Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boswijk over de hongersnood in de Sudanese steden Al-Fasher en Kadugli
Vragen van het lid Boswijk (CDA) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de hongersnood in de Sudanese steden Al-Fasher en Kadugli (ingezonden 4 november 2025).
Antwoord van Minister Van Weel (Buitenlandse Zaken) (ontvangen 24 november 2025).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de voedselwaakhond van de VN – het Integrated
Food Security Phase Classification (IPC) – opnieuw hongersnood heeft vastgesteld in
twee delen van Sudan, waaronder de zojuist ingenomen stad Al-Fasher?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de bevindingen van onder meer de Yale School of Public Health en
Clingendael, die na de val van Al-Fasher spreken van massamoorden, martelingen, verkrachtingen
en doelgerichte etnische zuiveringen, vooral gericht tegen niet-Arabische bevolkingsgroepen?2
Antwoord 2
Gedegen en onafhankelijk onderzoek is nodig om feiten te verzamelen over vermeende
internationale misdrijven. Op grond van VNVR Resolutie 1593 heeft het Internationaal
Strafhof (ICC) sinds 1 juli 2002 rechtsmacht over de situatie in Darfoer. Ook de door
de VN-Mensenrechtenraad opgerichte Independent International Fact-Finding Mission for the Sudan (FFM Sudan) doet reeds onderzoek naar de situatie. Nederland heeft op 14 november
in de VN-Mensenrechtenraad het belang van waarheidsvinding voor genoemde gruwelijkheden
benadrukt en tevens opgeroepen tot een einde aan de mensenrechtenschendingen, naleving
van het VN wapenembargo, en het beschikbaar maken van voldoende humanitaire hulp.
Tijdens de bijeenkomst is een nieuwe resolutie aangenomen die het mandaat van de FFM
uitbreidt, zodat ook specifiek onderzoek kan worden gedaan naar de gebeurtenissen
in El Fasher.
Vraag 3
Denkt u dat hier mogelijk sprake is van grove schendingen van het internationaal humanitair
recht, en dat dit mogelijk kan vallen onder de definitie van genocide zoals vastgelegd
in het Genocideverdrag van de Verenigde Naties?
Antwoord 3
Uit de berichtgeving komt een zeer verontrustend beeld naar voren over de situatie
en het kabinet wijst daarom ook op de noodzaak van gedegen en onafhankelijk onderzoek
naar de situatie, om vast te stellen of er inderdaad sprake is van internationale
misdrijven en de vervolging mogelijk te maken van degenen die daarvoor verantwoordelijk
zijn.
Genocide is een uiterst serieuze kwalificatie en daarom is het kabinet in de regel
terughoudend om situaties als genocide te kwalificeren. Om genocide vast te stellen,
moet aan alle elementen van de juridische definitie van genocide uit het Genocideverdrag
worden voldaan: het aantonen van één of meerdere handelingen uit het Genocideverdrag
én van genocidale opzet. Hierbij geldt een hoge bewijslast en is grondig feitenonderzoek
noodzakelijk.
Daarom zijn uitspraken van internationale gerechts- en strafhoven, eenduidige conclusies
volgend uit wetenschappelijk onderzoek, of vaststellingen door de VN-Veiligheidsraad
voor het kabinet zwaarwegend bij het kwalificeren van dergelijke handelingen als genocide.
Vraag 4
Welke consequenties trekt u op basis van het Genocideverdrag als het oordeel is dat
er een genocide zou dreigen in Darfur? Is Nederland verplicht alles in het werk te
stellen om een genocide te voorkomen?
Antwoord 4
Het kwalificeren van een situatie als genocide is geen vereiste voor de toepasselijkheid
van de verplichtingen onder het Genocideverdrag voor derde staten zoals Nederland,
waaronder de verplichting om genocide te voorkomen. Deze verplichting treedt immers
al eerder in werking, namelijk bij het bestaan van betrouwbare aanwijzingen van een
ernstig risico op genocide.
Het kabinet spant zich naar vermogen in om verergering van de situatie te voorkomen.
