Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Boomsma en Nanninga over het ‘Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie’ van Regioplan en de Universiteit Utrecht en het rapport ‘Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving’ (2025) van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (2026)
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht en het rapport «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» (2025) van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (2026) (ingezonden 18 februari 2026).
Antwoord van Minister Aartsen (Werk en Participatie) (ontvangen 9 maart 2026).
Vraag 1
Overwegende dat het onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) is
gefinancierd door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de ISN Academie,
een onderdeel van de Islamitische Stichting Nederland (ISN), de Nederlandse tak van
Diyanet, het Turkse presidium voor Godsdienstzaken, dat moskeeën beheert, imams opleidt
en de politieke ideologie van de AKP-partij van president Recep Tayyip Erdogan uitdraagt,
waarom is gekozen voor samenwerking met Diyanet? Graag een toelichting welke overwegingen
en opvattingen daaraan ten grondslag liggen.1
Antwoord 1
In deze set Kamervragen worden vragen gesteld over twee onderzoeken. Het onderzoek
van Regioplan en de Universiteit Utrecht is uitgevoerd naar aanleiding van het Nationaal
Programma tegen Discriminatie en Racisme 20222 en het daaropvolgende amendement van het lid Van Baarle (DENK) van 13 oktober 2022,
waarin is verzocht om een onafhankelijk nationaal onderzoek naar moslimdiscriminatie.3 Met dit onderzoek is de wens van uw Kamer uitgevoerd.
Het onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving» van het
Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) van 10 februari 2026 en het «Nationaal onderzoek
moslimdiscriminatie» van Regioplan en de Universiteit Utrecht van 31 januari 2025.
KIS ontvangt op basis van een vastgesteld werkplan jaarlijks een instellingssubsidie
van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Een onderdeel van dat
werkplan is de uitvoering van het zogenoemde KIS-portaal, waar vraagstukken uit de
samenleving aangaande integratie en samenleven gesteld kunnen worden en door KIS worden
onderzocht. Deze vragen kunnen leiden tot zogenaamde portaalprojecten.
Het portaalproject-onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving»
is uitgevoerd naar aanleiding van vragen van vijf organisaties: ISN Academie, Stichting
School & Veiligheid, SPIOR/K9, Collectief Jonge Moslims en Moslimstudenten Associatie
Nederland. Eén van deze partijen heeft het onderzoek voor een deel mede gefinancierd,
ISN Academie (zie ook vraag 5).
KIS is onafhankelijk en maakt eigen afwegingen. Bij navraag bij KIS naar de aard van
de samenwerking met ISN Academie geeft KIS aan dat ISN Academie het onderzoek alleen
mede gefinancierd heeft en geen inhoudelijke betrokkenheid heeft gehad bij het onderzoek.
De uitvoering van het onderzoek lag bij KIS.
Na publicatie van het rapport is bekend geworden dat er een huwelijksverband bestaat
tussen de hoofdonderzoeker van het onderzoek en de directeur van ISN Academie. Zoals
ik uw Kamer reeds heb geïnformeerd, heb ik KIS gevraagd om een tweetal onderzoeken
uit te laten voeren om dit goed uit te zoeken (een accountantsonderzoek en een onafhankelijke
wetenschappelijke review) en waar nodig maatregelen te treffen.4
Vraag 2
Volgens de wetenschapster Semiha Sözeri van de Universiteit Utrecht e.a. vormen de
imams en de koranscholen van Diyanet een schild tegen wat als «assimilatiekrachten»
in de Nederlandse samenleving wordt ervaren. Vindt u dat Diyanet in het licht van
deze achtergrond een geschikte partner is om mee samen te werken in een onderzoek
naar moslimdiscriminatie?
Antwoord 2
Onderzoek moet altijd onafhankelijk, transparant en boven iedere twijfel verheven
zijn. Dat betekent dat zowel financiering als betrokkenheid van partners nooit de
schijn van beïnvloeding mogen oproepen. In dit geval is die schijn wél ontstaan, en
dat is onwenselijk.
De Islamitische Stichting Nederland (ISN) speelt voor veel mensen een religieuze en
sociale rol. Tegelijkertijd is er al jaren een maatschappelijke discussie over de
zorgen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding. Het ministerie heeft dit in het verleden
ook besproken ten aanzien van de structuur van de betreffende organisatie.
