Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026 (Kamerstuk 21501-30-687)
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 688
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 26 februari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan het kabinet over:
• Geannoteerde agenda Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026 (Kamerstuk
21 501-30, nr. 687)
• Verslag Raad voor Concurrentievermogen van 8 en 9 december 2025 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 683)
• BNC-fiche: RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke
grondstoffen (Kamerstuk 22 112, nr. 4244).
De vragen en opmerkingen zijn op 24 februari 2026 aan het kabinet voorgelegd. Bij
brief van 26 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1. De leden van de D66-fractie constateren dat in het beleidsdebat over het European
Competitiveness Fund (ECF) de koppeling met de Europese grondstoffenstrategie en circulaire
economie niet expliciet aan de orde komt, terwijl het BNC-fiche inzake RESourceEU
er juist op wijst dat het ECF complementair moet zijn aan de doelstellingen op het
gebied van leveringszekerheid en circulariteit van kritieke grondstoffen.
Is de Minister bereid om tijdens het beleidsdebat over het ECF expliciet te pleiten
voor voldoende ruimte binnen het fonds voor financiering van strategische projecten
op het gebied van circulaire grondstoffen, recyclingcapaciteit en substitutie van
kritieke materialen, waarbij selectie plaatsvindt op basis van excellentie en impact?
Ja, conform het BNC-fiche op het ECF zijn leveringszekerheid van en toegang tot kritieke
grondstoffen, het belang van circulariteit daarbij en selectie op basis van excellentie
en impact belangrijke onderdelen van de kabinetsinzet.1 Deze inzet zal het kabinet, waar opportuun, uitdragen.
2. De leden van de D66-fractie nemen in de tweede plaats kennis van de gedachtewisseling
over de opvolging van de industriële actieplannen in het kader van de Clean Industrial
Deal. Het kabinet stelt dat verduurzaming een stimulans voor weerbaarheid is en verwijst
naar de komende Industrial Accelerator Act (IAA). Uit het verslag van de vorige Raad
voor Concurrentievermogen2 blijkt dat Nederland reeds een non-paper over vraagcreatie voor schone producten
in de chemie- en staalsector met de Europese Commissie heeft gedeeld. Kan het kabinet
toelichten hoe het zich ervoor zal inzetten dat de Industrial Accelerator Act ambitieuze
vraagcreatie-instrumenten bevat, zodat de verduurzaming van de Europese industrie
niet langer uitsluitend afhankelijk is van aanbodgerichte subsidies maar structureel
wordt verankerd in Europees marktbeleid?
Het kabinet is een groot voorstander van vraagcreatie als instrument om afzetmarkten
te creëren en om verduurzaming van de industrie te stimuleren. Vraagcreatie creëert
zekerheid voor afzet van duurzaam geproduceerde producten. Zoals het vorige kabinet
met uw Kamer heeft gedeeld, is in de Kamerbrief toekomstperspectief energie-intensieve
industrie3 en het non-paper over vraagcreatie in de chemie- en staalsector uiteengezet welke
concrete maatregelen hier goed bij zouden passen, zoals labels, mandaten en productnormen.
In aanloop naar de publicatie van de Industrial Accelerator Act (IAA) heeft het kabinet
deze oproep meermaals herhaald in Brussel. Deze boodschap zal het kabinet blijven
uitdragen en, indien nodig en waar mogelijk, in samenwerking met andere lidstaten
trachten de IAA op deze punten te verbeteren tijdens de onderhandelingen over het
wetsvoorstel, die zullen volgen na publicatie.
3. De leden van de D66-fractie constateren vervolgens dat de complementariteit tussen
Horizon Europe (2028–2034) en het ECF, alsmede de randvoorwaarden voor Dual Use (tweeërlei gebruik) onderzoek en innovatie (O&I), nog onvoldoende zijn uitgewerkt.
De breed erkende Europese Valley of Death (Vallei des Doods, fundamenteel onderzoek dat te weinig leidt tot opschaling en markttoepassing)
dreigt juist in het grijze gebied tussen beide instrumenten voort te bestaan, in het
bijzonder bij strategische technologieën met een duaal karakter zoals ruimtevaart,
kwantumtechnologie en kunstmatige intelligentie (AI).
Hoe zal de Minister zich tijdens het beleidsdebat inzetten voor een werkbaar kader
voor dual-use O&I binnen Horizon Europe, zodat strategische technologieën op het terrein
van onder meer ruimtevaart, kwantum en AI niet tussen wal en schip vallen van het
ECF en het kaderprogramma?
Het heeft de aandacht van het kabinet dat de strategische technologieën geborgd en
gelinkt zijn binnen en met de verschillende programma’s. Dit is van groot belang om
de «investment journey» van ideeën en innovaties gestroomlijnd en effectief te ondersteunen.
De strategische technologieën zijn onderdeel van de thematische prioritering van de
vier policy windows van het ECF.4 Samenwerkingsgerichte O&I met een specifiek op defensie toegespitste toepassing zal
alleen plaatsvinden onder het ECF in window (iv).
Het kader voor dual-use O&I binnen Horizon Europe wordt op dit moment ontwikkeld.
Hierbij zal Nederland aandacht blijven vragen voor de noodzaak om de kaders voor de
toepassing van dual-use O&I duidelijk uit te werken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
formele Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 februari 2026. Ook hebben zij
kennisgenomen van het verslag van de afgelopen Raad voor Concurrentievermogen. Zij
hebben eveneens het BNC-fiche over het RESourceEU actieplan en het voorstel tot aanpassing
van de Verordening kritieke grondstoffen tot zich genomen. Zij hebben over de geannoteerde
agenda, het verslag en dit fiche nog enkele vragen en opmerkingen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
4. De leden van de VVD-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat er bij de aankomende
Raad gesproken zal worden over het ECF. Deze leden steunen de lijn die het kabinet
daarbij wil inzetten, met de nadruk op het mobiliseren van privaat kapitaal en een
focus op excellentie en impact (in plaats van een geografische spreiding van de middelen
over de lidstaten). Wel vragen zij waarom het kabinet geen meerwaarde ziet in het
oormerken van ECF-middelen voor het midden- en kleinbedrijf (mkb).