Een voorbeeld hiervan is de inzet van het kabinet in de VN-Mensenrechtenraad, als
lid van de Soedan kerngroep in de Mensenrechtenraad, samen met Duitsland, Verenigd
Koninkrijk, Ierland en Noorwegen, voor de uitbreiding van het mandaat van de Fact-Finding Missionin Soedan, zodat ook specifiek onderzoek kan worden gedaan naar de gebeurtenissen
in Darfoer. Op deze manier zet het kabinet in op gedegen en onafhankelijk onderzoek
naar de misstanden in Soedan.
Voor verdere uiteenzetting van Nederlandse inzet omtrent Soedan verwijzen we u graag
naar de antwoorden op de vragen van het lid Teunissen (PvdD) over de laatste stand
van zaken Nederlandse inzet op humanitaire crisis in Soedan (kenmerk:2025Z17931), de Kamerbrief van 24 september jl. inzake de humanitaire situatie in Soedan (Kernmerk:
BZ2520148) en de Kamerbrief van 24 november 2025 betreft de ontwikkelingen en humanitaire
situatie van El Fasher na de inname door de RSF en de Nederlandse reactie hierop.
Vraag 5
Is de val van Al-Fasher en de acute situatie van hongersnood en etnisch geweld tegen
burgers voor u reden om zo spoedig mogelijk de diplomatieke druk op de Verenigde Arabische
Emiraten (VAE) op te voeren met als doel dat de VAE al het mogelijke in het werk stelt
om te waarborgen dat de burgerbevolking beschermd wordt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 5
Het kabinet heeft conform motie-Ceder c.s. (21 501-02, nr. 3276) tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in november gepleit voor engagement vanuit de
EU met externe actoren, inclusief in de context van EU-GCC relaties. Daarnaast spreekt
Nederland binnen de brede bilaterale relatie met de Verenigde Arabische Emiraten (VAE)
ook over de situatie in Soedan, zowel op politiek als hoog-ambtelijk niveau. Zo sprak
ik op 19 november jl. met de Minister van Buitenlandse Zaken, Sheikh Abdullah bin
Zayed Al Nahyan, waar ik aandacht heb gevraagd voor de situatie in El Fasher en het
belang heb onderstreept om te komen tot een einde aan het geweld. Inzet van de gesprekken
is constructief engagement met de VAE als een relevante actor die aangeeft bij te
willen dragen aan een einde van het conflict.
De VAE is een van de relevante regionale actoren om tot een einde aan het conflict,
en tot een vredesovereenkomst te komen. Zo maakt de VAE onderdeel uit van de QUAD
– een samenwerkingsverband met de Verenigde Staten, Saoedi-Arabië en Egypte. De QUAD
heeft in een verklaring in september jl. opgeroepen tot een wapenstilstand en deze
groep landen spreekt met beide partijen om een einde te maken aan het conflict.
Vraag 6
Welke stappen heeft Nederland verder tot nu toe gezet, bilateraal of via de EU en
de VN, om op te roepen tot bescherming van burgers in Darfur en om daders van deze
misdaden ter verantwoording te roepen?
Antwoord 6
Nederland roept internationaal op tot het beschermen van burgers in Darfoer en tot
verantwoording van de daders van misdaden tegen burgers. De Nederlandse diplomatieke
inzet vindt bilateraal, in EU-verband en in multilaterale fora plaats. Binnen de Mensenrechtenraad
heeft Nederland zich ingespannen om het mandaat van de Fact Finding Mission in Soedan te verlengen en heeft Nederland samen met de EU de strijdende partijen
opgeroepen het humanitair oorlogsrecht te respecteren. Het mandaat van de FFM omvat
onder meer het verzamelen, analyseren en documenteren van mensenrechtenschendingen
en schendingen van het humanitair oorlogsrecht, met als doel straffeloosheid tegen
te gaan. De FFM is aangemoedigd om samen te werken met het Internationaal Strafhof.
