Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 903 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet register onderwijsdeelnemers in verband met de wettelijke borging van diverse verwerkingen van persoonsgegevens in het funderend onderwijs (Wet borging gegevensverwerkingen funderend onderwijs)
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
I.
Algemeen deel
3
1.
Inleiding
3
2.
Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs
4
2.1
Aanleiding
4
2.2
Probleembeschrijving
7
2.3
Doel van het voorstel
7
2.4
Kern van het voorstel
7
2.4.1
Wettelijke taak en afbakening
8
2.4.2
Eisen aan het instrument en de te monitoren aandachtsgebieden
9
2.4.3
Verwerking persoonsgegevens en mitigerende maatregelen
10
2.4.4
Informatievoorziening en niet-verplichte deelname
12
2.4.5
Rapportage voor deelnemende scholen
12
2.4.6
Ministeriële regeling
14
3.
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
15
3.1
Aanleiding
16
3.2
Probleembeschrijving
17
3.2.1
Verantwoording en vergelijking
17
3.2.2
Informatieproducten
18
3.3
Doel van het voorstel
19
3.4
Kern van het voorstel
20
3.4.1
Benodigde gegevens personeel
20
3.4.2
Niveau van aggregatie
21
4.
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
22
4.1
Aanleiding en probleembeschrijving
22
4.2
Doel en kern van het voorstel
23
5.
Verhouding tot hoger recht
25
5.1
Algemeen wettelijk kader
25
5.2
Landelijke veiligheidsmonitor
26
5.2.1
Verhouding tot het wettelijk kader
26
5.2.2
Noodzaak & proportionaliteitsafweging
27
5.2.3
Geschikt middel voor het te bereiken doel
30
5.2.4
Belangenafweging
30
5.2.5
Proportionaliteitswaarborgen: risico-mitigerende maatregelen
31
5.2.6
Subsidiariteitsbeginsel: alternatieven
34
5.2.7
Conclusie
35
5.3
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
36
5.3.1
Doel
36
5.3.2
Verhouding tot wettelijk kader
36
5.3.3
Mitigerende maatregelen
36
5.3.4
Noodzaak
38
5.3.5
Proportionaliteit
39
5.3.6
Subsidiariteit: Overwogen alternatieven
40
5.4
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
42
5.4.1
Noodzaak
42
5.4.2
Aansluiting bij systematiek Wet register onderwijsdeelnemers
42
5.4.3
Subsidiariteit: alternatief
43
5.4.4
Conclusie
43
6.
Verhouding tot nationale regelgeving
43
6.1
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
43
7.
Gevolgen
44
7.1
Landelijke veiligheidsmonitor
44
7.1.1
Gevolgen voor het doenvermogen
44
7.1.2
Gevolgen voor de regeldruk
45
7.2
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
49
7.3
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
49
8.
Uitvoering, toezicht en handhaving
49
8.1
Landelijke veiligheidsmonitor
50
8.2
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
51
8.3
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
52
9.
Financiële gevolgen
52
10.
Caribisch Nederland
52
10.1
Landelijke veiligheidsmonitor
52
10.2
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
53
10.3
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
53
11.
Advies en consultatie
53
11.1.
Internetconsultatie
53
11.1.1
Landelijke Veiligheidsmonitor
53
11.1.2.
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
55
11.1.3
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
56
11.2.
Autoriteit Persoonsgegevens
57
11.3.
Adviescollege Toetsing Regeldruk
57
11.3.1.
Landelijke veiligheidsmonitor
57
11.3.2
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
58
11.3.3
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
59
12.
Inwerkingtreding
59
II.
Artikelsgewijs deel
60
I. Algemeen
1. Inleiding
Kennisgedreven beleid is één van de pijlers om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren
of te verrijken. Daarbij wordt beleid ontwikkeld en uitgevoerd dat effectief en efficiënt
is en dat is gebaseerd op bewezen praktijken en de best beschikbare kennis uit onderzoek.
Om kennisgedreven beleid (ook wel «evidence-informed» werken genoemd) mogelijk te
maken moeten organisaties over actuele, betrouwbare en accurate gegevens beschikken
over de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid van het onderwijs in brede zin.
Bevoegde gezagen, de PO-raad en de VO-raad (hierna: de sectorraden), de Minister van
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) (hierna: de Minister) en andere stakeholders
gebruiken deze gegevens (i) om informatie te genereren en op basis hiervan beleid
te ontwikkelen, bij te stellen en te evalueren en (ii) voor verantwoording en het
vergelijken van relevante kengetallen.
In de afgelopen jaren is de aandacht voor het belang van kennisgedreven beleid toegenomen
bij alle genoemde actoren, mede in het licht van het Masterplan basisvaardigheden
en de discussie over sturing van het onderwijs.1 In een aangekondigd wetsvoorstel over de actualisering van deugdelijkheidseisen zal
ook een eis aan bevoegde gezagen (in het bijzonder gericht op schoolbesturen) worden
opgenomen over evidence-informed werken.2 Verder kent de Landelijke Veiligheidsmonitor funderend onderwijs een specifiek belang
vanwege het vergroten van de kennis over de veiligheid op scholen, op basis waarvan
de Minister en schoolbesturen gericht veiligheidsbevorderend beleid kunnen voeren.
Dit sluit aan bij de agenda ter bevordering van vrij en veilig onderwijs (als specifiek
onderdeel van en randvoorwaarde voor de onderwijskwaliteit) en het wetsvoorstel Vrij
en veilig onderwijs.3 Onderhavig wetsvoorstel strekt er daarom toe een drietal grondslagen te creëren voor
de verwerking van persoonsgegevens in het kader van kennisgedreven beleid.
Er wordt een wettelijke grondslag gecreëerd voor gegevensverwerkingen voor:
1) Het tweejaarlijks afnemen van de Landelijke Veiligheidsmonitor in het funderend onderwijs;
2) Het verstrekken van personeelsgegevens aan de PO- en VO-raad voor de ondersteuning
van schoolbesturen en samenwerkingsverbanden bij verantwoording en vergelijking;
3) Het verstrekken van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers (ROD) aan de Nederlandse
Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), ten behoeve van door de NWO gefinancierd
en gecoördineerd onderwijsonderzoek.
De drie onderdelen van het wetsvoorstel worden hieronder nader toegelicht.
Begrippen
Daar waar sprake is van primair onderwijs, wordt, tenzij anders aangegeven, ook bedoeld
het speciaal basisonderwijs (sbo) en speciaal onderwijs (so). Daar waar het gaat over
voortgezet onderwijs omvat dat, tenzij anders aangegeven, ook het voortgezet speciaal
onderwijs (vso).
Veiligheid betreft de sociale, psychische en fysieke veiligheid op school in aansluiting
op de zorgplicht voor de veiligheid zoals opgenomen in de sectorwetgeving.4
Met het begrip «personeel» wordt aangesloten bij de definitiebepaling in de sectorwetgeving.
Daaronder worden naast leraren ook verstaan de (con)rector, (adjunct)-directeur en
personeel in een andere functie dan het geven van onderwijs. Ook personeel dat zonder
benoeming tewerkgesteld is, valt onder deze definitie, zoals uitzendkrachten en gedetacheerden.5
Naast de wettelijke term «bevoegd gezag» wordt in de toelichting vaak verwezen naar
het «schoolbestuur», waarbij deze term wordt gebruikt als synoniem voor het bevoegd
gezag dan wel als aanduiding van dit onderdeel binnen de rechtspersoon.
2. Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs
Met de Landelijke veiligheidsmonitor funderend onderwijs (hierna: LVM) wordt een noodzakelijke
kennisbasis gecreëerd voor het ontwikkelen van doeltreffend en doelmatig landelijk
beleid op het gebied van sociale veiligheid in het funderend onderwijs. Voor de uitvoering
van de LVM is het noodzakelijk om een combinatie van persoonsgegevens te verwerken,
waaronder bijzondere persoonsgegevens en bij uitzondering persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard. Met dit wetsvoorstel wordt daarvoor de benodigde grondslag gecreëerd. Daarnaast
wordt een aantal mitigerende maatregelen voorgesteld ter bescherming van de rechten
en vrijheden van de betrokkenen. De toename van de regeldruk als gevolg van dit onderdeel
van het wetsvoorstel is zeer beperkt omdat de LVM al vele jaren wordt afgenomen en
vanwege de overlap met de reeds bestaande leerlingmonitorverplichting (zie verder
paragraaf 2.4.5. en 7.1.2.).
2.1 Aanleiding
Elke leerling en elk personeelslid op een school heeft recht op een veilige schoolomgeving.
Tegelijkertijd is een veilig schoolklimaat ook een randvoorwaarde voor kwalitatief
goed onderwijs. Deze veiligheid is namelijk nodig voor een optimale leeromgeving en
een gezonde ontwikkeling van leerlingen. Voor het personeel is een veilig schoolklimaat
van vitaal belang, zodat zij zich zo goed mogelijk kunnen richten op de kerntaak van
de school, namelijk het aanbieden van goed onderwijs. De veiligheidsbeleving van de
leerlingen en het personeel gezamenlijk vormt een belangrijk element van het veiligheidsklimaat
op school. Het is daarom van belang om bij het treffen van maatregelen om de veiligheid
op school te verbeteren, beide groepen te betrekken. Om een veilige schoolomgeving
te borgen is in de sectorwetgeving al een zorgplicht voor de veiligheid op school
opgenomen.6 Het bevoegd gezag is daarbij verplicht om jaarlijks de veiligheid op school te monitoren
en het veiligheidsbeleid te evalueren. De resultaten van de leerlingmonitor dienen
bij de evaluatie te worden meegenomen.7 De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet toe op de wijze waarop het
bevoegd gezag invulling geeft aan haar zorgplicht.
De zorgplicht voor de veiligheid op school is allerminst een eenvoudige taak. De complexiteit
van veel sociaal onveilige situaties maakt dat het bepalen van de juiste aanpak ingewikkeld
is. Bovendien betreft het uitingsvormen of gedragingen die soms hardnekkig en lang
niet altijd zichtbaar zijn, zoals pesten of seksueel grensoverschrijdend gedrag. Daarbij
is de samenleving continu in beweging. Door ontwikkelingen zoals sociale media kunnen
nieuwe uitingsvormen van onveilig gedrag ontstaan. Ook kan het veiligheidsklimaat
van één specifieke groep verslechteren als gevolg van maatschappelijke spanningen.8 Tegelijkertijd verandert de maatschappelijke kijk op sociale veiligheid en de acceptatie
van bepaalde gedragingen.9 Dit alles vraagt veel van scholen.
De Minister wil als stelselverantwoordelijke de bevoegde gezagen zo goed mogelijk
ondersteunen bij de invulling van hun zorgplicht voor de veiligheid op school. Daarvoor
is landelijk beleid op het gebied van sociale veiligheid van belang. Bijvoorbeeld
door richting te geven via kaders in de Wet vrij en veilig onderwijs. Ook draagt de
inspectie bij aan het borgen van de sociale veiligheid in het onderwijs, via zowel
toezicht op de veiligheid op scholen, het werk van de vertrouwensinspecteurs als thematische
onderzoeken.10 Daarnaast subsidieert de Minister de Stichting School en Veiligheid, die scholen
ondersteunt bij het bevorderen van een sociaal veilig klimaat.11
Om doeltreffend en doelmatig beleid te kunnen voeren op het gebied van sociale veiligheid
en om bevoegde gezagen gericht te kunnen ondersteunen bij de zorgplicht voor de veiligheid
op school, is betrouwbare kennis over het landelijk veiligheidsklimaat nodig, inclusief
zicht op zowel trends als trendverschillen op dat gebied (gedifferentieerd zicht).12 Met dat doel wordt in opdracht van de Minister eens in de twee jaren de LVM uitgevoerd.13
De resultaten van de meest recente editie van de LVM wijzen op een stijging van verschillende
uitingsvormen van sociaal onveilig gedrag en op belangrijke verschillen in de veiligheid
voor bepaalde groepen.14 Een voorbeeld is een stijging van het aantal leerlingen dat aangaf gepest te worden
en het aantal leerlingen en personeelsleden dat aangaf te maken te krijgen met geweldsincidenten.15 Ook bleek uit die gegevens dat vooral familieleden van leerlingen relatief vaak betrokken
zijn bij geweldsincidenten jegens het personeel. Daarnaast bleek bijvoorbeeld dat
meisjes in het voortgezet onderwijs (vo) met andere vormen van pesten te maken krijgen
dan jongens en dat bepaalde groepen zoals lhbtiq+-leerlingen en leerlingen met een
migratieachtergrond vaker aangeven het slachtoffer te zijn van uitingsvormen van sociaal
onveilig gedrag, zoals pesten of discriminatie.16 Om zicht te kunnen houden op dit soort trends en trendverschillen dienen de resultaten
van de LVM uitgesplitst te kunnen worden voor bepaalde onderwijssoorten en voor specifieke
groepen.
Om de LVM uit te kunnen voeren en de resultaten van de LVM op de benodigde manier
uit te kunnen te splitsen is het noodzakelijk persoonsgegevens te verwerken, waaronder
bijzondere persoonsgegevens en in uitzonderlijke gevallen persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard. Voor deze gegevensverwerkingen is op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming
(hierna: AVG) een toereikende grondslag vereist. In 2023 werd geconstateerd dat voor
de verwerking van persoonsgegevens voor de LVM een wettelijke grondslag en uitzondering
op het verbod op verwerking van bijzondere persoonsgegevens nodig is. Vervolgens heeft
de Staatssecretaris van OCW aan de Tweede Kamer toegezegd een grondslag in de onderwijswetgeving
op te nemen, zodat de verwerking van de benodigde persoonsgegevens op een juiste en
passende wijze verankerd en geborgd is in de wet.17
2.1.1 Belang van de LVM
De LVM is een noodzakelijk instrument om op landelijk niveau zicht te krijgen en te
houden op de (sociale) veiligheid en de veiligheidsbeleving op school. In de eerste
plaats geeft de LVM het noodzakelijke inzicht in verschillende aandachtsgebieden ten
aanzien van de sociale, psychische en fysieke veiligheid op school. De LVM geeft inzicht
in de ervaringen met verschillende uitingsvormen van onveilig gedrag (de feitelijke
veiligheid), het veiligheidsgevoel (de ervaren veiligheid), en het welbevinden van
leerlingen en personeel. Bovendien geeft de LVM inzicht in de mate waarin specifieke
onderdelen van veiligheidsbeleid op school door de deelnemers in de praktijk worden
herkend. Ten tweede legt de LVM meerjarige trends én trendverschillen op die verschillende
(aandachts)gebieden bloot (gedifferentieerd zicht), doordat de resultaten kunnen worden
uitgesplitst en over verschillende edities met elkaar vergeleken kunnen worden. De
periodieke metingen zorgen er tevens voor dat betere inschattingen kunnen worden gemaakt
van de validiteit van de resultaten, wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid van de kennis
en de kwaliteit van het daarop gebaseerde beleid.18 Door het veiligheidsklimaat vanuit deze verschillende perspectieven te bekijken,
kunnen afzonderlijke resultaten beter worden geïnterpreteerd en geduid. Dergelijk
multidimensionaal zicht op het veiligheidsklimaat is cruciaal voor het identificeren
van de juiste aangrijpingspunten voor gericht landelijk beleid.
2.2 Probleembeschrijving
Vanwege het ontbreken van de benodigde grondslag voor het verwerken van de benodigde
(bijzondere en strafrechtelijke) persoonsgegevens kan de LVM niet worden gecontinueerd.19 De benodigde kennis over de veiligheid in het funderend onderwijs kan daardoor niet
tot stand worden gebracht, wat de ontwikkeling van doeltreffend en doelmatig landelijk
beleid voor de veiligheid in het funderend onderwijs hindert. Daardoor ontstaat het
risico dat de randvoorwaarden voor de veiligheid en uiteindelijk ook de kwaliteit
van het onderwijs minder goed kunnen worden geborgd.20 Een voorbeeld van beleidsmaatregelen die zonder de LVM zouden zijn bemoeilijkt of
überhaupt wellicht niet bedacht waren, zijn verscheidene maatregelen in het Wetsvoorstel
vrij en veilig onderwijs. De resultaten van eerdere edities van de LVM zijn namelijk
gebruikt voor het ontwerpen en onderbouwen daarvan.
2.3 Doel van het voorstel
Het uitgangspunt van de regering is dat de veiligheid van alle leerlingen en personeelsleden
in het funderend onderwijs zo goed mogelijk wordt geborgd. Met het oog daarop is het
primaire doel van dit onderdeel van het wetsvoorstel om het mogelijk te maken de LVM
uit te voeren en daarmee een betrouwbaar, gedifferentieerd en geanonimiseerd landelijk
beeld te vormen van het veiligheidsklimaat in het funderend onderwijs en tegelijkertijd
om daarbij de rechten en vrijheden van de betrokkenen te beschermen. Daarmee is dit
onderdeel van het wetsvoorstel noodzakelijk om kennisgedreven beleid op het terrein
van veiligheid op scholen te bevorderen. Het secundaire doel van dit wetsvoorstel
is om het mogelijk te maken dat het bevoegd gezag van deelnemende scholen de LVM inzet
als monitoringsinstrument in het kader van de eigen zorgplicht voor de veiligheid
op school, om te voorkomen dat leerlingen dubbel bevraagd moeten worden. Hierdoor
wordt onnodige toename van de regeldruk voor scholen en een onnodige extra inbreuk
op de privacy van de deelnemende leerlingen voorkomen.21
2.4 Kern van het voorstel
Met dit wetsvoorstel wordt ten eerste de Minister de wettelijke taak opgelegd om eenmaal
in de twee schooljaren de psychische, fysieke en sociale veiligheid van leerlingen
en personeel in het funderend onderwijs te monitoren met de LVM. Ten tweede wordt
geregeld dat de monitor gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar is en inzicht geeft
in een select aantal aandachtsgebieden. Ten derde wordt vastgelegd dat de Minister
verwerkingsverantwoordelijke is voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve
van de landelijke veiligheidsmonitor. Ten vierde wordt vastgelegd dat er (bijzondere
en strafrechtelijke) persoonsgegevens (kunnen) worden verwerkt bij de uitvoering van
de LVM en worden regels gesteld om een beperkte en zorgvuldige verwerking van deze
persoonsgegevens te borgen en de toegang tot de persoonsgegevens te beperken. Ten
vijfde wordt geregeld dat leerlingen, hun ouders en personeelsleden geïnformeerd worden
over de afname van de landelijke veiligheidsmonitor, en dat deelname niet verplicht
is. Ten zesde wordt geregeld dat de Minister een schoolrapportage verstrekt aan het
bevoegd gezag van de scholen waarmee de LVM in samenwerking wordt afgenomen. Ten slotte
wordt een delegatiegrondslag geregeld om bij ministeriële regeling kaders vast te
stellen met betrekking tot de achtergrondkenmerken en onderwerpen die nodig zijn voor
het inzicht in de hiervoor genoemde aandachtsgebieden, het uitvoeringsproces en de
inhoud van de landelijke rapportage en schoolrapportage. Het uiteindelijke streven
is hierbij om door middel van de LVM een betrouwbaar en gedifferentieerd beeld te
krijgen van de veiligheid op scholen dat kan bijdragen aan doeltreffendheid en doelmatigheid
van zowel het landelijke veiligheidsbeleid als het veiligheidsbeleid dat de deelnemende
scholen zelf voeren.
2.4.1 Wettelijke taak en afbakening
Met dit wetsvoorstel wordt een wettelijke taak voor de Minister gecreëerd om de sociale,
psychische en fysieke veiligheid van leerlingen en personeel in het funderend onderwijs
te monitoren door middel van de LVM. Hiermee wordt tevens een wettelijke grondslag
gecreëerd voor het verwerken van benodigde persoonsgegevens om de LVM uit te voeren.22 Op deze manier wordt het tot stand brengen van de benodigde kennisbasis voor het
landelijke beleid structureel geborgd.
Een goede invulling van deze wettelijke taak vereist dat er voldoende betrouwbare
informatie wordt gegenereerd, waardoor het mogelijk wordt om de nodige aanknopingspunten
voor het landelijke beleid te identificeren. Het gaat daarbij om de sociale, psychische
en fysieke veiligheid op school. Onder sociale veiligheid wordt de mate verstaan waarin
leerlingen en personeel zich op school beschermd voelen tegen de onveiligheid veroorzaakt
door het handelen van anderen. Onder psychische veiligheid wordt de mate verstaan
waarin zij zich op school vrij voelen om zichzelf te zijn, fouten te maken en zich
uit te spreken. Ten slotte betekent fysieke veiligheid de mate waarin leerlingen en
personeel zijn beschermd tegen incidenten met fysieke schade tot gevolg.
De LVM zal geen betrekking hebben op zaken die buiten de verantwoordelijkheid van
het bevoegd gezag plaatsvinden, tenzij deze zaken de veiligheidsbeleving van leerlingen
of personeel op school aantasten. Hiervoor geldt eenzelfde afbakening als bij de registratieplicht
veiligheidsincidenten.23 Dat betekent dat het gaat over zaken die plaatsvinden onder de verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag of ernstige gevolgen hebben voor de orde en veiligheid op school.
Voorstelbaar is dat in de LVM leerlingen bevraagd worden op zaken die zij meemaken
op school of buiten school, maar onder schooltijd (bijvoorbeeld tijdens een studietrip).
De LVM kan leerlingen ook bevragen op bijvoorbeeld digitaal pesten, voor zover dat
de veiligheidsbeleving van leerlingen of personeel op school aantast.
Het verwerken van de voor de doelstellingen van de LVM noodzakelijke persoonsgegevens,
waaronder bijzondere persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard,
dient inzicht te geven in de veiligheid op school. De uitsplitsingen van de resultaten
naar specifieke kwetsbare doelgroepen, waarvoor onder andere bijzondere persoonsgegevens
nodig zijn, vinden dan ook enkel plaats voor zover dat noodzakelijk is om een beeld
te schetsen van het veiligheidsklimaat voor die specifieke groepen zelf. Met die informatie
kan dan gericht beleid worden gevoerd om de veiligheid van de groepen in kwestie te
versterken. Het uitsplitsen van de resultaten van de LVM voor een bepaalde groep,
en daarvoor benodigde verwerkingen van bijzondere persoonsgegevens, dient er dus toe
om de veiligheid van díe specifieke groep in kaart te brengen en uiteindelijk te kunnen
borgen via gericht beleid. Het verwerken van die bijzondere persoonsgegevens, bijvoorbeeld
over religieuze achtergrond, is dus niet bedoeld voor het in kaart brengen en borgen
van de veiligheid van ándere groepen. Het schetsen van een discriminatoir of stigmatiserend
beeld van een specifieke kwetsbare groep in de LVM-rapportage is dus ook niet in overeenstemming
met de doelstellingen van dit wetsvoorstel.
De LVM dient eens in de twee jaren te worden uitgevoerd. Die frequentie is minimaal
nodig om voldoende zicht te krijgen op de trends op het gebied van veiligheid in het
onderwijs. Jaarlijks monitoren op landelijk niveau, zoals dat wel verplicht is voor
bevoegde gezagen, is normaliter niet doelmatig omdat de landelijke beleidscyclus langer
duurt. Ook levert een extra bevraging opnieuw een inbreuk op de privacy van deelnemers
op. Deze tweejaarlijkse termijn kan daarom niet worden ingekort. Indien bijzondere
omstandigheden daartoe noodzaken, kan de tweejaarlijkse termijn wel worden verlengd
(bijvoorbeeld met één jaar). Daarbij valt te denken aan een situatie zoals tijdens
de COVID-pandemie, toen leerlingen en personeel vanwege de lockdownmaatregelen gedurende
langere tijd niet fysiek bijeen konden komen. De LVM moest daardoor met één jaar worden
uitgesteld en kon pas worden afgenomen in het schooljaar 2020–2021.
Voor het primair onderwijs geldt dat de veiligheid van leerlingen vanaf het zesde
schooljaar wordt bevraagd. Gezien het taal- en leesniveau in de lagere schooljaren
en aard en omvang van de vragenlijsten, en aangezien de context van de veiligheidsproblematiek
bij deze doelgroep anders ligt, is de LVM geen geschikt instrument voor leerlingen
in het eerste tot en met het vijfde schooljaar.
2.4.2 Eisen aan het instrument en de te monitoren aandachtsgebieden
Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de LVM een gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar
monitoringsinstrument is en inzicht biedt in de volgende vier aandachtsgebieden: de
feitelijke veiligheid; de ervaren veiligheid; het welbevinden; en het veiligheidsbeleid
van scholen. Met de genoemde eisen aan het monitoringsinstrument en de aandachtsgebieden
wordt aangesloten bij de verplichtingen om een leerlingmonitor af te nemen en deze
rapportage te verzenden naar de Inspectie van het Onderwijs (hierna ook: de inspectie).24 Daarnaast kan met de schoolrapportage worden voldaan aan de in het Wetsvoorstel vrij
en veilig onderwijs opgenomen verplichting om het veiligheidsbeleid jaarlijks te evalueren
en daarbij de veiligheidsbeleving van het personeel te betrekken.25
Met de eis dat de LVM gestandaardiseerd is, wordt uitgedrukt dat de LVM als instrument
gebruik maakt van vaste vragen en dat het instrument vaste procedures kent voor de
afname, opslag, verwerking, analyse en interpretatie van de gegevens. Doordat er gebruik
wordt gemaakt van vaste vragen en procedures kunnen de verschillende opeenvolgende
afnames van de LVM zo goed mogelijk met elkaar vergeleken worden. Valide betekent
dat het instrument daadwerkelijk meet wat het beoogt te meten. Wat de resultaten van
het instrument laten zien, dient overeen te stemmen met wat de deelnemers aan de LVM
in werkelijkheid vinden. Tot slot dient de LVM betrouwbaar te zijn. Bij herhaling
van het onderzoek (onder vergelijkbare omstandigheden) zou de LVM vergelijkbare uitkomsten
moeten opleveren. Uitkomsten mogen niet afhankelijk zijn van toevallige vertekening.
