Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Piri, Van der Werf en Boswijk over de militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden
Vragen van de leden Piri (GroenLinks-PvdA), Van der Werf (D66) en Boswijk (CDA) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de militaire campagnes van Syrische regeringstroepen tegen Koerden (ingezonden 26 januari 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 20 februari 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de militaire campagne door troepen van de Syrische overgangsregering
tegen de Democratische Autonome Administratie van Noord- en Oost-Syrië en van de totale
blokkade van de stad Kobani?1
Antwoord 1
Het kabinet is bekend met berichtgeving over de recente gevechten tussen de Syrische
overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) in noordoost-Syrië en ook met
de meldingen over beperkingen van toegang tot de stad Kobani. Door de gevechten tussen
het Syrische leger en de SDF in het noordoosten van Syrië, zijn sinds 6 januari 157.500
mensen ontheemd geraakt en is, met name in Kobani, de toegang tot onder meer water,
voedsel en elektriciteit beperkt geweest.
Op 30 januari jl. tekenden de Syrische overgangsregering en de SDF een overeenkomst,
waarin onder andere een permanent staakt-het-vuren is vastgelegd. Het kabinet verwelkomt
deze ontwikkeling en stelt vast dat de situatie in noordoost-Syrië sindsdien relatief
stabiel is.
Specifiek ten aanzien van Kobani beschikt het kabinet niet over indicaties dat er
nu sprake is van een totale blokkade. Sinds 25 januari bereiken humanitaire konvooien
van VN-organisaties, internationale- en lokale- ngo’s Kobani, Qamishli en Al-Hasakah
via drie humanitaire corridors. Volgens de VN zijn op 25 januari en 2 februari jl.
respectievelijk 24 en 23 vrachtwagens met hulpmiddelen in Kobani aangekomen. Het is
wel van belang dat de hulp verder wordt opgeschaald; de beperkte humanitaire middelen
en volatiele situatie zorgen er voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen
worden. Het kabinet pleit daarom voor volledige, ongehinderde en veilige humanitaire
toegang tot het gebied.
Vraag 2
Kwalificeert het kabinet het volledig afsluiten van een bevolking van water, elektriciteit
en internet als een oorlogsmisdaad? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
Het humanitair oorlogsrecht verbiedt het uithongeren van burgers en het collectief
straffen van de burgerbevolking. Het opzettelijk onthouden van essentiële goederen
kan, afhankelijk van de context een ernstige schending van het humanitair oorlogsrecht
vormen.
Het opzettelijk gebruikmaken van uithongering van burgers als methode van oorlogvoering
door deze voorzieningen te onthouden die onontbeerlijk zijn voor overleving, waaronder
het opzettelijk belemmeren van de aanvoer van hulpgoederen zoals voorzien in de Verdragen
van Genève, is een oorlogsmisdrijf.
Voor een beoordeling of er sprake is van schending van het humanitair oorlogsrecht
óf een oorlogsmisdrijf is het nodig alle feiten en omstandigheden te kennen. Het kabinet
roept op tot zorgvuldig en onafhankelijk onderzoek naar de feitelijke omstandigheden,
zodat een bevoegde rechter hierover een uitspraak kan doen.
Vraag 3
Op welke manier oefent het kabinet, eventueel in samenwerking met de Europese Unie
(EU), druk uit op de Syrische regering om de blokkade van Kobani en de gewapende strijd
tegen de Koerden onmiddellijk te stoppen?
Antwoord 3
Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag één, stelt het kabinet op dit moment niet
vast dat sprake is van een volledige blokkade. De beperkte humanitaire middelen en
volatiele situatie zorgen er echter voor dat niet alle hulpbehoevenden bereikt kunnen
worden. Het kabinet pleit daarom bij de Syrische autoriteiten voor volledige, ongehinderde
en veilige humanitaire toegang tot het gebied.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de recente acties van de Syrische overgangsregering en de aan haar
gelieerde milities ten aanzien van de Syrian Democratic Forces in Noord-Syrië?
