een motie van de Partij voor de Dieren (PvdD),
VVD en CDA heeft aangenomen (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 64) waarmee de regering wordt verzocht om te onderzoeken hoe de handel in en import
van doorgefokte gezelschapsdieren, zoals dieren met extreem korte snuiten, verboden
kan worden?
Antwoord 1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Vraag 2
Bent u ermee bekend dat de Kamer in 2024 opnieuw een motie heeft aangenomen, ditmaal
van de PVV en PvdD (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36), waarmee de regering wordt verzocht om een handel- en houdverbod in te stellen voor
dieren die niet mogen worden gefokt in Nederland?
Antwoord 2
Ja, deze motie is aangenomen met de interpretatie dat het houdverbod voor katten met
vouworen en naaktkatten kan worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken
die bij elk individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed
handhaafbaar (Begrotingsbehandeling LVVN 2025, 17 oktober 2024, Vergaderjaar 2024–2025,
nr. 15, item 8).
Vraag 3
Erkent u dat honden en katten met schadelijke uiterlijke kenmerken, zoals extreme
kortsnuitigheid, hun hele leven lang vermijdbaar en ondraaglijk lijden, zoals ook
opnieuw wordt bevestigd in de recente uitzending van EenVandaag?1
Antwoord 3
Ja, dit erken ik.
Vraag 4
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman dat circa 60 procent
van het werk van dierenartsen te maken heeft met genetische of uiterlijke rasgebonden
kenmerken, en dat dit dierenleed grotendeels voorkomen had kunnen worden als deze
dieren niet zo waren doorgefokt? Onderschrijft u deze uitspraak? Wat vindt u hiervan?2
Antwoord 4
Ja, ik heb kennisgenomen van de uitspraak van dierenarts Hofman. Ik kan deze uitspraak
zelf niet onderschrijven vanwege het ontbreken van verifieerbare cijfers, maar uiteraard
vind ik dat dierenleed daar waar mogelijk voorkomen moet worden. Hier ligt dus een
grote verantwoordelijkheid voor fokkers.
Vraag 5
Bent u ervan bewust dat schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder kortsnuitigheid,
extreem kleine lichaamsbouw, kaalheid en afwijkingen aan de staart, gepaard gaan met
verhoogde dierenartskosten gedurende het hele leven van deze dieren?
Antwoord 5
Ik ben me ervan bewust dat dieren met schadelijke uiterlijke kenmerken in veel gevallen
meer (specialistische) diergeneeskundige zorg nodig hebben dan dieren zonder deze
kenmerken. Daarom worden mensen hier op gewezen, onder andere met de campagne «Zo
schattig dat het pijn doet»3.
Vraag 6
Deelt u de analyse dat een houd- en handelsverbod voor honden en katten die in Nederland
niet mogen worden gefokt, kan leiden tot een substantiële daling van dierenartskosten
voor eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Een houd- en handelsverbod kan alleen worden opgesteld voor kenmerken die bij elk
individueel dier met dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken én die goed onderbouwd
en goed handhaafbaar zijn. Een houd- en handelsverbod kan dus lang niet alle erfelijke
ziekten en afwijkingen omvatten. Ik verwacht dat een houd- en handelsverbod bij kan
dragen aan een daling van dierenartskosten, omdat het voorkomt dat mensen dieren met
die kenmerken aanschaffen. Het risico op hoge dierenartskosten wordt echter pas echt
verkleind wanneer mensen kiezen voor een verantwoord gefokte hond of kat. Om mensen
te helpen om de juiste keuze te maken en om verantwoorde fokkerij te stimuleren, ontvangen
het Landelijk Informatiecentrum Gezelschapsdieren (LICG), Stichting Fairdog en het
Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde (EGD) van de Universiteit Utrecht subsidie.
Daarnaast is het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt
geborgd dat er met gezonde honden gefokt wordt, de zogenaamde fokscreening. Ik verwacht
binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel uitvoert te ontvangen.
Deze resultaten zullen gedeeld worden met de Kamer.