Een betrouwbaar onderzoek is reproduceerbaar.26
De feitelijke veiligheid heeft betrekking op ervaringen met feitelijke incidenten
die het veiligheidsklimaat beïnvloeden en met verschillende, deels overlappende, verschijningsvormen
van sociaal onveilig gedrag. Daarbij kan gedacht worden aan ervaringen met pesten,
mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag of discriminatie. De ervaren veiligheid
heeft betrekking op hoe de leerlingen en het personeel de veiligheid op school beleven
en hoe veilig zij zich voelen op school. Het welbevinden ziet op de vraag of leerlingen
en het personeel zich prettig voelen op school. Het gaat daarbij om het welbevinden
voor zover dat verband houdt met de veiligheid.27 Ten slotte dient de LVM inzicht te geven in het veiligheidsbeleid van scholen. Dit
heeft betrekking op de ervaringen van leerlingen en personeel met het veiligheidsbeleid.
2.4.3 Verwerking persoonsgegevens en mitigerende maatregelen
Met dit voorstel wordt geregeld dat persoonsgegevens, waaronder ook bijzondere categorieën
persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, kunnen worden verwerkt
voor zover dit noodzakelijk is voor de doelstellingen van de LVM. In hoofdstuk 5 wordt
deze noodzaak nader toegelicht. De verwerking van bijzondere persoonsgegevens of persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard kan plaatsvinden bij het uitvragen van de gegevens bij leerlingen
en personeel, het bewaren van de persoonsgegevens en het aggregeren van de persoonsgegevens.
Dit wetsvoorstel legt vast dat de Minister de verwerkingsverantwoordelijke is voor
de verwerking van deze persoonsgegevens ten behoeve van de landelijke veiligheidsmonitor.
De Minister is verantwoordelijk voor de naleving van de AVG en het waarborgen van
de bescherming van de rechten van deelnemers. In de praktijk zal de Minister de LVM
na een aanbestedingsprocedure laten uitvoeren door een onderzoeksbureau. Ten behoeve
van het uitvoeren van de LVM is de toegang tot persoonsgegevens daarmee beperkt tot
door de Minister gecontracteerde organisaties. Het onderzoeksbureau verwerkt persoonsgegevens
van leerlingen en onderwijspersoneel in dat geval namens de Minister, en is gelet
daarop «verwerker» in de zin van de AVG.28 Dat onderzoeksbureau zal afdoende garanties met betrekking tot het toepassen van
passende technische en organisatorische maatregelen moeten bieden op grond van de
AVG29 en aan de kwaliteits- en beveiligingseisen van de Rijksoverheid moeten voldoen.30
Het wetsvoorstel introduceert daarnaast verschillende risicomitigerende maatregelen
om de rechten van betrokkenen te beschermen. Zo mogen direct identificerende gegevens
enkel worden verwerkt wanneer dat noodzakelijk is om leerlingen en onderwijspersoneel
uit te nodigen voor deelname aan de LVM. Uitnodigen van individuele leerlingen en
personeelsleden zal slechts nodig zijn indien de vragenlijsten van de LVM zonder medewerking
van de school worden afgenomen, bijvoorbeeld in een thuissetting. Dat zal alleen noodzakelijk
zijn indien schoolafname van de LVM – mét medewerking van scholen – niet mogelijk
is of niet toereikend is om de betrouwbaarheid van de resultaten te waarborgen.
Ook is een limitatieve opsomming van de categorieën bijzondere persoonsgegevens die
met de LVM verwerkt kunnen worden in het wetsvoorstel opgenomen. Het verwerken van
de volgende categorieën bijzondere persoonsgegevens is voor de LVM niet noodzakelijk:
genetische of biometrische gegevens of gegevens waaruit politieke opvattingen of het
lidmaatschap van een vakbond blijken. Voor deze categorieën wordt geen uitzondering
op het verwerkingsverbod geregeld. Daarnaast bepaalt het wetsvoorstel dat uitsluitend
persoonsgegevens verwerkt kunnen worden die behoren tot de achtergrondkenmerken en
onderwerpen die noodzakelijk zijn voor het inzicht in de eveneens in het wetsvoorstel
opgenomen aandachtsgebieden in de LVM. Deze onderwerpen en achtergrondkenmerken worden
vastgelegd in een ministeriële regeling (zie paragraaf 2.4.6).
Daarnaast is opgenomen dat de persoonsgegevens die verwerkt worden ten behoeve van
de LVM bewaard worden op een plek die uitsluitend toegankelijk is voor door de Minister
geautoriseerde personen. Daarbij geldt dat uitsluitend personen die de gegevens nodig
hebben voor de uitvoering van de LVM, toegang hebben tot de gegevens. De Minister
zelf heeft in beginsel geen toegang, tenzij dat noodzakelijk is om te voldoen aan
een wettelijke verplichting, zoals het uitvoeren van een inzageverzoek.31 Ook dan geldt het uitgangspunt dat de Minister alleen die gegevens ontvangt die daarvoor
nodig zijn.32 Andere partijen, zoals de bevoegde gezagen van scholen en de inspectie hebben geen
toegang tot de gegevens die op landelijk niveau zijn verzameld met de LVM. Wel krijgen
zij logischerwijs inzage in de landelijke rapportage van de LVM (zonder tot de persoon
en tot scholen herleidbare gegevens). Daarnaast krijgen bevoegde gezagen van scholen
die meewerken aan de uitvoering van de LVM ook toegang tot gegevens in de schoolrapportage
die in bepaalde gevallen indirect herleidbaar kunnen zijn.33 Dit betreft uitsluitend gegevens met betrekking tot leerlingen en onderwijspersoneel
die onder verantwoordelijkheid van die school vallen. Daarnaast ontvangt de inspectie
de geaggregeerde resultaten van de monitoring die het bevoegd gezag aan de inspectie
moet verstrekken.34
De inhoud van de schoolrapportage op basis van de LVM en de gegevens benodigd voor
de verzending aan de inspectie worden nader bepaald bij ministeriële regeling. Het
gaat bij de bepaling daarvan niet zozeer om de bescherming van rechten en vrijheden
van betrokkenen, maar om het standaardiseren van de te verstrekken gegevens en om
te borgen dat de aggregatie van de gegevens in de schoolrapportage op de juiste manier
gebeurt.
In de uiteindelijke anonieme landelijke rapportage van de LVM is geen sprake meer
van gegevens die betrekking hebben op geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke
personen. Na het opstellen van de landelijke rapportage en de schoolrapportages is
het niet nodig om de persoonsgegevens te bewaren en wordt de brondata ook verwijderd.
De persoonsgegevens mogen in ieder geval niet langer dan drie jaar na de afname van
de LVM worden bewaard. De persoonsgegevens kunnen gedurende die periode niet voor
andere doeleinden worden gebruikt.
Ten slotte geldt op grond van de AVG dat de Minister voorafgaand aan de verwerking
van de persoonsgegevens een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uitvoert (hierna:
Data protection impact assessment of DPIA).35 Het opdrachtnemende onderzoeksbureau levert als verwerker op grond van de AVG alle
benodigde informatie aan voor de uitvoering van de DPIA en over de verdere technische
en organisatorische beveiligingsmaatregelen.
2.4.4 Informatievoorziening en niet-verplichte deelname
Scholen, leerlingen en onderwijspersoneel hoeven niet mee te doen aan de LVM. Leerlingen
en onderwijspersoneel dienen, voordat besloten wordt tot deelname aan de LVM, goed
geïnformeerd te worden over het belang en de doelstellingen van de LVM, als ook de
risico’s met betrekking tot de gegevensverwerkingen. Bovendien is van belang dat helder
gecommuniceerd wordt over de rechten van betrokkenen. Daartoe regelt dit wetsvoorstel
dat de Minister de leerlingen, hun ouders en het personeel informeert over de afname
van de LVM, en in het bijzonder dat deelname niet verplicht is. Leerlingen onder de
zestien jaar hebben wat betreft hun persoonsgegevens recht op specifieke bescherming,
aangezien zij zich allicht minder bewust zijn van hun rechten en de benodigde waarborgen
in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en minder goed kunnen overzien
welke gevolgen en risico’s hun eventuele deelname mogelijk heeft.36 Om die reden worden ook de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen onder
de zestien jaar geïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen over hun deelname.
2.4.5 Rapportage voor deelnemende scholen
Indien de LVM wordt afgenomen in samenwerking met een school verplicht dit wetsvoorstel
de Minister tot het verstrekken van een schoolrapportage aan het bevoegd gezag van
die school met de voor die school specifieke en geaggregeerde uitkomsten van de landelijke
veiligheidsmonitor. Daarmee kan het bevoegd gezag voldoen aan zijn wettelijke monitoringsverplichting
en verplichting tot het versturen van resultaten aan de inspectie.37 Ook kan het bevoegd gezag met de schoolrapportage voldoen aan zijn wettelijke verplichting
om de veiligheidsbeleving van het personeel te betrekken bij de evaluatie van het
veiligheidsbeleid.38
Naast de verplichting voor de Minister om de LVM af te nemen zijn schoolbesturen al
verplicht om jaarlijks de veiligheidsbeleving van leerlingen op school te monitoren,
de zogenoemde leerlingmonitor.39 Thuisafname van de vragenlijsten van de LVM, zonder medewerking van scholen, kan
in verband met deze leerlingmonitorverplichting leiden tot dubbele bevraging van leerlingen
op het gebied van sociale, psychische en fysieke veiligheid op school. Om te voorkomen
dat er daardoor onnodig vaak een inbreuk wordt gemaakt op de privacy van de deelnemers
aan de LVM, wordt geregeld dat scholen kunnen voldoen aan hun wettelijke verplichtingen
door de LVM als leerlingmonitoringsinstrument in te zetten. In dat geval zal in de
praktijk dus een deel van de scholen in het funderend onderwijs de LVM als leerlingmonitor
inzetten.
Aan die leerlingmonitor wordt een aantal formeel-wettelijke eisen gesteld en uitgewerkt
bij amvb.40 Om te zorgen dat het bevoegd gezag van de school dat meewerkt aan de LVM kan voldoen
aan de verplichtingen, ontvangt het bevoegd gezag een rapportage van de resultaten
van de betreffende school. Deze schoolrapportage dient te voldoen aan de eisen zoals
die aan de leerlingmonitoringsinstrumenten worden gesteld.41 Dit betekent dat de gegevens in de schoolrapportage geaggregeerd dienen te worden
op een manier die het bevoegd gezag voldoende informatie geeft om te voldoen aan de
jaarlijkse evaluatieverplichting van het veiligheidsbeleid, waar deze leerlingmonitoringsresultaten
in meegenomen dienen te worden, terwijl tegelijkertijd de herleidbaarheid tot personen
wordt geminimaliseerd.42 Ondanks deze aggregatieslag ontvangt het bevoegd gezag in de schoolrapportage in
bepaalde gevallen gegevens die indirect herleidbaar kunnen zijn.43 Dit betreft uitsluitend gegevens met betrekking tot de leerlingen en personeel die
onder verantwoordelijkheid van die school vallen. Daarnaast worden de benodigde geaggregeerde
resultaten voor verzending aan de inspectie door scholen aan de deelnemende school
ter beschikking gesteld. De school kan die geaggregeerde resultaten dan doorgeven
aan de inspectie.44 Het gaat dus om twee verschillende aggregatiewijzen van dezelfde uitkomsten per school:
één set geaggregeerde resultaten voor de school om de veiligheid en het beleid daaromtrent
te kunnen evalueren en één set geaggregeerde resultaten bedoeld voor verstrekking
aan de inspectie voor het toezicht op de zorgplicht van het bevoegd gezag voor een
veilig schoolklimaat.
Naast de leerlingmonitoringsverplichting, is het bevoegd gezag met inwerkingtreding
van de Wet vrij en veilig onderwijs ook verplicht de veiligheidsbeleving van personeel
te betrekken bij de jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid.45 Om aan deze evaluatieverplichting te voldoen, dient het bevoegd gezag inzichten of
bronnen te gebruiken die voldoende informatie bevatten om het veiligheidsbeleid te
evalueren. Voor de scholen waar de LVM wordt afgenomen, bevat de schoolrapportage
ook gegevens over de veiligheidsbeleving van het personeel. Het bevoegd gezag van
deze school kan deze gegevens vervolgens betrekken bij de hiervoor genoemde evaluatieverplichting.46 Bij ministeriële regeling wordt vastgelegd welke gegevens de schoolrapportage bevat
over het personeel.
Indien het bevoegd gezag van de school meewerkt aan het afnemen van de LVM, betekent
dat niet dat het bevoegd gezag verantwoordelijk wordt voor de verwerking van persoonsgegevens
in het kader van de LVM. Die verantwoordelijkheid ligt bij de Minister die de LVM
uitvoert, tot en met het verstrekken aan het bevoegd gezag van de schoolrapportage.
Het bevoegd gezag is vervolgens, in lijn met de reeds bestaande verplichtingen in
de Wet vrij en veilig onderwijs, verantwoordelijk voor hoe zij de gegevens in die
schoolrapportage verwerkt.
2.4.6 Ministeriële regeling
Vanwege de gevoelige aard van de gegevensverwerking biedt het voorstel op wetsniveau
bescherming van rechten en vrijheden van betrokkenen, die hiervoor zijn toegelicht.
In aanvulling daarop is het noodzakelijk om de voorzienbaarheid van de verwerking
van persoonsgegevens en de goede uitvoering van de LVM verder te concretiseren en
om extern toetsbare kaders vast te stellen op basis van een zorgvuldige belangenafweging.
Het gaat daarbij om regels voor de uit te vragen onderwerpen en achtergrondkenmerken
die noodzakelijk zijn om inzicht te verkrijgen in de aandachtsgebieden van de veiligheid
op school, het uitvoeringsproces en de inhoud van zowel de landelijke rapportage als
de schoolrapportage. Om daarin te voorzien regelt dit wetsvoorstel dat deze kaders
bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Hierbij geldt vanzelfsprekend dat de
regeling in overeenstemming moet zijn met de AVG en dat de beginselen van dataminimalisatie
en doelbinding leidend zijn. De uitwerking van de ministeriële regeling zal met de
betrokken vertegenwoordigende (sector)organisaties en de inspectie worden afgestemd.
Onderwerpen binnen de aandachtsgebieden en achtergrondkenmerken
Met regels over de uit te vragen achtergrondkenmerken en onderwerpen van de LVM wordt
in de eerste plaats gedoeld op een nadere invulling van de eerdergenoemde aandachtsgebieden.
Daarbij is vanzelfsprekend de eerder omschreven begrenzing door de wettelijke definitie
van de (sociale, psychische en fysieke) veiligheid op school leidend. Op deze manier
wordt enerzijds gewaarborgd dat de juiste onderwerpen aan bod komen bij het monitoren
van veiligheid en dat de afname van de vragenlijst kan worden toegespitst op de context
van personeel en de ontwikkelingsfase, belevingswereld en ondersteuningsbehoefte van
leerlingen.47 In de tweede plaats wordt gedoeld op het nader bepalen van de achtergrondkenmerken
die nodig zijn voor het vormen van een gedifferentieerd landelijk beeld. Hiermee wordt
gewaarborgd dat de resultaten op de juiste manier kunnen worden uitgesplitst voor
het zicht op de veiligheid van specifieke doelgroepen.48
Uitvoeringsproces
Met regels over het uitvoeringsproces wordt gedoeld op de werkzaamheden die verricht
dienen te worden om de doelstellingen van de LVM te realiseren, inclusief de wijze
van afname van de LVM. Ook kan worden gedacht aan een bepaling over de mogelijkheid
om gesloten dan wel open antwoordmogelijkheden op te nemen in de LVM-vragenlijsten
of over de manier waarop de indirect herleidbare brondata geaggregeerd worden om de
dataset te anonimiseren en om daarbij de vergelijkbaarheid over meerdere edities zo
goed mogelijk te waarborgen.
Inhoud van de landelijke en schoolrapportages
Bij regeling zullen nadere kaders worden gegeven voor de inhoud van de landelijke
rapportage en schoolrapportages, bijvoorbeeld om te borgen dat scholen met de schoolrapportage
kunnen voldoen aan de leerlingmonitorverplichting. Daarbij zal bepaald worden op welk
aggregatieniveau resultaten in de schoolrapportage worden gepubliceerd, waarbij in
ieder geval geen sprake zal zijn van direct identificerende persoonsgegevens. Voor
de landelijke rapportage zal in ieder geval vastgelegd worden welke inhoud deze moet
weergeven om te borgen dat edities vergelijkbaar zijn en geen persoonsgegevens bevatten.
3. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
Dit wetsvoorstel voorziet tevens in een wettelijke grondslag om gegevens over personeel
te leveren aan de PO- en VO-raad (hierna: sectorraden). Deze gegevenslevering aan
de sectorraden is van groot maatschappelijk belang, vanwege hun ondersteuning van
schoolbesturen. De sectorraden dragen hiermee namelijk bij aan de kwaliteit, toegankelijkheid
en doelmatigheid van het onderwijs, en derhalve aan een goed functionerend onderwijsbestel.
De sectorraden ondersteunen schoolbesturen en samenwerkingsverbanden bij het afleggen
van verantwoording in de vorm van informatieproducten zoals benchmarks, dashboards
en landelijke overzichten met informatie over individuele instellingen en over de
sector als geheel.49 Op deze manier maken schoolbesturen transparant, via de sectorraden, welke resultaten
zij behalen en welke keuzes zij maken, zodat zij daarover met hun directe omgeving
in gesprek kunnen.
3.1 Aanleiding
Bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden zijn wettelijk verplicht hun resultaten
en beleid, mede in relatie tot de inzet van hun personeel, openbaar te verantwoorden
in het jaarverslag.50
Passend onderwijs legt een zorgplicht bij schoolbesturen. Dat betekent dat zij ervoor
verantwoordelijk zijn om alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een
goede onderwijsplek te bieden. Hiervoor werken reguliere en speciale scholen samen
in samenwerkingsverbanden, die ook zelfstandig rechtspersoon zijn met taken op grond
van de sectorwetgeving.51 In de handreiking voor monitoring en verantwoording door en binnen samenwerkingsverbanden
passend onderwijs staat als uitgangspunt beschreven dat het samenwerkingsverband verantwoording
aflegt af over alle middelen die het tot haar beschikking heeft in relatie tot beoogde
doelen en bereikte resultaten.52 Dit is dus ook het geval wanneer financiële middelen worden uitgegeven aan personeel.
In dit hoofdstuk worden schoolbesturen en samenwerkingsverbanden gezamenlijk genoemd
als partijen waaraan de sectorraden ondersteuning bieden bij de verantwoording en
vergelijking. Voor de leesbaarheid wordt in het vervolg alleen gesproken over schoolbesturen,
waar – met betrekking tot de gegevensverstrekking aan de sectorraden – telkens bevoegde
gezagen en samenwerkingsverbanden wordt bedoeld.
De bekostiging dient doelmatig te worden aangewend, en daarover moet intern en extern
verantwoording worden afgelegd.53 Met deze informatie krijgen betrokkenen, zoals ouders, leerlingen en personeel, de
samenleving, specifiek: intern toezicht en medezeggenschap, beter inzicht in de verdeling
van de middelen over de scholen die onder een bevoegd gezag ressorteren.54 Dit bevordert bovendien de horizontale verantwoording tussen scholen binnen een bestuur
en tussen schoolbesturen onderling in het kader van een bredere publieke verantwoording.
Via horizontale verantwoording kan invulling worden gegeven aan het stelsel van kwaliteitszorg
van schoolbesturen en kan effectiever en uitgebreider worden voldaan aan de verplichtingen
jegens de interne toezichthouder en de medezeggenschapsraad.55 Tot slot kan horizontale verantwoording op lokaal niveau de betrokkenheid van belanghebbenden
vergroten en daarmee de maatschappelijke legitimering van de instelling.56
In opdracht van hun leden en gesubsidieerd door de Minister hebben de sectorraden
de afgelopen jaren ter ondersteuning van de schoolbesturen diverse informatieproducten
gemaakt onder de naam «Vensters».57 De sectorraden vervullen hierin een maatschappelijke rol door hun leden (de schoolbesturen)
te ondersteunen bij de verantwoording en onderlinge vergelijking van hun gegevens.
Dit is conform de statutaire doelen van de sectorraden waarin is vastgelegd dat zij
de belangen behartigen van de schoolbesturen ten aanzien van de kwaliteit en ontwikkeling
van het onderwijs in hun sector. De sectorraden vertegenwoordigen bij gelegenheid
de besturen in hun sector en zijn ook voor de Minister belangrijke gesprekspartners.
In het verleden hebben zij bestuurs- en sectorakkoorden met de Minister afgesloten
en over de resultaten daarvan richting politiek en maatschappij verantwoording afgelegd
via de informatieproducten. Dit is dus ook een relevante informatiebron voor zowel
de regering als het parlement.58
De gegevens waarmee de informatieproducten van de sectorraden worden gevuld komen
vanuit diverse bronnen. Deze worden deels opgevraagd bij het schoolbestuur zelf, maar
er wordt ook gebruikgemaakt van gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO).
Dit betreft deels open data, maar ook maatwerkleveringen van basisgegevens over onderwijsdeelnemers
en personeel. Voor het verstrekken van deze basisgegevens over onderwijsdeelnemers
aan de sectorraden is in het verleden een wettelijke grondslag gecreëerd in artikel 23,
derde lid, van de Wet Register Onderwijsdeelnemers (WRO). Voor het verstrekken van
gegevens over personeel aan de sectorraden bestaat momenteel geen wettelijke grondslag.
Dit wetsvoorstel voorziet in een dergelijke grondslag om gegevens over personeel te
leveren aan de sectorraden.
3.2 Probleembeschrijving
De Minister stimuleert de afgelopen jaren beleidsmatig sterk tot een betere verantwoording
van schoolbesturen tot op het niveau van scholen. Om meer inzicht te krijgen in de
gegevens op schoolniveau is het van belang dat cijfers over de wijze waarop schoolbesturen
hun middelen verdelen openbaar worden.59 Daarvoor wordt ingezet op het ontwikkelen van informatieproducten, zoals de benchmarks.
3.2.1 Verantwoording en vergelijking
De noodzaak van interne en externe verantwoording volgt uit de wettelijke taken van
onderwijsinstellingen.60 Hierin staat dat onderwijsinstellingen zorg moeten dragen voor de kwaliteit van het
onderwijs, dat het beleid hieromtrent moet worden uitgewerkt in een schoolplan, waarin
onder meer aandacht is voor het personeelsbeleid, meer in het bijzonder met betrekking
tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Daarnaast
behelst die taak een doeltreffend en doelmatig financieel beheer en de verantwoording
daarover. Onderwijsinstellingen moeten hun bekostiging doelmatig aanwenden, ook met
betrekking tot de samenstelling van de formatie van de school/scholen, en daarover
intern en extern verantwoording afleggen, meer in het bijzonder in het jaarverslag.61
3.2.2 Informatieproducten
Binnen het programma «Vensters» werken de sectorraden daarom samen aan informatieproducten
om schoolbesturen te ondersteunen bij hun verantwoording over de kwaliteit, toegankelijkheid
en doelmatigheid van het primair en het voortgezet onderwijs. Het gaat zowel om openbare
informatieproducten («Scholen op de kaart» en «Schoolbesturen op de kaart») alsmede
informatieproducten achter een login («Analyse»).62 Het doel van de openbare informatieproducten is de relevante stakeholders en andere
geïnteresseerden informatie te verschaffen over scholen en schoolbesturen. Het doel
van de informatieproducten achter de beveiligde omgeving is om door middel van uniform
weergegeven indicatoren inzicht te geven in de prestaties van zowel het schoolbestuur
als daaronder ressorterende scholen. Dit is bedoeld voor interne verantwoording in
de richting van de medezeggenschapsraad en de raad van toezicht.63 Ook biedt het de schoolbesturen de mogelijkheid om de eigen prestaties te vergelijken
met vergelijkbare schoolbesturen zonder dat zij kunnen zien welke schoolbesturen dit
betreft. De betreffende data dragen zowel vanuit het perspectief van de verantwoordingsfunctie
als de vergelijkende functie bij aan het stelsel van kwaliteitszorg van schoolbesturen.