Vrijdag 14 november jl. heeft in de Mensenrechtenraad, op verzoek van de Soedan-kerngroep
waarvan Nederland onderdeel is, een sessie plaatsgevonden over de mogelijke misdrijven
tegen burgers in en om El Fasher. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft hier het
belang van waarheidsvinding benadrukt en opgeroepen tot het respecteren van het humanitair
oorlogsrecht, de naleving van het VN-wapenembargo en het verzekeren van voldoende
humanitaire hulp. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in november zijn sancties aangenomen
tegen Abdelrahim Hamdan Dagalo, een zeer hooggeplaatste commandant van de Rapid Support
Forces (RSF). Conform de motie-Piri c.s. (21 501-02, nr. 3278) en motie-Piri (21 501-02, nr. 3279) heeft Nederland tijdens de Raad gepleit voor aanvullende sancties tegen verantwoordelijken
voor de oorlog, zowel binnen als buiten Soedan, en inclusief de strijdende partijen
op het hoogste niveau.
Vraag 7
Bent u bereid om, net als bij eerdere crises, stevig(er) diplomatiek op te treden
richting de leiders van de Rapid Support Forces (RSF), inclusief het aandringen op
sancties tegen verantwoordelijken?
Antwoord 7
Nederland roept internationaal op tot het stoppen van geweld tegen burgers en pleit
voor het tegengaan van straffeloosheid van schendingen van het internationaal recht.
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken in november zijn sancties aangenomen tegen Abdelrahim
Hamdan Dagalo, een zeer hooggeplaatste commandant van de Rapid Support Forces (RSF).
Conform de motie-Piri c.s. (21 501-02, nr. 3278) en motie-Piri (21 501-02, nr. 3279) heeft Nederland tijdens de Raad gepleit voor aanvullende sancties tegen verantwoordelijken
voor de oorlog, zowel binnen als buiten Soedan, en inclusief de strijdende partijen
op het hoogste niveau.
Vraag 8
Bent u bereid het Internationaal Strafhof te ondersteunen bij het verzamelen van relevant
bewijsmateriaal? Zo ja, op welke wijze kan Nederland helpen met het verzamelen en
aandragen van bewijsmateriaal?
Antwoord 8
In de afgelopen drie jaren heeft Nederland in totaal 6 miljoen euro aan vrijwillige
bijdragen aan het Internationaal Strafhof (ICC) overgemaakt om de algehele onderzoekscapaciteit
van het Hof te versterken. Mede met behulp van deze bijdragen heeft het ICC moderne
ICT-middelen kunnen aanschaffen ten behoeve van de (digitale) bewijsgaring en kunnen
investeren in moderne forensische technologieën. Ook heeft het Parket van de Aanklager
(Office of the Prosecutor, OTP) met behulp van deze bijdragen een digitaal portaal – de «OTPLink» – geopend,
waardoor eenieder nu online potentieel bewijsmateriaal met het ICC kan delen, waaronder
audiovisueel materiaal. Tevens is er geïnvesteerd in gespecialiseerde capaciteit op
het gebied van genderspecifieke misdrijven en misdrijven tegen kinderen, onder andere
door het in dienst nemen van relevante juridische en praktische experts. De Nederlandse
vrijwillige bijdragen van de afgelopen jaren hebben op deze en andere manieren een
significante bijdrage geleverd aan de capaciteit van het ICC om bewijsmateriaal te
verzamelen en te verwerken.
Vraag 9
Bent u bereid om de Kamer op korte termijn te informeren over de actuele stand van
zaken rond het conflict in Sudan; de rol van Nederland in diplomatieke, humanitaire
en juridische inspanningen; en de inzet richting internationale tribunalen voor gerechtigheid
voor de slachtoffers?
Antwoord 9
Ja. Graag verwijs ik naar de recente Kamerbrief van 24 november 2025 betreft de ontwikkelingen
en humanitaire situatie van El Fasher na de inname door de RSF en de Nederlandse reactie
hierop.
Vraag 10
Kunt u deze vragen met spoed, bij voorkeur binnen een week, beantwoorden?
Antwoord
De vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.