Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de Geannoteerde agenda informele Onderwijsraad 29-30 januari 2026, Nicosia, Cyprus (Kamerstuk 21501-34-450)
21 501-34 Raad voor Onderwijs, Jeugd, Cultuur en Sport
Nr. 451
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 26 januari 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap over de brieven van de inzake de geannoteerde agenda informele Onderwijsraad
29–30 januari 2026, Nicosia, Cyprus (Kamerstuk 21 501-34, nr. 450); het verslag van de OJCS-Raad voor de onderdelen onderwijs en cultuur van 27 en
28 november 2025 (Kamerstuk 21 501-34, nr. 449); Fiche: Mededeling Europese strategie voor artificiële intelligentie in de wetenschap
(Kamerstuk 22 112, nr. 4215); Fiche: Mededeling Europese strategie voor onderzoeks- en technologie-infrastructuur
(Kamerstuk 22 112, nr. 4196); Fiche: [MFK] Verordening programma voor onderzoek en opleiding Euratom 2028–2032
(Kamerstuk 22 112, nr. 4194); Europese Rekenkamer (ERK) d.d. 24 september 2025 inzake de aanbieding analyse «Strategieën
voor slimme specialisatie in de EU».
De vragen en opmerkingen zijn op 21 januari 2026 aan de Minister en Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 26 januari 2026 zijn
de vragen beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, Bromet
Adjunct-griffier van de commissie, Thiel
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
informele OJCS-raad van 29 en 30 januari aanstaande en bijbehorende stukken en hebben
daarover nog enkele vragen.
Professionalisering lerarenberoep
De leden van de VVD-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van de keuze
van het Cypriotisch voorzitterschap om onderwijs als speerpunt aan te wijzen. Deze
leden vragen zich af hoe dat zich verhoudt tot de bevoegdheden van de Europese Unie
op het gebied van onderwijs, daar waar zij van mening zijn dat onderwijs vooral een
nationale aangelegenheid moet zijn. Zij vragen de Minister hierop te reflecteren,
zeker nu hij aangeeft de agendering van het lerarenberoep te verwelkomen. Kan hij
de kansen die hij hier ziet nader toelichten? Datzelfde vragen de leden van de VVD-fractie
over het ondersteunen van leraren in de omgang met AI1. Betekent dit dat de EU zich gaat bemoeien met de Nederlandse lerarenopleidingen
of de inhoud van ons curriculum, zo vragen deze leden.
Commissieaanbeveling menselijk kapitaal
De leden van de VVD-fractie lezen de aanbeveling om beroepskwalificaties te verlagen
voor migranten en derde landenwerknemers. Deze leden zijn het oneens met het al dan
niet verlagen van de eisen die we aan eventuele werknemers stellen en vragen de Minister
hierop te reflecteren. Zij vragen de Minister voorts nader toe te lichten wat het
uitbreiden van de rechtsbasis inhoudt voor onze nationale competenties op het thema
onderwijs.
Voortgangsrapport AgoraEU
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang van het programma
AgoraEU. Deze leden vragen zich af wat het Deens voorzitterschap bedoelt met het ontbreken
van «betrokkenheid van lidstaten». Zijn lidstaten niet op voorhand betrokken bij dit
programma, ook gezien het feit dat zij ervoor betalen? Voorts zijn zij verbaasd dat,
ondanks de financiële middelen (€ 8,6 miljard) die met dit programma gemoeid zijn,
geen eenduidige definitie van creatieve en culturele sector lijkt te zijn vastgesteld.
Klopt dat, zo vragen deze leden de Minister. Hoe verhoudt dat zich tot het aannemen
van de raadsconclusies over de strategische rol van cultuur?
De leden van de VVD-fractie weten dat AgoraEU uit een aantal pijlers bestaat, waaronder
voor cultuur, media en maatschappij. Deze leden vragen zich af hoe de gelden uit die
pijlers verdeeld gaan worden en hoe dat Nederlandse cultuurmakers of media kan versterken.