Het kabinet hecht groot belang aan betere toegang tot financiering voor het innovatieve
mkb en start- en scale-ups. Voor het kabinet zijn deze een centrale doelgroep van
het ECF. Hiervoor is het van belang dat het ECF en calls daaronder zo worden ingericht
dat deze toegankelijker zijn voor dit type bedrijven. Specifieke oormerking draagt
hier niet per se aan bij. Het doet namelijk af aan de transparantie van het fonds
en vergroot het risico op complexiteit. Daarom is het kabinet hier terughoudend in.
Het ECF moet in haar opzet rekening houden met deze doelgroep.
5. Daarnaast vragen deze leden of het kabinet nu al maatregelen voorbereidt om straks
optimaal aanspraak te kunnen maken op de ECF-middelen. Zo ja, om welke maatregelen
gaat het? Hoe staat het bijvoorbeeld met de oprichting van een EU-cofinancieringsvoorziening,
zoals aangekondigd in de brief aan de Kamer over het R&D-actieplan?5
Het kabinet onderschrijft het belang van Nederlandse aanspraak op de ECF-middelen
en waardeert dat de leden hier aandacht voor vragen. Het kabinet is, mede op basis
van de ervaringen met huidige MFK-programma’s, aan het bezien hoe we Nederlandse partijen zo goed mogelijk kunnen positioneren
voor het ECF. Daarbij merkt het kabinet wel op dat de onderhandelingen nog lopen en
de uitkomsten nog niet duidelijk zijn. Daarbij onderschrijft het kabinet met het coalitieakkoord
ook het belang van structurele middelen voor cofinanciering van o.a. EU-partnerschappen en Important Projects of Common European Interest (IPCEI). De mogelijkheden voor het inrichten van een EU-cofinancieringsvoorziening
zoals omschreven in het 3%-actieplan worden verder verkend.
Interne Markt en Concurrentievermogen rapport 2026
6. De leden van de VVD-fractie lezen dat er tijdens de aankomende Raad daarnaast gesproken
zal worden over een rapport dat is opgesteld door de Europese Commissie over het functioneren
van de interne markt en de status van het Europese concurrentievermogen, aan de hand
van 29 Key Performance Indicators (KPI’s). Een van deze KPI’s, zo lezen deze leden
in het rapport van de Europese Commissie, luidt als volgt: Projected annual administrative savings from Commission’s adopted omnibus simplification
proposals and other initiatives.6 Voor 2025 zou het gaan om een besparing van € 15 miljard aan regeldrukkosten, zo
blijkt uit deze KPI. De leden van de VVD-fractie juichen deze focus op het verlagen
van regeldrukkosten toe, zeker omdat tussen 2018 en 2024, 99% (!) van de toename van
de structurele regeldrukkosten afkomstig was uit Europese regelgeving, en dus niet
van nationale wet- of regelgeving.7
Gaat het bij deze KPI uit het rapport van de Europese Commissie om netto veranderingen in regeldrukkosten, of enkel om de vraag wat er, als gevolg van wijzigingen
in regelgeving, aan regeldrukkosten is bespaard (de toename in regeldrukkosten dus
niet meegenomen)? Indien dat laatste het geval is, is het kabinet dan bereid om bij
dit agendapunt aan de orde te stellen dat het van belang is om niet alleen te kijken
hoe groot de besparing in regeldrukkosten is, maar ook hoeveel er is bijgekomen? Zo
nee, waarom niet?
Het genoemde bedrag van € 15 miljard betreft een schatting van de besparing die volgens
de Commissie wordt gerealiseerd als de omnibusvoorstellen en andere voorstellen die
gericht zijn over vermindering van regeldruk zouden worden aangenomen. Naast voorstellen
die specifiek gericht zijn op vermindering van regeldruk, zijn er ook andere EU-voorstellen
voor regelgeving die regeldrukeffecten kunnen hebben.
De € 15 miljard ziet alleen op de voorstellen die specifiek zijn gericht op vermindering
van regeldruk en niet op het totaal van alle EU voorstellen voor regelgeving.
Het kabinet vindt het inderdaad relevant om een beeld te krijgen van hoe de totale
regeldrukkosten – dus van alle EU-voorstellen – zich ontwikkelen en zal dit waar opportuun
uitdragen.
Verslag Raad voor Concurrentievermogen december 2025
7. De leden van de VVD-fractie lezen in het verslag van de Raad voor Concurrentievermogen
van december 2025 dat de Franse delegatie een punt had geagendeerd, waarin zij toelichtte
dat uit een nationale analyse bleek dat allianties van universiteiten als een katalysator
werkten voor het bereiken van impact en het creëren van innovatie-ecosystemen. Wat
houdt het begrip «allianties van universiteiten» precies in? Hoe effectief bleek dit
daadwerkelijk uit de nationale evaluatie? Zijn er, volgens het kabinet, mogelijkheden
om op dit punt van Frankrijk te leren? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Europese Universiteiten Allianties zijn transnationale verbanden van Europese universiteiten
en hogescholen met een gezamenlijke langetermijnstrategie. Op dit moment bestaan er
65 allianties. Bijna alle Nederlandse universiteiten en een deel van de hogescholen
zijn actief in een alliantie. Het initiatief heeft tot doel om de internationale concurrentiepositie
van universiteiten en hogescholen in Europa te verbeteren en Europese waarden en identiteit
te bevorderen, door middel van het ontwikkelen van structurele en strategische duurzame
samenwerking tussen hogescholen en universiteiten in allianties. De Europese Universiteiten
Allianties worden ondersteund via het Erasmus+ programma.
