Schriftelijke vragen : Het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine
Vragen van het lid Kröger (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine (ingezonden 9 februari 2026).
Vraag 1
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine nog steeds veel
hoger is dan technisch mogelijk of gebruikelijk voor bijvoorbeeld diesel?
Vraag 2
Klopt het dat het zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine in de praktijk
hoger is (450–900 ppm) dan waar in de emissieberekeningen van wordt uitgegaan?
Vraag 3
Wat is het feitelijke gemiddelde zwavelgehalte van op Schiphol gebunkerde kerosine
en is dit altijd hetzelfde of zijn er uitschieters?
Vraag 4
Wie controleert dit en hoe?
Vraag 5
Met hoeveel zwavel wordt gerekend in de luchtkwaliteitsmodellen en bij de berekening
van de milieu en gezondheidseffecten? Is dit voor alle modellen en instanties hetzelfde?
Vraag 6
Hoeveel duurder is zwavelarme kerosine en wat zijn de maatschappelijke kosten (milieu
en gezondheidskosten) van het ultrafijnstof (UFP) en de SO2-emissies afkomstig van de luchtvaart?
Vraag 7
Hoe staat het met de uitvoering van de motie-Kröger c.s. (Kamerstuk 31 936, nr. 609) om het zwavelgehalte van kerosine terug te brengen naar het niveau van reguliere
diesel (10ppm)? Is alleen met de sectorpartijen gepraat of is er ook gewerkt aan nieuwe
nationale normen?
Vraag 8
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Luchtvaart?
Ondertekenaars
Suzanne Kröger, Tweede Kamerlid