Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dassen over het bericht 'Bedrijfjes van Nederlandse universiteiten werken met Israël aan omstreden technologie'
Vragen van het lid Dassen (Volt) aan de Ministers van Defensie en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Bedrijfjes van Nederlandse universiteiten werken met Israël aan omstreden technologie» (ingezonden 2 oktober 2025).
Antwoord van Minister Moes (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap), mede namens de Minister
van Defensie (ontvangen 19 november 2025). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar
2025–2026, nr. 286.
Vraag 1
Bent u bekend met bovenstaand bericht?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de constatering dat een aantal technische universiteiten aandelen
hebben in bedrijven die gevoelige technologie ontwikkelen in samenwerking met Israëlische
bedrijven, die op hun beurt weer nauwe banden hebben met het Israëlische leger?
Antwoord 2
De constatering beoordeel ik op eenzelfde wijze als de onderzoekssamenwerkingen waarover
het lid Dassen mij eerder vragen stelde op 5 juni 2025.2 Ook in dit geval betreft het onderzoekssamenwerkingen binnen Horizon Europe. Daarbij
is het aan kennisinstellingen om de eisen op te volgen die daarbinnen worden gesteld
rondom de civiele aard van de onderzoeken. Daarnaast is het aan universiteiten om
eigen afwegingen te maken bij het aangaan of continueren van samenwerkingen.
Navraag bij de drie in het artikel genoemde technische universiteiten leert dat zij
aangeven zelf scherp te zijn op samenwerking met Israëlische partijen, zowel met onderzoeksinstellingen
als met bedrijven. De instellingen geven aan dat zij alle drie het afgelopen jaar
hebben besloten om samenwerkingen met Israëlische partijen te beperken en hun projecten
te gaan screenen op ethische aspecten, inclusief de genoemde projecten waarbij sprake
is van samenwerking met bedrijven.
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat er momenteel nog zeker vijftien projecten lopen waarbij onderzoek
gedaan wordt naar dual-use technologie en technologie die grote kans heeft uiteindelijk
te worden ingezet op het slagveld (waaronder drones)? Bent u bereid dit te veroordelen?
Antwoord 3
Kennisinstellingen beoordelen onderzoekssamenwerkingen van geval tot geval. Daarbij
vind ik het belangrijk dat instellingen zelf die afwegingen zorgvuldig maken. Zie
ook het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Hoe verhoudt bovenstaande zich tot het kabinetsbeleid dat export van dual-use goederen
en technologie zoveel mogelijk wordt beperkt?
Antwoord 4
De uitvoer van dual-use goederen en technologie is gebonden aan een vergunningsplicht.
Kennisinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de aanvraag van een vergunning
als de uitwisseling binnen de academische samenwerking onder deze vergunningplicht
valt. Wanneer een uitvoervergunning wordt aangevraagd wordt deze zorgvuldig per transactie
beoordeeld3, waarbij ook de ontvanger en het mogelijk (eind)gebruik worden meegenomen.
Vraag 5
Bent u van mening dat iedere betrokkenheid van Nederlandse entiteiten bij het indirect
financieren van de genocide tegen de Palestijnen voorkomen zou moeten worden?
Antwoord 5
Het kabinet deelt de zorgen over de situatie in de Palestijnse Gebieden. Nederland
onderneemt daarom al langere tijd stappen om de situatie ter plaatse naar vermogen
te verbeteren.
Het kabinet stelt voorop dat alle Nederlandse entiteiten zich aan de wet te houden
hebben. Indien er aanwijzingen zijn dat bedrijven of instellingen de wet overtreden
hebben, zal dit worden onderzocht door de relevante toezichthouder. Het is aan het
Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk strafbaar
handelen opleveren.
Daarnaast verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal opereren
dat zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk
verantwoord ondernemen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights toepassen.
Volgens deze kaders dienen bedrijven risico’s, waaronder die op mensenrechtenschendingen,
in hun waardeketens te identificeren en, waar nodig, aan te pakken. Het is uiteindelijk
de verantwoordelijkheid van Nederlandse private partijen zelf om beslissingen te maken
binnen de kaders van de wet.
Vraag 6
Bent u bereid in gesprek te treden met de betrokken technische universiteiten met
als doel hun banden met deze bedrijven te laten beëindigen?
Antwoord 6
Nee, dat past niet bij mijn rol.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
G. Moes, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede namens
R.P. Brekelmans, minister van Defensie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.