Schriftelijke vragen : De publicatie van ‘Het 7 Oktober-effect’, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs
Vragen van de leden Boomsma en Nanninga (beiden JA21) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de publicatie van «Het 7 oktober-effect, een studie naar antisemitisme en zionistenhaat in het hoger onderwijs» (ingezonden 28 januari 2026).
Vraag 1
Kent u het onderzoeksrapport «Het 7 oktober-effect, Joodse en Israëlische ervaringen
te midden van anti-Israëlische stromingen, zionistenhaat en antisemitisme aan Nederlandse
hogescholen en universiteiten», een studie van Amanda Kluveld en Eliyahu V. Sapir?1
Vraag 2
Kunt u een reactie geven op de constateringen, overwegingen, conclusies en aanbevelingen
van dit rapport dat een documentatie bevat van gebeurtenissen op Nederlandse universiteiten
en hogescholen vanaf 7 oktober 2023 en dat een proces schetst van radicalisering,
een toename van antisemitisme en een sluipende normalisatie daarvan?
Vraag 3
Bent u van mening dat sinds de publicatie van het eerdere onderzoek «Onveilige Ruimtes:
de opkomst van antisemitisme in de Nederlandse academische wereld» waarin één van
de bevindingen was dat bijna dertig procent van de ondervraagden aangaven dat hun
universiteit geen betekenisvolle actie ondernam na melding van antisemitisme, er significante
vooruitgang is geboekt ten aanzien van de meldingen en de opvolging ervan?2
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de veiligheid van joodse studenten en docenten op dit moment, in
het licht van de getuigenissen zoals opgenomen in dit rapport?
Vraag 5
In hoeverre herkent u de bevinding van het rapport dat de intimiderende, agressieve
sfeer van protesten en manifestaties en het onversneden antisemitisme dat hierbij
geregeld de kop opsteekt, bij een groot aantal Joodse studenten en medewerkers heeft
geleid tot angst, stress en/of het verbergen van tekenen van joodse identiteit? Over
welke andere gegevens, onderzoeken of rapporten beschikt u op dat vlak?
Vraag 6
Herkent u de signalen in het rapport dat Joodse, Israëlische of andere studenten in
sommige gevallen hun studie afbraken en dat medewerkers hun heil elders zochten? In
hoeverre wordt nu in kaart gebracht of studenten en/of medewerkers om de bovenstaande
redenen stoppen met hun studie of hun betrekking beëindigen? Deelt u de mening dat
dit onacceptabel is en dat dit moet worden gemonitord?
Vraag 7
Hoe ziet u de conclusie in het rapport dat universiteiten en hogescholen op dit moment
tekortschieten om Joodse studenten en medewerkers te beschermen? Welke concrete maatregelen
zijn genomen of worden nog genomen om ervoor te zorgen dat onderwijsinstellingen in
dezen aan hun zorgplicht voldoen?
Vraag 8
Welke lessen heeft u getrokken uit het verloop van protesten en sit-ins en de manier
waarop universiteiten daar de afgelopen twee jaar mee zijn omgegaan? Welke mogelijkheden
tot verbetering ziet u en in hoeverre ziet u dat deze verbeteringen nu worden opgepakt
en geïmplementeerd? Graag een toelichting.
Vraag 9
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de universitair docent die tot voor kort werkzaam
was aan de Radboud Universiteit te Nijmegen, die Hamas verheerlijkte op zijn X-account
en pleitte voor steun en bewapening van deze terreurorganisatie? Wat vindt u van de
aansporing van deze docent aan zijn studenten – te horen op een audio-opname – om
bij te dragen aan de strijd voor het «voor eens en altijd beëindigen van het zionisme»?3,
4,
5
Vraag 10
Hoe beoordeelt u de handelwijze van de universiteit ten aanzien van deze geradicaliseerde
docent?
Vraag 11
Bent u van mening dat eerder had moeten worden opgetreden tegen een docent die zich
op een dergelijke manier gedraagt? Welke lessen kunnen/moeten universiteiten leren
ten aanzien van deze situatie?
Vraag 12
Heeft u overwogen om in het kader van deze problematiek een beroep te doen op de Wet
op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die de mogelijkheid biedt om
instellingen die falen in het beoefenen van hun publieke taken een aanwijzing te geven
of andere maatregelen te nemen als onderdeel van de systeemverantwoordelijkheid van
de Minister, wanneer sprake is van wanbeheer? Graag een toelichting.
Vraag 13
Kunt u schetsen in welke gevallen de Minister zou overgaan tot het geven van een aanwijzing
en/of het treffen van een maatregel tegen instellingen? Wanneer zou hier sprake van
zijn?
Vraag 14
Wat vindt u van de aanbeveling in het rapport om verplichte voorlichting te geven
over antisemitisme, vergelijkbaar met trainingen over grensoverschrijdend gedrag?
Vraag 15
Zijn er op dit moment organisaties actief op Nederlandse universiteiten en hogescholen
die in andere Europese landen zijn verboden en/of worden beschouwd als terroristische
of radicale bewegingen dan wel daar nauwe banden mee hebben? Welke informatie is daarover
beschikbaar en in hoeverre wordt dit onderzocht?
Indieners
-
Gericht aan
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Indiener
Diederik Boomsma, Kamerlid -
Medeindiener
Annabel Nanninga, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.