Scholen op de kaart
De website «Scholen op de kaart» (hierna: SODK) ondersteunt alle scholen in het funderend
onderwijs bij de totstandkoming en publicatie van hun schoolplan. Het schoolplan kan
zo worden gedeeld met belanghebbenden, waaronder de medezeggenschapsraad en de inspectie.64 In het schoolplan dient het personeelsbeleid te worden toegelicht door het bevoegd
gezag met onder andere cijfers over evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in leidinggevende
posities.65 Schoolbesturen kunnen gebruik maken van de gegevens die zij kunnen vinden via SODK.
Met deze gegevens kunnen zij hun eigen school gemakkelijk vergelijken met vergelijkbare
scholen. Ook draagt SODK bij aan de uitoefening van het schoolkeuzerecht van ouders
en leerlingen.66 Met 1,75 miljoen bezoekers (kalenderjaar 2024) biedt SODK de beste mogelijkheid om
ouders over het schoolplan en het bijbehorende personeelsbeleid te informeren. Dat
ouders deze informatie relevant vinden voor schooloriëntatie en/of informatie over
de huidige school wordt bevestigd door het in 2021 uitgevoerde bezoekersonderzoek.67
Schoolbesturen op de kaart
De website «Schoolbesturen op de kaart (hierna: SBODK)» ondersteunt schoolbesturen
bij de verantwoording over het personeelsbeleid en doelmatige besteding van de publieke
bekostiging. Hier wordt onder meer getoond hoe de kengetallen van financiën en het
personeelsbeleid zich verhouden tot landelijke benchmarks. De personele kengetallen
bevatten gegevens over de leeftijdsopbouw van medewerkers, zodat inzichtelijk is of
er sprake is van vergroening of vergrijzing in het personeelsbestand, op basis waarvan
gestuurd kan worden op het personeelsbeleid. Tevens wordt hier inzichtelijk gemaakt
welk beleid het bevoegd gezag uitvoert met betrekking tot de omvang van de tijdelijke
en vaste formatie. Schoolbesturen kunnen onderling vergeleken worden en tegen de volgende
benchmarkgroepen: sector, bestuursgrootte, randstad, provincie, gemeente en plaats.
Met behulp van de benchmarks kunnen schoolbesturen een betekenisvol gesprek voeren
met externe en interne belanghebbenden.
Analyse
Via «Analyse» – de besloten omgeving achter de publieke websites – wordt de informatie
(zoals getoond op de publieke websites) verder inzichtelijk gemaakt voor sturing en
verantwoording door schoolbesturen. Hier wordt nadere informatie beschikbaar gemaakt
over de eigen situatie en trends inclusief bijbehorende benchmarks. Deze gegevens
gebruiken schoolbesturen ook voor het geïnformeerde gesprek met de inspectie over
onder andere besturing, kwaliteitszorg en ambitie (Onderzoekskader inspectie, BKA1)
en evaluatie, verantwoording en dialoog (Onderzoekskader inspectie, BKA3).68 De inspectie verwacht van schoolbesturen dat zij zoveel mogelijk gebruik maken van
de mogelijkheden voor openbare verantwoording. Bij het toezicht op besturen start
het onderzoek van de inspectie bij de analyse van het bestuur zelf.
De sectorraden ontvangen subsidies om de hierboven beschreven informatieproducten
te kunnen ontwikkelen. De informatieproducten van de sectorraden moeten tot stand
komen op basis van gegevens uit openbare data van DUO en maatwerkleveringen over onderwijsdeelnemers
en personeel. De open data die DUO momenteel beschikbaar stelt over het personeel
in het funderend onderwijs zijn niet toereikend, omdat gedetailleerde uitsplitsing
naar functiecategorieën ontbreekt.69 Ook zijn bij (minder gedetailleerde) functiegroepen met in omvang minder dan vijf
personen, de gegevens niet zichtbaar in de open data, wat betekent dat de datasets
incompleet zijn. Hierdoor beschikken de sectorraden momenteel niet over de benodigde
gegevens over het personeel in het funderend onderwijs. Zij kunnen daarom niet voor
de gehele sector (primair dan wel voortgezet onderwijs) de kengetallen berekenen die
nodig zijn voor verantwoording en vergelijking, terwijl van schoolbesturen wel wordt
gevraagd om zich te verantwoorden respectievelijk van elkaar te leren.
3.3 Doel van het voorstel
Het doel van dit onderdeel van het wetsvoorstel is om op basis van informatieproducten
(waaronder benchmarks) van sectorraden, die persoonsgegevens over personeel bevatten,
bij te dragen aan verantwoording, vergelijking en kennisgedreven beleid door schoolbesturen.
Daartoe regelt dit wetsvoorstel dat geaggregeerde gegevens op schoolniveau over personeel
door DUO aan de sectorraden mogen worden geleverd, zodat zij in staat zijn om benchmarks
te creëren voor schoolbesturen. Daarmee kan inzicht worden verkregen in kengetallen
over het personeel, zoals de verdeling man/vrouw in het bestuur, zodat schoolbesturen
op een uniforme wijze personeelsgegevens kunnen vergelijken en verantwoorden. Op basis
daarvan kunnen schoolbesturen vervolgens weer kennisgedreven beleid voeren met name
in brede zin op het vlak van kwaliteit, doelmatigheid en toegankelijkheid, hetgeen
bijdraagt aan het stelsel van kwaliteitszorg en daarmee aan kwalitatief goed onderwijs.
3.4 Kern van het voorstel
Dit wetsvoorstel creëert een wettelijke grondslag voor de Minister om geaggregeerde
gegevens over personeel te leveren aan de sectorraden voor de ondersteuning van schoolbesturen
en samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording over en vergelijking van de kwaliteit,
toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs.
De rechtsgrond waarop de verstrekking en verwerking is gebaseerd is artikel 6, eerste
lid, onder e, van de AVG, inhoudende dat de verstrekking noodzakelijk is voor de vervulling
van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van
het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen. Het algemeen
belang in dit geval is de transparantie en verantwoording van publiek bekostigde onderwijsinstellingen
over de resultaten en het gevoerde (personeels)beleid. Ook is het in het algemeen
belang dat onderwijsinstellingen zich onderling kunnen vergelijken omwille van de
verbetering van het te voeren onderwijsbeleid en derhalve de onderwijskwaliteit. Bij
de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met
het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld is rekening gehouden
met de vraag of er andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Unie
of lidstaat relevant zijn.70 Belangrijke doelstellingen van de Unie, alsmede de lidstaten, zijn terug te zien
in de Sustainable Development Goals (SDG’s). Eén hiervan (nummer 4) is kwaliteitsonderwijs
en daarmee verenigbaar met het bovengenoemde doel.
3.4.1 Benodigde gegevens personeel
Om de benodigde verantwoordingsfunctie en vergelijkingsfunctie te kunnen waarmaken
moeten de informatieproducten van de sectorraden, naast openbaar beschikbare gegevens,
zowel gegevens van onderwijsdeelnemers als personeel bevatten. De Wet Register Onderwijsdeelnemers
voorziet in de grondslag voor de levering van gegevens over onderwijsdeelnemers aan
de sectorraden, die voor hetzelfde doel gebruikt worden in de informatieproducten.71
Wat betreft personeel wordt er in dit wetsvoorstel een grondslag gecreëerd om de volgende
gegevens te leveren: gegevens over de persoon en over de arbeidsrelatie. In bijlage
2, behorende bij artikel 2.68 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 en bijlage 1, onderdeel
c, van het Besluit informatievoorziening WPO/WEC is geregeld welke gegevens de Minister
met betrekking tot deze categorieën ontvangt.
In de categorie «persoon» betreft het gegevens over het geslacht en de leeftijd van
het personeel. Gegevens over het geslacht kunnen worden gebruikt om de man/vrouw verdeling
te berekenen, bijvoorbeeld van personeel in bestuursfuncties. Gegevens over de leeftijd
kunnen worden gebruikt om inzicht te krijgen in de vergroening en vergrijzing van
het personeelsbestand binnen een schoolbestuur of samenwerkingsverband.
In de categorie arbeidsrelatie betreft het gegevens over de betrekkingsomvang en het
soort dienstverband. Met gegevens over de betrekkingsomvang (fte) kan een schoolbestuur
zich verantwoorden en vergelijken over de grootte van de personeelsformatie. Hiermee
kunnen tevens diverse kengetallen worden berekend zoals verdeling leeftijd of verdeling
man/vrouw op basis van fte. Met het gegeven «soort dienstverband» kan inzicht worden
gegeven in de verhouding tussen vaste en tijdelijke contracten bij het personeel.
In dit wetsvoorstel wordt de levering van direct identificerende persoonsgegevens
(geslachtsnaam, de voornamen, het adres, BSN, de geboortedatum van het personeel)
uitgesloten. Er wordt geen uitzondering gecreëerd voor de verwerking van bijzondere
persoonsgegevens (zoals ziekte en verlof) of persoonsgegevens van strafrechtelijke
aard van het personeel. Tevens is het gegeven salaris niet opgenomen in dit wetsvoorstel.
De reden dat alleen gegevens over de persoon en arbeidsrelatie in dit voorstel zijn
opgenomen en niet het gegeven salaris is gelegen in de bescherming van de privacy
van onderwijspersoneel. Bij aggregatie op niveau van functiecategorie speelt een (groter)
risico op indirecte identificatie van personen door de verwerker. Binnen een aantal
functiecategorieën, waarvan er achttien zijn, zal er relatief vaak maar één persoon
werkzaam zijn op een instelling. Bijvoorbeeld binnen de functiecategorie van directeur.
Omdat het salarisgegeven een gevoelig persoonsgegeven is, wordt dit niet wenselijk
geacht.
3.4.2 Niveau van aggregatie
Er zijn verschillende aggregatieniveaus waarop de bovengenoemde gegevens over het
personeel door DUO aan de sectorraden kunnen worden geleverd. Daarbij is van belang
om te bepalen welk aggregatieniveau noodzakelijk is om aan de doelstelling van dit
wetsvoorstel te kunnen voldoen.
Alvorens DUO de gegevens over personeel kan verstrekken aan de sectorraden, ontvangt
zij gegevens op individueel niveau van schoolbesturen. DUO maakt vervolgens gebruik
van een onderverdeling van personeel in vijf functiegroepen die weer zijn onderverdeeld
in achttien functiecategorieën. In de gegevenslevering aan DUO geeft het schoolbestuur
tevens aan op welke instelling/school van het bestuur de medewerker werkzaam is. Er
zijn dus verschillende aggregaties mogelijk van de gegevens: functiecategorie (1),
functiegroep (2), instelling (3) en bestuur (4). Voor de berekening van kengetallen
ten behoeve van verantwoording en vergelijking is beschikbaarheid van gegevens op
individueel niveau niet nodig en onwenselijk. Op welk aggregatieniveau de geleverde
gegevens verstrekt worden aan de raden is afhankelijk van de vraag of de verstrekking
van de betreffende gegevens noodzakelijk is voor de ondersteuning van bevoegde gezagen
of samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording en onderlinge vergelijking betreffende
de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. In de meeste gevallen
is de verwachting dat het leveren van de gegevens op schoolniveau, dan wel instellingsniveau
voldoende zal zijn voor de raden om het schoolbestuur te ondersteunen. Ten aanzien
van enkele specifieke gegevens geldt dat deze nader kunnen worden uitgesplitst. Het
gaat daarbij om de gegevens over het geslacht en de betrekkingsomvang. Hieronder is
dit nader toegelicht. Bij alle gegevensverstrekkingen geldt dat alleen de gegevens
worden verstrekt voor zover de sectorraad in het verzoek tot gegevensverstrekking
aantoont dat de te verstrekken gegevens noodzakelijk zijn voor het te bereiken doel.
Dit heeft ook betrekking op het niveau van aggregatie. Waar mogelijk worden gegevens
dus op een zo hoog mogelijk aggregatieniveau verstrekt.
Geslacht
Schoolbesturen zijn verplicht om in hun schoolplan als onderdeel van de beschrijving
van het personeelsbeleid inzicht te geven in de vertegenwoordiging van vrouwen in
leidinggevende posities.72 Voor de benchmark achter de login («Analyse») is het daarom noodzakelijk om het gegeven
«geslacht» te leveren op het aggregatieniveau van functiegroep (ook wel «F-groep»).
Management en middenmanagement is een aparte groep op basis waarvan dit gegeven kan
worden berekend. In geval van kleine formaties kan dit leiden tot herleidbaarheid
naar personen. Op de publieke website SODK wordt op instellingsniveau de personele
opbouw in fte voor het geslacht in percentages weergegeven.
Betrekkingsomvang
Voor het tonen van de fte per functiegroep op SODK zijn personele gegevens op het
aggregatieniveau van Functiecategorie (ook wel «FCAT» genoemd) noodzakelijk. Aggregatie
op het niveau van functiegroep volstaat hiervoor niet, omdat in de door DUO gehanteerde
indeling van functiegroep geen onderscheid gemaakt wordt tussen direct en indirect
onderwijsondersteunend personeel.
Het onderscheid tussen «direct Onderwijs Ondersteunend Personeel» zoals de functie
onderwijsassistent en therapeutische- en zorgfuncties73 en «indirect Onderwijs Ondersteunend Personeel» zoals beheerfuncties en administratieve
functies74 is van groot belang. Dit is namelijk vereist voor een inhoudsrijke dialoog met belanghebbenden
(waaronder de medezeggenschapsraad en de raad van toezicht) en voor verantwoording
over de inrichting van het onderwijs, bijvoorbeeld inzake hoeveel personeel er voor
de klas staat, en over een doelmatige besteding van middelen. Tevens is het voor het
bewaken en verbeteren van de datakwaliteit met betrekking tot de indeling van personeel
in functiecategorieën van belang voor onderwijsinstellingen om deze op het niveau
van functiecategorie te kunnen analyseren en hierop te kunnen sturen.
4. Verstrekking gegevens ROD aan NWO
4.1 Aanleiding en probleembeschrijving
Met dit wetsvoorstel wordt artikel 23 van de Wet register onderwijsdeelnemers (hierna:
WRO) gewijzigd in verband met het uitbreiden van de wettelijke grondslagen voor de
verwerking van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers (hierna: ROD). Dit betreft
het verstrekken van gegevens uit het ROD voor uitvoering van taken van de Nederlandse
Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (hierna: NWO).75
Aanleiding voor (dit onderdeel van) het voorstel is dat gebleken is dat NWO, meer
specifiek haar onderdeel het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (hierna: NKO; voorheen
het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek), niet de benodigde gegevens kan opvragen
uit het ROD voor de onderzoeken binnen het onderwijsdomein waarvoor NWO de verwerkingsverantwoordelijke
is. Nu ontbreekt een wettelijke grondslag voor gegevensleveringen aan NWO voor dergelijk
onderzoek, waaronder het Nationaal Cohortonderzoek Onderwijs (NCO).
4.2 Doel en kern van het voorstel
Het wetsvoorstel regelt de rechtsgrondslag voor verstrekking van persoonsgegevens
aan de NWO om als verwerkingsverantwoordelijke onderzoeksactiviteiten te kunnen laten
realiseren. Dat betreft onderzoek waartoe NWO het doel en de middelen bepaalt, waarbij
gegevens noodzakelijk zijn over onderwijsdeelnemers die in het ROD zijn geregistreerd.
De NWO financiert onderzoeksactiviteiten, onder meer via het NKO, dat een specifieke
taak heeft voor het onderwijsonderzoek. Dit geschiedt met inachtneming van de taken
van de NWO zoals beschreven in artikel 3 van de Wet op de Nederlandse organisatie
voor wetenschappelijk onderzoek. Het NKO is een herkenbaar organisatieonderdeel van
NWO, naast de domeinen, instituten en regieorganen die deel uitmaken van NWO. Het
NKO verbetert de kennisinfrastructuur voor onderwijs door samenhang in het onderzoek,
een vraaggestuurde programmering, goede verspreiding en het optimaal benutten van
resultaten van onderwijsonderzoek te bevorderen. Deze onderzoeksactiviteiten van NKO
vinden plaats conform het Convenant Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek 2020–2030
van 8 juni 2020 (Stcrt. 2020, 32113).76
Om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren of te verrijken is kennisgedreven
beleid één van de pijlers. Daarbij wordt beleid ontwikkeld en uitgevoerd dat effectief
en efficiënt is en dat is gebaseerd op bewezen praktijken en de best beschikbare kennis
uit onderzoek. Om kennisgedreven beleid te kunnen voeren moeten scholen over actuele,
betrouwbare en accurate gegevens beschikken. Daartoe financiert het NKO onderzoeksactiviteiten
en stimuleert de benutting van wetenschappelijke kennis.
Het NKO kan onderzoek en kennisbenutting financieren en doen uitvoeren over alle onderwijssectoren.
De programmering van de onderzoeksactiviteiten komt tot stand op basis van zowel de
perspectieven van het onderwijsveld, onderwijsbeleid als de wetenschap. Dergelijk
onderzoek wordt uitgevoerd door een onderzoeksinstituut. Het NKO treedt daarbij waar
nodig en wenselijk op als regisseur in het onderwijsonderzoek. Daarbij kan het NKO
(als onderdeel van de rechtspersoon NWO) voor bepaalde onderzoeksactiviteiten het
doel en de middelen bepalen. Daarmee draagt NWO de verantwoordelijkheid voor de verwerking
van persoonsgegevens.
Eén van de onderzoeksactiviteiten waarbij NWO (voor haar organisatieonderdeel NKO)
in ieder geval de verwerkingsverantwoordelijkheid heeft betreft het Nationaal Cohortonderzoek
Onderwijs (hierna: NCO). Het NCO resulteert jaarlijks in school- en leergroeirapportages
voor scholen. Het betreft een onderzoek naar de prestaties en onderwijsloopbanen van
leerlingen in het primair onderwijs (inclusief speciaal onderwijs) en voortgezet onderwijs.
De jaarlijkse schoolrapportage geeft voor elke school in het primair en voortgezet
onderwijs inzicht in hoe de leerlingen presteren op de eigen school en in het vervolgonderwijs,
mede afgezet tegen het landelijk gemiddelde en een fictieve referentieschool. Daarnaast
krijgen scholen met leergroeirapportages specifiek inzicht in de leergroei van leerlingen
op het gebied van begrijpend lezen, spelling en rekenen-wiskunde (basisvaardigheden).
Deze rapportages zijn noodzakelijk voor scholen om kennisgedreven beleid te kunnen
voeren zoals voorzien in het Herstelplan Kwaliteit Onderwijs en het Masterplan Basisvaardigheden.
Om specifiek de ontwikkeling van bepaalde groepen leerlingen, bijvoorbeeld met een
migratieachtergrond of ondersteuningsbehoeften, te kunnen volgen kan het noodzakelijk
zijn om gebruik te maken van bijzondere persoonsgegevens. Zo wordt bijvoorbeeld in
het Register onderwijsdeelnemers ook geregistreerd of leerlingen een niet-Nederlandse
culturele achtergrond hebben, welke ondersteuningscategorie ze hebben, of ze een ontwikkelingsperspectief
hebben, deelname aan het (voortgezet) speciaal onderwijs, of ze onderwijs volgen aan
een tijdelijke nieuwkomersvoorziening, of ze voor- en vroegschoolse educatie hebben
genoten, en of ze op een orthopedagogisch-didactisch centrum zijn geplaatst.77 Deze gegevens zouden ook kunnen worden verstrekt voor specifieke NCO-rapportages.
Dit is noodzakelijk om de effectiviteit van beleid gericht op deze groepen leerlingen
te kunnen evalueren. Conform de systematiek van artikel 23 van de WRO zal deze noodzaak
ook moeten worden aangetoond voor een verzoek van NWO voor verstrekking van deze bijzondere
persoonsgegevens ten behoeve van een specifiek onderzoek, voorzien van een DPIA en
de benodigde maatregelen en waarborgen.
Bij de totstandkoming van de schoolrapportages wordt gebruik gemaakt van gegevens
uit het ROD. Dit wetsvoorstel regelt een rechtsgrondslag voor verstrekking van persoonsgegevens
uit het ROD aan de NWO (voor haar organisatieonderdeel NKO) om als verwerkingsverantwoordelijke
specifieke onderzoeksactiviteiten en genoemde rapportages te kunnen realiseren. Deze
gegevens kunnen worden verstrekt aan een onderzoeksinstituut (waarbij NWO verwerkingsverantwoordelijke
blijft). Dit is noodzakelijk voor scholen om kennisgedreven beleid te kunnen voeren
op basis van deze rapportages.
Daartoe wordt het bestaande artikel 23 van de WRO uitgebreid opdat NWO (ten behoeve
van haar organisatieonderdeel NKO) onderzoek kan laten doen naar de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs,
voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of hoger onderwijs, met gegevens afkomstig
uit het ROD. De persoonsgegevens uit het ROD kunnen vervolgens op grond hiervan worden
geleverd door DUO aan het onderzoeksinstituut dat hiervoor is aangewezen en wordt
gefinancierd door NWO. De NWO zal niet zelf deze persoonsgegevens ontvangen en verwerken,
maar is wel verwerkingsverantwoordelijke, op grond van haar inhoudelijke en coördinerende
rol ten aanzien van de betreffende onderzoeken, zoals het NCO.
Bij de verstrekking van gegevens voor onderzoeksactiviteiten op grond van artikel 23
van de WRO worden geen direct tot personen herleidbare gegevens verstrekt maar enkel
gepseudonimiseerde persoonsgegevens die indirect tot de persoon herleidbaar zijn (zie
ook artikel 29a van het Besluit register onderwijsdeelnemers).
Daarmee is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zoveel mogelijk beperkt. Het
(gepseudonimiseerd) verstrekken van (bijzondere) persoonsgegevens aan NWO geschiedt
op grond van een taak van (zwaarwegend) algemeen belang (artikel 3 van de Wet op de
NWO). Voor onderzoek op grond van artikel 23 van de WRO kan het noodzakelijk zijn
persoonsgegevens, inclusief indirect tot de persoon herleidbare bijzondere persoonsgegevens,
te moeten verwerken.
Deze verwerkingen van (bijzondere) persoonsgegevens vinden plaats op grond van een
taak van (zwaarwegend) algemeen belang als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e
en artikel 9, tweede lid, onderdeel g van de AVG. Bij een beroep op deze artikelen
moeten waarborgen worden getroffen om de belangen van betrokkenen te beschermen. Deze
maatregelen zijn reeds voorzien in artikel 23 van de WRO en hierop gebaseerde regelgeving,
en bestaan uit:
• Een limitatieve lijst van organisaties die een aanvraag kunnen indienen.
• Een inkadering van het doel waarvoor persoonsgegevens verwerkt mogen worden;
• Een aanvraag per specifiek onderzoek waarin de noodzaak moet zijn onderbouwd;
• Het vergezeld laten gaan van de aanvraag aan OCW van een DPIA van de aanvragende organisatie
op de specifieke verwerking;
• De mogelijkheid om aanvullende waarborgen te verplichten;
• De mogelijkheid om de verstrekking in te trekken bij onrechtmatigheden;
• Publicatie van het besluit in de Staatscourant.
5. Verhouding tot hoger recht
5.1 Algemeen wettelijk kader
De verwerking van persoonsgegevens is een beperking van het grondrecht op bescherming
van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens. Dit recht is verankerd in internationaal,
Europees en nationaal recht: het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke
rechten (artikel 17), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (artikel 8),
het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 7 en 8) en de Grondwet
(artikel 10).
Het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens is niet
absoluut. De inperking van dit recht is toegestaan, mits voldaan is aan een aantal
vereisten: de beperking is bij de wet voorzien, is noodzakelijk in een democratische
samenleving en er is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Bij proportionaliteit wordt gekeken of de inbreuk op de belangen van de betrokkene
niet onevenredig is in verhouding tot het met de verwerking te dienen doel. Of anders
gezegd: het doel van de verwerking van de persoonsgegevens dient in verhouding te
staan met de inbreuk op de privacy. Bij het subsidiariteitsbeginsel wordt beoordeeld
of er minder ingrijpende alternatieven voorhanden zijn om het beoogde doel te kunnen
bereiken.
Naast de hierboven genoemde grondrechtelijke bepalingen bieden de AVG en de daarbij
behorende Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: UAVG) kaders
voor de verwerking van persoonsgegevens. De belangrijkste beginselen voor de verwerking
van persoonsgegevens zijn: doelbinding (persoonsgegevens mogen alleen worden verwerkt
conform een vooraf welbepaald, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel en
mogen niet verder worden verwerkt voor onverenigbare doelen) en de beginselen van
noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Het beginsel van noodzakelijkheid
komt onder andere tot uiting in dataminimalisatie. Bij dataminimalisatie gaat het
erom dat gegevens slechts worden verwerkt indien dit noodzakelijk is voor het beoogde
doel. Hierbij wordt dus gekeken naar het doel van de verwerking, waarbij bepaald moet
worden dat er niet te veel, maar ook niet te weinig gegevens worden verwerkt, waardoor
er ten onrechte een onvolledig beeld van de betrokkene kan ontstaan.
Om te voldoen aan de AVG is voor de verschillende onderdelen van dit wetsvoorstel
ook een DPIA uitgevoerd, waarin mitigerende maatregelen zijn genoemd om de inbreuk
op het recht op bescherming van persoonsgegevens te minimaliseren. Deze DPIA’s zijn
intern getoetst door de Chief Privacy Officer (CPO) en de Functionaris Gegevensbescherming
(FG).