Het idee van de Europese Universiteiten Allianties komt voort uit een speech van de
Franse President Emmanuel Macron in 2017 aan de Sorbonne-universiteit in Parijs. Frankrijk
is dan ook een voorvechter van (meer) Europese ondersteuning voor deze allianties.
De Europese Commissie heeft in 2025 een evaluatie over de voortang en het veranderpotentieel
van de allianties gepubliceerd.8 Frankrijk heeft daarnaast een eigen evaluatie opgesteld, waaruit volgens hen onder
andere blijkt dat de allianties een katalysator zijn voor organisatorische en culturele
verandering, het versterken van samenwerking en het ontwikkelen van Europese ecosystemen.
Het rapport identificeert ook obstakels, zoals complexe regelgeving, gefragmenteerde
fondsen en gebrek aan capaciteit.
Het kabinet ziet de Europese Universiteiten Allianties onder Erasmus+ als belangrijk
instrument om de Europese samenwerking in het hoger onderwijs te bevorderen. Het belang
van de allianties keert dan ook terug in het position paper van het kabinet over het volgende Erasmus+ programma.9 Voor Horizon Europe is het cruciaal dat de EU onderzoeks- en innovatiemiddelen blijven
verdelen op basis van excellentie en impact en open competitie. Onder deze voorwaarden
maken allianties ook gebruik van Horizon Europe.
RESourceEU actieplan en voorstel tot aanpassing van de verordening kritieke grondstoffen
8. De leden van de VVD-fractie lezen in het BNC-fiche dat de Europese Commissie geen
impact assessment heeft opgesteld voor zowel de mededeling als de Verordening kritieke grondstoffen.
Deze leden steunen het kabinet in de oproep aan de Commissie om dit wel te doen gezien
de naar verwachting niet verwaarloosbare gevolgen voor onder andere de regeldruk,
handhavingsinstanties en derde landen. Wat is de reden dat de Europese Commissie niet
uit zichzelf heeft gekozen voor een impact assessment? Hoe denkt het kabinet dit wel voor elkaar te boksen? Kan het kabinet toezeggen de
informatie uit de impact assessments die misschien toch uitgevoerd gaan worden of de informatie uit eventuele nationale
evaluaties omtrent deze mededeling en verordening van de Europese Commissie, met de
Kamer te delen?
De indruk bestaat dat de Commissie heeft gekozen om geen impact assessment uit te
voeren gezien de urgentie van het voorliggende onderwerp.
Het kabinet deelt deze urgentie, maar blijft van mening dat een impact assessment
voorafgaand aan publicatie essentieel is om gevolgen voor lidstaten en bedrijven zorgvuldig
in kaart te hebben. Dit helpt immers ook om de onderhandelingen over het voorstel
in de Raad en het Europees Parlement te bespoedigen.
Daarom zal kabinet, in lijn met het BNC-fiche, in de behandeling de mededeling bij
de Commissie blijven aandringen om alsnog een impact assessment uit te voeren. Wanneer
de Commissie hiertoe besluit zult u via de gebruikelijke weg worden geïnformeerd.
9. De leden van de VVD-fractie lezen dat de EU in 2026 een Critical Raw Materials Centre (CRM Centre) operationeel wil hebben. Hoe is het kabinet van plan daarbij optimale aansluiting
te borgen met het bestaande Nederlandse centrum op dit gebied (het Nederlands Materialen
Observatorium (NMO)? Deze leden willen dubbel werk voorkomen.
Het kabinet onderschrijft het belang van een optimale aansluiting tussen het NMO en
het beoogde CRM Centre. Dit is dan ook de inzet van het kabinet. Beide organisaties
en hun werkzaamheden dienen elkaar te versterken en aanvullend te zijn, zodat overlap
en dubbel werk worden voorkomen.
10. De Europese Commissie is ook voornemens een Kritieke Grondstoffen Financierings
Hub (CRM-financieringshub) op te richten, welke voor overzicht moet zorgen in het
geheel van Europese financieringsbronnen. De leden van de VVD-fractie vragen hoe hierbij
door het kabinet optimale aansluiting met bestaande Nederlandse initiatieven wordt
geborgd, zoals de FinancieringsGids? Deze leden willen ook hier onnodige overlap voorkomen.
Het kabinet onderschrijft het belang van een optimale aansluiting tussen nationale
en Europese initiatieven om financieringsbronnen voor grondstoffen in kaart te brengen.
In de uitwerking van de CRM-financieringshub zal het kabinet de Europese Commissie op het belang van deze aansluiting
en het voorkomen van onnodige overlap wijzen.
11. De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat het kabinet positief staat tegenover
het beter binnen de landen van de EU houden van strategische afval- en schrootstromen,
mits dit zorgvuldig, coherent en juridisch steekhoudend gebeurt. In hoeverre kennen
niet-EU-landen dergelijke maatregelen nu ook al? Hoe wordt in de Nederlandse standpuntbepaling
rekening gehouden met mogelijke tegenreacties van derde landen?
Er is geen overzicht beschikbaar van de maatregelen van derde landen. Aangaande de
Nederlandse standpuntbepaling voor maatregelen voor de uitvoer van afval- en schrootstromen
wordt rekening gehouden met de impact op derde landen.
12. De leden van de VVD-fractie lezen, tot slot, dat de verordening twintig dagen
na publicatie in werking dient te treden. Gelet op het feit dat er waarschijnlijk
nationale wet- en regelgeving moet worden aangepast ter implementatie van de gewijzigde
verordening, is een datum van inwerkingtreding van twintig dagen na publicatie te
kort, zo stelt het kabinet. Het kabinet zal zich daarom inzetten voor een langere
termijn, zo staat in het fiche. In hoeverre is het volgens het kabinet realistisch
dat deze langere termijn wordt geboden? Wat zijn de gevolgen als deze langere termijn
er niet komt en Nederland niet op tijd is met de implementatie van de verordening?
Momenteel wordt het voorstel voor het wijzigen van de verordening in de Raad behandeld.