Bij wetenschappelijk onderzoek is het essentieel dat de onafhankelijkheid en transparantie
boven iedere twijfel zijn verheven. Juist om de uitkomsten van dergelijke onderzoeken
niet te schaden te en waarborgen. In deze context vind ik de samenwerking met ISN
geen verstandige keuze. Dit betekent overigens niet dat binnen andere context samenwerking
met ISN is uitgesloten.
Het nieuwe kabinet werkt, zoals aangekondigd in de Voortgangsbrief van 2 maart 2026,
aan een herijking van de koers en prioriteiten op het gebied van inburgering, integratie
en samenlevingsvraagstukken, waaronder de samenwerking met maatschappelijke partners.
Ik hoop uw Kamer hierover zo spoedig mogelijk verder te kunnen informeren.
Vraag 3 en 4
Overwegende dat de onderzoeken van Regioplan en de Universiteit Utrecht en van het
Kennisplatform Inclusief Samenleven berusten op zeer bescheiden steekproeven (het
gaat om respectievelijk 38 en 57 respondenten), en zijn aangevuld met een literatuurstudie,
bent u van mening dat onderzoek met een dergelijke beperkte opzet de conclusie kan
rechtvaardigen dat moslimdiscriminatie in Nederland een «structureel probleem» is?
Zo ja waarom bent u die opvatting toegedaan?
Het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS) heeft de 57 respondenten voor «Opgroeien
als moslimjongere in een polariserende samenleving» deels geworven via een oproep
op sociale media en deels gebruik gemaakt van personen die eerder meewerkten aan onderzoek
van KIS; bent u van mening dat deze methode voldoende robuust is? Zo ja, waar baseert
u dat op?
Antwoord 3 en 4
Een oordeel over de robuustheid van een specifiek onderzoek laat ik graag aan de wetenschap.
Vraag 5
Wat heeft het ministerie uitgegeven aan beide onderzoeken? Meent u dat dit geld welbesteed
is?
Antwoord 5
Voor het KIS onderzoek «Opgroeien als moslimjongere in een polariserende samenleving»
is 40.000 euro subsidie van het Ministerie van SZW. De totale kosten van dat onderzoek
bedroegen 45.000 euro.
Met betrekking tot het KIS onderzoek gaat het om, zoals bij antwoord 1 aangegeven,
een portaalonderzoek welke KIS op basis van aanvraag van vijf maatschappelijke organisaties
heeft uitgevoerd.
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» van Universiteit Utrecht en Regioplan
(2025)5 kostte 302.500 euro en is gegund na een openbare aanbesteding volgens de richtlijnen
van Europese aanbestedingen. Het kabinet heeft op 12 december 2025 opvolging gegeven
aan dit onderzoek middels de Kabinetsreactie «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie
en versterking aanpak moslimdiscriminatie».6
Het «Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie» is zoals bij antwoord 1 aangegeven uitgevoerd
naar aanleiding van een verzoek van uw Kamer en het Nationale Programma tegen Discriminatie
en Racisme 2022.
Vraag 6
Bent u bekend met het werk van de Franse antropologe en kenner van de netwerken van
de Moslimbroederschap in Europa Florence Bergeaud-Blackler, die erop wijst dat de
klacht over islamofobie een cruciaal onderdeel is van een «soft power strategie» van
islamistische lobbyisten? En dat deze lobbyisten steeds herhalen dat men slachtoffer
is van haat en discriminatie omdat zij op die manier de kans denken te vergroten dat
hun eisen voor bijvoorbeeld gebedsruimtes op scholen en hoofddoeken bij de politie
worden ingewilligd? Bergeaud-Blackler waarschuwt autoriteiten om zich niet te laten
lenen voor deze agenda. Wat vindt u van deze analyse?
Antwoord 6
De analyse waarnaar wordt gerefereerd raakt aan bredere zorgen over buitenlandse beïnvloeding,
religieus geïnspireerde druk en organisaties die proberen invloed uit te oefenen op
onze open samenleving. Die zorgen neem ik serieus.
Tegelijkertijd weten we dat discriminatie, waaronder moslimdiscriminatie, in Nederland
voorkomt en dat dit een reëel probleem is dat we moeten aanpakken. Om te zorgen dat
iedereen, wat je achtergrond ook is, een eerlijke kans krijgt om mee te doen en aan
het werk te gaan.
Ondertekenaars
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.