Vraag 7
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat honden en katten die in Nederland
niet meer mogen worden gefokt, wel nog steeds vanuit het buitenland naar Nederland
worden geïmporteerd? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 7
Die mening deel ik, deze dieren mogen in Nederland niet meer worden gefokt omdat hun
welzijn en integriteit onnodig worden aangetast. Ik vind dat mensen hier een grote
verantwoordelijkheid hebben om voor een gezond dier, zonder schadelijke kenmerken
te kiezen. Met de campagne «Zo schattig dat het pijn doet»4 worden mensen bewust gemaakt van de gevolgen van schadelijke kenmerken bij gezelschapsdieren
én worden mensen geholpen om de juiste keuze te maken voor een gezond huisdier van
een betrouwbare fokker. Voor kenmerken die bij elk individueel dier met dat kenmerk
ernstig lijden veroorzaken, en waarvoor een houdverbod goed kan worden onderbouwd
en goed handhaafbaar is, voer ik een houdverbod in. Ik ben dan ook blij dat het houdverbod
voor katten met vouworen en voor naaktkatten op 1 januari 2026 in werking is getreden
en dat het Expertisecentrum Genetica Diergeneeskunde onderzoek doet naar de schedelontwikkeling
van kortsnuitige puppy’s5. Aan de hand van de resultaten van de risico-inventarisatie van het Bureau Risicobeoordeling
& onderzoek (Buro) van de NVWA zal ik kijken voor welke aanvullende schadelijke uiterlijke
kenmerken bij honden en katten een houdverbod ingevoerd kan en moet worden.
Daarnaast ziet het er naar uit dat vaststelling van de EU-verordening welzijn en traceerbaarheid
van honden en katten nabij is. Deze toekomstige verordening bevat verboden ten aanzien
van het fokken met en tentoonstellen van honden en katten met (nog nader aan te wijzen)
schadelijke kenmerken. Ook mogen honden en katten uit derde landen onder deze verordening
alleen binnen de EU worden verhandeld wanneer ze zijn gefokt en gehouden volgens voorwaarden
die overeenkomen met de voorschriften uit de EU-verordening.
Vraag 8
Kunt u aangeven wat de reden is voor het door u aangekondigde aanvullende onderzoek
naar pups van kortsnuitige honden? Deelt u de mening dat dit onderzoek niet moet leiden
tot uitstel van het houd- en handelsverbod met ten minste twee tot drie jaar, waardoor
vermijdbaar dierenleed van deze talloze (geïmporteerde) honden voortduurt? Zo nee,
waarom niet?6
Antwoord 8
Zoals in de verzamelbrief welzijn dieren buiten de veehouderij – overig (Kamerstuk
28 286, nr. 1397) en in de Kamerbrief van 28 januari 2026 (Kamerstuk 28 286, nr. 1416) is aangegeven is een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden ingewikkeld. Dit
komt omdat niet alle kortsnuitige honden lijden als gevolg van deze kenmerken én omdat
er momenteel geen kenmerk is waaraan extreem kortsnuitige honden jonger dan 1 jaar
oud aan herkend kunnen worden. Het onderzoek dat het EGD doet naar de voorspellende
waarde van uiterlijke- en DNA-kenmerken bij kortsnuitige pups beoogt dit kennishiaat
op te vullen. Er is dus zeker geen sprake van uitstel, maar een noodzakelijk onderzoek
om een houdverbod voor extreem kortsnuitige honden te kunnen realiseren. Een houdverbod
kan immers alleen worden opgesteld voor een kenmerk dat bij elk individueel dier met
dat kenmerk ernstig lijden veroorzaken, op iedere leeftijd objectief vast te stellen
is én die goed onderbouwd en goed handhaafbaar is. Het onderzoek is in december 2025
gestart en zal twee jaar duren. Deze tijd is nodig omdat de puppy’s die nu worden
geworven over een jaar weer moeten worden opgemeten, waarna de data geanalyseerd kan
worden. Ik verwacht de resultaten van het onderzoek in het eerste kwartaal van 2028,
die ik dan direct met de Tweede Kamer zal delen. Als uit het onderzoek blijkt dat
er een of meerdere geschikte kenmerken zijn waarop een houdverbod kan worden gebaseerd,
zal hiervoor een houdverbod worden ingevoerd.
Vraag 9
Hoe kijkt u aan tegen een handelsverbod waarbij bij de import van pups verplicht meetformulieren
van de ouderdieren moeten worden overlegd, zodat alleen pups worden geïmporteerd waarvan
beide ouderdieren aantoonbaar voldoen aan de geldende fokcriteria conform de Nederlandse
wetgeving? Heeft u deze optie onderzocht? Zo ja, kunt u de inzichten hierover naar
de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Deze optie is onderzocht. Het meetformulier voor kortsnuitige honden is echter alleen
in Nederland bekend. Het meetformulier is bovendien geen officieel document en de
reu is vrijwel nooit aanwezig bij de pups. Dit laat zeer veel ruimte voor misleiding
door fokkers en handelaren. Het is voor een koper of importeur niet betrouwbaar na
te gaan of beide ouderdieren voldoen aan de fokcriteria conform de Nederlandse wetgeving.
De conclusie is dan ook dat het echt noodzakelijk is om aan de hand van de pup zelf
te kunnen vaststellen of het dier geïmporteerd mag worden of niet.