In de behandeling van het voorstel zal het kabinet de zorgen over de voorziene tijdslijn
benoemen. Gezien het stadium van de behandeling van het voorstel, is het niet mogelijk
een inschatting te geven over de haalbaarheid van de wens voor een langere termijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
geannoteerde agenda van de volgende Raad voor Concurrentievermogen. Deze leden hebben
hierover nog enkele vragen.
13. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie steunen het doel en benadrukken het belang
van het Europese Concurrentievermogenfonds. Wel hebben de leden nog enkele aanvullende
vragen aan de Minister. Zo achten de leden het van belang dat Europese publieke middelen
primair bijdragen aan het versterken van Europese strategische weerbaarheid. Kan de
Minister uiteenzetten hoe het kabinet zich in Europees verband inzet om een Europese
voorkeur expliciet als leidend principe te verankeren in de governance (goed bestuur) en toekenningscriteria van het fonds? Is het kabinet bereid zich ervoor in te zetten
dat bij toekenning van middelen voorwaarden worden gesteld aan productie, waardeketens
en intellectueel eigendom binnen de Europese Unie?
Het klopt dat de Europese Commissie in het voorstel voor het ECF een artikel heeft
opgenomen ten behoeve van een Europees voorkeursprincipe (artikel 10). Momenteel is
het kabinet in de afrondende fase om een kabinetsstandpunt vast te stellen over Europese
voorkeursregels bij onder andere subsidies. Voor aanbesteden is deze al vastgesteld
en heeft mijn voorganger deze in november 2025 gedeeld met de Kamer.10 Er is voor aanbesteden een terughoudende inzet van een Europees voorkeursprincipe
gewenst, waarbij per sector een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt van de kosten
en baten. Het instrument wordt in beginsel enkel ingezet om de weerbaarheid van de
Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn, om
strategische nieuwe markten te stimuleren. Voor het kabinet is hierbij risico op regeldrukverhoging,
een eventueel prijsopdrijvend effect, impact op innovatiepotentieel en conformiteit
met internationale verplichtingen, zoals WTO-regelgeving, van belang. Specifiek ten
aanzien van het ECF heeft het kabinet in het BNC-fiche ook een terughoudende uitgangspositie
ingenomen en wordt ook het belang van conformiteit met internationale afspraken benoemt.
Dit doet niet af aan het standpunt van het kabinet dat Europese publieke middelen
ook moeten bijdragen aan versterking van de weerbaarheid en economische veiligheid
van de EU. Door een focus op excellentie en impact en selectie op basis van open en
competitieve procedures is het kabinet ook van mening dat het ECF hier efficiënt aan
kan bijdragen. Hierdoor wordt capaciteit opgebouwd voor kritieke producten of technologieën
daar waar hiervoor de beste projecten zijn.
14. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten sterk aan robuuste sociale voorwaarden
bij de besteding van Europese middelen. Kan de het kabinet aangeven of binnen het
Concurrentievermogenfonds sociale voorwaarden worden verbonden aan financiering? Is
het kabinet bereid te verkennen of – omdat veel misstanden plaatsvinden in onderaanneming
– een beperking op of uitsluiting van onderaanneming als voorwaarde kan worden opgenomen,
om misstanden in ketens tegen te gaan? Hoe waarborgt het kabinet dat Europese middelen
niet bijdragen aan sociale dumping of constructies waarbij verantwoordelijkheid in
de keten wordt afgeschoven?
Het kabinet erkent het belang van tegengaan van dergelijke misstanden. Het Financieel
Regelement van de Unie, dat van toepassing is op de EU-begroting en dus ook het toekomstige
ECF, bevat waarborgen tegen sociale misstanden door de borging van naleving van relevante
milieu, sociale en arbeidswetgeving.11
15. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast enkele vragen over de
toegankelijkheid van het fonds voor het mkb. Door de complexiteit en doorlooptijden
hebben die vaak moeite met het verkrijgen van subsidie, waardoor een aanzienlijk deel
op kan gaan aan advieskosten. Welke concrete stappen worden gezet om financiering
eenvoudiger, toegankelijker en sneller beschikbaar te maken voor mkb en start-ups?
Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot financiering voor bedrijven,
in bijzonder voor het innovatieve mkb, start- and scale-ups, en zal dit ook bij deze
Raad opnieuw onder de aandacht brengen. Het ECF-voorstel zet hier al een belangrijke
stap in door het samenvoegen van verschillende huidige MFK-programma’s en het toepassen
van een «single rulebook». Tegelijkertijd is het van belang om ook in de implementatiefase hier oog voor te
houden. Het kabinet zal zich hiervoor inspannen.
16. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het aandeel van cleantech
(schone technologie) binnen het fonds relatief beperkt is, zeker in het licht van
de aanzienlijke investeringsbehoefte die onder meer wordt geschetst in het rapport
van Mario Draghi over het Europese concurrentievermogen.12 Wat is de opvatting van het kabinet ten aanzien van dit investeringsgat en hoe denkt
het kabinet dit gat te dichten? Gaat het kabinet zich inspannen voor meer geld voor
schone technologie? Deelt het kabinet de visie dat dit fonds een kans is om uniforme
en efficiënte investeringsregelingen – zoals de Europese Commissie nu via het innovatiefonds
opzet, denk aan CfD’s (Contracts for Difference), de Batterij Booster of de Waterstofbank
– verder uit te breiden en versterken?
Het kabinet deelt het belang van investeringen in (innovatieve) clean tech. Het ECF kan, via het policy window «schone transitie en industriële decarbonisatie»,
hier een belangrijke bijdrage aan leveren, zoals het kabinet ook benadrukt in het
ECF BNC-fiche. Daarbij dient via het horizontale klimaat- en milieupercentage ten
minste 43% van de ECF-gelden aan klimaat- en milieugerelateerde zaken te worden uitgegeven.