5.2 Landelijke veiligheidsmonitor
In dit hoofdstuk worden de gevolgen van dit wetsvoorstel voor de rechten en vrijheden
van de betrokkenen bij de LVM in het kader van de AVG toegelicht. Er wordt ingegaan
op de rechtsbeginselen noodzakelijkheid en proportionaliteit, waarbij uiteengezet
wordt welke maatregelen getroffen worden om die rechten en vrijheden zo goed mogelijk
te beschermen en welke alternatieven in het kader van dit wetsvoorstel overwogen zijn.
5.2.1 Verhouding tot het wettelijk kader
Doelen verwerking gegevens
Door de verwerking van persoonsgegevens bij het uitvoeren van de LVM wordt het recht
op privacy van betrokkenen beperkt. Het recht op privacy is vastgelegd in artikel 8
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en in artikel 10,
eerste lid, van de Grondwet. Een beperking van dit recht kan gerechtvaardigd zijn
indien deze geregeld is bij wet, een legitiem doel nastreeft en noodzakelijk en proportioneel
is in relatie tot het doel dat wordt nagestreefd met de verwerking.
Algemene verordening gegevensbescherming
Er is sprake van verwerking van persoonsgegevens, omdat het in uitzonderlijke gevallen
mogelijk is om de identiteit van een deelnemer te herleiden door de betreffende antwoorden
te combineren met andere (eventueel publiek beschikbare) gegevens. Het verwerken van
persoonsgegevens is op grond van de AVG toegestaan indien dat noodzakelijk is voor
het uitvoeren van een (wettelijke) taak van algemeen belang (artikel 6, eerste lid,
onderdeel e van de AVG). Verder is het op grond van de AVG in beginsel verboden om
bijzondere persoonsgegevens te verwerken, tenzij een beroep kan worden gedaan op één
van de in de AVG genoemde uitzonderingsgronden.78 Eén van die uitzonderingen is wanneer dat noodzakelijk is voor een zwaarwegend algemeen belang op grond van Unierecht of lidstatelijk recht.79 Daarnaast is het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard alleen
toegestaan wanneer de verwerking geschiedt onder verantwoordelijkheid van de overheid
of wanneer dat is toegestaan bij wetgeving die ook passende waarborgen biedt voor
de rechten en vrijheden van de betrokken personen.80 Met dit wetsvoorstel wordt een beroep gedaan op deze uitzonderingsgronden.81
5.2.2 Noodzaak & proportionaliteitsafweging
Door persoonsgegevens te verwerken wordt het recht op privacy en het recht op gegevensbescherming
van de betrokkenen beperkt. Deze beperking dient noodzakelijk en proportioneel te
zijn.
De LVM is gericht op het ontwikkelen van een geaggregeerd en niet tot personen herleidbaar,
gedifferentieerd landelijk totaalbeeld. In de eerste plaats betreft dat een beeld
op basis van gegevens over het veiligheidsklimaat zelf, zoals hoe vaak verschillende
uitingsvormen van onveilig gedrag voorkomen of hoe de veiligheid in het algemeen door
de deelnemers ervaren wordt. Maar zoals eerder is genoemd, kan de veiligheidsbeleving
in het onderwijs alleen op een doeltreffende manier in beeld worden gebracht door
de resultaten aan de hand van indirect identificerende gegevens (achtergrondkenmerken)
te groeperen. Het gaat hier ten eerste bijvoorbeeld om gegevens zoals leeftijd, (geboorte)geslacht,
onderwijssoort of de regio van de school. Hiervoor wordt een beroep gedaan op de grondslag
taak van algemeen belang. Alleen een dergelijke manier van groeperen van de dataset maakt het mogelijk gedifferentieerd
in beeld te krijgen welke (verschillende) problemen er precies spelen bij bepaalde
groepen en onderwijssoorten. En alleen op die manier kunnen relevante aangrijpingspunten
voor doeltreffend en doelmatig landelijk beleid worden geïdentificeerd.82
Bovendien is het noodzakelijk om de veiligheid in het onderwijs van een aantal minderheden
specifiek in beeld te brengen en te kunnen vergelijken met de veiligheid van andere
deelnemers. Het gaat hierbij om de volgende groepen: migranten en hun in Nederland
geboren kinderen, personen die tot bepaalde niet-Nederlandse etnische groeperingen
behoren, lhbtiq+-personen, personen met een religieuze achtergrond of identiteit en
personen met een beperking.83 Personen die tot deze minderheden behoren lopen een verhoogd risico om slachtoffer
te worden van pesten, discriminatie of andere uitingsvormen van onveilig gedrag. Dit
heeft negatieve gevolgen voor hun welbevinden en prestaties, zowel op school als op
de werkvloer. Ook kan het veiligheidsklimaat van één specifieke groep verslechteren
als gevolg van maatschappelijke spanningen. Om het veiligheidsklimaat voor deze minderheden
in beeld te kunnen brengen is het noodzakelijk de resultaten van de LVM uit te splitsen
op basis van bijzondere categorieën van persoonsgegevens. Het gaat hierbij om persoonsgegevens
waaruit ras of etnische afkomst of religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen
blijken, en gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel
gedrag of seksuele gerichtheid.84
Daarnaast is het noodzakelijk om bijzondere categorieën van persoonsgegevens te kunnen
verwerken om deelnemers te kunnen bevragen op het gebied van hun mentaal welbevinden
en hun ervaringen met seksueel grensoverschrijdend gedrag, omdat die gegevens noodzakelijk
zijn om de veiligheid in beeld te brengen.
Het verwerken van bijzondere categorieën van persoonsgegevens dient aldus het zwaarwegende algemeen belang van het borgen van een veilig schoolklimaat en de kwaliteit van het onderwijs. Dat
levert namelijk een noodzakelijke bijdrage aan de doeltreffendheid en doelmatigheid
van het beleid dat is bedoeld om scholen zo goed mogelijk in staat te stellen de veiligheid
op school te borgen. Op die manier levert de LVM, en de daarvoor noodzakelijke verwerking
van bijzondere persoonsgegevens, uiteindelijk een noodzakelijke, positieve bijdrage
aan kwalitatief goed onderwijs en aan de ontwikkeling van de leerlingen.
Hoewel de LVM niet tot doel heeft om zicht te krijgen op de prevalentie van strafbare
feiten, valt niet uit te sluiten dat (in uitzonderlijke gevallen, in combinatie met
andere gegevens) een strafbaar feit uit de antwoorden kan worden afgeleid, dat aan
de identiteit van een leerling gekoppeld zou kunnen worden. Sommige vragen van de
LVM betreffen namelijk uitingsvormen van onveilig gedrag die in bepaalde gevallen
strafbaar zijn. Van het verwerken van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard kan
in het bijzonder sprake zijn wanneer een respondent aangeeft zelf dergelijk gedrag
te hebben vertoond.85 En in zeer uitzonderlijke gevallen zou de identiteit van een mogelijke verdachte
of dader kunnen worden herleid wanneer een deelnemer aangeeft slachtoffer te zijn
geweest van bijvoorbeeld fysiek geweld. Omdat de LVM niet tot doel heeft om persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard van leerlingen te verwerken, wordt de LVM zo ingericht dat
het verkrijgen van deze gegevens zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Een LVM waarbij het niet mogelijk is bijzondere categorieën persoonsgegevens of persoonsgegevens
van strafrechtelijke aard te verwerken zou leiden tot een sterk veralgemeniseerd en
daarmee ongenuanceerd beeld van het veiligheidsklimaat. Dat zou niet het benodigde,
gedifferentieerde zicht op de specifieke veiligheidsproblematiek opleveren. Op basis
hiervan wordt de verwerking van (bijzondere en strafrechtelijke) persoonsgegevens
noodzakelijk geacht.
Seksuele gerichtheid en genderidentiteit
Voor de LVM is het noodzakelijk om de veiligheid specifiek voor de groep lhbtiq+-personen
in beeld te brengen. Mensen in deze groep hebben in vergelijking met anderen vaker
te maken met onveilige situaties.86 Uit de meest recente LVM (2021–2022) bleek bovendien dat lhbt-leerlingen in zowel
het po als vo vaker incidenten meemaken op het gebied van verbaal, psychisch, sociaal,
fysiek of materieel geweld.87 Dit onderstreept de noodzaak om de veiligheid binnen deze groep gericht in kaart
te brengen en de uitkomsten van de LVM hiervoor apart te kunnen uitsplitsen. Om te
bepalen welke monitoringsgegevens zijn ingevuld door deelnemers die tot deze groep
gerekend kunnen worden, is het noodzakelijk om, naast gegevens over bij de geboorte
toegewezen geslacht (hierna: geboortegeslacht), gegevens te verwerken over seksuele
gerichtheid en genderidentiteit.88
In het geval van gegevens over genderidentiteit hangt het van de omstandigheden af
ze onder één van de categorieën bijzondere persoonsgegevens vallen. Wanneer in de
antwoorden van een deelnemer een incongruentie bestaat tussen het geboortegeslacht
en de genderidentiteit (bijvoorbeeld de deelnemer geeft aan geboortegeslacht meisje
te hebben, maar voelt zich jongen), kan worden gesproken van genderincongruentie en
is mogelijk sprake van transgenderidentiteit of intersekse identiteit. Vanwege de
gevoeligheid verdienen dergelijke gegevens dezelfde mate van bescherming als (andere)
bijzondere persoonsgegevens en dient hier onder alle omstandigheden zeer zorgvuldig
mee te worden omgegaan.
Migratieachtergrond, etniciteit of huidskleur
Uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (hierna: SCP) bleek dat Nederlanders
met een migratieachtergrond op alle terreinen fors meer discriminatie ervaren dan
Nederlanders zonder migratieachtergrond.89 Dat was vooral het geval onder migranten met een niet-westerse achtergrond. Daarbij
werd vaak aangegeven dat het ervaren van discriminatie ernstige gevolgen had ten aanzien
van hun onderwijscarrière. Verder bleek uit een peiling van UNICEF Nederland dat bijna
de helft van alle kinderen en jongeren in Nederland aangaf getuige te zijn geweest
van discriminatie op basis van huidskleur of afkomst. Ook bleek de drempel om daarvan
op school een melding te maken te hoog.90 Een vergelijkbaar beeld kwam naar voren in een rapport over discriminatie van het
SCP.91 Meer dan 50% van de leerlingen met een Turks-, Marokkaans-, Surinaams- en Antilliaans-Nederlandse
achtergrond gaf aan discriminatie te ervaren door zowel klasgenoten als docenten of
begeleiders. Daarbij gaat het om uitingsvormen zoals uitschelden, pesten, bedreigen,
schoppen en slaan. Ten slotte blijkt uit een analyse van de dossiers van de Kinderombudsman
dat de meeste registraties over discriminatie gaan over herkomst, waarbij het relatief
vaak gaat over pestgedrag op school op basis van herkomst.92 Hieruit blijkt dat verschillen in migratieachtergrond, etniciteit of huidskleur belangrijk
zijn in relatie tot het veiligheidsklimaat op school en dat het noodzakelijk is om
op basis van gegevens daarover de resultaten van de LVM uit te kunnen splitsen.
Religieuze achtergrond of identiteit
Hetzelfde geldt voor gegevens over religieuze achtergrond of identiteit. Ten aanzien
van religieuze achtergrond bleek uit het rapport van het SCP dat moslims aanzienlijk
meer discriminatie ervaren dan christenen en niet-gelovigen, en dat de discriminatie
zich bij hen ook vaker uitstrekt over meerdere terreinen en als chronisch ervaren
wordt.93 Daarnaast zijn de zorgen over zowel moslimdiscriminatie als antisemitisme in Nederland
sterk toegenomen sinds de oorlog in Gaza vanaf 2023. Verder is van alle discriminatiemeldingen
bij de politie in 2023 het aandeel dat verband hield met antisemitisme met 25% procent
toegenomen vergeleken met 2022. En van de discriminatiemeldingen in verband met godsdienst
betrof 94% moslimdiscriminatie.94
Gegevens over gezondheid
Over de veiligheid van leerlingen met een beperking is niet veel bekend. In verschillende
bronnen wordt echter wel ingegaan op de constatering dat jongeren met een licht verstandelijke
beperking tegen verschillende belemmeringen aanlopen, waaronder op het gebied van
veiligheid.95 In de meest recente LVM (2021–2022) konden vanwege een te lage respons helaas geen
conclusies worden getrokken over leerlingen in het speciaal onderwijs.96 Maar in verschillende bronnen wordt wel ingegaan op de constatering dat jongeren
met een licht verstandelijke beperking tegen verschillende belemmeringen aanlopen,
waaronder op het gebied van veiligheid.97 Uit een rapport van de Kinderombudsman 2022 blijkt bovendien dat ongeveer 12% (n = 37)
van de 439 kinderen die aangaven gepest te worden, aangaf dat dit was vanwege een
ziekte of handicap.98 In de uitvoering zal extra aandacht worden besteed aan het borgen van de respons
van deze doelgroep.
5.2.3 Geschikt middel voor het te bereiken doel
De Minister van OCW is verwerkingsverantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens
ten behoeve van de LVM. Met de LVM wordt door de Minister inbreuk gemaakt op het recht
op eerbiediging van het privéleven van de deelnemers.99 Een dergelijke inmenging in de privésfeer is op grond van artikel 8, EVRM, alleen
toegestaan indien dat noodzakelijk is in het belang van een aantal doelen.100 Met de LVM wordt aansluiting gevonden bij de doelen: openbare veiligheid, het voorkomen
van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede
zeden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Bij deze doelen wordt
aangesloten in paragraaf 2.1 «Aanleiding» en paragraaf 2.2 «Probleembeschrijving».
5.2.4 Belangenafweging
De LVM levert onmisbare informatie om zicht te krijgen op welke aspecten van de landelijke
veiligheid op scholen op landelijk niveau maatregelen noodzakelijk zijn voor het borgen
van een veilig schoolklimaat. Uiteindelijk dient dat de veiligheid en het welbevinden
van leerlingen en personeelsleden in het algemeen in het funderend onderwijs. Daar
heeft de Minister als stelselverantwoordelijke belang bij. Ook schoolbesturen hebben
daar belang bij, omdat zij wettelijk verantwoordelijk zijn voor de veiligheid op school
en zorgdragen voor de kwaliteit van het onderwijs op school.
Daarnaast zijn de gegevensverwerkingen voor de LVM ook in het belang van de deelnemende
leerlingen, indien de LVM als leerlingmonitoringsinstrument wordt ingezet. Door gegevens
in te vullen over hun ervaringen met de veiligheid op school kunnen zij namelijk invloed
uitoefenen op het veiligheidsbeleid van de eigen school. Het bevoegd gezag van de
aan de LVM meewerkende school zal de schoolrapportage namelijk dienen te betrekken
bij de jaarlijkse verplichte evaluatie van het veiligheidsbeleid.101 Verder wordt de toename van het risico voor de privacy van de betrokkenen, ten opzichte
van de huidige (juridische) situatie, relatief klein ingeschat, vanwege de reeds bestaande
leerlingmonitorverplichting (zie paragraaf 2.4.5) en de mogelijkheid voor het bevoegd
gezag om de LVM in dat bestaande wettelijke kader toe te passen.
Tegenover het veiligheidsbelang bij de LVM staat het individuele privacybelang van
de betrokken deelnemers. Er worden veel gevoelige gegevens uitgevraagd en het risico
bestaat dat deze onbedoeld bekend worden bij derden, bijvoorbeeld als gevolg van een
datalek of wanneer iemand meekijkt tijdens het invullen van de vragenlijst door de
deelnemers. Dit draagt ook een risico in zich dat de sociale veiligheid van betrokkenen
wordt aangetast.102
De gevolgen voor de betrokken deelnemers kunnen groot zijn als de gegevens onbedoeld
bekend zouden raken bij derden. Evenwel wordt het risico op een dergelijke situatie
laag ingeschat, omdat daartoe de nodige risico-mitigerende maatregelen worden getroffen
(zie paragraaf 5.2.5).
Uit het bovenstaande volgt dat het veiligheidsbelang zwaarder weegt dan de inbreuk
in het concrete geval op de persoonlijke levenssfeer van de individuele betrokkenen,
die zo minimaal mogelijk is mede door de voorgestelde risico-mitigerende maatregelen
(zie paragraaf 5.2.5). Het belang om de sociale veiligheid te waarborgen van de overheid
en schoolbesturen weegt daarmee zwaarder dan de inperking van de rechten van de betrokkenen.
5.2.5 Proportionaliteitswaarborgen: risico-mitigerende maatregelen
Om te zorgen dat de beperking van privacy van betrokkenen zo minimaal mogelijk blijft,
zijn in dit wetsvoorstel de volgende proportionaliteitswaarborgen in acht genomen.
Deze maatregelen zijn onderdeel van de kern van het voorstel en zijn daarom eerder
al uiteengezet. Ten behoeve van de proportionaliteitsweging worden ze hierna nogmaals
kort omschreven.
Maatregel 1: Minimale herleidbaarheid – geen uitvraag van direct identificerende persoonsgegevens
Als de identiteit van de betrokkenen bij derden bekend wordt levert dat extra risico’s
op voor de rechten en vrijheden van betrokken. Daarnaast is kennis over hun identiteit
gezien de doeleinden van de LVM ook niet noodzakelijk. Er worden daarom maatregelen
genomen om te voorkomen dat hun identiteit bekend wordt. Wettelijk wordt vastgelegd
dat er alleen direct identificerende persoonsgegevens verwerkt worden voor zover dit
noodzakelijk is om deelnemers uit te nodigen voor deelname aan de LVM. Daarmee wordt
uitgesloten dat direct identificerende persoonsgegevens worden uitgevraagd bij de
afname van de LVM.
Maatregel 2: Maximale bewaartermijn en anonimiseren persoonsgegevens
Op grond van de AVG geldt dat persoonsgegevens niet langer dan noodzakelijk bewaard
mogen worden. Om de volledige afronding van één editie van de LVM redelijkerwijs en
zo goed mogelijk te waarborgen is het noodzakelijk om de persoonsgegevens maximaal
drie jaar te kunnen bewaren. De duur van één editie van de LVM, van de uitvraag van
de gegevens tot het opleveren van de eindrapportage, is maximaal twee jaar. In het
geval dat onvoorziene bijzondere omstandigheden leiden tot bijvoorbeeld een vertraging
van het onderzoek, is het onwenselijk dat de gegevens verwijderd moeten worden vóórdat
het onderzoek kan worden afgerond. Daarom is het noodzakelijk om één extra jaar in
te bouwen en is ervoor gekozen om een bewaartermijn van maximaal drie jaar wettelijk
vast te leggen. Zo vroeg mogelijk na het opleveren van de landelijke rapportage, maar
in ieder geval na drie jaar, moeten de persoonsgegevens worden geanonimiseerd. Dit
betekent dat de schoolrapportages ook vóór die tijd verstrekt dienen te worden.
Het anonimiseren van de landelijke dataset zal gebeuren door die te aggregeren. Daarbij
wordt gestreefd naar een manier van aggregeren die zorgt dat de vergelijkbaarheid
van de resultaten over verschillende edities van de LVM op landelijk niveau zo goed
als mogelijk behouden blijft. Indien noodzakelijk om de anonimiteit van de dataset
te waarborgen, zullen zo veel als nodig concessies worden gedaan aan de vergelijkbaarheid
van de geaggregeerde ofwel geanonimiseerde datasets.103
Maatregel 3: Limitatieve opsomming van de categorieën bijzondere persoonsgegevens
Er wordt voor een aantal categorieën bijzondere persoonsgegevens geen uitzondering
op het verwerkingsverbod gecreëerd voor de LVM. Het gaat om de categorieën genetische
gegevens, biometrische gegevens, gegevens over lidmaatschap van een vakbond en gegevens
over politieke opvattingen. Deze gegevens zijn niet noodzakelijk om de doelstellingen
van de LVM te realiseren.
Maatregel 4: Beperking van mogelijk te verwerken persoonsgegevens
Op grond van de AVG mogen enkel persoonsgegevens worden verwerkt voor zover dat noodzakelijk
is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt (dataminimalisatie).104 In dat kader is expliciet vastgelegd dat uitsluitend persoonsgegevens verwerkt mogen
worden die behoren tot de achtergrondkenmerken en onderwerpen die noodzakelijk zijn
om inzicht te geven in de aandachtsgebieden van de LVM.
Maatregel 5: Verwerkingsverantwoordelijke en DPIA
In het wetsvoorstel is opgenomen dat de Minister van OCW verwerkingsverantwoordelijke
is. Als verwerkingsverantwoordelijke is de Minister verplicht om voorafgaand aan de
verwerking van de persoonsgegevens ten behoeve van de LVM een DPIA uit te voeren.105 Dit gebeurt ook wanneer de Minister één opdracht voor meerdere LVM-edities verstrekt.
Het opdrachtnemende onderzoeksbureau levert als verwerker op grond van de AVG alle
benodigde informatie aan voor de uitvoering van de DPIA en over de verdere technische
en organisatorische beveiligingsmaatregelen.
Maatregel 6: Informeren leerlingen en personeel, geen verplichting om deel te nemen
aan de LVM
Deelname aan de LVM is niet verplicht; scholen, leerlingen en personeel hoeven niet
mee te doen. Voordat besloten wordt tot deelname aan de LVM, dienen leerlingen, hun
ouders en personeel voldoende geïnformeerd te worden over het belang en de doelstellingen
van de LVM, als ook de risico’s met betrekking tot de gegevensverwerkingen. Bovendien
is van belang dat helder gecommuniceerd wordt over de rechten van betrokkenen, in
het bijzonder dat deelname niet verplicht is. Daartoe regelt dit wetsvoorstel dat
de Minister de leerlingen, hun ouders, voogden en verzorgers en het personeel informeert
over de afname van de LVM, en in het bijzonder dat deelname niet verplicht is. Leerlingen
onder de zestien jaar hebben met betrekking tot hun persoonsgegevens recht op specifieke
bescherming, aangezien zij zich allicht minder bewust zijn van hun rechten en de benodigde
waarborgen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens en minder goed kunnen
overzien welke gevolgen en risico’s hun eventuele deelname mogelijk heeft.106 Om die reden worden ook de ouders, voogden en verzorgers van de leerlingen onder
de zestien jaar geïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen over hun deelname.
Maatregel 7: Aggregatie van resultaten voor de schoolrapportages
Aan de LVM meewerkende scholen ontvangen een schoolrapportage die inzicht geeft in
de vier aandachtsgebieden (de feitelijke veiligheid, de ervaren veiligheid, het welbevinden
en het veiligheidsbeleid). Daarmee kunnen zij voldoen aan de eigen monitor- en evaluatieverplichting
in het kader van de zorgplicht voor de veiligheid op school.107 Het is in principe niet de bedoeling dat een school er via deze schoolrapportage
achter komt welke leerling of welk personeelslid wat precies heeft ingevuld. Daarom
is in het wetsvoorstel opgenomen dat de persoonsgegevens in de schoolrapportage worden
geaggregeerd. Hierbij zal in ieder geval geen sprake zijn van direct identificerende
persoonsgegevens en het risico op indirecte herleidbaarheid zal beperkt zijn.
Maatregel 8: beperkte toegang tot de brondata
In het wetsvoorstel is opgenomen dat de persoonsgegevens die verwerkt worden ten behoeve
van de LVM bewaard worden op een plek die uitsluitend toegankelijk is voor door de
Minister van OCW geautoriseerde personen. Daarbij geldt dat uitsluitend personen die
de gegevens nodig hebben voor de uitvoering van de LVM, toegang hebben tot de gegevens.
De Minister zelf heeft in beginsel geen toegang, tenzij dat noodzakelijk is om te
voldoen aan een wettelijke verplichting, zoals het uitvoeren van een inzageverzoek.108 Ook dan geldt het uitgangspunt dat de Minister alleen die gegevens ontvangt die daarvoor
nodig zijn.109 Andere partijen, zoals de bevoegde gezagen van scholen en de inspectie hebben geen
toegang tot de gegevens die op landelijk niveau zijn verzameld met de LVM. Wel krijgen
zij logischerwijs inzage in de landelijke rapportage van de LVM (zonder tot de persoon
en tot scholen herleidbare gegevens).
5.2.6 Subsidiariteitsbeginsel: alternatieven
Met het oog op het subsidiariteitsbeginsel kan de LVM in redelijkheid niet op een
andere, voor de betrokkene minder nadelige wijze worden verwezenlijkt. Om tot deze
conclusie te komen zijn in het kader van LVM verschillende opties overwogen waarbij
minder of geen bijzondere persoonsgegevens verwerkt hoeven te worden.
Alternatief 1: volledig anonieme LVM
Er is overwogen om een volledig anonieme LVM uit te voeren. In dat geval zou de AVG
niet van toepassing zijn. Zoals omschreven in paragraaf 2.2, zou dat echter betekenen
dat het niet mogelijk is om voldoende zicht te krijgen op het veiligheidsklimaat en
de juiste aangrijpingspunten voor het landelijke beleid te identificeren.