Antwoord 4
Het kabinet heeft de recente ontwikkelingen tussen de Syrische overgangsregering en
de SDF nauwgezet en met zorg gevolgd. Duidelijk is dat de twee partijen, na het tekenen
van de overeenkomst van 10 maart 2025 waarin een inclusieve en duurzame integratie
van de SDF en SDF-gebieden in de Syrische staat is overeengekomen, het niet eens konden
worden over de praktische implementatie van deze overeenkomst op een aantal punten.
Sinds die tijd is regelmatig sprake geweest van vijandelijkheden tussen de twee partijen.
Op basis van de vele tegenstrijdige berichten en de moeilijkheden om berichtgeving
te kunnen verifiëren, is het lastig om vast te stellen wie hierbij welke verantwoordelijkheid
draagt. Uit berichtgeving komt het beeld naar voren dat sprake is van schendingen
van het internationaal recht door beide partijen, waarvan ernst en schaal vooralsnog
onduidelijk blijven, afgezien van niet geverifieerde berichten over individuele gevallen.
Vraag 5
Maakt het kabinet zich zorgen over mogelijke slachtpartij tegen Koerden, na de gebeurtenissen
in Suweida tegen Druzen en in de kustregio tegen Alawieten? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Op dit moment zijn er geen indicaties dat sprake is van een reëel risico op systematisch
of grootschalig geweld gericht op de Koerdische bevolking. In de eerste plaats omdat
ook bij de recente gevechten in Aleppo en andere delen van noordoost Syrië hier geen
sprake van is geweest. Anderzijds omdat van een gewapend conflict op dit moment geen
sprake is en, sinds de overeenkomst van 30 januari jl., de eerste stappen worden gezet
naar een duurzame en vreedzame oplossing en integratie van het noordoosten in de Syrische
staat. Onderdeel hiervan is dat beide partijen zich hebben teruggetrokken van militaire
posities en alleen sprake is van beperkte aanwezigheid van politie- en veiligheidsdiensten
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Syrische overgangsregering in steden
als Hasakeh en Qamishli.
Vraag 6
Kan het kabinet bevestigen dat Turkije een actieve rol speelt bij de militaire campagne
tegen de Koerden, onder meer door financiering en opleiding van de Syrische strijdkrachten
en het gebruik van drones bij ernstige mensenrechtenschendingen, alsook het uitoefenen
van diplomatieke druk?
Antwoord 6
In algemene zin is bekend dat de Syrische overgangsregering en Turkse autoriteiten
nauwe banden met elkaar onderhouden. Zo sloten de twee landen in augustus 2025 een
defensieovereenkomst, gericht op onder meer training en capaciteitsopbouw. Het kabinet
heeft geen indicaties dat Turkije direct betrokken is geweest bij de gebeurtenissen
in Aleppo van begin januari. Datzelfde geldt voor de gebeurtenissen in Noordoost-Syrië
later die maand. Mediaberichten over Turkse droneaanvallen in Noordoost-Syrië kan
het kabinet in dit kader niet bevestigen.
Vraag 7
Is het kabinet ervan op de hoogte dat het Syrische leger jihadistische elementen,
voormalige ISIS en Al Qaeda strijders bevat en er inmiddels voldoende bewijzen zijn
dat onderdelen van het leger en aan Damascus gelieerde milities zich schuldig hebben
gemaakt aan ernstige mensenrechtenschendingen? Zo nee, op welke manier vergaart het
kabinet informatie over de situatie in Syrië?
Antwoord 7
Het kabinet is zich bewust van de achtergrond van verschillende groepen en individuen
die actief zijn in Syrië en van zorgwekkende berichten over mensenrechtenschendingen,
zoals bijvoorbeeld begaan in maart 2025 in Latakia en in juli 2025 in Sweida. Ten
aanzien van het geweld in Latakia hebben zowel het nationale, Syrische onderzoeks-comité
als de Commission of Inquiry (CoI) vastgesteld dat sprake is geweest van mensenrechtenschendingen
door zowel groeperingen gelinkt aan voormalig president Assad, als van zijde van het
leger van de Syrische overgangsautoriteiten en daaraan gelieerde gewapende groeperingen.
Het nationale onderzoeks-comité heeft hierbij 563 verdachten vastgesteld. Sinds november
lopen de eerste rechtszaken naar aanleiding van de bevindingen. De onderzoeken van
een nationaal onderzoek comité en de CoI naar de gewelddadigheden in Sweida lopen
op dit moment nog. Het kabinet volgt de ontwikkelingen ten aanzien van de onderzoeksuitkomsten
en de opvolging van de aanbevelingen daaruit nauwgezet.