Onder dit policy window is bovendien specifiek voorgesteld dat toekenningsprocedures
de vorm kunnen aannemen van competitive bidding, inclusief (koolstof) CfD’s, in lijn met wat de leden benoemen. Ook wil het kabinet
graag wijzen op het Innovatiefonds dat de leden aanhalen, gefinancierd uit de opbrengsten
van de veilingen van Emissiehandelssyteem (ETS)-rechten, dat nu al een belangrijke
bijdrage levert aan investeringen in innovatieve toepassingen die bijdragen aan CO2-reductie. Het ECF zal dus niet het enige instrument zijn dat aan de deze doelen bijdraagt.
Het kabinet wil niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027.
17. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen over de Noodplannen
voor industriële weerbaarheid. Onze fractie deelt het kabinetsstandpunt dat verduurzaming,
weerbaarheid en concurrentievermogen elkaar versterken. We zien echter ook dat er
steeds grotere druk kom op de verduurzamingskant van de industrieagenda, bijvoorbeeld
de roep om het afzwakken van het Europese Emissiehandelssysteem (ETS). Zal het kabinet
zich tijdens de Raad sterk maken voor en het handhaven en verder versterken van ETS
en de andere onderdelen van het dit jaar te verwachten 2040 klimaatpakket? Zoals een
2040 doel voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Is het kabinet bezig met
het bouwen van coalities van gelijkgezinde landen die zien dat de klimaatambitie cruciaal
is voor de Europese weerbaarheid en het concurrentievermogen?
Het ETS speelt een centrale rol binnen de bredere Europese klimaatarchitectuur en
is essentieel voor het behalen van de klimaatdoelen van 2040 en 2050. Daarom zet het
kabinet in op een zo sterk en ambitieus mogelijk ETS, dat tot kosteneffectieve emissiereducties
leidt, langlopende beleidszekerheid geeft en een gelijk speelveld borgt. Wat betreft
EU-doelen voor energie na 2030 pleit het kabinet voor een uitvoerbaar, flexibel, toekomstbestendig
en consistent beleidskader, waarbij de benodigde emissiereductie richting klimaatneutraliteit
gewaarborgd blijft. Ook moet de Commissie bij de uitwerking van de beleidsarchitectuur
rekening houden met de betaalbaarheid van het energiesysteem, de impact op leveringszekerheid
en een (mondiaal en intern) gelijk speelveld. Om deze boodschappen effectief over
te brengen, trekt Nederland samen op met gelijkgezinde landen. Het ETS en de energiedoelen
voor 2040 worden formeel behandeld op respectievelijk de Milieuraad en Energieraad.
18. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben naar aanleiding van de plannen
voor industriële weerbaarheid specifiek nog enkele vragen over de Industrial Accelerator
Act, die deze week verwacht wordt. Hoe kijkt de Minister naar de Europese voorkeursregels
voor subsidies een aanbestedingen? Is de Minister het met de leden van GroenLinks-PvdA
eens dat deze wet een nodige eerste stap is in een assertievere opstelling van Europa
wat betreft industriepolitiek?
Het kabinet is van oordeel dat zowel nationaal als Europees gericht en strategisch
industriebeleid essentieel is in de huidige geopolitieke context. Het is noodzakelijk
dat, ook op Europees niveau, stappen worden gezet om de industrie te versterken, mede
in het licht van toenemende mondiale concurrentie. Daarbij is het van belang dat gebruik
wordt gemaakt van het volledige beschikbare instrumentarium binnen de Europese «toolbox».
Momenteel is het kabinet in de afrondende fase om een kabinetsstandpunt vast te stellen
over Europese voorkeursregels bij onder andere subsidies. Ik zal begin Q2 uw Kamer
hierover informeren zodra het standpunt gereed is. Voor aanbesteden is al een positie
over het Europees voorkeursprincipe vastgesteld en heeft mijn voorganger deze in november
2025 gedeeld met de Kamer.13 Voor aanbesteden is een terughoudende inzet van een Europees voorkeursprincipe gewenst,
waarbij per sector een zorgvuldige afweging moet worden gemaakt van de kosten en baten.
Het instrument wordt in beginsel enkel ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken
en, wanneer minder ingrijpende maatregelen ontoereikend zijn, om strategische nieuwe
markten te stimuleren. Ook vindt het kabinet het belangrijk dat een dergelijk principe
gelijkgestemde handelspartners niet belemmert.
19. De leden constateren dat de maatregelen aan de vraagzijde momenteel sterk zijn
gericht op publieke markten, zoals overheidsaanbestedingen en daarmee kansen laat
liggen voor verduurzaming van de gehele industrie. Kan de Minister reflecteren op
de beperkte reikwijdte van publieke vraaginstrumenten binnen de IAA? Is de Minister
bereid zich in te zetten voor een verbreding van de IAA, zodat ook private marktvraag
actief wordt gestimuleerd? Is de Minister het met de fractie eens dat de Industrial
Accelerator Act de juiste plaats zou zijn om bijmengverplichtingen, duurzame standaarden
en productmandaten te initiëren? En gaat de Minister zich hier bij de Raad voor het
Concurrentievermogen sterk voor maken?
Het kabinet wil niet vooruitlopen op de precieze inhoud van het IAA-voorstel. Na publicatie
zal het kabinet het voorstel zorgvuldig beoordelen op de reikwijdte en zich in de
verdere onderhandelingen inzetten voor een ambitieuze en effectieve invulling die
bijdraagt aan zowel het versterken van het concurrentievermogen als verduurzaming.
Tegelijkertijd is het kabinet voorstander van brede vraagcreatie via zowel publieke,
als private instrumenten en markten. Deze inzet heeft het kabinet eerder kenbaar gemaakt
in de kamerbrief toekomstperspectief voor de energie-intensieve industrie en het non-paper
over vraagcreatie. Het kabinet ziet de IAA als het juiste wetgevende pakket om dergelijke
sectorspecifieke instrumenten ten behoeve van vraagcreatie op te nemen. Uw Kamer zal
geïnformeerd worden via het BNC-traject over de appreciatie na publicatie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
20. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de onderliggende brieven
en willen van de nieuw aangetreden Minister ondubbelzinnig vernemen of zij de daarin
geschetste inzet daadwerkelijk onderschrijft. Is de Minister voornemens deze lijn
voort te zetten in de Raad, of kiest zij voor een andere koers?