Op welke manier gaat dit programma ervoor zorgen dat onze cultuursector breder toegankelijk
wordt? Moeten deze leden de middelen uit de cultuurpijler zien als een subsidie die
onze cultuursector verder opzadelt met administratie en een afhankelijkheid van de
overheid?
Soortgelijke vragen leven bij de leden van de VVD-fractie over de mediapijler. Deze
leden zijn groot voorstander van een robuuste en innovatieve Nederlandse mediasector,
maar vragen de Minister hoe de concurrentiekracht maar ook innovatiekracht van de
(commerciële) media wordt vergroot met een Europese subsidie. Heeft de Minister daar
ideeën bij, zo vragen zij.
Ook over de CERV+-pijler hebben de leden van de VVD-fractie een enkele vraag. Deze
leden lezen dat de pijler vooral organisaties en initiatieven rondom deze thema’s
wil ondersteunen. Daarbij vragen zij of de Minister ook kansen ziet in deze pijler
om het burgerschapsonderwijs op Nederlandse scholen te ondersteunen dan wel te versterken.
Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de geannoteerde agenda voor de informele Onderwijsraad op 29–30 januari 2026 in Cyprus.
Deze leden hebben nog enkele vragen.
Professionalisering van het lerarenberoep
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen het van harte toe dat wordt gesproken
over professionalisering van het lerarenberoep. Deze leden zien dat Nederland op dat
gebied nog veel stappen kan zetten, maar zien dat er in andere Europese landen juist
heel goed wordt ingezet op professionalisering van leraren. Zij zijn vooral benieuwd
naar wat voor lessen we kunnen trekken uit de aanpak van andere landen, zodat wijzelf
het wiel niet opnieuw hoeven uit te vinden.
Leraren in het tijdperk van AI
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het goed dat voor het eerst wordt gesproken
over de relatie tussen leraren en AI. Deze leden zijn blij dat digitale geletterdheid
een vast onderdeel wordt van het curriculum. Zij ondersteunen de inzet, maar zouden
daar nog aan toe willen voegen dat ze het belangrijk vinden dat het onderwijs geen
verkapte marketingmachine van Big Tech wordt. Zij pleiten ervoor dat leerlingen én
leraren digitale vaardigheden opdoen die niet gebonden zijn aan producten van dominante
marktpartijen die hun monopolies hiermee versterken. Deze leden hebben al op verschillende
manieren gepleit voor onderwijs met een opensourcebesturingssystemen en -software,
omdat dit een volgende generatie helpt onafhankelijker te worden van dominante techbedrijven.
Zij zijn benieuwd hoe de Minister naar dit punt kijkt.
Commissieaanbeveling over menselijk kapitaal
leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven de oproep van de commissie om
te investeren in onderwijs. Helaas heeft het huidige (demissionaire) kabinet ervoor
gekozen om in plaats van te investeren, juist te bezuinigen op onderwijs. Deze leden
vragen zich af in hoeverre dat nog een probleem gaat zijn als er over dit punt wordt
gesproken, omdat het ingaat tegen de aanbeveling.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda en de
BNC-fiches en hebben hierover nog enkele vragen.
Fiche: Mededeling Europese strategie voor artificiële intelligentie in de wetenschap
De leden van de CDA-fractie lezen dat RAISE2 in fases zal worden uitgerold, via pilots en proefprojecten. Deze leden vragen wat
de Nederlandse bijdrage hieraan is, aan welke projecten en pilots Nederland deelneemt
en of Nederland daarmee ook aanspraak maakt op de gereserveerde middelen. Zij lezen
ook dat de Minister enkele keren aangeeft dat Nederland geen nationale strategie voor
AI in de wetenschap heeft. Zij vragen of de Minister hier wel de meerwaarde van ziet,
met name ook om de kansen op Europese financiering naar Nederland zo groot mogelijk
te maken.