Vraag 8
Erkent het kabinet de belangrijke rol die de Koerdische strijdkrachten hebben gespeeld
bij het verslaan van ISIS en het ontmantelen van het IS kalifaat, en het bewaken van
9.000 IS gevangenen? Zo ja, voelt het kabinet dan ook de verplichting om nu de Koerden
bij te staan?
Antwoord 8
Het kabinet erkent de belangrijke rol die de SDF heeft gespeeld in de strijd tegen
IS en bij het beveiligen van detentiefaciliteiten. Deze inzet heeft bijgedragen aan
de internationale veiligheid.
Het kabinet blijft zich inzetten voor een stabiel en veilig Syrië, waarin de rechten
van alle Syrische gemeenschappen, waaronder die van de Koerden, geborgd zijn. Eveneens
ondersteunt het kabinet de inclusieve, politieke transitie en integratie van de SDF
en de SDF-gebieden in de Syrische staat, waartoe de SDF zich op 10 maart 2025 – en
opnieuw op 30 januari jl. – heeft gecommitteerd.
Vraag 9
Hoe beoordeelt het kabinet de veiligheidssituatie nu een aantal IS-gevangenissen zijn
overgenomen door het Syrische leger en ook honderden IS-strijders lijken te zijn ontsnapt/bevrijd?
Op welke manier vormt dit een veiligheidsrisico voor Nederland?
Antwoord 9
Het is bekend dat er individuen uit kampen en detentiefaciliteiten zijn ontsnapt waarin
zich aan IS-gelieerde personen bevinden en dat een deel van hen inmiddels ook opnieuw
opgepakt is. Gezien de onoverzichtelijke situatie in noordoost-Syrië en de grote hoeveelheid
aan tegenstrijdige berichten kan er geen zekerheid gegeven worden over exacte aantallen.
Met alle betrokken nationale en internationale partners houdt het kabinet de ontwikkelingen
nauwlettend in de gaten. In het bijzonder gaat het om de situatie in de opvangkampen
en detentiecentra en welke gevolgen de recente gebeurtenissen kunnen hebben voor de
nationale veiligheid. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft
om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op
basis daarvan maatregelen te treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd
en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart.
Vraag 10
Deelt het kabinet de mening dat het verankeren van autonomie, erkenning van culturele
en politieke rechten in de nieuwe Syrische Grondwet voor Koerden en andere minderheden
in Syrië essentieel zijn om vrede te bewaren? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Het kabinet is van mening dat duurzame vrede in Syrië alleen mogelijk is via een inclusieve
politieke transitie waarin de rechten, veiligheid en vertegenwoordiging van alle Syrische
gemeenschappen worden geborgd.
Vraag 11
In de Koerdische regio Rojava worden de rechten van vrouwen gewaarborgd en is er in
het bestuur en de rechtspraak sprake van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, welke
concrete stappen neemt het kabinet om deze gelijkwaardigheid te beschermen?
Antwoord 11
Nederland zet zich wereldwijd in voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, onder meer
via het FOCUS-instrument en steun aan maatschappelijke organisaties. Deze inzet geldt
ook voor Syrië, waarbij specifiek aandacht is voor de positie van vrouwen in conflict-
en postconflictsituaties.
Vraag 12
Welke invloed heeft het recente handelen van de Syrische autoriteiten op eventuele
normalisatie van relaties tussen Syrië enerzijds, en Nederland en de EU anderzijds?
Antwoord 12
De mate waarin de Syrische overgangsautoriteiten hun beloften blijken na te komen
ten aanzien van een inclusieve politieke transitie en borging van de rechten en veiligheid
van alle Syrische gemeenschappen, vormen een belangrijk onderdeel in de eventuele
normalisatie van relaties.
Vraag 13
Op welke manier levert het kabinet druk uit binnen de EU om de voorwaarden voor hulpgelden
streng na te leven? En vindt het kabinet dat de voorwaarden op dit moment door het
Syrische regime voldoende worden nageleefd?
