Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Informele Raad voor Concurrentievermogen 2 en 3 februari 2026 (Kamerstuk 21501-30-684)
21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen
Nr. 685
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 28 januari 2026
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Economische Zaken over de brief van 19 januari 2026 over de geannoteerde
agenda Informele Raad voor Concurrentievermogen 2 en 3 februari 2026 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 684).
De vragen en opmerkingen zijn op 26 januari 2026 aan de Minister van Economische Zaken
voorgelegd. Bij brief van 28 januari 2026 zijn de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Michon-Derkzen
Adjunct-griffier van de commissie, Krijger
Antwoorden op de vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
1. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragen over het Concurrentievermogen
Kompas en de inzet van de Minister. De Minister zegt in te willen zetten op een nauwere
verbinding met de handelsagenda en daarbij weerbaarheid nadrukkelijker mee te willen
nemen. Kan de Minister deze inzet verder toelichten? Welke acties verwacht hij van
de Europese Commissie en het voorzitterschap?
Antwoord
De derde pijler van het EU Concurrentievermogenkompas ziet toe op het belang van open
handel als motor voor de toekomstige groei van de EU. Nederland is een handelsland
bij uitstek en heeft een bijzonder belang bij het open en op regels gebaseerde handelssysteem.
Het kabinet verwacht van de Commissie dan ook dat zij zich hier actief voor inzet.
Het sluiten van nieuwe handelsakkoorden en partnerschappen zorgt bijvoorbeeld voor
meer diversificatiemogelijkheden. Daarmee kan de EU haar risicovolle strategische
afhankelijkheden verminderen en dat komt de weerbaarheid ten goede. Het EU-Mercosur
akkoord is hier een goed voorbeeld van. Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk
dat bij EU-wetgeving die zich richt op specifieke sectoren, er oog blijft voor de
balans tussen sectorale maatregelen die de EU-industrie versterken enerzijds en borging
van een open en gelijk speelveld anderzijds. Ook hier vindt het kabinet het belangrijk
dat deze weging wordt gemaakt met inachtneming van de geopolitieke context waarin
we ons bevinden. Hiervoor zet Nederland zich dan ook in bij de beoordeling van en
onderhandeling over voorstellen. Ook zou het kabinet graag zien dat de Commissie deze
weging bij nieuwe voorstellen zelf actiever maakt.
Ook hebben de Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger op 3 december 2025 een gezamenlijke
mededeling over de versterking van de economische veiligheid van de Europese Unie
gepubliceerd. Hierin geeft de Commissie aan dat economische veiligheidsrisico’s voor
de EU verder zijn toegenomen, wat het handels- en investeringsklimaat en de industriële
basis van de EU verder onder druk zet. De Commissie wil deze dreigingen meer proactief
aanpakken door onder andere het vermogen te anticiperen op opkomende dreigingen te
verbeteren en het risico te verminderen dat derde landen de afhankelijkheden die de
Unie heeft van derde landen als wapen in te zetten. Nederland kijkt uit naar de verdere
uitwerking van de mededeling en hoe de Commissie gezamenlijk met lidstaten de Unie
weerbaarder kan maken. In het algemeen onderschrijft het kabinet het belang van een
meer strategische en gecoördineerde inzet van de diverse instrumenten, Europees en
nationaal, die bijdragen aan weerbaarheid en economische veiligheid.
2. Ziet de Minister mogelijkheden om besluiten over bijvoorbeeld importtarieven –
denk bijvoorbeeld aan elektrische auto’s – beter te integreren in een bredere industriestrategie
ten aanzien van het opbouwen van een Europese industrie? Gaat het daarbij alleen om
betere afstemming of zijn er ook instrumenten die Nederland mist of in dit kader wil
versterken?
Antwoord
Het kabinet deelt de visie van GroenLinks-PvdA dat Europees industriebeleid integraal
moet worden bekeken. Daarbij moet volgens het kabinet wel onderscheid worden gemaakt
tussen maatregelen gericht op het versterken van de industrie, en maatregelen om een
verstoring van het gelijke speelveld op de wereldmarkt tegen te gaan, zoals handelsdefensieve
maatregelen ten aanzien van de import van elektrische auto's. Wel is het belangrijk
dat bij dergelijke tarieven de impact op de Europese industrie wordt meegewogen. Daarom
benadrukt het kabinet het belang van gedegen impact assessments door de Europese Commissie
voordat tot een voorstel voor maatregelen op dit terrein wordt overgegaan.