Zoals ook tevens benoemd in het coalitieakkoord, zet dit kabinet in op het spelen
van een leidende en constructieve rol in de beweging naar een concurrerender, sterker
en veiliger Europa. Daarbij zijn het versterken van onze strategische autonomie, het
versnellen van de verduurzaming van de (energie-intensieve) industrie en het aanjagen
van onderzoek en innovatie in Europees verband enkele van de speerpunten.
Het coalitieakkoord is leidend voor de Nederlandse inzet in de MFK-periode 2028–2034. Het zet de eerder aan uw Kamer gecommuniceerde lijn in de BNC-fiches14 en de Geannoteerde Agenda (GA)15 in grote lijnen voort. De BNC-fichesen deze GA blijven daarmee relevant als uitwerking
van de inzet zoals vastgelegd in het coalitieakkoord.
21. De leden van de PVV-fractie lezen dat verduurzaming wordt gepresenteerd als motor
voor de economische weerbaarheid. Deze leden plaatsen hier nadrukkelijk vraagtekens
bij. Onderschrijft het kabinet werkelijk de stelling dat de huidige, grotendeels door
Brussel opgelegde energietransitie onze economie versterkt? Hoe verhoudt zich dit
tot de realiteit van een overbelast elektriciteitsnet, torenhoge energieprijzen en
bedrijven die hun productie noodgedwongen afschalen of zelfs verplaatsen? Erkent het
kabinet dat een geforceerde energietransitie de Nederlandse industrie juist kan ondermijnen
in plaats van versterken? Zo ja, welke consequenties worden daaraan verbonden? Zo
nee, waarop baseert het kabinet zijn optimisme?
Het kabinet onderschrijft, net als Draghi en Wennink in hun rapporten, de stelling
dat verduurzaming een aanjager kan zijn voor concurrentievermogen en weerbaarheid.
Door meer in te zetten op schone energieproductie in de EU vergroten we de leveringszekerheid
en energie onafhankelijkheid. Daarnaast verkleinen we daarmee de impact van hoge internationale
marktprijzen en eventuele prijspieken veroorzaakt door geopolitieke spanningen.16 Tegelijkertijd erkent het kabinet de problematiek rond hoge energieprijzen en de
problematiek op het stroomnet. Daarom zet het kabinet zich in voor betaalbare energie,
versterking en betere benutting van infrastructuur en een gelijk speelveld binnen
de EU.
22. Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet vasthoudt aan de inzet
uit het BNC-fiche van 13 februari jl.17 om de CO2-normstelling verder te versoepelen. Is het kabinet bereid in de Raad actief te pleiten
voor realistische en uitvoerbare normen, of buigt het mee met verdere aanscherping
die de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven verder onder druk zet?
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is primair verantwoordelijk voor
de Nederlandse inzet t.a.v. de herziening van de CO2-emissienormen voor personen- en bestelauto’s. Het kabinet wil zorgen voor uitvoerbare
normen, daadwerkelijke innovatie op het gebied van personen- en bestelauto’s en het
verder verminderen van (toekomstige) afhankelijkheden van Nederland en de EU van fossiele
brandstoffen. Hierbij zijn belangrijke uitgangspunten het behoud van de transitie
naar elektrificatie van de Europese auto-industrie en het zorgen dat duurzame mobiliteit
betaalbaar is en blijft voor burgers. De behandeling van het voorstel vindt plaats
tijdens de volgende Milieuraad. Het staat niet op de agenda van de aankomende Raad
van Concurrentievermogen.
23. Voorts vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister de rapporten van Mario
Draghi en Enrico Letta niet klakkeloos zal omarmen, maar deze kritisch en per voorstel
zal toetsen op concrete gevolgen voor Nederland. Is de Minister bereid expliciet het
Nederlandse belang voorop te stellen, ook wanneer dit botst met bredere Europese ambities?
Zoals beschreven in het coalitieakkoord, ziet het kabinet de groei van Nederlandse
welvaart en toekomst als onlosmakelijk verbonden met een sterk Europa. Om een sterke
en concurrerende Europese economie te bereiken, zijn de adviezen van Draghi en Letta
van groot belang. Daarom geeft het kabinet in het coalitieakkoord ook aan een aanjagersrol
te willen spelen bij de implementatie van de rapporten Draghi en Letta. Appreciaties
van beide rapporten zijn reeds met uw Kamer gedeeld op 8 mei en 4 oktober 2024. De
appreciaties nemen een positieve houding in ten opzichte van bepaalde elementen uit
de rapporten, maar zijn tegelijkertijd ook kritisch ten opzichte van andere elementen
die niet direct stroken met het Nederlandse belang. In de kabinetsvisie EU-concurrentievermogen
van 13 december 2024 is een verdere vertaalslag gemaakt van de rapporten naar het
Nederlands belang om een sterke concurrerende economie in de Europese Unie te behartigen.
Het rapport Wennink uit december 2025 gaat hier ook op in en is, zoals het coalitieakkoord
aangeeft, een belangrijke inspiratiebron voor het kabinet. Commissievoorstellen –
die al dan niet volgen uit de rapporten – worden zoals gebruikelijk door het kabinet
voorzien van een beoordeling conform het BNC-proces, die met uw Kamer gedeeld wordt,
waarna het kabinet met uw Kamer hierover ook in gesprek kan gaan.
24. Hoe voorkomt zij dat Nederland opnieuw onevenredig bijdraagt aan Europese investeringsagenda’s,
terwijl de baten niet naar Nederland gaan. Zet het kabinet zich in voor een aantoonbaar
eerlijkere geografische verdeling van Europese investeringsprojecten?