Alternatief 2: uitvoeren op basis van uitdrukkelijke toestemming
Ook is overwogen om de LVM in te richten en uit te voeren op basis van de in de AVG
genoemde grondslag «(uitdrukkelijke) toestemming» zoals bedoeld in artikel 6, eerste
lid, onder a, juncto artikel 9, tweede lid, onder a, van de AVG. Deze grondslag is
evident niet van toepassing in het geval van de LVM, omdat toestemming in vrijheid
dient te worden verleend en dat niet mogelijk is wanneer sprake is van ongelijke machtsverhoudingen.
In de eerste plaats is sprake van een ongelijke machtsverhouding tussen overheid-burger.
Daarnaast is ook sprake van een ongelijke machtsverhouding tussen school en leerling
vanwege het feit dat scholen een rol krijgen bij de afname van de LVM en het bevoegd
gezag daarmee aan de eigen monitoringsverplichting kan voldoen. Bovendien kan de grondslag
toestemming in een later stadium problemen opleveren, als deelnemers hun toestemming
tussentijds zouden intrekken.
Alternatief 3: wetenschappelijke bronnen
Er is verkend of de doelstellingen van dit wetsvoorstel gerealiseerd kunnen worden
door gebruik te maken van eventuele andere (wetenschappelijke) bronnen. Bronnen die
een vergelijkbaar beeld met de LVM geven zijn echter niet bekend.110 Daarnaast is het noodzakelijk om met enige frequentie te meten om zicht te krijgen
op trends en trendverschillen in het veiligheidsklimaat. Het Ministerie van OCW is
de enige organisatie waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden een dergelijk onderzoek
structureel te laten uitvoeren en te financieren.
Alternatief 4: Gegevens van de leerlingmonitor via de inspectie
Er is overwogen of de beleidsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd op basis van
de leerlingmonitorresultaten die scholen verplicht zijn aan de inspectie te leveren.111 Om verschillende redenen is dit alternatief niet wenselijk.
Ten eerste zijn de geaggregeerde resultaten inhoudelijk te beperkt om een bruikbaar
landelijk beeld van het veiligheidsklimaat mee te vormen. Schoolbesturen zijn verplicht
hun leerlingmonitorresultaten aan de inspectie te leveren, geaggregeerd per aandachtsgebied
(ervaren veiligheid, feitelijke veiligheid en welbevinden) en per vestiging (in het
po) of per schoolsoort per vestiging (in het vo). In de praktijk moet het schoolbestuur
dan drie gemiddelde cijfers (één per aandachtsgebied) leveren.112
De tweede reden is dat het scholen op grond van de vrijheid van onderwijs vrij staat
om op de markt een monitorinstrument te kiezen dat het best bij hun eigen situatie
past, als dat instrument maar aan de wettelijke eisen voldoet. Veel scholen gebruiken
voor hun jaarlijkse leerlingmonitor een minder gedetailleerde vragenlijst dan die
van de LVM. Die gegevens kunnen dan meestal niet worden uitgesplitst per specifieke
doelgroep en dat is wel noodzakelijk voor het zicht op het landelijke veiligheidsklimaat.
Daarnaast is het in de huidige situatie zo dat de verschillende instrumenten die in
de praktijk worden gebruikt voor de jaarlijkse leerlingmonitor niet zonder meer met
elkaar te vergelijken zijn. De gemiddelden per aandachtsgebied worden bij verschillende
monitoringsinstrumenten op een andere manier tot stand gebracht en hebben dus een
andere betekenis. Samenvoegen van die andersoortige gemiddelden zou dus tot een vertekend
en onbetrouwbaar landelijk beeld leiden.
Een mogelijkheid is het reguleren van de leerlingmonitor, zodat de resultaten daarvan
wel bruikbaar zijn voor het creëren van een landelijk beeld van het veiligheidsklimaat.
Dat is echter niet wenselijk, omdat dat zou leiden tot een hogere regeldruk voor scholen
dan noodzakelijk, doordat er dan meer eisen moeten worden gesteld aan de instrumenten
die scholen gebruiken om te voldoen aan hun verplichting jaarlijks de veiligheidsbeleving
te monitoren. Een alternatief daarvoor zou kunnen zijn om schoolbesturen te verplichten
gebruik te maken van één monitorinstrument. Maar dat acht de regering een te vergaande
beperking van de grondwettelijke vrijheid van onderwijs.
5.2.7 Conclusie
Gelet op de voorgestelde mitigerende maatregelen, de uiteenzetting van de overwogen
alternatieven, de belangenafweging, als ook de onderbouwing van de noodzaak, wordt
de inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven van de deelnemers proportioneel
geacht. Daarom concludeert de regering dat de verwachte positieve uitwerking op het
veiligheidsklimaat – zowel op de betreffende school en voor de betrokkenen zelf als
in het funderend onderwijs in het algemeen – deze inperking van de rechten en vrijheden
van de betrokkenen rechtvaardigt.
5.3 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
5.3.1 Doel
Dit onderdeel van het wetsvoorstel betreft de verwerking van persoonsgegevens van
personeel. Het doel van de verwerking van personeelsgegevens is de ondersteuning van
bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording en vergelijking
omtrent de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. Dit betreft
de eigen onderwijsinstelling, maar ook de verhouding tot vergelijkbare instellingen.
5.3.2 Verhouding tot wettelijk kader
Aangezien het om geaggregeerde gegevens op functiegroep per instelling gaat, zullen
de gegevens in veel gevallen tot de persoon herleidbaar zijn. Dit zal met name het
geval zijn in de functiegroepen waar minder dan vijf personen zijn ingedeeld. Dit
doet zich weer met name voor bij kleine instellingen in bijvoorbeeld de functiegroep
management. In dergelijke gevallen zal er sprake zijn van een inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer. Daar tegenover staat het algemeen belang van de transparantie en verantwoording
van publiek bekostigde onderwijsinstellingen over de resultaten en het gevoerde (personeels)beleid.
Ook is het in het algemeen belang dat onderwijsinstellingen zich onderling kunnen
vergelijken omwille van de verbetering van het te voeren onderwijsbeleid en derhalve
de onderwijskwaliteit.
5.3.3 Mitigerende maatregelen
Er worden in wet- en regelgeving mitigerende maatregelen genomen om de inbreuk op
het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens zo
veel mogelijk te beperken. Zo bepaalt het wetsvoorstel dat de Minister per verzoek
vóór de gegevenslevering beoordeelt of de noodzaak in het concrete geval voldoende
is onderbouwd. Bij het verzoek zal ook een DPIA moeten worden aangeleverd door de
aanvrager, in casu de sectorraden. Direct tot personen herleidbare gegevens zijn uitgesloten
van levering door DUO. Daarmee is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer beperkt.
Procedurele waarborgen
Gelet op de doeluitbreiding, heeft de regering ervoor gekozen om een aantal extra
(procedurele) vereisten in te bouwen, gericht op het waarborgen van een zo zorgvuldig
mogelijke omgang met gegevens over het personeel en transparantie over de gegevensverstrekkingen.
Dit betreffen extra procedurele waarborgen, omdat de betrokken organisaties als verwerkingsverantwoordelijken
volgens de AVG ook al moeten voldoen aan de normale procedurele waarborgen die de
AVG stelt, zoals dataminimalisatie en informatiebeveiliging.
Aanwijzing organisaties bij wet
Met het oog op de voorzienbaarheid, rechtszekerheid en privacybescherming is ervoor
gekozen om de organisaties die in aanmerking komen voor gegevensverstrekking over
het personeel op het niveau van de wet in formele zin aan te wijzen. Wat betreft het
doel «ondersteunen bij verantwoording en vergelijking» worden de organisaties die
in aanmerking komen voor gegevensverstrekking limitatief in de wet zelf opgenomen.
Het gaat om de twee verenigingen van schoolbesturen, namelijk de PO-raad en VO-raad.
Zij ondersteunen, conform hun statutaire doelstellingen, hun leden reeds geruime tijd
bij de verantwoording.113
Besluit Minister
Aan de sectorraden kunnen pas persoonsgegevens worden verstrekt als dat noodzakelijk
is voor de doelen die onder het eerste lid van artikel 167a WPO vallen (ondersteunen
van bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording en vergelijking).
Hiervoor is in het wetsvoorstel een waarborg ingebouwd: de gegevens kunnen pas worden
verstrekt als de Minister daarover een besluit heeft genomen. Daarvoor moet de betreffende
sectorraad een verzoek indienen waarin wordt aangegeven voor welke doelen persoonsgegevens
benodigd zijn, en om welke gegevens het gaat. Verder moet de sectorraad aantonen dat
de persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de beoogde doelen. De Minister neemt vervolgens
een besluit. In het besluit wordt, naast de doeleinden en de te verstrekken gegevens,
tevens de bewaartermijn voor de gegevens opgenomen. Op deze manier wordt gewaarborgd
dat de gegevens niet langer dan noodzakelijk worden bewaard bij de sectorraad.
Aan het besluit worden daarnaast beperkingen en voorschriften verbonden met het oog
op een zorgvuldige en doelmatige gegevensverwerking. Te denken valt aan voorschriften
over de wijze van verstrekking of het verlenen van medewerking aan privacy-audits.
Het besluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant waarmee de verstrekking kenbaar
wordt voor eenieder. De Minister kan een verstrekkingsbesluit in ieder geval intrekken
indien de sectorraad de gegevens voor een ander dan het beoogde doel gebruikt of de
voorschriften en beperkingen die zijn verbonden aan het verstrekkingsbesluit niet
naleeft.
Uitvoeringspraktijk
Voor wat betreft de gegevens die achter een login beschikbaar worden gemaakt voor
besturen, geldt dat alle persoonsgegevens al in het bezit zijn van de schoolbesturen
die de oorspronkelijke bron van de gegevens zijn. Deze gegevens worden vergeleken
met gemiddelden van vergelijkbare besturen zonder dat zichtbaar is welke instellingen
dit betreft. Dat maakt dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen
bij deze verstrekking beperkt is.
Om daadwerkelijk iets aan de informatie te hebben zijn er in een aantal gevallen fijnmazige
gegevens nodig. De gegevens die DUO inwint uit de administraties van de schoolbesturen
zijn onderverdeeld in vijf functiegroepen die weer zijn onderverdeeld in achttien
functiecategorieën. In de aanvraagprocedure voor de verstrekking van de gegevens aan
de raden zal moeten worden onderbouwd waarom op welk niveau de gegevens over de persoon
of de arbeidsrelatie nodig zijn om de beoogde doelen te behalen. Er worden geen gegevens
verstrekt over het salaris zelf. Het uitgangspunt is dat de gegevens dusdanig worden
geaggregeerd dat enerzijds de beoogde doelen kunnen worden behaald (verantwoorden
en vergelijken) en anderzijds de kans op indirecte herleidbaarheid wordt geminimaliseerd.
5.3.4 Noodzaak
Inzicht in de doelmatigheid van de besteding van budget en verantwoording hierover
heeft een grote meerwaarde. Op basis hiervan kan duiding worden gegeven aan de prestaties
van een bestuur en onderwijsinstelling. Schoolbesturen kunnen dit momenteel ook al
met hun eigen systemen, maar hebben hiermee geen inzicht in hoe zij zich verhouden
tot vergelijkbare besturen. Ook zijn de gegevens niet één op één vergelijkbaar, doordat
de manier van rapporteren niet overeenkomt. Juist deze vergelijking biedt grote meerwaarde
voor de onderwijssector omdat het schoolbesturen in staat stelt hun prestaties te
vergelijken met die van andere schoolbesturen in dezelfde sector. Het biedt inzicht
in waar ze staan en helpt kansen voor verbetering te identificeren. Het kan daarmee
waardevolle inzichten opleveren voor schoolbesturen voor de kwaliteitszorg en sturing
op de onderwijskwaliteit. Daarnaast verantwoorden schoolbesturen zich op deze manier
richting ouders en leerlingen, en ook hun werkgever, het intern toezicht, door hun
resultaten vergelijkbaar te maken met andere schoolbesturen. Door deze vergelijking
mogelijk te maken, wordt de mogelijkheid om als werkgever van de schoolbesturen in
gesprek te gaan over de resultaten van het schoolbestuur versterkt. Als laatste kan
dit ook zeer waardevolle informatie opleveren voor de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad
om in gesprek te gaan met hun schoolbestuur over de resultaten in vergelijking met
de omgeving.
De noodzaak van de verstrekking en verwerking van deze gegevens ligt in uniforme verantwoording.
Ook kunnen toezichthouders via vergelijkingen nagaan of het schoolbestuur gelden voldoende
doelmatig heeft besteed. Het levert veel informatie op, zodat geld mogelijk doelmatiger
kan worden ingezet in een volgend kalenderjaar. Schoolbesturen en samenwerkingsverbanden
zijn wettelijk verplicht hun resultaten en beleid, mede in relatie tot de inzet van
hun personeel, openbaar te verantwoorden en er wordt tevens van hen verwacht dat zij
kennisgedreven handelen. Door informatie op schoolniveau transparant te maken krijgen
belanghebbenden (breed: ouders, leerlingen en personeel, de samenleving, specifiek:
intern toezicht en medezeggenschap) daarom beter inzicht in de schoolresultaten, de
besteding van middelen bij die specifieke school en worden belanghebbenden ook in
staat gesteld om deze te vergelijken met andere scholen. Op deze manier is de horizontale
verantwoording beter ingeregeld en kan er effectiever en uitgebreider worden voldaan
aan de verplichtingen tegenover de interne toezichthouder en de medezeggenschapsraad,
en worden deze beter in staat gesteld om gericht vragen te stellen. Tot slot kan horizontale
verantwoording op lokaal niveau de betrokkenheid van belanghebbenden vergroten en
daarmee de maatschappelijke legitimering van de instelling.
Indien deze informatie niet beschikbaar wordt gesteld, noch op een andere wijze aan
de sectorraden ter beschikking wordt gesteld, moeten schoolbesturen de benodigde gegevens
voor verantwoording per instelling achterhalen en berekenen op basis van gegevens
uit eigen (decentrale) systemen. In dat geval is het niet mogelijk voor schoolbesturen
om gegevens op uniforme wijze te vergelijken met het onderwijsveld. Zij beschikken
namelijk niet over de gegevens van vergelijkbare schoolbesturen. Het gevolg hiervan
is dat het lerend effect van het onderling vergelijken tussen schoolbesturen verloren
gaat. Daarnaast loopt de verantwoording door de sector zelf dan alleen via individuele
schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Het risico bestaat dat kengetallen op een
niet-uniforme manier worden berekend en de horizontale verantwoording wordt bemoeilijkt.
Een groot deel van het lerend potentieel gaat daarmee verloren.
5.3.5 Proportionaliteit
De personeelsgegevens die de sectorraden nodig hebben om de benodigde informatie voor
de onderwijsinstellingen beschikbaar te maken bevatten – ook na alle toegepaste maatregelen
in het kader van dataminimalisatie – informatie op zodanig detailniveau (functiegroep/functiecategorie)
dat (indirecte) herleidbaarheid naar personen niet volledig voorkomen kan worden.
Voor wat betreft de personele gegevens zijn de betrokkenen het personeel dat werkzaam
is bij de onderwijsinstellingen en de bevoegd gezagsorganen. De benodigde personeelsgegevens
omvatten geen bijzondere persoonsgegevens.
Bevoegde gezagen en samenwerkingsverbanden zijn wettelijk verplicht hun resultaten
en beleid, mede in relatie tot de inzet van hun personeel, openbaar te verantwoorden
in het jaarverslag.114 De bekostiging dient doelmatig te worden aangewend, ook bij de samenstelling van
de personeelsformatie van scholen en daarover moet intern en extern verantwoording
worden afgelegd.115 Onderdeel van het maken van het jaarverslag is het maken van een jaarrekening. Deze
jaarrekeningen bieden inzicht in gegevens op bestuursniveau, maar niet op schoolniveau.
Hoewel verantwoording tot op schoolniveau op zichzelf niet wettelijk verplicht is,
is dit wel van belang. Leraren, leerlingen en ouders voelen zich veelal meer verbonden
met een school dan met een schoolbestuur. Bovendien kan bijvoorbeeld de kwaliteit
van onderwijs verschillen tussen de scholen die ressorteren onder één schoolbestuur.
Inzicht in de prestaties van een individuele school helpt daarom ouders en leerlingen
om een schoolkeuze te maken, of om via bijvoorbeeld de medezeggenschapsraad gericht
met het schoolbestuur in gesprek te gaan over verbeterplannen. Door informatie op
schoolniveau transparant te maken krijgen belanghebbenden (breed: ouders, leerlingen
en personeel, de samenleving, specifiek: intern toezicht en medezeggenschap) daarom
beter inzicht in de schoolresultaten, de besteding van middelen bij die specifieke
school en worden belanghebbenden ook in staat gesteld om deze te vergelijken met andere
scholen.116 Op deze manier is de horizontale verantwoording beter geregeld en kan er effectiever
en uitgebreider worden voldaan aan de verplichtingen jegens de interne toezichthouder
en de medezeggenschapsraad, en worden deze beter in staat gesteld om gericht vragen
te stellen.117 Tot slot kan horizontale verantwoording op lokaal niveau de betrokkenheid van belanghebbenden
vergroten en daarmee de maatschappelijke legitimering van de instelling.118
Op de publieke websites (SODK, SBODK) worden op basis van de personele gegevens kengetallen
getoond inzake het personeelsbeleid op instellings- en bestuursniveau, inclusief vergelijking
met landelijke benchmarks. Hierbij worden persoonsgegevens in aantallen kleiner dan
vijf weergegeven als «<5» waardoor de gepresenteerde informatie niet herleidbaar is
tot personen. Deze maatregel wordt standaard toegepast voor de publieke websites.
In de besloten omgeving «Analyse» worden, in specifieke gevallen, personele gegevens
in geval van aantallen kleiner dan vijf niet geaggregeerd. Hierdoor kunnen de in «Analyse»
gepresenteerde gegevens in voorkomende gevallen (indirect) herleidbaar zijn tot personen.
Het gaat hierbij in de eerste plaats om gegevens waarvoor de onderwijsinstellingen
verwerkingsverantwoordelijke zijn (aangeleverd aan OCW/DUO in het kader van artikel 167
van de WPO en artikel 2.111 van de WVO 2020). Het betreft dus eigen en reeds bekende
informatie van de onderwijsinstellingen, die door de raden verwerkt wordt in combinatie
met (openbare) financiële gegevens en instellingsgegevens teneinde goede sturings-
en verantwoordingsinformatie beschikbaar te maken. Aggregatie tot een niveau waar
de herleidbaarheid naar personen volledig wordt voorkomen, resulteert hier in onvoldoende
gedetailleerde informatie om inhoudsrijk te kunnen verantwoorden richting interne
en externe belanghebbenden, waaronder de medezeggenschapsraad, de raad van toezicht
en de inspectie. Hoewel de medezeggenschapsraad en de Raad van Toezicht deze gegevens
op grond van de huidige wetgeving al krijgen zijn deze interne gegevens niet één op
één vergelijkbaar met de externe gegevens. Door het leveren van de gegevens aan de
sectorraden krijgen alle actoren binnen de school uniforme benchmarks over de prestaties
van het schoolbestuur waarover ze in dialoog kunnen gaan. Daarnaast kunnen schoolbesturen
deze gegevens ook inzien van vergelijkbare schoolbesturen. Daarbij wordt echter niet
bekend gemaakt om welke schoolbesturen het gaat en wordt de anonimiteit van de gegevens
gewaarborgd.
De data die de sectorraden gebruiken om de benodigde informatie voor onderwijsinstellingen
beschikbaar te maken, bevatten zo min mogelijk gegevens aan de hand waarvan een persoon
(indirect) herleidbaar is. Dit wordt onder andere voorkomen door aggregatie van de
gegevens door DUO, voordat de personele gegevens geleverd worden voor verwerking door
de raden.
5.3.6 Subsidiariteit: Overwogen alternatieven
Een alternatief voor de gegevenslevering van DUO naar de sectorraden is dat de sectorraden
de personeelsgegevens rechtstreeks bij de schoolbesturen opvragen. Er wordt echter
verwacht dat dit niet tot een volledig dekkend bestand zal leiden. Vanwege de extra
administratieve lasten die dit met zich brengt is de verwachting namelijk dat niet
alle schoolbesturen de gegevens op vrijwillige basis volledig aan zullen leveren,
waarbij als meerdere schoolbesturen niet meedoen met een benchmark, de mogelijkheid
om te vergelijken wegvalt en het nut om überhaupt gegevens te leveren daardoor ook
wegvalt. Dit leidt er toe dat de benchmarks naar verwachting niet duurzaam houdbaar
zijn. Daarnaast zou zelfstandige aanlevering door de schoolbesturen een nieuwe gegevensstroom
creëren, schoolbesturen moeten dan immers de gegevens ook aanleveren richting de sectorraden.
Dergelijke gegevensstromen brengen op zichzelf ook gegevensbeschermingsrisico’s met
zich. Bij het verzamelen en verstrekken van de gegevens om de levering van persoonsgegevens
vanuit schoolbesturen richting de sectorraden mogelijk te maken kunnen – zoals bij
elke gegevensverstrekking – beveiligingsrisico’s optreden. Ook door individuen in
het proces kunnen fouten worden gemaakt die een risico vormen voor de privacy van
betrokkenen. Verder is er een ander voordeel aan het meervoudig gebruik van de reeds
bestaande personeelsleveringen. De gegevenslevering aan de sectorraden zorgt voor
een zogenaamde feedbackloop naar de instellingen. Wanneer schoolbesturen en samenwerkingsverbanden
zich niet herkennen in de berekende kengetallen kunnen zij dit uiteindelijk herleiden
naar de door hun aangeleverde basisgegevens aan DUO. Deze kunnen dan worden aangepast
en datakwaliteit kan hierdoor worden vergroot. Deze feedbackloop is van toepassing
op alle gegevens die aangeleverd worden.
In aanvulling hierop is overwogen om DUO de gegevens op geüniformeerde wijze terug
te laten leveren aan de schoolbesturen ten behoeve van verstrekking aan de sectorraden.
Dit zou de administratieve lasten voor het bevoegd gezag met betrekking tot de aanlevering
bij de sectorraden kunnen drukken en daarmee de bereidwilligheid tot aanlevering kunnen
vergroten. De schoolbesturen zouden dan wel zelfstandig kunnen besluiten om deze gegevens
vervolgens al dan niet aan te leveren bij de sectorraden. Voordeel hiervan zou zijn
dat de overheid niet gegevens die binnen het publieke domein zijn verzameld zelfstandig
doorgeeft aan de sectorraden, maar dat dit een eigen afweging is van het schoolbestuur.
Hiertoe is overwogen dat met de gegevenslevering aan de sectorraden, en de daaruit
voortvloeiende openbare verantwoording en vergelijking, een breder maatschappelijk
belang gediend is. Het wordt onwenselijk geacht indien een deel van de scholen ervoor
zou kiezen de gegevens niet aan te leveren, gezien het belang van een gedegen verantwoording
en onderlinge vergelijking voor de kwaliteit van het onderwijs.
Een ander mogelijk alternatief is om de informatieproducten door DUO te laten verzorgen.
Wanneer DUO voor deze informatie zorgt, zou het daarmee een bepaalde bijdrage leveren
aan de publieke verantwoording door de onderwijsinstellingen. Deze rol vanuit DUO
past echter niet goed bij de rolverdeling tussen overheid, onderwijsinstellingen en
sectororganisaties. De overheid gaat zich dan immers mengen in de gegevens die de
schoolbesturen ook gebruiken om zich ten opzichte van de overheid te verantwoorden.
Daarnaast wordt DUO dan een uitvoerende partij van de sectorraden, om een berekening
uit te voeren die niet overeen hoeft te komen met de verantwoording die vervolgens
vanuit DUO en de overheid gevraagd wordt. Schoolbesturen zijn wettelijk verplicht
zich te verantwoorden, bijvoorbeeld in hun jaarverslag. Er zijn kaders opgesteld waar
deze verantwoording aan dient te voldoen. Ten aanzien van de financiën moet er bijvoorbeeld
een accountantsverklaring worden opgesteld. De manier waarop schoolbesturen hun verantwoording
inrichten is aan henzelf. Daarnaast ontvangt DUO alleen gegevens uit de administraties
van scholen. De sectorraden vragen aan scholen om de gegevens te verrijken wanneer
er opvallende getallen uit de berekeningen komen. Door deze verrijking zijn de benchmarks
veel minder foutgevoelig. Beide redenen maken dat het beleggen van de informatievoorziening
bij DUO geen wenselijk alternatief is. Daar komt bij dat de sectorraden inmiddels
ruime ervaring hebben opgedaan met het inrichten van de benodigde informatieproducten
en de benodigde infrastructuur hebben ingericht. DUO beschikt daarentegen niet over
de capaciteit die benodigd is om uitvoering te geven aan deze taken. Ook dit maakt
dat het wenselijker is deze taak bij de sectorraden te behouden.