Fiche: Mededeling Europese strategie voor onderzoeks- en technologie-infrastructuur
De leden van de CDA-fractie lezen dat de strategie aandacht heeft voor het aantrekken
van onderzoekstalent in lijn met de Choose Europe-aanpak en dat Nederland dat steunt.
Deze leden vragen naar de stand van zaken van het Nederlandse Tulpfonds. Ook vragen
zij hoe nationale initiatieven op dit punt Europees gestroomlijnd worden, zodat voorkomen
wordt dat lidstaten te veel concurreren met elkaar, met aandacht voor de nationale
beleidsvrijheid.
Fiche: [MFK] Verordening programma voor onderzoek en opleiding Euratom 2028–2032
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het Euratom onderzoeks- en opleidingsprogramma
onderdeel is van de integrale besluitvorming over het nieuwe MFK3. Deze leden vragen wel of de Minister iets meer kan zeggen over het voorgestelde
budget. Zij vragen wat het budget was in de vorige MFK-periode, of het budget stijgt
en hoeveel. Ook vragen zij wat de Minister vindt van de voorgestelde verdeling tussen
het deel kernfusie, kernsplijting, de bouw en exploitatie van ITER4 en de activiteiten van JRC5. Deze leden vragen wat voor Nederland de belangrijkste onderdelen zijn en of dit
invloed heeft op de positie van Nederland ten aanzien van de verdeling van middelen.
Inbreng van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brieven over de Informele
OJCS-Raad, onderdeel onderwijs d.d. 29 en 30 januari 2026. Deze leden hebben geen
vragen aan de Minister.
II Reactie van de bewindspersonen
Antwoord op de vragen van de VVD-fractie
Professionalisering lerarenberoep
De leden van de VVD-fractie hebben met enige verbazing kennisgenomen van de keuze
van het Cypriotisch voorzitterschap om onderwijs als speerpunt aan te wijzen. Deze
leden vragen zich af hoe dat zich verhoudt tot de bevoegdheden van de Europese Unie
op het gebied van onderwijs, daar waar zij van mening zijn dat onderwijs vooral een
nationale aangelegenheid moet zijn. Zij vragen de Minister hierop te reflecteren,
zeker nu hij aangeeft de agendering van het lerarenberoep te verwelkomen. Kan hij
de kansen die hij hier ziet nader toelichten? Datzelfde vragen de leden van de VVD-fractie
over het ondersteunen van leraren in de omgang met AI. Betekent dit dat de EU zich
gaat bemoeien met de Nederlandse lerarenopleidingen of de inhoud van ons curriculum,
zo vragen deze leden.
Onderwijs als zodanig en de professionalisering van het lerarenberoep is een nationale
competentie van de lidstaten van de EU. De EU heeft op het gebied van onderwijs en
beroepsopleiding alleen een aanvullende, coördinerende en ondersteunende bevoegdheid
(artikel 6, onder e, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Daarom
is in EU-verband wel een uitwisseling van best practices op het gebied van onderwijs mogelijk tussen lidstaten onderling en met de EU. Verschillende
lidstaten zien zich gesteld voor vergelijkbare uitdagingen als het gaat om het aantrekken
en behouden van leraren zodat de continuïteit van kwalitatief goed onderwijs gewaarborgd
is en blijft. Daarom is de keuze vanuit Cyprus om te spreken over professionalisering
van het lerarenberoep nuttig: we worstelen in de EU met veelal vergelijkbare uitdagingen,
en kansen om kennis te nemen van relevante inzichten van andere EU-lidstaten zijn
welkom. Het kabinet zal er vanzelfsprekend voor waken dat de nationale bevoegdheid
op het gebied van onderwijs gerespecteerd blijft.