Een handelsverbod is bovendien niet de meest geschikte optie om de aanschaf van gezelschapsdieren
met schadelijke kenmerken tegen te gaan. Voor een rechtmatige beperking van het vrij
verkeer van goederen moet vanuit het EU-recht worden voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid,
geschiktheid en proportionaliteit. Een handelsverbod is zeer moeilijk handhaafbaar
vanwege de open grenzen binnen de EU en omdat veel kenmerken niet eenvoudig vast te
stellen zijn (Kamerbrief van 14 april 2022, Kamerstuk 28 286, nr. 1255). Dit maakt dat er kan worden getwijfeld aan de geschiktheid van een handelsverbod
voor doorgefokte gezelschapsdieren. Daarom is ervoor gekozen om een houdverbod voor
katten met vouworen en naaktkatten in te voeren. Dit verbod kan goed worden onderbouwd
en is goed handhaafbaar, omdat deze kenmerken bij ieder individueel dier voor lijden
zorgen, op iedere leeftijd objectief vast te stellen zijn en omdat er enkel hoeft
te worden vastgesteld dat het dier gehouden wordt. Zoals eerder aangegeven kan het
houdverbod worden uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk
individueel dier ernstig lijden veroorzaken, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar.
Vraag 10
Bent u bereid om vooruitlopend op bredere regelgeving een houd- en handelsverbod in
te stellen voor schadelijke uiterlijke kenmerken die wel al zichtbaar zijn op een
leeftijd van circa 7 tot 15 weken, zoals kaalheid bij honden, extreem korte poten
of afwezigheid van een functionele staart, gezien de grote gevolgen van deze kenmerken
voor het welzijn en de levenskwaliteit van de dieren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Zoals in de interpretatie van de motie Graus en Kostić (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 36) is aangegeven kan het houdverbod, mits goed onderbouwd en goed handhaafbaar, worden
uitgebreid naar andere gezelschapsdieren met kenmerken die bij elk individueel dier
ernstig lijden veroorzaken. Voor de benodigde onderbouwing wacht ik op de resultaten
van de risico-inventarisatie die het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek (Buro) van
de NVWA uitvoert. Aan de hand hiervan kan worden bepaald welke kenmerken nog meer
in aanmerking komen voor een houdverbod, of voor maatregelen ten aanzien van de fokkerij
en deelname aan wedstrijden, tentoonstellingen en keuringen. Hierbij is het van belang
dat een houdverbod alleen kan worden ingevoerd voor kenmerken die objectief bij het
individuele dier vast te stellen zijn en waarvan voldoende wetenschappelijk onderbouwd
kan worden dat ieder dier met dat kenmerk hieronder lijdt.
Vraag 11
Klopt het dat het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA een onderzoek heeft
uitgevoerd naar welke uiterlijke kenmerken lijden veroorzaken bij individuele dieren
(Kamerstuk 28 286, nr. 1324 en Kamerstuk 28 286, nr. 1397)? Wanneer gaat u dit onderzoek naar de Kamer sturen, aangezien eerder werd aangegeven
dat dit eind 2024 en vervolgens na de zomer van 2025 zou gebeuren?
Antwoord 11
Het Bureau Risicobeoordeling & onderzoek van de NVWA legt momenteel de laatste hand
aan de risico-inventarisatie van schadelijke uiterlijke kenmerken bij honden en katten.
Helaas duurt het onderzoek langer dan voorzien. Zodra het definitieve rapport is opgeleverd,
zal dit met de Kamer gedeeld worden.
Vraag 12
Kunt u aangeven wat de status is van de invulling van artikel 3.4 van het Besluit
houders van dieren in de context van overige schadelijke uiterlijke kenmerken, waaronder
criteria voor kortsnuitige katten, lichaamsformaat, (onwenselijke) staartlengte en
ontbrekende haarbedekking?
Antwoord 12
Ik vind het uiteraard belangrijk dat dieren gezond gefokt worden en niet lijden onder
schadelijke erfelijke kenmerken en erfelijke ziekten. Ik ben dan ook blij dat er een
beleidsregel voor het fokken met kortsnuitige honden is. Het is echter niet doenlijk
om voor alle kenmerken en ziektes een dergelijke beleidsregel te maken. Daarom is
het EGD gevraagd om een voorstel te maken voor een systeem waarin wordt geborgd dat
er met gezonde honden gefokt wordt. Er is eerst ingezet op het ontwikkelen van een
systeem voor honden, wanneer dit succesvol is zal verder worden gekeken naar een systeem
voor katten. Ik verwacht binnenkort de resultaten van de pilot die het EGD momenteel
uitvoert te ontvangen. Deze resultaten zal ik delen met de Kamer.
Vraag 13
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 13
Ja.
Ondertekenaars
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.