Naast klassieke handels defensieve instrumenten zoals antidumping-, antisubsidie-
en vrijwaringsmaatregelen is het handelsinstrumentarium van de EU de laatste jaren
uitgebreid met onder andere de verordening buitenlandse subsidies en het internationaal
aanbestedingsinstrument. Met dit instrumentarium kan de Europese Commissie onderzoeken
starten en optreden in situaties waar zij dit nodig acht. Effectieve inzet van dit
instrumentarium draagt bij aan de bevordering van een mondiaal gelijk speelveld en
daarmee aan het creëren van ruimte voor Europese bedrijven om te groeien, en het kabinet
vraagt de Europese Commissie dan ook om zich in dit verband ambitieus, proactief en
waar nodig robuust op te stellen, juist ook omdat Nederlandse marktpartijen een groot
belang hebben bij open en op regels gebaseerde handel. Ook zet het kabinet zich in
voor versterking van onze industrie om te kunnen concurreren op de internationale
markt. De maatregelen die het kabinet hiertoe neemt zijn nader toegelicht in de Kamerbrieven
Gelijk speelveld Industriële subsidies en Industriebeleid met focus.1 Een belangrijke voorwaarde voor het versterken van de Europese industrie is het vergroten
van de toegang tot (private) financiering, onder andere via versterking van de kapitaalmarktunie
en het inzetten op een goed ontworpen Europees Concurrentievermogenfonds (ECF) in
de volgende EU-meerjarenbegroting (MFK) waarbij optimaal gebruik wordt gemaakt van
het InvestEU-instrument.
3. Ziet de Minister ruimte om de verduurzaming van de industrie en de opbouw van een
schone technologiesector (cleantech) sterker te verankeren in het instrument? Kan daarbij specifiek de vraag worden meegenomen
naar groene Europese producten?
Antwoord
Het kabinet onderschrijft de noodzaak dat verduurzaming, concurrentievermogen en weerbaarheid
hand in hand gaan, ook bij de verduurzaming van de Europese en Nederlandse (energie-intensieve)
industrie. Dit uitgangspunt draagt Nederland dan ook uit in de beoordeling en onderhandelingen
van nieuw EU-instrumentarium, zo ook in het Concurrentievermogenkompas. In de Kamerbrief
toekomstperspectief voor de energie-intensieve industrie heeft het kabinet uiteengezet
welke uitdagingen hierbij geadresseerd moeten worden.2 Hier gaat het om interne uitdagingen als stimuleren van de vraag naar groene producten,
maar ook het proportioneel en doelgericht adresseren van geo-economische uitdagingen.
Het kabinet wil, conform de hierboven genoemde kamerbrief, met name het belang van
groene marktcreatie naar voren brengen als accelerator voor weerbaarheid en concurrentievermogen.
Hierbij is vraagcreatie van groot belang. Ten behoeve van de komende Industrial Accelerator Act (IAA), heeft het kabinet in een non-paper concrete ideeën gepresenteerd over hoe dit
in de staal- en chemiesector ingevuld kan worden.3
4. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts ook enkele vragen over het
interne-marktactieplan. Onderdeel van het plan is simplificatie, met name via de tien
omnibussen die de Europese Commissie reeds heeft gepresenteerd. Een deel van de omnibussen
bevat echter maatregelen met grote risico’s voor consumenten, zoals het ruimer gebruik
van kankerverwekkende stoffen in make-up en het verzwakken van de controle op en autorisatie
van pesticiden. Hoe rijmt de Minister dergelijke initiatieven met de ambitie van een
veilige interne markt. Steunt de Minister dergelijke maatregelen die de gezondheid
van mens en milieu schaden? Is hij het eens met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
dat simplificatie niet ten koste mag gaan van de zorg die regering en Kamer dragen
voor consumentenbescherming? Zal de Minister dit standpunt ook uitdragen bij de informele
Raad?
Antwoord
Het kabinet verwelkomt de nadruk van de Commissie op de versterking, vereenvoudiging
en stroomlijning van de interne markt. Ook is het kabinet positief over het aanpakken
van de meest schadelijke belemmeringen voor bedrijven en burgers op de interne markt,
zonder afbreuk te doen aan de inzet op productveiligheid en sociale en milieustandaarden.