Commissieaanbeveling menselijk kapitaal
De leden van de VVD-fractie lezen de aanbeveling om beroepskwalificaties te verlagen
voor migranten en derde landenwerknemers. Deze leden zijn het oneens met het al dan
niet verlagen van de eisen die we aan eventuele werknemers stellen en vragen de Minister
hierop te reflecteren. Zij vragen de Minister voorts nader toe te lichten wat het
uitbreiden van de rechtsbasis inhoudt voor onze nationale competenties op het thema
onderwijs.
In het Commissievoorstel voor een Raadsaanbeveling wordt aanbevolen om toetredingsbarrières
(zoals bijvoorbeeld voorafgaande controles, toetredingseisen, etc.) van het erkenningsproces
voor beroepen te verlagen en te zorgen voor een snellere erkenning van kwalificaties
in strategische sectoren voor EU- en derdelanders. De Commissie doet geen aanbeveling
om de kwaliteitseisen van beroepskwalificaties te verlagen. Het kabinet deelt dat
een goede erkenning van beroepskwalificaties van belang is voor een effectieve match
tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, zoals ook in de aanbeveling wordt benadrukt.
Daarbij acht het kabinet het van groot belang dat bij de erkenning van beroepskwalificaties
van zowel EU-burgers als derdelanders, in het bijzonder bij gereguleerde beroepen,
zorgvuldige procedures worden gehanteerd en dat kwaliteitseisen gewaarborgd blijven.
Het kabinet zal zich ervoor inzetten dit aspect in de aanbeveling te verduidelijken.
Op dit moment berust de rechtsbasis van deze aanbeveling op de werkgelegenheidsartikelen
van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te weten artikel 148(4).
Omdat de aanbeveling, binnen de kaders van het Europees Semester, sterk gericht is
op onderwijsbeleid vindt het kabinet het passend dat ook de onderwijsartikelen 165
en 166 in de overwegingen worden genoemd. Dit is van belang om de principes van het
respecteren van de nationale bevoegdheid voor onderwijsbeleid en de subsidiariteit
die hieraan ten grondslag ligt duidelijk in de aanbeveling te laten terugkomen.
Voortgangsrapport AgoraEU
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de voortgang van het programma
AgoraEU. Deze leden vragen zich af wat het Deens voorzitterschap bedoelt met het ontbreken
van «betrokkenheid van lidstaten». Zijn lidstaten niet op voorhand betrokken bij dit
programma, ook gezien het feit dat zij ervoor betalen?
De VVD-fractie verwijst vermoedelijk naar het Voortgangsverslag van het secretariaat-generaal
van de Raad aan het Comité van permanente vertegenwoordigers/de Raad (d.d. 14 november
2025). Hierin wordt bepleit om in de Verordening voor het nieuwe programma AgoraEU
te verduidelijken op welke wijze de lidstaten bij de uitvoering van het programma
zullen worden betrokken, wetende dat dit in het huidige Creative Europe-programma
het geval is. De bespreking hierover is nog gaande.
Voorts zijn zij verbaasd dat, ondanks de financiële middelen (€ 8,6 miljard) die met
dit programma gemoeid zijn, geen eenduidige definitie van creatieve en culturele sector
lijkt te zijn vastgesteld. Klopt dat, zo vragen deze leden de Minister. Hoe verhoudt
dat zich tot het aannemen van de raadsconclusies over de strategische rol van cultuur?
In het oorspronkelijke voorstel voor een nieuw programma AgoraEU staat inderdaad geen
definitie van CCS. Hierover wordt op dit moment gesproken in de onderhandelingen.
De genoemde Raadsconclusies over de strategische rol van Cultuur, Cultureel Erfgoed
en Audiovisuele werken ten aanzien van Europese Waarden en Democratische Weerbaarheid
ondersteunen de inzet van de EU op het gebied van cultuur en onderstrepen de relatie
tussen kunsten, erfgoed en audiovisuele sectoren enerzijds en anderzijds Europese
waarden en democratische weerbaarheid. Dat past goed bij de samenvoeging van de huidige
programma’s Creative Europe en CERV in het nieuwe programma AgoraEU, vanaf 2028.