Antwoord 13
In EU-verband onderstreept het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder2, dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen
te worden en dat voorwaarden voor steun streng nageleefd moeten worden. Bij de Raad
Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. heeft het kabinet dit punt wederom uitgedragen.3 Ook blijft het essentieel dat financiële EU-steun gepaard gaat met adequate monitorings-
en evaluatiemechanismen, iets waar het kabinet consequent voor pleit, ook ten aanzien
van programmering in Syrië.
Op dit moment ziet het kabinet de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda
presenteren die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten
voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden. Het kabinet
verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president al-Sharaa getekende
decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel
van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden
het burgerschap toegekend zal worden.
Op basis hiervan concludeert het kabinet op dit moment dat de Syrische overgangsregering
de vastgestelde voorwaarden ten aanzien van de borging van de rechten en veiligheid
van alle Syrische gemeenschappen voldoende naleeft. Tegelijkertijd blijft het kabinet
het handelen van de Syrische overgangsregering nauwgezet monitoren, ook in het kader
van EU-steun. Het gaat dan ook om belangrijke eerste stappen. Het kabinet benadrukt
dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende
aandacht en concrete uitvoering vergen. De ontwikkelingen op dit gebied worden dan
ook nauwgezet gevolgd.
Vraag 14
Op welke manier heeft u de aangenomen motie Piri uitgevoerd, die het kabinet verzocht
in alle contacten met Syrische autoriteiten aan te blijven dringen op onafhankelijke
monitoring, berechting van misdaden en de bescherming van minderheden?4
Antwoord 14
Het kabinet heeft in bilaterale en multilaterale contacten consequent aangedrongen
op onafhankelijke monitoring, berechting van misdrijven en bescherming van alle Syrische
gemeenschappen. Daarnaast ondersteunt Nederland actief VN-mechanismen die zich hierop
richten, waaronder het OHCHR-landenkantoor in Damascus, de Commission of Inquiry (CoI)
en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM). Ook zet Nederland
zich gericht in op de bescherming van religieuze minderheden, waaronder in Syrië.
via het beleidskader FOCUS binnen het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten
van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» (2026–2031)
Vraag 15
In het licht van alle aanvallen tegen minderheden, waarom heeft u besloten om geen
aanvullende middelen vrij te maken voor het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten,
waar de aangenomen motie Piri c.s. om verzocht?5 Bent u bereid uw besluit te herzien? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 15
Het kabinet maakt bij financiering afwegingen op basis van effectiviteit, complementariteit
en aansluiting bij bestaande internationale mechanismen. Nederland levert reeds een
substantiële bijdrage aan VN- en andere internationale onderzoeksmechanismen. Momenteel
worden mogelijkheden verkend om de inzet verder te versterken, waarbij de focus ligt
op het voortzetten en verdiepen van bestaande, langdurige partnerschappen, in het
bijzonder met de VN-bewijzenbank IIIM, en niet op het aangaan van nieuwe partnerschappen
met Ngo’s. Gezien de beperkte financiële ruimte is er, naast de lopende steun aan
mensenrechtenorganisaties, op dit moment geen ruimte voor aanvullende Nederlandse
financiële steun aan het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten. Het kabinet
ziet daarom geen aanleiding het besluit te herzien.
Vraag 16
Wat vindt u van het einde van de Amerikaanse steun aan de Koerden, na vijftien jaar
bondgenootschap in de strijd tegen IS?
Antwoord 16
Het is aan de Verenigde Staten om hun buitenlands beleid vorm te geven. Het kabinet
onderstreept het belang van internationale betrokkenheid bij stabiliteit in noordoost-Syrië
en blijft hierover in gesprek met partners.
Vraag 17
Heeft u in de afgelopen weken contact gehad met de Koerdische diaspora in Nederland
en geluisterd naar hun zorgen? Zo nee, bent u bereid dat te doen?
Antwoord 17
Het ministerie onderhoudt doorlopend contact met Syrische gemeenschappen en diaspora
in Nederland, waaronder vertegenwoordigers van de Koerdische gemeenschap. Het kabinet
blijft bereid deze zorgen aan te horen en mee te nemen in beleidsvorming.
Vraag 18
Kunt u bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 18
Ja.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.