Het kabinet steunt daarnaast de aandacht van de Commissie voor het verlagen van administratieve
lasten en de nalevingskosten van regels. Het kabinet is voorstander van ambitieuze
voorstellen op dit gebied en verwelkomt dan ook in algemene zin de omnibusvoorstellen
die voor vermindering van administratieve lasten voor het bedrijfsleven zorgen, zonder
de daarmee verband houdende beleidsdoelstellingen te ondermijnen. Deze inzet is ook
kenbaar gemaakt in het fiche over Nederlandse inzet in de horizontale interne-marktstrategie.4
5. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben naar aanleiding van het interne-marktactieplan
nog enkele vragen over de Digital Fairness Act (DFA) (verordening Digitale rechtvaardigheid). Onderdeel van een eerlijke interne
markt is betere regelgeving bij het tegengaan van verslavend ontwerp in onlinediensten,
waar ook de Kamer zich al verschillende malen over heeft uitgesproken, zoals bij de
motie Kathmann c.s.5 Kan de Minister toelichten wat zijn inzet bij de DFA wordt tijdens de informele Raad?
Graag wordt u verwezen naar het antwoord onder vraag 6.
6. Zet de Minister actief in op verbod op manipulatief en verslavend ontwerp in onlinediensten
zoals sociale media, online games, streamingdiensten en dating apps in de DFA? Zal de Minister bij de Raad ook de urgentie benadrukken van een verbod
op polariserende algoritmes op basis van kliks en interactie? In hoeverre is de Minister
actief bezig om coalities te sluiten met andere Europese landen die hiervoor open
staan, zoals Denemarken, België en Frankrijk?
Antwoord vraag 5 en 6
Het kabinet zet zich, mede op basis van de motie Kathmann, actief in voor een verdere
Europese aanpak van verslavende algoritmen en ontwerptechnieken in digitale diensten,
zoals sociale media.6 Hiervoor zoekt het kabinet de samenwerking op met andere lidstaten, waarbij het kabinet
ook met Denemarken, België en Frankrijk contact heeft. Het is de verwachting dat de
positie van verschillende lidstaten in de komende periode verder duidelijk zal worden.
In het non-paper voor de Digital Fairness Act (DFA) vraagt het kabinet om effectieve handhaving van bestaande regelgeving voordat
er wordt overgegaan op het invoeren van nieuwe regelgeving in de digitale economie,
zoals de Digital Services Act (DSA) en de AI-verordening.7 Dit vanuit het oogpunt zo min mogelijk onnodige regeldruk voor bedrijven te willen
veroorzaken. Het kabinet acht het dan ook het meest logisch dat handhaving op het
terrein van verslavend ontwerp primair via de DSA verloopt, voor partijen die onder
de reikwijdte van de DSA vallen zoals grote socialemediaplatformen. De DFA kan daarnaast
van belang zijn voor partijen waarop de regels uit de DSA niet van toepassing zijn,
zoals de meeste gamebedrijven. Het kabinet pleit er in dit kader voor dat ontwerptechnieken
die het welzijn van consumenten schaden, bijvoorbeeld die leiden tot overmatig gebruik
of schadelijk/ongezond gedrag, verboden zouden moeten worden.
Langs deze lijnen zal het kabinet ook pleiten in de inbreng in het beleidsdebat over
de Consumentenagenda 2030 tijdens de informele Raad voor Concurrentievermogen van
2 en 3 februari.
Antwoorden op de vragen van de leden van de CDA-fractie
7. Deze leden onderschrijven de voorgenomen inzet van de regering om de Nederlandse
defensie-industrie verder te versterken en vragen of de regering concrete maatregelen
te delen over hoe zij dit vorm wil geven.
Antwoord
Het kabinet zet zich via de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie actief
in voor het versterken van de Nederlandse defensie-industrie en investeert ruim een
miljard in deze sector.8 Daarnaast investeert het kabinet extra in industrieopschaling en innovatie op de
vijf gebieden waar Nederland sterk in is, namelijk: intelligente systemen, slimme
materialen, space, sensoren en kwantum. Daarnaast is op basis van de sectoragenda Maritieme Maakindustrie
het maritieme domein een focusgebied.
8. De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat de Minister spreekt over «andere ondersteunende
maatregelen» voor het positioneren van de Nederlandse defensie-industrie. Kan de Minister
aangeven welke concrete acties hieronder worden geschaard? Kan hij daarbij ook aangeven
welke daarvan specifiek zijn gericht op het versterken van de positionering van de
Nederlandse defensie-industrie in Europa?