De leden van de VVD-fractie weten dat AgoraEU uit een aantal pijlers bestaat, waaronder
voor cultuur, media en maatschappij. Deze leden vragen zich af hoe de gelden uit die
pijlers verdeeld gaan worden en hoe dat Nederlandse cultuurmakers of media kan versterken.
Het nieuwe programma AgoraEU zal naar verwachting de Nederlandse cultuur en media
versterken, op een vergelijkbare wijze als nu het geval is via het programma Creative
Europe, waar het de opvolger van is. De verdeling en de hoogte het budget zijn op
dit moment nog niet bekend. Over de omvang en verdeling van budgetten binnen het gehele
pakket aan voorstellen onder het Meerjarig Financieel kader (2028–2034) wordt integraal
gesproken en onderhandeld in de Europese Raad.
Op welke manier gaat dit programma ervoor zorgen dat onze cultuursector breder toegankelijk
wordt? Moeten deze leden de middelen uit de cultuurpijler zien als een subsidie die
onze cultuursector verder opzadelt met administratie en een afhankelijkheid van de
overheid?
Via de pijler CREATIVE EUROPE CULTUUR binnen het nieuwe programma AgoraEU beoogt de
Commissie o.a. de toegankelijkheid en deelname aan cultuur voor iedereen te verbeteren,
met een focus op jongeren. De subsidies uit het huidige programma Creative Europe
en het nieuwe programma AgoraEU gaan onvermijdelijk gepaard met administratieve lasten
voor aanvraag en verantwoording. De inzet van de Commissie is om de toegankelijkheid
van financiering voor kleine organisaties te vergroten en om deze lastendruk te verlagen
door aanvraagformulieren te vereenvoudigen. Bovendien financieren de EU en het Rijk
gezamenlijk de Creative Europe Desk, een kleine organisatie die Nederlandse aanvragers
actief helpt om niet alleen deze lasten beperkt te houden, maar ook de kans van slagen
van hun aanvragen te vergroten. Dit is succesvol, wat blijkt uit het feit dat Nederlandse
culturele organisaties steevast in de top-tien van succesvolle aanvragers staan.
Soortgelijke vragen leven bij de leden van de VVD-fractie over de mediapijler. Deze
leden zijn groot voorstander van een robuuste en innovatieve Nederlandse mediasector,
maar vragen de Minister hoe de concurrentiekracht maar ook innovatiekracht van de
(commerciële) media wordt vergroot met een Europese subsidie. Heeft de Minister daar
ideeën bij, zo vragen zij.
De mediapijler van het nieuwe programma AgoraEU richt zich onder de naam MEDIA PLUS
niet alleen op nieuwsmedia en journalistiek, maar ook op de audiovisuele branches
film, gaming en IX. Met deze pijler wil de Commissie de concurrentiekracht en duurzame
innovatie van de betrokken sectoren vergroten, en mediavrijheid beschermen en versterken.
De Commissie wil met name de creatie, promotie en grensoverschrijdende distributie
van Europese inhoud bevorderen en de toegang daartoe voor burgers verbeteren. Ook
wil de Commissie bijdragen aan een vrij, levensvatbaar, pluralistisch en divers informatie-ecosysteem
in de Unie, met name door de vrije en onafhankelijke journalistiek en nieuwsmedia
te ondersteunen en te beschermen, de toegang van burgers tot betrouwbare informatie
te verbeteren, desinformatie te bestrijden en mediageletterdheid te bevorderen. Het
kabinet staat positief tegenover deze voornemens.
Ook over de CERV+-pijler hebben de leden van de VVD-fractie een enkele vraag. Deze
leden lezen dat de pijler vooral organisaties en initiatieven rondom deze thema’s
wil ondersteunen. Daarbij vragen zij of de Minister ook kansen ziet in deze pijler
om het burgerschapsonderwijs op Nederlandse scholen te ondersteunen dan wel te versterken.
