Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Mohandis over de transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie
Vragen van het lid Mohandis (GL-PvdA) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie (ingezonden 25 november 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 9 december
2025)
Vraag 1
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep
de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen,
dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat
deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren?
Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Antwoord 1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder,
heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen
in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder
is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Vraag 2
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van
het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen
worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Antwoord 2
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn
voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering
op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat)
is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171
van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van
de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht.
Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen
met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten
aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid
van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan
het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert
het Commissariaat terug.
Vraag 3
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden
aan de geldende juridische verplichtingen?
Antwoord 3
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door
(aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het
meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren
van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing,
tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij
onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan
het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke
inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke
administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder
zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de
overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Vraag 4
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel
2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Antwoord 4
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving
van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het
geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet
2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende
bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Vraag 5
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren
van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet
en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid
in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel
overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot
deze rolduidelijkheid?3
Antwoord 5
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp
wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke
omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid.
Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding
van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Vraag 6
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging
tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja.
Vraag 7
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek,
herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen
moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 7
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke
verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat
in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag
2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige)
erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens
twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel
van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme,
er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.