Het kabinet zet voor EU-programma’s zoals Horizon Europe en het Europees Concurrentievermogenfonds
(ECF) in op selectie van projecten op basis van excellentie en impact via open en
competitieve EU-brede procedures. Deze programma’s zullen een centrale rol zullen
spelen in de EU-investeringen vanaf 2028. Nederland ontvangt bijvoorbeeld veel meer
dan dat het bijdraagt uit het lopende Horizon Europe programma (2021–2027). In januari
2026 hadden Nederlandse deelnemers al ruim € 4,9 miljard ontvangen, wat neerkomt op
een retour van 8,6%.18 Geografische spreiding zorgt juist voor inefficiëntere besteding van EU-middelen
waardoor niet de beste projecten op de juiste plek worden gesteund. Zo zorgt het bijvoorbeeld
dat bepaalde technologieën niet ontwikkeld worden waar competitieve selectie laat
zien waar dit het beste kan. Bovendien ontvangt Nederland uit fondsen waar wél sprake
is van geografische spreiding in de regel relatief minder dan uit fondsen op basis
van bovenstaande principes.
25. Verder vragen de leden van de PVV-fractie hoe de Minister daadwerkelijk gaat zorgen
voor een gelijk speelveld binnen de Europese Unie. De praktijk laat zien dat Nederlandse
bedrijven vaak zwaarder worden belast dan concurrenten in andere lidstaten. Welke
concrete maatregelen gaat de Minister in EU-verband bepleiten om dit structurele nadeel
weg te nemen? Is zij bereid expliciet te agenderen dat de energieprijzen voor Nederlandse
bedrijven substantieel hoger liggen dan in omringende landen, en welke Europese instrumenten
wil zij inzetten om dit verschil te verkleinen? Hoe voorkomt zij dat energie-intensieve
bedrijven Nederland verlaten als gevolg van falend beleid?
Het kabinet onderschrijft het belang van een gelijk speelveld binnen de Europese Unie.
In EU-verband zet Nederland zich in voor consistente toepassing van Europese regels
en het voorkomen van onnodige nationale koppen die het concurrentievermogen kan verstoren.
Daarnaast brengt Nederland in diverse Europese gremia onder de aandacht dat de elektriciteitsrekening
voor internationaal concurrerende bedrijven in Nederland hoger is dan in omringende
landen. Het uitgangspunt is dat het beleid zo wordt vormgegeven dat bedrijven binnen
de EU onder vergelijkbare voorwaarden kunnen opereren. Op nationaal niveau zijn al
maatregelen genomen om het gelijk speelveld te verbeteren, zoals het afschaffen van
de CO2-heffing. Ook wordt met de uitvoering van de actieagenda elektrificatie industrie
gepoogd het gelijk speelveld te verbeteren en elektriciteitskosten te verlagen.19
26. Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of het kabinet zich ondubbelzinnig
zal inzetten voor het terugdringen van de regeldruk. Ondersteunt het kabinet de zogenoemde
omnibuspakketten die gericht zijn op lastenverlichting voor het bedrijfsleven, en
is het bereid daar in de Raad actief voor te pleiten? Wat gaat het kabinet concreet
doen om te voorkomen dat deze voorstellen worden afgezwakt? Is het kabinet bovendien
bereid zich uit te spreken tegen nationale koppen bovenop Europese regelgeving en
kan worden toegezegd dat het kabinet zich actief zal verzetten tegen het opnieuw invoeren
van aanvullende nationale eisen bovenop Europese verplichtingen?
Het terugdringen van onnodige regeldruk is een prioriteit van dit kabinet. Zoals in
het coalitieakkoord beschreven schrappen of vereenvoudigen we minimaal 500 regels
per jaar. Veel regeldruk wordt veroorzaakt door EU-regelgeving, dus ook daar moeten
we iets aan doen. Daarvoor is het in de eerste plaats van belang dat het kabinet regeldruk
nadrukkelijk meeweegt in standpuntbepalingen en onderhandelingen over nieuwe EU-regelgeving,
om het ontstaan van regeldruk in nieuwe EU regelgeving zoveel mogelijk tegen te gaan.
In de tweede plaats wil het kabinet samen met de Europese Commissie en andere lidstaten
regeldruk in bestaande EU-regelgeving aanpakken. De omnibusvoorstellen van de Commissie
vormen een goede gelegenheid om dat te doen. Ik zal mijn collega's in het kabinet
aansporen om de kansen die de omnibusvoorstellen bieden om onnodige regeldruk te verminderen,
zoveel mogelijk te benutten.
Zoals ook in het coalitieakkoord beschreven, wil het kabinet onnodige nationale koppen
op Europese regels schrappen. Europese regelgeving wordt zoveel mogelijk lastenluw,
1-op-1 geïmplementeerd. Ik zal me ervoor inzetten dat wanneer het kabinet overweegt
om aanvullende nationale eisen te stellen, bovenop Europese verplichtingen, dit goed
wordt gemotiveerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad van Concurrentievermogen en hebben daarbij enkele vragen.
Europees Concurrentievermogenfonds (ECF)
27. De leden van de CDA-fractie ondersteunen de inzet voor een ambitieus ECF. Wel
zijn zij benieuwd hoe de vier thematische vensters van het ECF concreet uitgewerkt
worden en in hoeverre de Nederlandse prioriteiten zoals geschetst in de Nationale
Technologie strategie20 en de zes strategische markten uit de brief aan de Kamer Industriebeleid met focus21 in het ECF worden meegenomen. Kan het kabinet daar inzicht in geven?
Zoals ook toegelicht in het BNC-fiche op het ECF, zet het kabinet binnen de vier vensters
waar mogelijk in op een focus op de meest strategische technologieën en sectoren.