Tot slot is ook de nuloptie overwogen. Wat zou er gebeuren indien deze informatie
niet beschikbaar wordt gesteld, noch op een andere wijze aan de sectorraden ter beschikking
wordt gesteld. Het gevolg hiervan zal zijn dat schoolbesturen de benodigde gegevens
voor verantwoording per instelling moeten achterhalen en berekenen op basis van gegevens
uit eigen (decentrale) systemen. In dat geval is het niet mogelijk voor schoolbesturen
om gegevens op uniforme wijze te vergelijken met het onderwijsveld. Zij beschikken
namelijk niet over de gegevens van vergelijkbare schoolbesturen. Het gevolg hiervan
is dat het lerend effect van het onderling vergelijken tussen schoolbesturen verloren
gaat. Daarnaast loopt de verantwoording door de sector zelf dan alleen via individuele
schoolbesturen en samenwerkingsverbanden. Het risico bestaat dat kengetallen op een
niet-uniforme manier worden berekend en de horizontale verantwoording wordt bemoeilijkt.
Een groot deel van het lerend potentieel gaat daarmee verloren.
5.4 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
5.4.1 Noodzaak
In paragraaf 4.2 van deze memorie van toelichting is inzake de toevoeging van NWO
aan artikel 23 van de WRO ingegaan op doelbinding en de noodzaak van de gegevensverwerking.
Daarbij is uiteengezet waarom verwerking van (bijzondere) persoonsgegevens uit het
register noodzakelijk is voor de goede taakuitvoering en op correcte wijze invulling
kunnen geven aan de verwerkingsverantwoordelijkheid. Het belang van de gegevensverwerkingen
voor onderzoeken zoals het NCO, en daarop gebaseerde rapportages, voor kennisgedreven
beleid van scholen is aanzienlijk. Dit rechtvaardigt naar de opvatting van de regering
de inperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens,
binnen de hiervoor geschetste en ook al bestaande kaders van de WRO.
5.4.2 Aansluiting bij systematiek Wet register onderwijsdeelnemers
Met de opname van NWO in artikel 23 van de WRO wordt aangesloten bij de bestaande
systematiek van deze wet. Dit betekent dat persoonsgegevens alleen worden verstrekt
als voor de specifieke aanvraag kan worden aangetoond dat het verwerken van persoonsgegevens
voor dit doel noodzakelijk is. Om te voorkomen dat meer gegevens worden verstrekt
dan noodzakelijk, zijn in artikel 23 van de WRO procedurele waarborgen ingebouwd.
Er moet door in dit geval NWO een verzoek worden ingediend waarin doelbinding en noodzaak
voldoende zijn onderbouwd. De procedure in artikel 23 van de WRO betekent dat getoetst
zal worden of verstrekking van persoonsgegevens in dat specifieke geval nodig is.
Bij de toetsing zal gekeken worden naar noodzakelijke gegevens en dataminimalisatie.
De Minister neemt daarover een besluit.119 Bij het besluit wordt in ieder geval bepaald voor welke doeleinden gegevens worden
verstrekt, welke gegevens het betreft en welke bewaartermijn voor de gegevens moet
worden gehanteerd.120 Aan het besluit worden voorschriften en beperkingen verbonden in het belang van een
zorgvuldige en doelmatige gegevensverwerking, waaronder inzake informatiebeveiliging
en verwerkingslocaties.121
Onder verwijzing naar artikel 23, tweede lid, van de WRO kan worden vastgesteld dat
NWO een rechtspersoon (zelfstandig bestuursorgaan) met volledige rechtsbevoegdheid
zonder winstoogmerk is. Bij de inrichting van en de afweging om te komen tot het NKO,
als onderdeel van NWO, is rekening gehouden met het streven van de regering naar het
verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs door middel van een eenduidige, sterke
en efficiënt werkende kennisinfrastructuur en diverse adviezen terzake, zo blijkt
ook uit het convenant over het NRO (voorganger van het NKO).
5.4.3 Subsidiariteit: alternatief
Als alternatief is bezien of de Minister als verwerkingsverantwoordelijke zou kunnen
optreden voor onder andere de rapportages aan scholen op basis van het NCO, in plaats
van NWO. Dit is niet conform de huidige doelbinding van de Minister geformuleerd in
artikel 15 van de WRO inzake het ten nutte van beleids- en begrotingsvoorbereiding
inzetten van gegevens uit het ROD. De grondslag voor de Minister zou kunnen worden
uitgebreid voor rapportages aan scholen op basis van onderzoeksprogramma’s zoals het
NCO, maar dit wordt niet wenselijk geacht vanwege de afhankelijke positie van scholen
ten opzichte van de Minister. Tevens betreft het mogelijke onderwijsonderzoek niet
alleen het bestel, maar ook afzonderlijke onderwijsinstellingen; de Minister heeft
een stelselverantwoordelijkheid. Aangezien NWO (NKO) deze onafhankelijke positie wel
heeft en kan nemen, ook voor afzonderlijke onderwijsinstellingen, wordt het maken
van een grondslag voor NWO (NKO) gezien als de meest efficiënte optie.
5.4.4 Conclusie
Derhalve voldoet dit wetsvoorstel aan de hiervoor genoemde eisen die voortvloeien
uit internationaal, Europees en nationaal recht en is de beperking van het recht op
de bescherming van de persoonlijke levenssfeer gerechtvaardigd.
Ten overvloede merkt de regering op dat dit wetsvoorstel niets wijzigt in en geen
afbreuk doet aan de rechten van betrokkenen, zoals het recht op inzage in en correctie
van gegevens die over hem zijn opgenomen in het ROD.
6. Verhouding tot nationale regelgeving
6.1 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
Samenhang met wetsvoorstel aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt
Voor de onderzoeksactiviteiten die NWO via haar organisatieonderdeel NKO laat realiseren
kan het nodig zijn om ook gebruik te kunnen maken van gegevens die zijn geregistreerd
bij CBS en waarvoor publicatie op onderwijsinstellingsniveau is voorzien. Dit betreft
bijvoorbeeld de referentiewaarden, bedoeld in het wetsvoorstel aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt.122 Voor de rapportages voor het NCO worden, naast gegevens uit het ROD, verschillende
CBS-data gebruikt voor achtergrondgegevens van een populatie leerlingen en ouders,
waarmee vervolgens referentiewaarden kunnen worden gemaakt. De voorspelde referentiewaarde-indicator
betreft een berekening op basis van deze gegevens. Daarbij worden op schoolniveau
de meest waarschijnlijke uitkomsten bepaald op basis van gegevens over de school en
leerlingenpopulatie. Met het wetsvoorstel verbetering aansluiting beroepsonderwijs-arbeidsmarkt
wordt voorzien in de mogelijkheid om de referentiewaarde gerelateerd aan een afzonderlijke
onderwijsinstelling te berekenen en te publiceren. Deze referentiewaarde kan NWO/NKO
(laten) benutten bij door haar gefinancierde onderzoeksactiviteiten die resulteren
in publicaties op schoolniveau, zoals het NCO.
7. Gevolgen
7.1 Landelijke veiligheidsmonitor
De gevolgen voor de (feitelijke) regeldruk en het doenvermogen van burgers zijn beperkt.
In de volgende paragraaf wordt hier nader op ingegaan.
7.1.1 Gevolgen voor het doenvermogen
Mede in het licht van de reeds bestaande leerlingmonitorverplichting brengt dit wetsvoorstel
geen of amper nieuwe verplichtingen met zich mee voor leerlingen, personeel of scholen.
Voor deze groepen betekent dit wetsvoorstel dat het instrument waarmee zij te maken
krijgen in het kader van de reeds bestaande jaarlijkse leerlingmonitorverplichting,
mogelijk de LVM zal zijn.
Doenvermogen van de leerling
Bij de LVM worden leerlingen gevraagd antwoord te geven op gevoelige vragen, onder
andere over hun seksuele gerichtheid, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen,
eventuele migratieachtergrond als ook vragen die raken aan hun (psychische of lichamelijke)
gezondheid. Mogelijk brengt het behandelen van deze onderwerpen mentale lasten met
zich mee voor deelnemers, bijvoorbeeld omdat die herinnerd worden aan vervelende gebeurtenissen.
Daarom is het belangrijk dat leerlingen tijdens het beantwoorden van de vragen toegang
hebben tot (pedagogische) ondersteuning. Het is aan schoolbesturen om daar op gepaste
wijze invulling aan te geven. Gezien de zorgplicht voor de veiligheid op school die
voor schoolbesturen geldt, ligt het voor de hand dat die ervoor zorgen dat een (pedagogisch
onderlegde) leerkracht aanwezig is bij het invullen van de vragenlijsten door de leerlingen.
De Minister maakt in aanvulling daarop afspraken met het uitvoerende onderzoeksbureau
over een handreiking voor begeleiding tijdens het invullen, om zo veel mogelijk te
waarborgen dat de afname zorgvuldig en in een veilige setting verloopt. Indien de
LVM niet in samenwerking met scholen wordt afgenomen, bijvoorbeeld wanneer de vragenlijst
digitaal bij de leerlingen thuis wordt ingevuld, kunnen de ouders ervoor zorgen dat
hun kind daarbij de juiste ondersteuning krijgt. In dat geval zal ook hierover richting
de ouders en de leerlingen op gepaste wijze gecommuniceerd worden.
Indien de LVM in samenwerking met een school wordt afgenomen, zal afname plaatsvinden
in een door het onderzoeksbureau vastgestelde periode. Het is de verantwoordelijkheid
van het bevoegd gezag om een juist moment te kiezen, waarbij ook de mogelijke mentale
belasting voor de leerlingen meegewogen moet worden. De periodes op school die op
zichzelf al meer stressvol zijn, zoals toetsperiodes, kunnen van invloed zijn op de
mentale belastbaarheid van de leerlingen. Om een cumulatie van stressfactoren zo veel
mogelijk te voorkomen is het verstandig met dergelijke periodes rekening te houden.
Vanwege één aspect van de LVM zal dit wetsvoorstel, ten opzichte van de huidige situatie,
een groter beroep doen op het doenvermogen van de betrokken leerlingen. De vragenlijst
van de LVM is over het algemeen iets uitgebreider in vergelijking met sommige andere
instrumenten die schoolbesturen kunnen gebruiken om de veiligheidsbeleving te monitoren
om te voldoen aan de leerlingmonitorverplichting. Er is bij eerdere edities van de
LVM niet onder deelnemers geëvalueerd na het invullen van de monitor. Wel is er in
2022 een evaluatie uitgezet onder deelnemende scholen aan de monitor in 2021. Daar
namen 13 scholen aan deel, voornamelijk uit het primair onderwijs. Harde conclusies
konden dus niet getrokken worden. Wel kwam het signaal naar voren dat een deel van
de scholen de vragenlijst voor leerlingen aan de lange kant vond. Dit signaal zal
worden meegenomen in de uitvoering van de LVM.
Voor de volledigheid is het belangrijk om te vermelden dat deelname niet verplicht
is. De leerling kan er altijd voor kiezen om niet deel te nemen aan de LVM. Daartoe
is een verplichting opgenomen voor de Minister om leerlingen en hun ouders daarover
te informeren.
Doenvermogen van personeelsleden
De personeelsleden die belast zijn met de taak een groep leerlingen te begeleiden
bij het invullen van de betreffende vragenlijst, moeten daar genoeg tijd en ruimte
voor krijgen. Omdat de LVM gebruikt kan worden om aan genoemde verplichting te voldoen,
leidt dit wetsvoorstel niet tot een significant verschil in doenvermogen voor deze
personeelsleden.
Daarnaast zal het personeel zelf in het kader van de LVM in staat worden gesteld om
de vragenlijst in te vullen. Zoals ook het geval is bij leerlingen, kan het beantwoorden
van deze vragen voor het personeel een mentale belasting met zich meebrengen. Aangenomen
wordt dat de mentale belasting voor het personeel over het algemeen aanzienlijk lager
is dan voor de deelnemende leerlingen. Personeelsleden zijn namelijk volwassen en
begeven zich in een professionele setting. Daarom kan van personeelsleden verwacht
worden dat zij tot op zekere hoogte beter in staat zijn om het gesprek over veiligheid
op hun school en hun ervaringen daarmee aan te gaan.
Ook voor het personeel geldt dat zij niet verplicht zijn deel te nemen aan de LVM.
Een personeelslid kan er altijd voor kiezen niet deel te nemen aan de LVM. Daartoe
is vastgelegd dat de Minister personeel daarover informeert.
7.1.2 Gevolgen voor de regeldruk
De gevolgen voor de regeldruk worden onderscheiden in structurele regeldrukkosten
en eenmalige regeldrukkosten voor leerlingen en het bevoegd gezag.123 Deze regeldrukkosten worden per doelgroep en per sector uiteengezet.
Bij de structurele regeldrukkosten is ook een feitelijke toename berekend ten opzichte
van de situatie vóór de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Aangezien scholen de
LVM kunnen inzetten om te voldoen aan de reeds bestaande monitoringsverplichtingen
die zij hebben in het kader van de zorgplicht veiligheid op school, maken zij een
groot deel van de regeldrukkosten al.124 Deze regeldrukkosten staan ook reeds beschreven in de memorie van toelichting van
het Besluit uitbreiding van de monitoringsverplichting leerlingen funderend onderwijs125 en het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs.126 Daarom wordt bij de berekening van de feitelijke regeldrukkosten uitgegaan van het
verschil in de tijd die het kost om de vragenlijst van de LVM en de leerlingmonitor
in te vullen, namelijk 15 minuten (0,25 uur).127 Dit verschil komt voort uit het feit dat de vragenlijst van de LVM langer en breder
is dan de gemiddelde leerlingmonitor.
Voor de eenmalige kennismakingskosten geldt dat scholen zich zullen vergewissen van
de vernieuwde LVM en mogelijk tot het besluit komen het instrument te gebruiken. Hierin
bestaat ook een overlap met de regeldrukkosten die reeds voortkomen uit de bestaande
monitoringsverplichting voor leerlingen. Binnen deze verplichting staat het scholen
vrij een instrument te kiezen en van instrument te wisselen. Eventuele regeldrukkosten
ten aanzien van het wisselen van instrument komen dus voort uit de reeds bestaande
monitoringsverplichting. In dit kader zijn enkel de eenmalige kennisnamekosten in
kaart gebracht.
De totale feitelijke toename van de regeldrukkosten bedraagt:
Tabel: overzicht totale feitelijke toename regeldrukkosten per doelgroep
Doelgroep
Feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten
Feitelijke toename van de eenmalige regeldrukkosten
Leerlingen
€ 90.033
€ 0
Personeel1
€ 95.407
€ 0
Bevoegd gezag (eenmalige regeldrukkosten)
€ 0
€ 934
Totaal
€ 185.440
€ 934
X Noot
1
Het bevoegd gezag moet tijd vrijmaken voor het personeel om de vragenlijst in te vullen
en de leerlingen te begeleiden. Daarom vallen deze regeldrukkosten onder het bevoegd
gezag. Ze worden apart aangegeven en berekend om de herkomst van de regeldrukkosten
te duiden.
Percentage deelnemende scholen:
Het percentage van scholen dat deelnam aan de laatste editie van de Landelijke Veiligheidsmonitor
in het primair en voortgezet onderwijs was ongeveer 2%.128 Dit is vergelijkbaar met voorgaande jaren. Bij de berekening van de regeldrukkosten
wordt uitgegaan van een situatie waarin dit percentage ook voor de komende edities
2% blijft. Het aantal deelnemende leerlingen zal per jaar kunnen verschillen afhankelijk
van de grootte van de scholen die deelnemen aan de LVM. In dat kader wordt het percentage
van 2% deelnemende scholen ook doorgevoerd op de landelijke leerling- en personeelspopulatie.
Toename regeldrukkosten leerlingen
Kinderen tot 14 jaar worden niet meegenomen in de berekening van de gevolgen van de
regeldruk. Daarom is de regeldruk niet berekend voor het basisonderwijs en speciaal
(basis-)onderwijs. In het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs
is deze scheiding moeilijker te maken. Daarom zijn alle leerlingen in deze sectoren
meegenomen in de berekening. De ingeschatte structurele regeldrukkosten voor het invullen
van de vragenlijst door de leerlingen zullen neerkomen op:
in het voortgezet speciaal onderwijs:
€ 17 x 0,5 (uur) x 2% x 107.100 (aantal leerlingen in het (v)so)129 = € 18.207
in het voortgezet onderwijs:
€ 17 x 0,5 (uur) x 2% x 952.100 (aantal leerlingen in het vo)130 = € 161.857
De feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor het invullen van de
vragenlijst door de leerlingen zullen neerkomen op:
in het voortgezet speciaal onderwijs:
€ 17 x 0,25 (uur) x 2% x 107.100 (aantal leerlingen in het (v)so)131 = € 9.104
in het voortgezet onderwijs:
€ 17 x 0,25 (uur) x 2% x 952.100 (aantal leerlingen in het vo)132 = € 80.929
De totale feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor leerlingen in
het funderend onderwijs komt daarmee uit op:
€ 9.104 + € 80.929 = € 90.033
Toename regeldrukkosten personeel
Ook voor het personeel worden regeldrukkosten verwacht, omdat ook het personeel de
monitor invult. Daarnaast zijn regeldrukkosten te verwachten voor het bevoegd gezag,
dat het een en ander moet regelen om leerlingen en personeel in staat te stellen om
de monitor in te vullen. De ingeschatte structurele regeldrukkosten voor het invullen
van de vragenlijst door het personeel zullen neerkomen op:
in het primair onderwijs:
€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 136.200 (personeelssterkte po in fte’s)133 = € 73.548
En in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 87.000 (personeelssterkte vo in fte’s)134 = € 46.980
De ingeschatte structurele regeldrukkosten voor het personeel vanwege het invullen
van de vragenlijst in de les door leerlingen bedragen:
in het primair onderwijs:
€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 80.606 (geschat aantal klassen in het po)135 = € 43.527
in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 0,5 (uur) x 2% x 49.553 (geschat aantal klassen in het vo)136 = € 27.559
De ingeschatte feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor het invullen
van de vragenlijst door het personeel zullen neerkomen op:
in het primair onderwijs:
€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 136.200 (personeelssterkte po in fte’s)137 = € 36.774
En in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 87.000 (personeelssterkte vo in fte’s)138 = € 23.490
De ingeschatte feitelijke structurele regeldrukkosten voor het personeel voor het
invullen van de vragenlijst in de les door leerlingen:
in het primair onderwijs:
€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 80.606 (geschat aantal klassen in het po)139 =
€ 21.764
in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 0,25 (uur) x 2% x 49.553 (geschat aantal klassen in het vo)140 =
€ 13.379
De totale feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten voor het personeel
in het funderend onderwijs komt daarmee uit op:
€ 36.774 + € 23.490 + € 1.612 + € 13.379 = € 95.407
Toename feitelijke regeldrukkosten bevoegd gezag
Het bevoegd gezag zal eenmalige kennisnamekosten hebben om zich te vergewissen van
de vernieuwde LVM en de nieuwe wettelijke eisen die daaraan zijn gesteld. Uitgaande
van een gedegen en overzichtelijke communicatie door OCW wordt verwacht dat een schoolbestuur
hier 1 uur aan zal besteden. De eenmalige regeldrukkosten voor het bevoegd gezag zijn
dan ook:141
in het primair onderwijs:
€ 54 x 1 (uur) x 2% x 857 (aantal besturen primair onderwijs) = € 634
in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 1 (uur) x 2% x 278 (aantal besturen voortgezet onderwijs) = € 300
Totale eenmalige regeldrukkosten: € 634 + € 300 = € 934
Naast de eenmalige regeldrukkosten is er ook sprake van structurele regeldrukkosten
voor het bevoegd gezag om leerlingen en personeel te informeren over de LVM. Dit zal
georganiseerd en gecommuniceerd moeten worden. Daarvoor wordt uitgegaan van twee uur
per bevoegd gezag. De structurele regeldrukkosten voor het bevoegd gezag komen daarmee
neer op:142
in het primair onderwijs:
€ 54 x 2 (uur) x 2% x 857 (aantal besturen primair onderwijs) = € 1.268
En in het voortgezet onderwijs:
€ 54 x 2 (uur) x 2% x 278 (aantal besturen voortgezet onderwijs) = € 600
De feitelijke structurele regeldrukkosten gaan uit van het verschil tussen de leerlingmonitor
en de LVM in de tijd die het kost om te regelen dat leerlingen en personeel de vragenlijsten
kunnen invullen. De verwachting is dat hier geen verschil in is en daarmee betreft
de totale feitelijke toename van de structurele regeldrukkosten: € 0
7.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
Vanuit het perspectief «eenmalige uitvraag, meervoudig gebruik» heeft dit wetsvoorstel
een positief effect op de administratieve lasten van schoolbesturen. Zij hoeven niet
opnieuw de gegevens aan te leveren aan de sectorraden over het onderwijspersoneel
omdat gebruik wordt gemaakt van de gegevens die zij al aan DUO aanleveren. Beoogd
wordt om eenzelfde aanvraagprocedure in te richten als bij artikel 23 van de WRO.
Hiervoor wordt uitgegaan van 16 uur per aanvraag en een uurtarief van € 50 per aanvraag
wat de totale administratieve last voor de aangewezen organisatie € 800 maakt. Van
een mentale belasting van burgers (in het kader van doenvermogen) is in dit wetsvoorstel
geen sprake.
7.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
In de memorie van toelichting bij artikel 23 van de WRO is destijds over de administratieve
lasten voor de aangewezen organisaties opgemerkt dat uitgaande van een 16 uur per
aanvraag en een uurtarief van € 50 sprake is van administratieve lasten van € 800.143 Daarbij werd uitgegaan van een separaat opgestelde DPIA voorafgaand aan het opstellen
van de aanvraag gegeven uitvoering van de WRO en onderliggende wet- en regelgeving
op een transparante wijze. Wezenlijk is daarbij ook het aansluiten bij de terminologie
in de wet- en regelgeving opdat helder is welke gegevens precies worden verwerkt en
verstrekt.
8. Uitvoering, toezicht en handhaving
Dit wetsvoorstel werd gelijktijdig aan de internetconsultatie ter toetsing voorgelegd
aan DUO, de inspectie en de Auditdienst Rijk.
DUO heeft op 16 juni 2025 een uitvoeringstoets uitgebracht over dit wetsvoorstel.
Daarbij is ook input van de IvhO meegenomen. De conclusie van DUO is dat dit wetsvoorstel
uitvoerbaar is. Daarbij hebben DUO en de IvhO wel enkele punten onder de aandacht
gebracht, die zijn verwerkt ofwel waar nader overleg en uitwerking op zal plaatsvinden.
Hieronder zal op deze punten worden gereageerd.
8.1 Landelijke veiligheidsmonitor
De conclusie van DUO is dat dit wetsvoorstel op het onderdeel van de LVM geen consequenties
heeft voor haar uitvoeringstaken.
Dit wetsvoorstel heeft daarnaast geen directe gevolgen voor de uitvoering van het
toezicht door de inspectie. Wel stelt de inspectie dat de systematiek van de LVM voldoende
afgestemd dient te zijn op de leerlingmonitor. De inspectie houdt namelijk toezicht
op de leerlingmonitor en heeft enkele zorgen geuit over de overlap in de systematiek.
Daarnaast wijst de inspectie op een aantal punten die nadere uitwerking of uitleg
behoeven. Ten slotte vraagt de inspectie aandacht voor de personeelsmonitor die voorheen
was opgenomen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs.
Systematiek van de LVM en de leerlingmonitor
De inspectie wijst op de overlap in de systematiek van de LVM en de leerlingmonitor
en dat die voldoende op elkaar afgestemd dienen te worden. De inspectie geeft aan
dat de formulering ten aanzien van het uitnodigen van deelnemers verwarring wekt en
zij niet begrijpt waarom het verwerken van persoonsgegevens in dat kader noodzakelijk
is. Ook uit zij zorgen over de juridische basis voor het doorzenden van de resultaten
aan de inspectie. Ten slotte benadrukt de inspectie dat in de jaren waarin de LVM
niet wordt afgenomen de verantwoordelijkheid voor de verwerking van persoonsgegevens
bij het bevoegd gezag ligt.
Ten aanzien van het uitnodigen van deelnemers benadrukt de regering dat er twee scenario’s
zijn voor de uitvoering van de LVM: klassikaal afnemen met medewerking van scholen
en thuisafname zonder medewerking van scholen. Bij klassikale afname zal inderdaad
geen sprake zijn van het verwerken van direct identificerende gegevens. Dit is de
huidige werkwijze. De regering is voornemens om de LVM in de toekomst ook op deze
wijze te organiseren. Bij afname zonder medewerking van scholen zullen de betrokken
deelnemers op een andere manier worden geworven, bijvoorbeeld door leerlingen een
uitnodigingsbrief te versturen. Voor het wervingsproces is het verwerken van direct
identificerende persoonsgegevens noodzakelijk. Dit tweede scenario is nader toegelicht.
Ten aanzien van de systematiek voor het doorsturen van de resultaten naar de inspectie,
zet de regering in het wetsvoorstel nadrukkelijk in op een aansluiting bij de systematiek
van de leerlingmonitor. Dit betekent dat wanneer het bevoegd gezag besluit de schoolrapportage
te gebruiken om te voldoen aan de wettelijke monitoringsverplichting, zij ook verantwoordelijk
is voor het sturen van de resultaten aan de inspectie. Het bevoegd gezag kan in dit
geval ook de aanbieder van de monitor (in dit geval het onderzoeksbureau dat in opdracht
van de Minister de LVM uitvoert) mandateren de resultaten namens het bevoegd gezag
naar de inspectie te sturen. Een randvoorwaarde hiervoor is het opstellen van een
verantwoordingsdocument door het onderzoeksbureau waarin duidelijk wordt dat het instrument
valide, gestandaardiseerd en betrouwbaar is. De LVM zal bij deze huidige systematiek
aansluiten en het uitvoerende onderzoeksbureau zal opdracht gegeven worden hieraan
te voldoen. Ten slotte geldt dat in de jaren dat de LVM niet plaatsvindt het bevoegd
gezag zelf verantwoordelijk is voor de afname van een monitoringsinstrument om aan
de jaarlijkse monitoringsverplichting te voldoen en de daarvoor benodigde verwerking
van persoonsgegevens. In de tussenliggende jaren van de meest recente edities van
de LVM werd door het uitvoerende onderzoeksbureau een beperktere versie van de LVM
aangeboden. Op die manier werden minder persoonsgegevens verwerkt en was de inbreuk
op de privacy ook beperkter. Tegelijkertijd werd daarmee gezorgd voor continuïteit
en een zekere mate van vergelijkbaarheid met betrekking tot de resultaten van de monitors
in de opeenvolgende jaren.
Nadere uitleg en uitwerking
De inspectie wijst in haar uitvoeringstoets op een aantal punten waarbij zij een nadere
uitwerking wenselijk acht. Daarbij doelt zij onder andere op de aggregatie en de uitsplitsing
van de resultaten in de schoolrapportage en welke verwerkingen van persoonsgegevens
nodig zijn voor het uitvoeren van de LVM. De inspectie geeft daarbij ook aan dat dit
een detailniveau is wat beter zou passen in een algemene maatregel van bestuur.
De regering heeft naar aanleiding van de uitvoeringstoets en de reactie van de sectorraden
op het voorstel besloten een delegatiegrondslag op te nemen om per ministeriële regeling
nadere regels te stellen over een aantal zaken. Die regels betreffen de onderwerpen
binnen de aandachtsgebieden, het uitvoeringsproces, en de inhoud van de landelijke
rapportage en schoolrapportage. Bij de totstandkoming van deze regeling zal de inspectie
worden betrokken en zal haar inbreng in de uitvoeringstoets meegenomen worden.
Personeelsmonitor
De inspectie geeft in haar uitvoeringstoets aan dat nog wordt uitgegaan van een monitoringsverplichting
voor het bevoegd gezag in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs met betrekking
tot de veiligheid van het personeel, terwijl deze recent is geschrapt naar aanleiding
van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling).
In de consultatieversie van dit wetsvoorstel is inderdaad uitgegaan van de situatie
waarin de wijzigingen met betrekking tot de monitorverplichting in het Wetsvoorstel
vrij en veilig onderwijs worden doorgevoerd. Het wetsvoorstel was namelijk al ter
consultatie aangeboden voordat de Afdeling haar advies over het Wetsvoorstel vrij
en veilig onderwijs had uitgebracht. Naar aanleiding van het advies van de Afdeling
is besloten om de verplichting voor scholen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs
om de veiligheid van het personeel tweejaarlijks te monitoren te schrappen. In plaats
daarvan is een bepaling toegevoegd dat de veiligheidsbeleving van het personeel bij
de jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid dient te worden betrokken.144 Op grond van deze bepaling worden de gegevens over de veiligheid van het personeel
verstrekt via de schoolrapportage. Het bevoegd gezag kan deze gegevens gebruiken ten
behoeve van haar evaluatieplicht. Dat besluit heeft consequenties voor de gegevens
die over de veiligheid van het personeel aan scholen verstrekt kunnen worden. In de
ministeriële regeling zal nader bepaald worden wat er wat dat betreft wel en niet
kan.
8.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
DUO constateert dat het aanleveren van gegevens over het onderwijspersoneel uitvoerbaar
is. Dit betreft de gegevens over de gehele sector, aangezien in de openbare informatieproducten
informatie over alle schoolbesturen en instellingen beschikbaar is. Er is dus geen
sprake van extra werkzaamheden naast de werkzaamheden die zij momenteel al verricht
in dit kader. Tevens maakt DUO in de uitvoeringstoets een aantal overige opmerkingen
over het wetsvoorstel. Op basis hiervan is aanpassing aangebracht in het wetsvoorstel
(het schrappen van verwijzing naar een wetsartikel) en op een aantal andere punten
zal separaat worden ingegaan in de opdrachtverstrekking op basis van deze uitvoeringstoets.
Tevens maakt de inspectie een opmerking over de variant van scholen op de kaart voor
samenwerkingsverbanden (samenwerkingsverbandenopdekaart.nl). Dit informatieproduct
is onderdeel van Vensters en ook in beheer van de PO-raad en de VO-raad.
8.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
DUO heeft enige zorg over de mogelijk grotere hoeveelheid werk vanwege het feit dat
nu ook de NWO aanvragen kan doen voor gegevens op basis van artikel 23 van de WRO.
Het wetsvoorstel is voor DUO uitsluitend uitvoerbaar als dit in de praktijk beperkt
blijft tot eenmaal per jaar een aanvraag ten behoeve van het Nationaal Cohortonderzoek
Onderwijs (NCO), zoals in de onderbouwing van het wetsvoorstel is beschreven. Voor
het afhandelen van meer aanvragen geeft DUO aan geen capaciteit beschikbaar te hebben.
Vooralsnog beperken mogelijke aanvragen op basis van de grondslag voor NWO in artikel 23
WRO zich tot gegevens voor het NCO, maar voor de toekomst valt niet uit te sluiten
dat andere onderzoeken er ook onder kunnen gaan vallen. De regering houdt hierbij
rekening met de capaciteit van DUO bij de aanvraag en in de uitvoering. Ook in bestuurlijke
overleggen met NWO zal aandacht worden gevraagd voor deze mogelijke capaciteitsbeperking.
9. Financiële gevolgen
Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting.
10. Caribisch Nederland
10.1 Landelijke veiligheidsmonitor
Voor Caribisch Nederland geldt het uitgangspunt «comply or explain». Dat wil zeggen dat de regelgeving die in Europees Nederland geldt ook van toepassing
is in Caribisch Nederland, tenzij er aanleiding is om van dat uitgangspunt af te wijken.
Ten aanzien van de LVM ziet de regering reden om de wetgeving in dit voorstel niet
van toepassing te verklaren voor Caribisch Nederland.
De context van Caribisch Nederland en Europees Nederland verschilt dusdanig dat zowel
de inhoud als de formulering van de vragenlijsten van de LVM zouden moeten worden
aangepast voor Caribisch Nederland. Dit maakt het onmogelijk om de resultaten te vergelijken
en tot één betrouwbaar landelijk beeld te komen dat recht doet aan beide delen van
Nederland. Het apart uitsplitsen naar scholen in Caribisch Nederland is daarom overwogen,
maar dat stuit op bezwaren. Door de kleinschaligheid van het funderend onderwijs en
de scholen in Caribisch Nederland en de brede uitvraag in de vragenlijsten is het
risico op herleidbaarheid daar groot. Dat zou grote risico’s vormen voor de rechten
en vrijheden van de betrokkenen.
Daarnaast is de LVM niet noodzakelijk om voldoende inzicht te krijgen in de veiligheid
op scholen in Caribisch Nederland ten behoeve van de beleidsvorming. Door de kleinschaligheid
is dit voldoende af te leiden uit de bestaande monitoringsverplichtingen omtrent leerling
en personeel voor het bevoegd gezag én het laagdrempelige contact met de afdeling
OCW bij de Rijksdienst Caribisch Nederland.
10.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
Dit onderdeel van het wetsvoorstel heeft ook geen betrekking op Caribisch Nederland.
Het betreft de levering van personeelsgegevens door DUO aan de sectorraden in Nederland.
Dit heeft geen betrekking op gegevens van schoolbesturen in Caribisch Nederland.
10.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
Dit onderdeel van het wetsvoorstel heeft vooralsnog geen betrekking op Caribisch Nederland.
Bij toekomstige inwerkingtreding van de WRO voor Caribisch Nederland worden de bekostigde
BES-scholen aangesloten op het ROD. Nadien zouden ook de gegevens van deze scholen
aan NWO geleverd kunnen worden voor het doel van onderzoek naar de kwaliteit, toegankelijkheid
en doelmatigheid van het onderwijs.
11. Advies en consultatie
Voor dit wetsvoorstel is op verschillende manieren gebruik gemaakt van de expertise
van actoren binnen het funderend onderwijsveld. Op meerdere momenten zijn er gesprekken
gevoerd met vertegenwoordigers van de sectorraden, bonden, docenten, expertiseorganisaties
en de inspectie.
Naast de informele (ambtelijke) gesprekken is het voorstel voor internetconsultatie
voorgelegd. Daarnaast zijn de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) en de Inspectie
van het Onderwijs (hierna: IvhO) gevraagd om een geïntegreerde uitvoeringstoets uit
te brengen. Ook is er om een advies gevraagd van de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna:
AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk (hierna: ATR). De resultaten van de formele
consultaties en adviezen worden hieronder nader toegelicht.
11.1. Internetconsultatie
Het wetsvoorstel is vanaf 31 maart 2025 tot en met 30 april 2025 in internetconsultatie
geweest. De consultatie heeft 7 reacties opgeleverd, waarvan 6 openbare. De reacties
onder naam zijn onder andere ingediend door belangenorganisaties als Ouders & Onderwijs
en de sectorraden (PO-Raad, VO-raad, Sectorraad GO, Sectorraad PRO). Ook heeft de
ATR één reactie ingediend en zijn er reacties van burgers.
In algemene zin wordt gemengd gereageerd op het wetsvoorstel. Hierbij wordt onder
andere gewezen op de grootschalige verwerking van bijzondere categorieën persoonsgegevens.
11.1.1 Landelijke Veiligheidsmonitor
In de internetconsultatie is door Ouders & Onderwijs (hierna: O&O) en de sectorraden
kritisch gereageerd op de maatregelen omtrent de LVM. Naar aanleiding van deze reacties
is de wet aangepast en ook de toelichting op een aantal punten verduidelijkt.
Ministeriële regeling
De sectorraden stellen in hun reactie dat het wetsvoorstel onvoldoende duidelijk maakt
hoe de uitvoering van de LVM en de verwerking van persoonsgegevens eruit komt te zien
en welke concrete maatregelen getroffen zullen worden om de rechten en vrijheden van
de betrokkenen te waarborgen. Ze zijn daarnaast kritisch op de beperkte betrokkenheid
van het onderwijsveld bij dit wetsvoorstel.
De regering hecht grote waarde aan een zorgvuldige weging van de persoonsgegevens
die noodzakelijk zijn om tot een landelijk beeld te komen van de veiligheid op scholen
in Nederland. Onderdeel van deze weging is goed overleg met het onderwijsveld. Het
is van belang dat transparant is welke persoonsgegevens voor welk doel of proces verwerkt
worden. Mede naar aanleiding van deze reactie is besloten een delegatiegrondslag op
te nemen in het wetsvoorstel voor een ministeriële regeling waarin nadere regels gesteld
zullen worden over de achtergrondkenmerken en onderwerpen binnen de aandachtsgebieden,
het uitvoeringsproces en de inhoud van de landelijke rapportage en schoolrapportage.
De regering is voornemens om bij de concrete uitwerking van deze regeling zorgvuldig
af te stemmen met de vertegenwoordigende organisaties van de betrokkenen bij dit wetsvoorstel.
Privacyrechtelijke verantwoordelijkheden
De sectorraden stellen dat onvoldoende duidelijk is hoe de privacyrechtelijke rol-
en verantwoordelijkheidsverdeling is geregeld wanneer de afname van de LVM via scholen
wordt georganiseerd.
De regering begrijpt de zorgen van de sectorraden op dit punt. De Minister is verwerkingsverantwoordelijke
voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de landelijke veiligheidsmonitor.
Dit is geëxpliciteerd in het wetsvoorstel. Onder deze verantwoordelijkheid vallen
ook de verwerkingen van persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering
van de LVM. Scholen dragen hierin dus geen verantwoordelijkheid. De Minister verstrekt
deelnemende scholen een schoolrapportage waarmee zij kunnen voldoen aan de wettelijke
monitoringsverplichting en verplichting tot het versturen van resultaten en gegevens
aan de inspectie.145 Ook kan het bevoegd gezag met de schoolrapportage voldoen aan diens wettelijke verplichting
om de veiligheidsbeleving van het personeel te betrekken bij de evaluatie van het
veiligheidsbeleid.146
De schoolrapportage kan mogelijk tot de persoon herleidbare informatie bevatten. Vanaf
ontvangst van de rapportage draagt de school de verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige
borging van de privacy van betrokkenen en dient voldoende waarborgen te treffen voor
een veilige opslag en eventuele vernietiging van de rapportage wanneer het bewaren
van de rapportage niet langer noodzakelijk is. Dit is verduidelijkt in de toelichting.
Druk op leerlingen en pedagogische begeleiding
O&O wijst in haar reactie op het risico dat er druk wordt uitgeoefend op leerlingen
om deel te nemen aan de LVM. Daarnaast wijst zij op het belang van een zorgvuldige
klassikale afname waarbij leerlingen toegang hebben tot (pedagogische) ondersteuning.
Zij geven aan dat ouders eventueel deze ondersteuning kunnen bieden wanneer de LVM
thuis wordt afgenomen.
De regering onderschrijft het belang van een vrijwillige en zorgvuldige afname. Daarom
is in de toelichting nader uitgewerkt dat er goede informatie moet zijn over het feit
dat deelname aan de LVM niet verplicht is. In geval van leerlingen onder de 16 jaar
zullen de ouders worden geïnformeerd over de LVM, zodat zij kunnen beslissen over
hun deelname. Ook is in de toelichting nader uitgewerkt dat het wenselijk is dat er
een (pedagogisch onderlegde) leerkracht aanwezig is bij het invullen van de vragenlijsten
door de leerlingen. Daarnaast zullen afspraken worden gemaakt met het uitvoerende
onderzoeksbureau over een handreiking voor begeleiding tijdens het invullen, ook om
zo veel mogelijk te voorkomen dat leerlingen druk ervaren om de vragenlijst in te
vullen.
Verwerking persoonsgegevens LVM in relatie tot de leerlingmonitor en betrouwbaarheid
van het beeld
O&O wijst in haar reactie op het risico dat in het kader van de LVM meer persoonsgegevens
aan scholen worden verstrekt dan scholen op grond van hun jaarlijkse leerlingmonitorverplichting
zijn toegestaan om te verwerken. Ook stelt O&O dat wanneer leerlingen zich niet veilig
voelen om sociale veiligheid te melden, zij dit door middel van vragen in de monitor
waarschijnlijk ook niet zullen doen.
De regering heeft het wetsvoorstel op basis van deze punten niet aangepast. Ten aanzien
van de monitoringsverplichting verstrekt de Minister deelnemende scholen een schoolrapportage
die inzicht geeft in verschillende aspecten van de veiligheid van leerlingen op school.
Daarmee is deze rapportage doelmatig in relatie tot de monitoringsverplichting en
kunnen persoonsgegevens op basis van deze verplichting door de school worden verwerkt.
Hoewel de regering het risico onderkent dat niet alle leerlingen de monitor eerlijk
zullen invullen, bieden de uitkomsten belangrijke aangrijpingspunten om het gesprek
over veiligheid verder te voeren, op landelijk niveau en binnen de school. Daarnaast
zet de regering met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs in op het verbeteren
van de veiligheid op school.
11.1.2. Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
De PO-Raad, VO-raad en Sectorraad PRO spreken in hun reactie op de internetconsultatie
hun waardering uit voor de voorgenomen wetswijziging waarmee de grondslag voor de
levering van personeelsgegevens aan de sectorraden in het funderend onderwijs wordt
geborgd. Tegelijkertijd tekenen zij bezwaar aan tegen het uitsluiten van salarisgegevens
in het wetsvoorstel. De kern van het bezwaar is dat de uitsluiting van salarisgegevens
de beoogde bijdrage van de sectorraden aan verantwoording, vergelijking en kennis
gedreven personeelsbeleid door schoolbesturen ernstig zou belemmeren. De sectorraden
geven aan dat schoolbesturen zonder de verstrekking van deze informatie aan de sectorraden
hun interne en externe verantwoordingsplicht slechts ten dele kunnen invullen.
De reden dat de regering alleen gegevens over de persoon en arbeidsrelatie in het
wetsvoorstel opneemt en niet het gegeven salaris, is gelegen in de bescherming van
de privacy van onderwijspersoneel. De regering erkent het belang van het gebruik van
salarisgegevens door schoolbesturen voor hun interne en externe verantwoording. Het
feit dat dit gegeven op het niveau van functiecategorie wordt gevraagd en dat daarmee
de salarisgegevens van individuen zichtbaar kunnen worden is het doorslaggevende argument
in de keuze om dit onderdeel niet op te nemen in onderhavig wetsvoorstel.
Bij aggregatie op niveau van functiecategorie speelt een (groter) risico op indirecte
identificatie van personen. Binnen een aantal functiecategorieën, waarvan er achttien
zijn, zal er relatief vaak maar één persoon werkzaam zijn bij een instelling. Bijvoorbeeld
binnen de functiecategorie van directeur. Ondanks het feit dat er geen naam of andere
direct identificerende gegevens zouden worden verstrekt aan de sectorraden, bestaat
dan de kans dat die persoon te identificeren is door medewerkers van de sectorraden.
Omdat het salarisgegeven een gevoelig persoonsgegeven is, wordt dit niet wenselijk
geacht. In tegenstelling tot geaggregeerde gegevens over het aantal fte en geslacht
zijn deze gegevens nooit eerder verstrekt.
De sectorraden geven aan dat salarisgegevens essentieel zijn om inzicht te krijgen
in de doelmatigheid van personeelsinzet en de overheadkosten van scholen. Volgens
de sectorraden kunnen schoolbesturen zonder deze informatie hun interne en externe
verantwoordingsplicht slechts ten dele invullen. In reactie hierop geeft de regering
aan dat het volgende van belang is. De geconsolideerde gegevens uit de jaarrekening
over het salaris zijn reeds openbaar beschikbaar via DUO. Vanaf kalenderjaar 2016
levert ieder schoolbestuur de jaarcijfers via XBRL bij DUO aan. De gegevens zijn afkomstig
uit de jaarrekeningen van de schoolbesturen over het jaar voorafgaand aan het jaar
van aanleveren. Deze gegevens kunnen worden gebruikt in de informatieproducten van
de sectorraden met als doel interne en externe verantwoording alsmede het maken van
vergelijkingen.
Daarnaast wordt er gewerkt aan een norm voor de omvang van overhead in het onderwijs
en voor onderwijspersoneel.147 Hiermee zal een duidelijke norm worden gesteld over de mate waarin van schoolbesturen
wordt verwacht dat het geld daadwerkelijk in de klas landt. Schoolbesturen krijgen
daarmee inzicht in hoe ze zich verhouden ten opzichte van de norm. Ook kan hierover
een goed gesprek binnen de schoolorganisatie worden gevoerd. Het onderwijsveld wordt
betrokken bij de uitwerking van de normen.
In de uitvraag van beleidsinformatie via het XBRL-onderwijsportaal wordt bij het onderwerp
allocatie van middelen wel gevraagd wat de verhouding is tussen het personeel primair
proces/docerend personeel en het totaal aantal fte. In de reactie van de sectorraden
op de internetconsultatie wordt aangegeven dat het niet leveren van salarisgegevens
tot gevolg heeft dat gegevens over inhuur en personeel-niet-in-loondienst in de toekomst
geen onderdeel van de benchmark kunnen worden, omdat personeel-niet-in-loondienst
alleen in euro’s wordt uitgedrukt, en niet in fte. Onderwijsinstellingen kunnen dan
dus slechts gedeeltelijk inzicht krijgen en bieden over personeel, en in het bijzonder
de overhead. De regering merkt op dat aan schoolbesturen echter wel wordt gevraagd
om de totale omvang inhuur in uren van het desbetreffende meetjaar over het personeel-niet-in-loondienst
aan te leveren. Dit kan worden vertaald naar aantal fte en gebruikt worden voor de
berekening.
11.1.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
Voor dit onderdeel is één inhoudelijke reactie binnengekomen vanuit het Adviescollege
toetsing regeldruk (ATR), zie paragraaf 11.3.
11.2. Autoriteit Persoonsgegevens
De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) is om advies gevraagd. De AP heeft geen aanmerkingen
op het concept.
11.3. Adviescollege Toetsing Regeldruk
Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk
(hierna: ATR). Het ATR heeft vijf adviezen meegegeven over het wetsvoorstel, hieronder
wordt per onderdeel een reactie gegeven op de adviezen.
11.3.1. Landelijke veiligheidsmonitor
Het college adviseert om aandacht te besteden aan de werkbaarheid van het wisselende
beleid voor veiligheidsmonitoring door scholen. De regering merkt op dat de LVM vanaf
2006 en vóór 2023 tweejaarlijks werd uitgevoerd door een onderzoeksbureau (met uitzondering
van de periode gedurende de COVID-19-pandemie). Ook voorheen werd de LVM als instrument
ingezet in het kader van de verplichte leerlingmonitor. In de praktijk verandert dat
aspect dus niet (afgezien van het stopzetten van de LVM sinds 2023). Voor in ieder
geval de drie meest recente edities van de LVM geldt dat het uitvoerende onderzoeksbureau
in de tussenliggende jaren ook een veiligheidsmonitor als leerlingmonitor aanbood.
Dit betrof dan een beperktere versie van de LVM in opdracht van OCW. Deze beperktere
monitor voldeed dan aan de wettelijke eisen in het kader van de Wet veiligheid op
school. Het stopzetten van de LVM betekende dus niet per se dat de scholen als gevolg
daarvan op zoek moesten naar een nieuwe aanbieder. Naar het oordeel van de regering
is het betreffende beleid niet inconsistent en ontstaan er als gevolg van de uitvoering
van dit wetsvoorstel geen problemen voor de werkbaarheid voor scholen.
Ook adviseert het college om de verhouding tussen enerzijds landelijk beleid en anderzijds
lokaal beleid te verduidelijken. De regering constateert dat scholen verantwoordelijk
zijn voor de veiligheid op school en om dat te borgen moeten zij de veiligheid op
school monitoren en daarop gebaseerd veiligheidsbeleid voeren.148 Dat dient altijd toegespitst te zijn op de eigen populatie en situatie. Vanuit de
vrijheid van onderwijs staat het scholen vrij om zelf te bepalen hoe zij de veiligheid
op school borgen. Daarin mogen dus ook verschillen bestaan. De zorgplicht is ook geen
resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting. Zo kan een school gedegen
en goed veiligheidsbeleid voeren, maar kunnen er vanwege de lokale context of leerlingpopulatie
nog wel veiligheidsincidenten plaatsvinden. Vanuit de stelselverantwoordelijkheid
van OCW is het landelijke beleid gericht op het versterken van de invulling die scholen
geven aan hun zorgplicht voor de veiligheid op school. Zo kunnen landelijke inzichten
in specifieke vormen van onveiligheid aanleiding geven de ondersteuning voor scholen
op deze veiligheidsaspecten te versterken zodat zij hier, in de lokale context, werk
van kunnen maken. Doordat met de LVM ook aandacht wordt besteed aan het monitoren
van het veiligheidsbeleid dat scholen voeren, kan het landelijk beleid op het gebied
van sociale veiligheid ook gericht kaders stellen voor de school en diens veiligheidsbeleid.
Verder adviseert het college om de regeldrukberekening (voor de LVM), overeenkomstig
de Rijksbrede methodiek, aan te vullen. Hierop heeft de regering aangevuld door de
eenmalige kennismakingskosten voor scholen voor het overwegen van de deelname aan
de LVM uit te werken. Daarbij is uitgegaan van de tijd die het scholen kost om zich
in te lezen in de monitor en dit in overweging te nemen. Administratieve lasten en
regeldrukkosten die voortvloeien uit het wisselen van monitoringsinstrument zijn niet
opgenomen. Deze lasten komen al voort uit de bestaande wettelijke verplichting voor
het gebruiken van een instrument om de veiligheidsbeleving van leerlingen te monitoren.
Daarnaast zijn ook de administratieve lasten en regeldrukkosten voor het ontvangen
en verwerken van de resultaten niet meegenomen. Ook deze kosten vloeien voort uit
de reeds bestaande monitoringsverplichting en de evaluatieverplichting en zijn reeds
uitgewerkt in het Besluit uitbreiding monitor funderend onderwijs149 en de Wet vrij en veilig onderwijs150, waar het adviescollege al over heeft geadviseerd.
11.3.2 Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
Het college adviseert voor het onderdeel personeelsgegevens om te verduidelijken op
welke wijze gedetailleerder referentiekaders en overzichten uiteindelijk leiden tot
kwalitatiever, toegankelijker en doelmatiger onderwijs. De regering merkt op dat inzicht
in de samenstelling van het personeelsbestand voor diverse actoren waardevolle informatie
kan bevatten. De openbare informatie op de informatieproducten van de sectorraden
(scholenopdekaart.nl en schoolbesturenopdekaart.nl) bieden ouders, leerlingen en andere
geïnteresseerden inzicht in de instellingen. Juist deze transparantie is belangrijk
bijvoorbeeld bij het maken van een keuze voor een bepaalde school. Interne belanghebbenden
zoals de medezeggenschapsraad kunnen deze informatie gebruiken om het gesprek aan
te gaan over bijvoorbeeld een evenwichtige man/vrouw verdeling in het bestuur van
een instelling. Dit draagt bij aan kwantitatief goed onderbouwde gesprekken over dit
onderwerp en zal een positieve impact hebben op de kwaliteit van de gesprekken en
beslissingen.
Verder wordt het gegeven fte gebruikt om verantwoording af te leggen over de allocatie
van middelen. In de invulinstructie XBRL-onderwijsportaal beleidsinformatie wordt
de volgende vraag gesteld: «Wat is de verhouding tussen het personeel primair proces/docerend
personeel en het totaal aantal fte?». Deze verhouding zegt iets over de doelmatige
besteding van middelen.
Ook het voorstel rondom de verstrekking van personeelsgegevens aan de sectorraden
is in de memorie van toelichting nu conform de Rijksbrede methodiek over regeldrukberekening
opgeschreven.
Daarnaast vraagt het college een inschatting van de kosten voor het ontvangen en verwerken
van de extra informatie. De regering constateert dat er geen extra kosten zijn verbonden
aan het leveren van de informatie omdat dit al staande praktijk is. De sectorraden
ontvingen deze geaggregeerde informatie in het verleden al, maar hiervoor ontbrak
een wettelijke grondslag. Tevens is er geen sprake van het vervallen van een minder
efficiënte levering van de gegevens omdat de sectorraden de gegevens in het verleden
niet op minder efficiënte wijze hebben ontvangen. Wel is er sprake van kosten die
de sectorraden moeten maken in het kader van de aanvraagprocedure. In de toelichting
bij artikel 23 van de WRO is destijds over de administratieve lasten voor de aangewezen
organisaties opgemerkt dat uitgaande van een 16 uur per aanvraag en een uurtarief
van € 50 sprake is van administratieve lasten van € 800.151 Omdat dit wetsvoorstel éénzelfde aanvraagprocedure beoogt is bovenstaande ook opgenomen
in deze memorie van toelichting.
Tot slot maakt het college nog een opmerking over een inschatting van de kosten in
de regeldrukberekening. Ze geeft hierbij aan dat in de regeldrukberekening een inschatting
mist van de kosten die sectorraden moeten maken vanwege het ontvangen en verwerken
van meer (en gedetailleerder) informatie. De regeldrukberekening geeft volgens haar
evenmin inzicht in de vermindering van de kosten die worden bespaard doordat de minder
efficiënte levering van gegevens komt te vervallen. De regering merkt nogmaals op
dat de kosten die de sectorraden moeten maken vanwege het ontvangen en verwerken van
meer gedetailleerde informatie niet aan de orde zijn. De sectorraden ontvangen en
gebruiken deze geaggregeerde informatie al, zij hoeven hiervoor dus geen extra kosten
te maken. Tevens is er geen sprake van een minder efficiënte levering van de gegevens
omdat dit geen opportuun alternatief is gebleken.
11.3.3 Verstrekking gegevens ROD aan NWO
Het ATR concludeert dat NWO straks direct gegevens geleverd gaat krijgen om onderzoek
te kunnen (laten) uitvoeren en stelt dat de huidige wijze van levering niet de meest
efficiënte is. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat het met de verstrekking van persoonsgegevens
aan de NWO mogelijk wordt om als verwerkingsverantwoordelijke, voor organisatieonderdeel
NKO, onderzoeksactiviteiten te kunnen laten realiseren. Dat dit efficiënter is blijkt
volgens ATR niet uit de memorie van toelichting. De regering merkt op dat het bestaande
artikel 23 van de WRO wordt uitgebreid opdat NWO/NKO onderzoek kan laten doen naar
de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs, met gegevens afkomstig
uit het ROD. Deze persoonsgegevens uit het ROD kunnen vervolgens op grond hiervan
worden geleverd door DUO aan het onderzoeksinstituut dat hiervoor is aangewezen en
wordt gefinancierd door NWO. De grondslag voor de Minister zou kunnen worden uitgebreid
voor rapportages aan scholen op basis van onderzoeksprogramma’s zoals het NCO, maar
dit is niet wenselijk geacht vanwege de afhankelijke positie van scholen ten opzichte
van de Minister. De NWO (NKO) heeft deze onafhankelijke positie wel en kan deze ook
nemen voor afzonderlijke onderwijsinstellingen. Het maken van een grondslag voor NWO
(NKO) wordt daarom gezien als een efficiënt(er) alternatief en dit is in de memorie
van toelichting verduidelijkt.
12. Inwerkingtreding
Het tijdstip van inwerkingtreding wordt bij KB bepaald en kan voor de verschillende
onderdelen verschillend worden vastgesteld. Beoogd is om het wetsvoorstel per 1 januari
2027 in werking te laten treden.
II. Artikelsgewijs deel
Begripsbepaling Algemene verordening gegevensbescherming
Artikel I, onderdeel A (artikel 1 WPO), Artikel II, onderdeel A (artikel 1 WEC), Artikel III,
onderdeel A (artikel 1.1 WVO 2020)
Aan de sectorwetten wordt een begripsbepaling van de Algemene verordening gegevensbescherming
(AVG) toegevoegd, opdat kortheidshalve zo naar deze wet kan worden verwezen, omwille
van de leesbaarheid en duidelijkheid van de toe te voegen bepalingen.
Landelijke veiligheidsmonitor
Artikel I, onderdeel B (artikel 4e WPO), Artikel II, onderdeel B (artikel 5c WEC),
Artikel III, onderdeel B (artikel 3.41a WVO 2020)
Eerste en tweede lid
Het eerste lid bevat een opdracht aan de Minister om de veiligheid op school te monitoren
door middel van de Landelijke Veiligheidsmonitor (LVM). Het gaat daarbij om het monitoren
van de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen en het personeel op
scholen in het funderend onderwijs. In het primair onderwijs en het speciaal onderwijs
wordt de veiligheid van leerlingen vanaf het zesde leerjaar gemonitord.
Met het tweede lid worden eisen gesteld aan de LVM als instrument waarmee de veiligheid
wordt gemonitord, namelijk: gestandaardiseerd, valide en betrouwbaar. Daarbij moet
de LVM inzicht geven in de genoemde aandachtsgebieden: de feitelijke veiligheid, de
ervaren veiligheid, het welbevinden en het veiligheidsbeleid van scholen. Daarmee
wordt aangesloten bij de eisen en aandachtsgebieden die ook verplicht zijn gesteld
voor de leerlingmonitor met betrekking tot de veiligheid op school.152 Niet van toepassing is de uitsplitsing die wordt voorgesteld te maken naar vormen
van feitelijke onveiligheid in het Besluit uitbreiding monitor funderend onderwijs.153 Dat betekent niet dat deze vormen van feitelijke veiligheid geen onderdeel kunnen
uitmaken van de landelijke veiligheidsmonitor, slechts dat dit niet bij wet wordt
voorgeschreven. Wel zal bij ministeriële regeling een uitsplitsing worden gemaakt
van de achtergrondkenmerken en onderwerpen binnen de genoemde aandachtsgebieden, zie
de toelichting bij het zevende lid. Bij de uitvoering van de landelijke veiligheidsmonitor
dient afgewogen te worden welke gegevens noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van
de wettelijke taak; te weten het monitoren van de sociale, psychische en fysieke veiligheid
op school.
In aanvulling op de aandachtsgebieden feitelijke veiligheid, ervaren veiligheid en
welbevinden dient de LVM ook het veiligheidsbeleid van scholen in beeld te brengen.
Het gaat daarbij om de vraag hoe het veiligheidsbeleid op school door de leerlingen
en het personeel wordt ervaren en in hoeverre zij bepaalde elementen van goed veiligheidsbeleid
op school in de praktijk terugzien. Te denken valt aan vragen over of de deelnemer
melding heeft gedaan van een incident, of er iets met die melding is gedaan en of
het probleem werd opgelost. Zie ook de delegatiebepaling naar de ministeriële regeling
in het zevende lid over de onderwerpen binnen de genoemde aandachtsgebieden.
Derde lid
Het derde lid expliciteert dat de Minister van OCW verwerkingsverantwoordelijke is
voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de landelijke veiligheidsmonitor.
Dit is van belang gelet op de plichten die dit met zich brengt vanwege het recht op
bescherming van persoonsgegevens, in het kader van de AVG. De Minister is verantwoordelijk
voor de naleving van de AVG en het waarborgen van de bescherming van de rechten van
deelnemers door middel van technische en organisatorische maatregelen.154
Vierde lid
Met het vierde lid wordt de bevoegdheid van de Minister tot het verwerken van persoonsgegevens
voor de uitvoering van de LVM ingekaderd en worden op wetsniveau maatregelen getroffen
vanwege het recht op bescherming van de persoonsgegevens van leerlingen en personeel.
Onderdeel A
Vastgelegd is dat er slechts direct identificerende gegevens mogen worden verwerkt
voor zover dit noodzakelijk is voor de uitnodiging tot deelname. Er zullen dan ook
geen direct identificerende persoonsgegevens, zoals naam, adres of geboortedatum,
worden uitgevraagd bij de afname van de LVM of gekoppeld worden aan de andere uitgevraagde
gegevens. Het verwerken van direct identificerende persoonsgegevens kan wel noodzakelijk
zijn voor het uitnodigen voor deelname aan de LVM. Gedacht kan worden aan e-mailadressen
die gebruikt worden voor het uitzetten van de LVM. Indien de Minister ervoor kiest
om de LVM af te nemen zonder verdere tussenkomst van scholen, dan kan hij voor de
uitnodiging tot deelname van leerlingen gebruikmaken van de gegevens die zijn opgenomen
in het register onderwijsdeelnemers conform artikel 15, tweede lid, laatste volzin,
van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Zie verder paragraaf 2.4.3 over verwerken persoonsgegevens en paragraaf 5.2.2 over
herleidbaarheid van gegevens.
Onderdeel B
De persoonsgegevens die worden verwerkt ten behoeve van het afnemen van de LVM worden
uiterlijk drie jaar na het moment van afname verwijderd. Zie paragraaf 5.2.5 over
de maximale bewaartermijn.
Onderdeel C
Daarnaast is bepaald dat de volgende bijzondere categorieën persoonsgegevens kunnen
worden verwerkt indien dat noodzakelijk is, in afwijking van het verwerkingsverbod
in artikel 9, eerste lid van de AVG, namelijk persoonsgegevens waaruit ras of etnische
afkomst, of religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen blijken, of gegevens
over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele
gerichtheid. De noodzaak voor verwerking van deze categorieën van gegevens is gelegen
in het zwaarwegende algemeen belang van het borgen van een veilig schoolklimaat en
de kwaliteit van het onderwijs. Dezelfde noodzaak kan in uitzonderlijke gevallen gelden
voor de verwerking van persoonsgegevens van strafrechtelijke aard, als bedoeld in
artikel 1 van de UAVG dat weer verwijst naar artikel 10 van de AVG. Artikel 10 van
de AVG bepaalt onder andere dat persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen
en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen alleen mogen
worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan
bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor
de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden.
Onderdeel D
Uitsluitend persoonsgegevens kunnen worden verwerkt die behoren tot de achtergrondkenmerken
en onderwerpen die noodzakelijk zijn voor het inzicht in de aandachtsgebieden bedoeld
in het tweede lid. Deze achtergrondkenmerken en onderwerpen worden uitgewerkt in de
ministeriële regeling (zie het zevende lid).
Onderdeel E
De Minister van OCW bewaart de persoonsgegevens op een plaats die uitsluitend toegankelijk
is voor door hem geautoriseerde personen. De toegang is op grond van artikel 28 van
de AVG reeds beperkt tot door de Minister aangestelde instanties, zijnde verwerkers.
De verdere uitwerking hiervan volgt in de ministeriële regeling (zie het zevende lid).
Vijfde lid
Leerlingen en de ouders, voogden of verzorgers155 van leerlingen die de leeftijd van zestien jaar nog niet hebben bereikt, en het personeel,
worden geïnformeerd over de afname van de landelijke veiligheidsmonitor. Voordat besloten
wordt tot deelname aan de LVM, dienen zij voldoende geïnformeerd te worden over het
belang en de doelstellingen van de LVM, als ook de risico’s met betrekking tot de
gegevensverwerking. Bovendien is van belang dat helder gecommuniceerd wordt over de
rechten van betrokkenen, in het bijzonder dat deelname niet verplicht is.
Zesde lid
Het zesde lid legt de koppeling tussen de LVM en de schoolrapportage. De LVM kan in
samenwerking met een school worden afgenomen. Gedoeld wordt daarmee op de situatie
dat een school medewerking verleent aan de onderzoekers die de LVM afnemen door de
LVM bijvoorbeeld onder schooltijd aan de leerlingen in de klas voor te leggen. Op
het moment dat de afname van de LVM via een school verloopt dan verstrekt de Minister
aan het schoolbestuur een schoolrapportage, waarmee de betreffende school kan voldoen
aan de in de sectorwetten opgenomen verplichting voor het bevoegd gezag om jaarlijks
de veiligheid van leerlingen op school te monitoren. Daarbij dient de Minister de
gegevens te verstrekken die het bevoegd gezag nodig heeft om te voldoen aan zijn verplichting
tot het verzenden van de resultaten van de leerlingmonitor aan de inspectie. Tevens
kan het bevoegd gezag door middel van de schoolrapportage de veiligheidsbeleving van
schoolpersoneel in kaart brengen en betrekken bij de jaarlijkse evaluatie van haar
veiligheidsbeleid.
Zevende lid
Het zevende lid geeft een delegatiebepaling naar ministeriële regeling waarin nadere
regels aan de LVM zullen worden gesteld ter inkadering van de inhoud en uitvoering
van de monitor. In paragraaf 2.4.6 zijn de aspecten waarover nadere regels zullen
worden gesteld verder uiteengezet.
Onderdeel A
Het betreft de achtergrondkenmerken en de onderwerpen die binnen de aandachtsgebieden
(de feitelijke veiligheid, de ervaren veiligheid, het welbevinden en het veiligheidsbeleid
van scholen, zie tweede lid) in de monitor aan de orde zullen komen, alsmede de wijze
waarop (minderheids)groepen geïdentificeerd zullen worden en hoe de onderwerpen aan
de orde zullen komen.
Onderdeel B
Over het uitvoeringsproces en dus de wijze van afname van de LVM door scholen ofwel
thuis, zullen ook nadere regels worden gesteld. Wanneer scholen de LVM afnemen, zullen
ook regels gelden over de levering van de schoolrapportage.
Onderdelen C en D
Bij ministeriële regeling zullen nadere kaders worden gegeven voor de inhoud van de
landelijke rapportage en schoolrapportage (zie ook het zesde lid), waaronder het aggregatieniveau
waarop resultaten worden gepubliceerd, waarbij in ieder geval geen sprake zal zijn
van direct identificerende persoonsgegevens.
Achtste lid
Het achtste lid bepaalt dat de Minister, indien bijzondere omstandigheden daartoe
noodzaken, kan besluiten om de tweejaarlijkse cyclus te verlengen. Voor bijzondere
omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een situatie zoals ten tijde van
de COVID-pandemie.
Verstrekking personeelsgegevens aan de sectorraden
Artikel I, onderdeel C, (artikel 167a WPO), Artikel II, onderdeel C (artikel 143a
WEC), Artikel III, onderdeel C (artikel 2.112 WVO 2020)
Eerste, tweede en derde lid
Het eerste lid geeft de Minister een grondslag om gegevens over het personeel op scholen
te verstrekken aan de betreffende sectorraad (of sectorraden) als zij daarom verzoekt(en).
Dit betreffen gegevens over de persoon en de arbeidsrelatie. Op basis van het tweede
lid worden deze gegevens slechts verstrekt aan de sectorraad voor zover dit noodzakelijk
is voor de ondersteuning van de bevoegde gezagen of de samenwerkingsverbanden. Deze
noodzaak kan gelegen zijn in twee doelen, namelijk verantwoording en onderlinge vergelijking.
Beide doelen kunnen zowel betrekking hebben op de kwaliteit, toegankelijkheid als
doelmatigheid van het onderwijs. In het derde lid wordt vervolgens de verstrekking
van direct identificerende persoonsgegevens uitgesloten.
Vierde en vijfde lid
Op grond van het vierde lid moeten de gegevens die de Minister verstrekt aan de sectorraden
ten minste worden geaggregeerd op schoolniveau, dan wel instellingsniveau. In het
vijfde lid wordt hierop een uitzondering gemaakt voor specifieke gegevens. Het gaat
daarbij om gegevens inzake het geslacht en de betrekkingsomvang. Deze gegevens kunnen
nader worden uitgesplitst naar functiegroep of functiecategorie. Welke functiecategorieën
dan wel functiegroepen er zijn is nader uitgewerkt in de Regeling informatievoorziening
WPO/WEC en de Regeling informatievoorziening WVO.156 Voor functiecategorie gaat het bijvoorbeeld om de indeling naar «vakleraar» of «leraar
in opleiding» of «adjunct- of waarnemend» directeur. Deze functiecategorieën worden
vervolgens gegroepeerd in verschillende functiegroepen «management», «middenmanagement»,
«onderwijsgevend personeel», «onderwijsondersteunend personeel» en «beheer en administratief
personeel».
Zesde tot en met negende lid
Het zesde lid bepaalt dat een verstrekking steeds een expliciet besluit van de Minister
vereist.
Het zevende en achtste lid geven nadere voorschriften over het besluit van de Minister.
Alvorens gegevens uit het register verstrekt kunnen worden dient de Minister op verzoek
van de sectorraad daartoe een besluit te nemen. Het verzoek moet op grond van het
zevende en achtste lid een aantal elementen bevatten.
– Het doel of de doelen van de gegevensverstrekking. Deze doelen moeten vallen binnen
het in het eerste en derde lid genoemde doel.
– De persoonsgegevens waarop het verzoek betrekking heeft.
– Onderbouwing waarom persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor het beoogde doel of de
beoogde doelen.
Voorafgaand aan het verzoek kan door de Minister een aanvraagformulier beschikbaar
worden gesteld. Het verzoek wordt vervolgens door de Minister getoetst, waarbij in
ieder geval bepalend is of en in hoeverre de verstrekking van de gegevens noodzakelijk
is voor de beoogde doelen (achtste lid). Hierbij wordt steeds de afweging gemaakt
tussen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens
van de personen, van wie de sectorraad gegevens verstrekt wenst te krijgen, en het
belang van de sectorraad, om de gegevens te ontvangen voor de in het verzoek beschreven
doeleinden. Gekeken wordt of de in het verzoek vermelde gegevens noodzakelijk zijn
voor de in het verzoek vermelde doelen.
Na toetsing van het verzoek neemt de Minister een besluit ten behoeve van de sectorraad.
Volgens het achtste lid worden aan het besluit van de Minister voorschriften en beperkingen
verbonden in het belang van een zorgvuldige en doelmatige gegevensverstrekking. Het
kan bijvoorbeeld gaan om technische voorschriften (zoals de wijze van gegevensverstrekking,
bijvoorbeeld dat deze via het beveiligde zakelijk portaal van DUO plaatsvindt, of
de tijdstippen van de verstrekking), maar ook de periode waarop de gegevensverstrekking
betrekking heeft, maatregelen om gegevensbeveiliging te waarborgen of medewerking
aan privacy-audits. In het besluit wordt in ieder geval bepaald voor welke doeleinden
gegevens worden verstrekt, welke gegevens worden verstrekt, en welke bewaartermijn
geldt voor de te verstrekken gegevens (achtste lid).
Het is overigens mogelijk dat herhaalde gegevensverstrekkingen van dezelfde set gegevens
voor dezelfde doelen op basis van één besluit geschieden. Het besluit kan voor een
bepaalde periode (bijvoorbeeld twee jaar) worden afgegeven. Binnen die periode kunnen
dan bijvoorbeeld jaarlijks of twee keer per jaar de set gegevens die in het besluit
zijn genoemd worden verstrekt voor de doelen die in het besluit zijn genoemd. Op die
manier wordt voorkomen dat een sectorraad voor dezelfde set gegevens en voor dezelfde
doelen steeds een nieuw verzoek moet indienen. Indien echter binnen de periode waarin
het besluit geldt de betreffende sectorraad een wijziging van de set gegevens of het
doel wil aanbrengen, dan moet wel een nieuw verzoek worden ingediend.
Het negende lid regelt de bevoegdheid voor de Minister om het besluit in te trekken.
De intrekking kan in ieder geval op de twee genoemde gronden. De eerste is als de
gegevens waarop het besluit betrekking heeft voor andere doeleinden worden verwerkt
dan die in het besluit zijn genoemd. De tweede grond is als niet wordt voldaan aan
de voorschriften en beperkingen die aan het besluit zijn verbonden. De aanduiding
van intrekkingsgronden is niet uitputtend; onder omstandigheden is intrekking op andere
gronden mogelijk.
Het intrekkingsbesluit heeft tot gevolg dat de betreffende sectorraad de gegevens
die op basis van het verstrekkingsbesluit zijn ontvangen onverwijld moet vernietigen.
Het besluit van de Minister tot verstrekking van gegevens, bedoeld in het zesde lid,
is namelijk een voorwaarde voor een rechtmatige verstrekking van de gegevens door
de Minister aan de sectorraad. Het zesde lid bepaalt immers dat de verstrekking van
basisgegevens plaatsvindt voor zover dit is bepaald bij besluit van de Minister. Daarmee
is het verstrekkingsbesluit van de Minister eveneens een voorwaarde voor een rechtmatige
verwerking van de desbetreffende persoonsgegevens door de sectorraad die ze ontvangt.
Onder verwerking van persoonsgegevens dient een breed scala van handelingen te worden
begrepen, waaronder het vastleggen en opslaan van persoonsgegevens (artikel 4, onderdeel
2, van de AVG). Met de intrekking van het verstrekkingsbesluit komt, gelet op het
voorgaande, de juridische basis te ontvallen aan het vastleggen en opslaan van de
desbetreffende persoonsgegevens door de sectorraad. Wanneer een besluit tot verstrekking
wordt ingetrokken, rust op de desbetreffende sectorraad dan ook de verplichting om
gegevens die op basis van het besluit ontvangen zijn, onverwijld te vernietigen.
Tiende lid
Het besluit tot verstrekking wordt toegezonden aan de sectorraad en wordt daarnaast
gepubliceerd in de Staatscourant (tiende lid). Dit geldt ook voor een besluit tot
intrekking van een verstrekkingsbesluit. Deze besluiten zijn besluiten in de zin van
de Algemene wet bestuursrecht en vatbaar voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden bij
deze besluiten zijn in ieder geval de desbetreffende sectorraad en betrokkenen wiens
persoonsgegevens worden verstrekt aan de sectorraad. Verwacht wordt dat er weinig
tot geen bezwaar zal worden gemaakt tegen deze besluiten. Betrokkenen kunnen hun rechten
op grond van de AVG onverkort uitoefenen, zoals het recht op inzage en het recht op
rectificatie van onjuiste persoonsgegevens. Een verzoek daartoe kan worden ingediend
bij de Minister van OCW.
Elfde lid
Het elfde lid bepaalt dat de Minister de bevoegdheid heeft in een ministeriële regeling
nadere regels te stellen over de indiening van een verzoek om personeelsgegevens van
de sectorraden als bedoeld in het eerste lid. Hierbij kan gedacht worden aan het beschikbaar
stellen van een formulier die de sectorraden dienen te gebruiken voor het verzoek.
Het gaat dan bijvoorbeeld om organisatiegegevens en informatiebeveiliging. Dit in
aansluiting op de systematiek voor de aanvraag van gegevens over onderwijsdeelnemers
in het kader van de Wet register onderwijsdeelnemers.
Caribisch Nederland
Artikel III, onderdelen D en E (artikelen 11.32a en 11.40a WVO 2020)
De verschillende onderdelen in dit wetsvoorstel zijn niet van toepassing op Caribisch
Nederland. Met deze bepalingen in de Wet voortgezet onderwijs 2020 worden de voorgestelde
artikelen met betrekking tot de LVM en de verstrekking van personeelsgegevens aan
de sectorraden dan ook niet van toepassing verklaard voor de openbare lichamen Bonaire,
Sint Eustatius en Saba.
Verstrekking gegevens ROD aan NWO
Artikel IV (artikel 23, eerste lid, onderdeel e, WRO)
Aan artikel 23 van de WRO wordt NWO toegevoegd, als organisatie waaraan gegevens uit
het ROD kunnen worden verstrekt. Het wetsvoorstel regelt de rechtsgrondslag voor verstrekking
van persoonsgegevens aan de NWO om als verwerkingsverantwoordelijke onderzoeksactiviteiten
te kunnen laten realiseren. Dat betreft onderzoek waartoe NWO het doel en de middelen
bepaalt, waarbij gegevens noodzakelijk zijn over onderwijsdeelnemers die in het ROD
zijn geregistreerd. Zie verder paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, K.M. Becking
Ondertekenaars
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.