Amendement : Amendement van de leden Stultiens en Van Oosterhout over het terugdraaien van de voorgestelde verlaging van het CO2-tarief voor broeikasgas- en lachgasinstallaties
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 39
AMENDEMENT VAN DE LEDEN STULTIENS EN VAN OOSTERHOUT
Ontvangen 20 november 2025
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
Artikel XIX, onderdeel C, komt te luiden:
C
Artikel 71p wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het eerste lid, onderdeel a, wordt toegevoegd «voor een broeikasgasinstallatie
of lachgasinstallatie en € 100,74 voor een afvalverbrandingsinstallatie».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Bij aanvang van ieder kalenderjaar worden, alvorens artikel 90 wordt toegepast, de
tarieven, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, telkens verhoogd. Deze verhoging
is voor:
a. het tarief voor een broeikasgasinstallatie of lachgasinstallatie voor ieder kalenderjaar
tot en met kalenderjaar 2030: € 12,84;
b. het tarief voor een afvalverbrandingsinstallatie voor:
– het kalenderjaar 2027: € 48,26;
– het kalenderjaar 2028: € 49,00;
– het kalenderjaar 2029: € 49,00; en
– het kalenderjaar 2030: € 48,00.
Artikel 90 vindt geen toepassing op een bedrag in onderdeel b nadat daarmee het tarief
is verhoogd.
II
Artikel XX vervalt.
III
Artikel XXX, onderdeel A, komt te luiden:
A
In artikel 16b.17, vierde lid, wordt «voor het jaar 2030 en de daaropvolgende jaren
0,4» vervangen door «voor het jaar 2030 0,4, voor het jaar 2031 0,27, voor het jaar
2032 0,13 en voor het jaar 2033 en de daaropvolgende jaren 0».
Toelichting
Dit amendement draait de voorgestelde verlaging van het CO2-tarief voor broeikasgas- en lachgasinstallaties terug en herstelt de jaarlijkse tariefstijging.
Tevens wordt het schrappen van de indexatie in 2026 teruggedraaid. Ook wordt de matiging
van de reductiefactor uit het wetsvoorstel geschrapt, zodat de oorspronkelijke aanscherping
behouden blijft. De aanpassing van de correctiefactor voor AVI’s kan daardoor eveneens
vervallen, met dien verstande dat de lineaire afbouw vanaf 2030 wordt behouden.
De indieners zijn van mening dat alle zeilen bijgezet moeten worden om gevaarlijke
klimaatverandering tegen te gaan. Dat vraagt veel van huishoudens, bedrijven en overheid.
Industriële installaties zijn een belangrijke bron van broeikasgassenuitstoot in Nederland
en zullen ook verduurzaamd moeten worden. De CO2-heffing biedt een nuttige prikkel aan bedrijven om te investeren in die verduurzaming.
Daarnaast zijn de indieners van mening dat het voor de transitie naar een klimaatneutrale
economie van groot belang is dat bedrijven voldoende zekerheid wordt geboden om investeringen
te kunnen doen. Het continu wijzigen van de spelregels helpt daar niet bij. De CO2-heffing biedt juist heldere regels en voorspelbaarheid voor de kosten van uitstoot
en daarmee de baten van verduurzaming voor de komende jaren. De voorgestelde maatregel
in het Belastingplan doet daar afbreuk aan, omdat bedrijven nog steeds zullen moeten
verduurzamen, waardoor de kans bestaat dat de regels in de toekomst weer zullen moeten
wijzigen.
Het terugdraaien van de voorgestelde verlaging van de CO2-heffing voor broeikasgas- en lachgasinstallaties leidt tot een budgettaire opbrengst.
Deze opbrengst is gelijk aan de derving die in het wetsvoorstel was ingeboekt voor
het verlagen van de CO2-heffing voor broeikasgas- en lachgasinstallaties. Zie onderstaande tabel. De opbrengst
van de CO2-heffing zou in de oorspronkelijke plannen van de regering ten goede komen aan het
Klimaatfonds. De indieners stellen voor de opbrengst van dit amendement daarom ook
ten goede te laten komen aan het Klimaatfonds.