Antwoord
Het kabinet zet zich actief in voor de positionering van de Nederlandse defensie-industrie
in internationale en Europese ontwikkel- en aanschaftrajecten via financiële bijdragen
en andere ondersteunende maatregelen. Zo heeft Nederland bij de Europese Commissie
onder anderen actief gepleit voor het openen van toeleveringsketens voor onder andere
het mkb en industrie uit kleinere lidstaten. Als resultaat is grensoverschrijdende
industriesamenwerking als doelstelling, inclusief een bonus om dit te stimuleren,
opgenomen in het werkprogramma van EDIP het EU-programma voor de Europese defensie-industrie
(EDIP). Daarnaast spant het kabinet zich bij verwerving van defensie-materieel in
om de Nederlandse industrie in toeleveringsketens te positioneren, o.a. door coproductie,
vraagaggregatie en toepassing van het Industriële Participatiebeleid. Ook het in 2025
gelanceerde publiek-private platform Defport moet concreet bijdragen aan de versterking
van de defensie-industrie.9
9. Tot slot lezen de leden van de CDA-fractie dat er verschil van inzicht bestaat
over de wijze waarop de EU het wegnemen van belemmeringen in de interne defensiemarkt
kan faciliteren. Kan de Minister uiteenzetten welke positie hij inneemt ten aanzien
van de wijze waarop de EU dit zou moeten faciliteren, en welke inzet hij daarbij in
Europees verband nastreeft?
Antwoord
De defensiemarkt kenmerkt zich door nationale veiligheidseisen, hoge toetredingsdrempels
en het gebrek aan concurrerende vraag waarbij de staat de dominante en vaak enige
afnemer is. Het wegnemen van ongerechtvaardigde en onnodige belemmeringen op de interne
markt kan defensiebedrijven in staat stellen effectiever te opereren in de hele EU.
Daarom richt de Nederlandse inzet binnen de Europese Unie zich op het openen en meer
Europeaniseren van defensieproductieketens om fragmentatie tegen te gaan en de industriële
capaciteiten van alle lidstaten ten volle te benutten. Dit verhoogt de efficiëntie,
versterkt de leveringszekerheid en vermindert de risico's in de toeleveringsketen.
Daarnaast pleit Nederland voor meer gezamenlijke aankopen (vraagaggregratie) en flexibiliteit
bij deelname aan (raam)contracten. Gezamenlijk onderzoek en ontwikkeling zijn eveneens
wenselijk. Op lange termijn draagt dit bij tot innovatie, leveringszekerheid en een
sterke en geharmoniseerde Europese interne defensiemarkt. Nederland zet zich in om
samenwerking met «derde» landen onder voorwaarden wel mogelijk te maken, zeker daar
waar er nog een langere afhankelijkheidsrelatie is voorzien of dat dit tot wederzijds
voordeel in de samenwerking leidt.
10. De leden van de CDA-fractie delen tot slot de waardering van de Cypriotische inzet
om concurrentievermogen hoog op de agenda te houden. Deze leden vragen, gezien de
duidelijke doelstellingen uit het rapport Wennink,10 en de daaruit voortvloeiende noodzaak om in de EU een voortrekkersrol te spelen,
op welke manier de Minister concreet voornemens is deze voortrekkersrol op Europees
niveau in te vullen.
Antwoord
In de kabinetsvisie op EU-Concurrentievermogen heeft het kabinet uiteengezet hoe het
zich inzet om het concurrentievermogen van de EU te versterken.11 Deze kabinetsvisie is mede opgesteld op basis van het Draghi-rapport. Het rapport
Wennink sluit nauw aan bij Draghi’s analyse en de kabinetsvisie. Om de prioriteiten
uit de kabinetsvisie te kunnen behalen, blijft het kabinet onverminderd inzetten op
actieve Europese beïnvloeding. Hierbij werkt Nederland zoveel mogelijk samen met gelijkgezinde
lidstaten die dezelfde soorten prioriteiten kennen ten aanzien van bijvoorbeeld de
interne markt, digitalisering of industrie. De door Nederland geïnitieerde semiconcoalitie
is hier een voorbeeld van, maar ook actieve deelname aan de D9+ vergaderingen van
«digitale voorlopers in de EU». Ook heeft Nederland de Friends of Industry verklaring ondertekend, waarmee samen met gelijkgezinde lidstaten wordt ingezet op
het versterken van de Europese industrie.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
I.J.M. Michon-Derkzen, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
H.W. Krijger, adjunct-griffier