Ja, die kansen zien we zeker. De CERV+-pijler richt zich op drie doelstellingen: het
beschermen en bevorderen van fundamentele rechten, het bestrijden van gendergerelateerd
geweld en het versterken van democratische participatie en de rechtsstaat. De doelstelling
van democratische participatie binnen CERV+ sluit daardoor goed aan bij de doelen
van burgerschapsonderwijs, dat gericht is op het bevorderen van actief burgerschap
en het versterken van kennis over democratische processen en de rechtsstaat. Naast
de financiering van projecten via CERV+ kunnen scholen en onderwijsinstellingen ook
via het Erasmus+-programma aan projecten en uitwisselingen deelnemen die actief burgerschap
en democratische participatie bevorderen.
Antwoord op de vragen van de GroenLinks-PvdA-fractie
Professionalisering van het lerarenberoep
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen het van harte toe dat wordt gesproken
over professionalisering van het lerarenberoep. Deze leden zien dat Nederland op dat
gebied nog veel stappen kan zetten, maar zien dat er in andere Europese landen juist
heel goed wordt ingezet op professionalisering van leraren. Zij zijn vooral benieuwd
naar wat voor lessen we kunnen trekken uit de aanpak van andere landen, zodat wijzelf
het wiel niet opnieuw hoeven uit te vinden.
Het kabinet acht de professionalisering van het lerarenberoep inderdaad van groot
belang en ziet uit naar de uitwisseling van best practices en het stimuleren van samenwerking op dit onderwerp met andere EU-lidstaten. Van
andere lidstaten kunnen wij bijvoorbeeld leren over beschikbare loopbaantrajecten,
gerichte ontwikkelmogelijkheden voor leerkrachten en hoe andere lidstaten omgaan met
uitdagingen zoals het lerarentekort. Maar ook het opbouwen van samenwerkingen en partnerschappen
tussen scholen en instellingen binnen de mogelijkheden van Erasmus+ kan bijdragen
aan een sterker en toekomstbestendiger onderwijssysteem in de hele EU.
Leraren in het tijdperk van AI
Met de nieuwe kerndoelen over digitale geletterdheid, waarin ook artificiële intelligentie
een vaste plek krijgt, leren leerlingen niet alleen omgaan met digitale en AI-toepassingen,
maar ontwikkelen zij ook een bewuste en kritische houding ten aanzien van technologie
en de maatschappelijke impact daarvan. De digitale vaardigheden die leerlingen en
leraren opdoen in het onderwijs zijn daarmee gericht op inzicht, kritisch gebruik
en toepasbare kennis, en niet gericht op het gebruik van specifieke producten of leveranciers.
Scholen en leraren hebben de professionele verantwoordelijkheid en ruimte om leermiddelen
en digitale toepassingen te kiezen die passen bij hun onderwijscontext. Tegelijkertijd
is de afhankelijkheid van Big Tech een complexe realiteit. Deze bedrijven bieden scholen
gebruiksvriendelijke producten tegen relatief lage kosten, terwijl volwaardige alternatieven
niet altijd beschikbaar zijn. Daarom laat het Ministerie van OCW momenteel onderzoek
uitvoeren naar de afhankelijkheid en autonomie van het funderend onderwijs ten opzichte
van bigtech-dienstverlening. Ook voert SIVON, de ICT-coöperatie voor het funderend
onderwijs, een pilot uit met een Open Source Program Office (OSPO). Dit OSPO ondersteunt
schoolbesturen om bewuste keuzes te maken tussen alternatieven, inzicht te krijgen
in maatregelen die nodig zijn om continuïteit en privacy te borgen, en om bewustwording
te creëren. De resultaten van het onderzoek en de pilot worden voor de OCW-begrotingsbehandeling
met uw Kamer gedeeld.