Het kabinet acht het van belang dat middelen gericht worden ingezet op die domeinen
waar de EU het verschil kan maken op het gebied van concurrentievermogen, weerbaarheid
en maatschappelijke uitdagingen. Een dergelijke scherpe prioritering sluit ook aan
bij de nationale prioritering, met de door de leden aangehaalde Nationale Technologiestrategie
en strategische markten uit het industriebeleid met focus. Het kabinet zal zich er
in de onderhandeling voor inzetten dat deze strategische prioriteiten terugkomen in
de thematische uitwerking van het ECF. Tegelijkertijd constateert het kabinet dat
het ECF-voorstel een breed scala doelen en activiteiten kan steunen en dat het in
de dynamiek van de onderhandelingen tussen de 27 lidstaten er veel verschillende wensen
leven. Gezien de flexibelere vormgeving van het ECF ten opzichte van veel huidige
MFK-programma’s zal ook in de implementatiefase, vanaf 2028, blijvende aandacht nodig
zijn om strategische focus te waarborgen.
28. De leden van de CDA-fractie zijn ook voorstander van het samenvoegen van het gefragmenteerde
EU-financieringslandschap om zo meer focus, duidelijkheid en slagkracht te creëren.
Om vergelijkbare redenen hebben deze leden daarom ook gepleit voor de Nederlandse
Investeringsinstelling (NII). Kan het kabinet aangegeven in hoeverre met de huidige
vormgeving van het ECF actief wordt ingezet op samenwerking met nationale (Nederlandse)
instellingen, zoals bijvoorbeeld de nog op te zetten NII en het Nationaal Agentschap
voor Disruptieve Innovatie (NADI)?
Momenteel wordt er over het ECF onderhandeld, het kabinet zet erop in meer investeringen
los te maken om ons concurrentievermogen te versterken. Het InvestEU instrument onder
het ECF is een belangrijke manier om hier private investeringen voor aan te trekken.
Dit aandeel zou dus, wat het kabinet betreft, vergroot moeten worden. Invest-NL is
momenteel de enige Nederlandse uitvoerende partner van InvestEU. Het kabinet zet zich,
in overeenstemming met het BNC-fiche, in voor behoud van het open karakter zodat organisaties
als Invest-NL in de nieuwe periode deze status kunnen behouden. Als het ECF is aangenomen
en duidelijk is hoe het ECF Europees precies wordt vormgegeven, zal moeten worden
bezien welke rol nationale partijen, als NADI en de nog op te richten investeringsinstelling,
kunnen spelen zodat Nederlandse partijen optimaal gebruik kunnen maken van Europese
middelen uit het ECF.
Horizon Europe
29. De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op een samenhangende en
integrale doorontwikkeling van Horizon Europe in de volgende programmaperiode. De
leden vragen zich af welke successen van het huidige kaderprogramma het kabinet identificeert
als cruciaal en op welke wijze het kabinet zich inzet om deze succesfactoren te borgen
in de regelgeving en governance van het nieuwe kaderprogramma?
De inzet van het kabinet ten aanzien van de onderhandelingen over Horizon Europe (2028–2034)
staat uiteengezet in het BNC-fiche.22 Het voorstel voor Horizon Europe bouwt sterk voort op het huidige kaderprogramma
Horizon Europe (2021–2027), waaraan Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven zeer
succesvol deelnemen.
Excellentie en impact zijn de belangrijkste succesfactoren in het huidige programma
en vormen het uitgangspunt voor de Nederlandse inzet onder het volgende kaderprogramma.
Daarnaast is open competitie essentieel om excellentie te bevorderen. Ook zet het
programma in op open science en faciliteert het programma internationale samenwerking
met niet EU-landen, waarmee we de ontwikkeling van onze kennis versnellen en meer
impact bereiken wereldwijd. Publiek en publiek-private samenwerking via een coherent
thematisch portfolio met partnerschappen zijn tevens succesfactoren en versterken
de nationale inzet op O&I.
Nederland zet zich in de onderhandelingen over Horizon Europe (2028–2034) in op een goede inbedding van al deze factoren. Het kabinet stuurt daarbij
aan op een governance-structuur en programmering die de gezamenlijke verantwoordelijkheid van lidstaten
en de Commissie reflecteert en de succesfactoren prioriteert.
30. Tot slot, lezen de leden van de CDA Fractie dat het kabinet extra aandacht heeft
voor kennisveiligheid, met name op het gebied van dual-use en defensie O&I. Kan het kabinet nader toelichten hoe het spanningsveld, tussen open
Europese samenwerking en kennisveiligheid, er in de praktijk uitziet, en op welke
wijze Nederland zich inzet om binnen het kaderprogramma dual-use onderzoek en innovatie op een uitvoerbare en toekomstbestendige wijze te versterken?
Het spanningsveld tussen open samenwerking en kennisveiligheid betreft de afweging
in hoeverre openheid geborgd kan blijven om internationale samenwerking te faciliteren
en in hoeverre geslotenheid noodzakelijk is om bepaalde kennis te beschermen. Voor
Nederland is het belangrijk dat kennisveiligheidsmaatregelen, waar relevant en noodzakelijk,
deel uitmaken van open samenwerking, volgens het adagium «zo open als mogelijk, zo
gesloten als nodig», en dat er binnen Europa een gelijk speelveld wordt gecreëerd.
Ten aanzien van het uitvoerbaar en toekomstbestendig verankeren van dual-use onderzoek en innovatie in het kaderprogramma benadrukt Nederland de noodzaak voor
heldere regelgeving, opgesteld in samenspraak met lidstaten, waarin duidelijke deelnamevoorwaarden,
evaluatie- en geschiktheidscriteria, verantwoordelijkheidsafspraken, implementatiemodaliteiten
en monitoringsmechanismen staan beschreven. Het kabinet benadrukt hierbij onder andere
het belang van openheid en tussentijdse bijsturingsmogelijkheden voor samenwerkingsmogelijkheden
met niet-EU landen; het waarborgen van de toegankelijkheid voor civiele partijen;
proportionele veiligheidseisen; het inbedden van ethische kaders en de toepassing
van open science.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier