Schriftelijke vragen : Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij'
Vragen van de leden Straatman en Armut (beiden CDA) aan de Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij» (ingezonden 20 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe
komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk
groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Vraag 3
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van
de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
Vraag 4
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en
hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Vraag 5
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden
gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit
en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Vraag 6
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige
betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie
jaar heeft opgeleverd?
Vraag 7
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende
criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en
Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de
betrokken gebieden?
Vraag 8
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten,
politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken
onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling
binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert
u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
Vraag 9
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren
weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan
gemeten?
Vraag 10
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen
bij georganiseerde criminaliteit?
Vraag 11
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning
nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen
van crimineel ronselen?
Vraag 12
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal
toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk
worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Indieners
-
Gericht aan
K.M. Becking, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Gericht aan
F. van Oosten, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Jeltje Straatman, Kamerlid -
Medeindiener
Etkin Armut, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.