Commissieaanbeveling over menselijk kapitaal
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven de oproep van de commissie
om te investeren in onderwijs. Helaas heeft het huidige (demissionaire) kabinet ervoor
gekozen om in plaats van te investeren, juist te bezuinigen op onderwijs. Deze leden
vragen zich af in hoeverre dat nog een probleem gaat zijn als er over dit punt wordt
gesproken, omdat het ingaat tegen de aanbeveling.
Het Commissievoorstel voor een Raadsaanbeveling is gepubliceerd als onderdeel van
het herfstpakket in het kader van het Europees Semester. De aanbeveling is gericht
aan alle 27 EU-lidstaten en de Commissie zal de inhoud waar relevant en afhankelijk
van de nationale context meenemen in de landspecifieke aanbevelingen die als onderdeel
van het lentepakket worden vastgesteld. Met deze aanbeveling beoogt de Commissie het
tekort aan arbeidskrachten en vaardigheden in strategische sectoren aan te pakken.
Daarbij geeft zij verschillende opties, waaronder investeren in onderwijs. Dit is
geen specifieke aanbeveling voor Nederland en deze aanbeveling is gezien de aard van
het instrument ook geen juridische verplichting waaraan Nederland gehouden kan worden.
Daarnaast wijst het kabinet erop dat voor verschillende aanbevelingen in dit voorstel,
zoals voor het stimuleren van basisvaardigheden en participatie in STEM-programma’s,
er in Nederland op dit moment al initiatieven lopen, zoals het Masterplan Basisvaardigheden
en het Actieplan groene en digitale banen.
Antwoord op de vragen van de CDA-fractie
Fiche: Mededeling Europese strategie voor artificiële intelligentie in de wetenschap
De leden van de CDA-fractie lezen dat RAISE in fases zal worden uitgerold, via pilots
en proefprojecten. Deze leden vragen wat de Nederlandse bijdrage hieraan is, aan welke
projecten en pilots Nederland deelneemt en of Nederland daarmee ook aanspraak maakt
op de gereserveerde middelen. Zij lezen ook dat de Minister enkele keren aangeeft
dat Nederland geen nationale strategie voor AI in de wetenschap heeft. Zij vragen
of de Minister hier wel de meerwaarde van ziet, met name ook om de kansen op Europese
financiering naar Nederland zo groot mogelijk te maken.
Nederland heeft actief bijgedragen aan de ontwikkeling van het RAISE-instrument. Het
kabinet verwelkomt het RAISE initiatief van de Europese Commissie om via pilots en
proefprojecten relevante initiatieven voor rekenkracht, data, excellentie/talent en
onderzoeksfinanciering voor AI samen te brengen en te stimuleren. Nederlandse wetenschappers
kunnen via de RAISE-financieringsprogramma’s in Horizon Europe aanspraak maken op
financiële middelen. Het kabinet ziet het belang om aan deze projecten en pilots deel
te nemen. Daarom blijft Nederland actief in de European Research Area (ERA) Action
«AI in Science» om hier goed op te kunnen anticiperen.
De Europese strategie voor AI in de wetenschap en andere relevante rapporten zoals
het AI Deltaplan voor Nederland, het Wennink-rapport en het NWO-SURF rapport «Reken
er maar (niet meer) op – de digitale infrastructuren voor onderzoek 2027–2035», benadrukken
benodigde coördinatie en investeringen in en voor AI (in de wetenschap). Echter moet
er nog verkend worden of hiervoor een nationale strategie nodig is.
Fiche: Mededeling Europese strategie voor onderzoeks- en technologie-infrastructuur
De leden van de CDA-fractie lezen dat de strategie aandacht heeft voor het aantrekken
van onderzoekstalent in lijn met de Choose Europe-aanpak en dat Nederland dat steunt.