2025
2026
2027
2028
2029
struc
Terugdraaien aanpassingen CO2-heffing broeikasgas- en lachgasinstallaties (in mln. euro)
17
61
88
125
0
0
Onderdeelsgewijze toelichting
Onderdeel I
Met dit onderdeel wordt voorgesteld om de in het wetsvoorstel opgenomen verlaging
van het tarief voor broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties terug te draaien.
Het wetsvoorstel verlaagt het tarief van € 87,90 naar € 78,67 per ton kooldioxide-equivalent
en laat tevens de jaarlijkse tariefstijging vervallen. Het onderhavige amendement
voorziet erin dat het bestaande tarief van € 87,90 per ton kooldioxide-equivalent
als de jaarlijkse tariefstijgingen blijven gehandhaafd.
Het amendement richt zich uitsluitend op de tariefontwikkeling voor broeikasgas- en
lachgasinstallaties. De in het wetsvoorstel voorgestelde afzonderlijke tariefstructuur
voor afvalverbrandingsinstallaties – bestaande uit een basisbedrag van € 100,74 per
ton kooldioxide-equivalent, en de jaarlijkse aanvullende verhogingen – blijft onverlet.
Onderdeel II
In dit onderdeel wordt geregeld dat de in het wetsvoorstel voorgestelde uitzondering
op de indexatie van het tarief voor broeikasgasinstallaties en lachgasinstallaties
voor het jaar 2026 vervalt. In het wetsvoorstel is namelijk bepaald dat artikel 90
Wbm – waarin de jaarlijkse inflatiecorrectie is opgenomen – in 2026 niet van toepassing
is op het tarief voor broeikasgas- en lachgasinstallaties. Deze afwijking wordt met
dit amendement teruggedraaid. Hierdoor wordt artikel 90 Wbm wél toegepast in het kalenderjaar
2026, en vindt de reguliere indexatie van het tarief plaats. Het tarief wordt daarmee
overeenkomstig de gebruikelijke inflatiecorrectie verhoogd, in plaats van bevroren.
Onderdeel III
In dit onderdeel wordt de voorgestelde wijziging van artikel 16b.17 van de Wet milieubeheer
teruggedraaid. Het betreft de aanpassing van de reductiefactor voor broeikasgasinstallaties
en lachgasinstallaties. Het wetsvoorstel bevatte een matiging van de emissiereductieopgave
door de nationale reductiefactor vast te stellen op 1,023 voor 2026, en door de jaarlijkse
aanscherping van deze factor te laten vervallen. Met dit amendement wordt deze wijziging
niet doorgevoerd. De huidige systematiek van jaarlijkse aanscherping van de reductiefactor
blijft daarmee van kracht.
Omdat de reductiefactor voor broeikasgas- en lachgasinstallaties niet wordt aangepast,
vervalt tevens de noodzaak om de correctiefactor voor broeikasgasinstallaties voor
de verbranding van stedelijk afval (AVI’s) aan te passen. De in het wetsvoorstel opgenomen
nieuwe correctiefactoren – waaronder de voorgestelde waarde van 0,85 voor 2026 en
de jaarlijkse afbouw vanaf 2027 – vervallen derhalve. Hiermee blijft de oorspronkelijke
berekeningsmethodiek voor AVI’s in stand.
Wel wordt vastgehouden aan de in het wetsvoorstel voorgestelde lineaire afbouw van
de correctiefactor van 2030 naar 2033. Daarom wordt in dit onderdeel uitsluitend de
bepaling betreffende de waarden na 2030 aangepast. Voor 2030 wordt de correctiefactor
vastgesteld op 0,4, voor 2031 op 0,27, voor 2032 op 0,13 en voor 2033 en de daaropvolgende
jaren op 0.
Stultiens Van Oosterhout
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Luc Stultiens, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Sjoukje van Oosterhout, Tweede Kamerlid