Deze leden vragen naar de stand van zaken van het Nederlandse Tulpfonds. Ook vragen
zij hoe nationale initiatieven op dit punt Europees gestroomlijnd worden, zodat voorkomen
wordt dat lidstaten te veel concurreren met elkaar, met aandacht voor de nationale
beleidsvrijheid.
Het Tulp Fonds is in augustus jl. door NWO opengezet voor kennisinstellingen die voordrachten
kunnen doen van topwetenschappers die worden uitgenodigd om naar Nederland te komen.6 De universiteiten bereiden op dit moment de voordrachten voor. De deadline voor het
indienen van voordrachten is 31 maart 2026. Om elkaar niet binnen Europa te beconcurreren
om schaars talent, is het Tulp Fonds bedoeld voor topwetenschappers die nu buiten
de Europese Unie werken. Vanwege het gezamenlijke belang bij een sterke Europese positie,
zet Europa in op een gecoördineerde aanpak voor het aantrekken en behouden van talent
om daarmee de concurrentie tussen lidstaten te verminderen. Er is op Europees niveau
contact om de inzet vanuit de lidstaten en de Europese Commissie aanvullend en versterkend
te laten zijn.
Fiche: [MFK] Verordening programma voor onderzoek en opleiding Euratom 2028–2032
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het Euratom onderzoeks- en opleidingsprogramma
onderdeel is van de integrale besluitvorming over het nieuwe MFK. Deze leden vragen
wel of de Minister iets meer kan zeggen over het voorgestelde budget. Zij vragen wat
het budget was in de vorige MFK-periode, of het budget stijgt en hoeveel. Ook vragen
zij wat de Minister vindt van de voorgestelde verdeling tussen het deel kernfusie,
kernsplijting, de bouw en exploitatie van ITER en de activiteiten van JRC. Deze leden
vragen wat voor Nederland de belangrijkste onderdelen zijn en of dit invloed heeft
op de positie van Nederland ten aanzien van de verdeling van middelen.
De indicatieve financiële budgetreservering voor het Euratom-programma zoals gepresenteerd
door de Europese Commissie, inclusief bijdrage aan het ITER-project bedraagt voor
2028–2034 € 9,8 miljard. De Europese Commissie stelt voor € 5,8 miljard als bijdrage
aan het ITER-project toe te wijzen. De financiële middelen voor de uitvoering van
het Euratom-programma en ITER bedroegen voor de voorgaande periode van 2021–2027 € 7,6
miljard, waarvan € 5,6 miljard werd toegewezen als bijdrage aan het ITER-project.
Op basis van het voorstel van de Commissie zou het budget dus met € 2 miljard stijgen.
Zoals de leden aangeven is het Euratom onderzoeks- en opleidingsprogramma onderdeel
van de integrale besluitvorming over het nieuwe MFK. De besluitvorming over de omvang
en verdeling voor de budgetten vindt plaats in de Europese Raad.
Het kabinet verwelkomt de ambitie van de Europese Commissie en benadrukt het belang
van de voortzetting van het Euratom-programma. In de huidige nucleaire renaissance
waarin verschillende Europese lidstaten, inclusief Nederland, nucleaire ambities realiseren
en deze een belangrijke bijdrage zullen leveren aan het behalen van de Europese klimaatdoelstellingen,
is het belangrijk dat er voldoende aandacht blijft voor onderzoek naar splijtingtechnologieën
en de veiligheidsaspecten daarvan. Dit zal ook bijdragen aan de ontwikkeling van kernenergie
in Nederland en het concurrentievermogen en innovatiepotentieel van de Europese Unie
op dit vlak.
In de onderhandelingen vraagt Nederland, maar ook andere landen, aandacht voor het
voorgaande. Uit de onderhandelingen zal het krachtenveld gaan blijken. Het voorzitterschap
van de Raad van de Europese Unie zal gaan werken aan compromisvoorstellen waarin de
verschillende belangen gewogen zijn. Uw Kamer zal te zijner tijd over de uitkomsten
worden geïnformeerd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
L. Bromet, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier