Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 742 Regels betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels met betrekking tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking tot het toezicht en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen)
Nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 wordt in de definitie van het begrip politieke vereniging «artikel G
1, G 2, G 2a of G 3 van de Kieswet» vervangen door «artikel G 1, G 2, G 2a, G 3, P
a1 jo. G 2, Q 6, Y 2 jo. G 1, Ya 13 jo. G 3 of Ya 22 jo. G 2 van de Kieswet».
B
In artikel 14, tweede lid, wordt «als bedoeld in artikel 36» vervangen door «als bedoeld
in artikel 36 of 36a».
C
In artikel 15 wordt «€ 25.000 x» vervangen door «€ 25.000».
D
Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid wordt in artikel
27 een lid ingevoegd, luidende:
3. Van een politieke partij die niet gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar
een politieke partij is geweest als bedoeld in artikel 1, heeft het financieel verslag
slechts betrekking op de periode waarin dit wel het geval was. Indien een politieke
partij op geen enkel moment in het voorafgaande kalenderjaar een politieke partij
als bedoeld in artikel 1 is geweest, is het eerste lid niet op haar van toepassing.
E
Aan artikel 35 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een neveninstelling van een politieke
vereniging voor zover de genoemde bepalingen ook op deze politieke vereniging van
toepassing zijn.
F
Achter artikel 35 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 35a. Voormalig neveninstelling
Indien een vereniging of stichting in een kalenderjaar ophoudt een neveninstelling
van een politieke vereniging te zijn, blijft artikel 27 op haar van overeenkomstige
toepassing tot en met het daarop volgende kalenderjaar.
G
In artikel 36, eerste lid, wordt «leden van de Tweede Kamer of Eerste Kamer» vervangen
door «leden van de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten-Generaal».
H
Achter artikel 36 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 36a. Voormalig politieke partij
1. Indien na een verkiezing van de leden van de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten-Generaal
een politieke vereniging niet langer een politieke partij is als bedoeld in artikel
1, is artikel 27 op haar van overeenkomstige toepassing tot en met het kalenderjaar
volgend op het jaar waarin de stemming plaatsvond.
2. In het geval aan een politieke vereniging als bedoeld in het eerste lid op grond
van deze wet subsidie is verleend, is dit hoofdstuk op haar van overeenkomstige toepassing
gedurende de periode waarvoor aan haar subsidie is of wordt verleend. Artikel 27 is
van overeenkomstige toepassing tot en met het kalenderjaar volgend op het jaar waarin
de subsidie stopt.
3. Indien het een politieke vereniging als bedoeld in het tweede lid betreft wordt
artikel 27, derde lid, gelezen: Het financieel verslag van een politieke vereniging
waaraan niet voor het volledige kalenderjaar subsidie is verleend, heeft slechts betrekking
op de periode waarvoor wel subsidie is verleend.
I
Het opschrift van artikel 44 komt te luiden: «Openbaarmaking samengesteld overzicht».
J
Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Dit hoofdstuk is tevens van toepassing op een politieke vereniging als bedoeld
in artikel 71a.
K
In artikel 53, tweede lid, wordt «Een landelijke politieke partij» vervangen door
«Een politieke partij».
L
In artikel 54, derde lid, wordt «aan een politieke partij respectievelijk» vervangen
door «aan een politieke partij subsidie worden verleend» en wordt «te zullen voldoen
subsidie worden verleend» vervangen door «te zullen voldoen».
M
Artikel 61, zesde lid, vervalt.
N
In artikel 67, tweede lid, wordt «artikel 35, vijfde lid,» telkens vervangen door
«artikel 35, vierde lid,».
O
Achter artikel 71 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
§ 5. Verbrede toepassing
Artikel 71a. Voormalig politieke partij
1. Indien na een verkiezing van de leden van de Tweede Kamer of Eerste Kamer der Staten-Generaal
een politieke vereniging niet langer een politieke partij is als bedoeld in artikel
1, blijft dit hoofdstuk op haar van overeenkomstige toepassing ten aanzien van eerder
aan haar verleende subsidies.
2. De in het eerste lid bedoelde politieke vereniging kan in het jaar waarin de betreffende
verkiezing heeft plaatsgevonden een aanvraag tot het verlenen van subsidie indienen
voor het daaropvolgende jaar. De bepalingen in dit hoofdstuk zijn daarop van overeenkomstige
toepassing.
P
Onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot het zesde tot en met
achtste lid wordt in artikel 89 een lid ingevoegd, luidende:
5. Van een politieke partij die niet gedurende het gehele voorafgaande kalenderjaar
een politieke partij is geweest als bedoeld in artikel 1, heeft het financieel verslag
slechts betrekking op de periode waarin dit wel het geval was. Indien een politieke
partij op geen enkel moment in het voorafgaande kalenderjaar een politieke partij
als bedoeld in artikel 1 is geweest, is het eerste lid niet op haar van toepassing.
Q
In artikel 103, tweede lid, wordt «Een landelijke politieke partij die een aanvraag
indient als bedoeld in artikel 51 of 52» vervangen door «Een politieke partij die
een aanvraag indient als bedoeld in artikel 102».
R
In artikel 112, onderdeel a, wordt «artikel 8» vervangen door «artikel 9».
TOELICHTING
Algemeen deel
Met deze nota van wijziging wordt een aantal wijzigingen aangebracht in het voorstel
van wet houdende de Wet op de politieke partijen. In de afgelopen maanden is een aantal
onvolkomenheden in dat voorstel ontdekt. Voor een deel betreft het technische onvolkomenheden,
met name kleine verschrijvingen. Maar er zijn ook drie onderwerpen waar de tekst van
het voorstel van wet bij nadere beschouwing nog niet volledig regelde wat in de memorie
van toelichting is beschreven.
Het betreft in de eerste plaats het moment waarop een politieke partij voor de eerste
maal verantwoording moet afleggen inzake haar financiën. Op grond van het voorgestelde
artikel 27, eerste lid, moet een politieke partij vóór 1 juli van een jaar een financieel
verslag overleggen aan de Napp betreffende het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
Het is evenwel niet uit te sluiten dat een politieke vereniging die op 1 juli een
politieke partij is, dat in (een deel van) het voorafgaande jaar nog niet was. Die
situatie doet zich voor als in het voorafgaande kalenderjaar een verkiezing is gehouden
en er bij verkiezing voor het eerst een of meer zetels zijn toegekend aan de lijst
waarboven de voor de politieke vereniging geregistreerde aanduiding stond vermeld.
In dat geval waren de in hoofdstuk 3 opgenomen voorschriften inzake de financiën niet
het hele kalenderjaar van toepassing op die politieke vereniging. Het was niet de
bedoeling om van een politieke partij te verlangen om een financieel verslag uit te
brengen over een periode waarin zij dat nog niet was en de daaruit voortkomende verplichtingen
dus nog niet op haar van toepassing waren. Deze omissie wordt thans hersteld. Daartoe
strekken de onderdelen D en P van deze nota van wijziging.
De omgekeerde situatie kan zich ook voordoen. Een politieke vereniging kan op 1 juli
van een jaar geen politieke partij meer zijn in de zin van deze wet, terwijl zij dat
in (een deel van) het voorafgaande kalenderjaar nog wel was. Deze situatie doet zich
voor als in het voorafgaande kalenderjaar een verkiezing wordt gehouden en daarbij
geen enkele zetel meer wordt toegekend aan de lijst waarboven de voor de politieke
vereniging geregistreerde aanduiding stond. De politieke vereniging houdt in dat geval
op een politieke partij te zijn in de zin van deze wet. Desalniettemin is het nog
wel de bedoeling dat een dergelijke politieke vereniging financiële verantwoording
aflegt voor de periode waarin zij wél een politieke partij is. Daarnaast dienen de
in hoofdstuk 3 opgenomen voorschriften betreffende de financiën op een politieke vereniging
van toepassing te blijven zolang zij op grond van deze wet subsidie ontvangt. Daartoe
strekken de onderdelen B en H van deze nota van wijziging. In onderdeel F is een vergelijkbare
voorziening getroffen ten aanzien van neveninstellingen.
De derde en laatste inhoudelijke correcte betreft de graduele afbouw van subsidie
op het moment dat een politieke partij zetels verliest. Deze graduele afbouw is eerder
op advies van de commissie Veling in de Wet financiering politieke partijen opgenomen
en is overgenomen in het voorliggende voorstel van wet. De graduele afbouw was echter
op een wijze vormgegeven die alleen werkt zolang een politieke partij bij een verkiezing
niet al haar zetels verliest. Deze omissie is thans hersteld. Daartoe strekt onderdeel
O van deze nota van wijziging.
Artikelsgewijze toelichting
A (art. 1 Wpp)
Op grond van de in artikel 1 van het voorstel van wet opgenomen definitie van het
begrip «politieke vereniging» zijn niet alleen verenigingen waarvoor een aanduiding
is geregistreerd met het oog op Tweede Kamerverkiezingen, provinciale statenverkiezingen,
waterschapsverkiezingen en gemeenteraadsverkiezingen aan te merken als politieke vereniging
in de zin van deze wet, maar ook verenigingen die hun aanduiding hebben laten registreren
met het oog op Eerste Kamerverkiezingen, Europees Parlementsverkiezingen, eilandsraadsverkiezingen
en kiescollegeverkiezingen. Dat een vereniging op grond van artikel 1 wordt aangemerkt
als een politieke vereniging in de zin van deze wet, zegt evenwel niets over de mate
waarin die vereniging door deze wet wordt gereguleerd. De mate van regulering is afhankelijk
van het vertegenwoordigend orgaan waarop de vereniging zich richt.
B (art. 14 Wpp)
De in hoofdstuk 3 van de wet opgenomen bepalingen zijn in beginsel niet van toepassing
op politieke verenigingen. Een uitzondering doet zich voor als een of meer Kamerleden
zich afsplitsen en aansluiten bij een politieke vereniging. Zie het voorgestelde artikel
36. Een tweede uitzondering doet zich voor als bij een verkiezing geen zetels zijn
toegewezen aan de lijst waarboven de aanduiding van een (tot dan toe) politieke partij
stond en die politieke partij als gevolg daarvan alleen nog een politieke vereniging
is. Zie ook de toelichting bij het voorgestelde artikel 36a.
C (art. 15 Wpp)
Het betreft een redactionele verbetering.
D (art. 27 Wpp)
Artikel 27, derde lid, bevat een voorziening voor het geval een politieke partij in
het voorgaande kalenderjaar, of een deel daarvan, nog geen politieke partij in de
zin van artikel 1 van deze wet was. In de eerste volzin is beschreven wat het gevolg
is als in het voorgaande kalenderjaar een verkiezing heeft plaatsgevonden, waarbij
voor het eerst (weer) een of meer zetels zijn toegewezen aan een lijst waarboven de
voor die politieke vereniging geregistreerde aanduiding heeft gestaan. In dat geval
is de partij gehouden om vóór 1 juli bij de Autoriteit een financieel jaarverslag
aan te leveren. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, heeft dat financieel
verslag alleen betrekking op het deel van het jaar waarin zij een politieke partij
in de zin van deze wet was.
In de tweede volzin is beschreven wat het gevolg is als er in de eerste zes maanden
van een kalenderjaar een ververkiezing heeft plaatsgevonden, waarbij voor het eerst
(weer) een of meer zetels zijn toegewezen aan een lijst waarboven de voor die politieke
vereniging geregistreerde aanduiding heeft gestaan. In dat geval is de politieke partij
in het voorafgaande kalenderjaar op geen enkel moment een politieke partij in de zin
van deze wet geweest, en hoeft zij dientengevolge geen financieel verslag over dat
kalenderjaar aan te leveren.
E (art. 35 Wpp)
In een enkel geval geldt de verplichting om een financiële administratie conform hoofdstuk
3 van de wet bij te houden niet alleen voor een landelijke politieke partij, maar
ook voor een landelijke politieke vereniging. Zie het voorgestelde artikel 36. Dat
heeft ook gevolgen voor de neveninstellingen van deze politieke verenigingen. In het
bijzonder vanwege de meldplicht van substantiële giften (artikel 28) en het giftenmaximum
(artikel 26). Dit wordt tot uitdrukking gebracht door toevoeging van een nieuw lid
aan artikel 35. In dit vijfde lid wordt geregeld dat de in artikel 35, eerste tot
en met vierde lid, neergelegde verplichtingen voor neveninstellingen van politieke
partijen ook van toepassing zijn op neveninstellingen van politieke verenigingen voor
zover hoofdstuk 3 ook op laatstgenoemden van toepassing is.
F (art. 35a Wpp)
Vanaf het moment dat een vereniging of stichting door de Autoriteit is aangewezen
als neveninstelling van een politieke vereniging is, als hoofdstuk 3 van toepassing
is op deze politieke vereniging, dat hoofdstuk tevens van toepassing op haar neveninstellingen.
Dit is geregeld in artikel 35. Andersom geldt ook dat de uit hoofdstuk 3 voortvloeiende
verplichtingen wegvallen zodra een vereniging of stichting niet langer een neveninstelling
van een politieke vereniging is. Zie artikel 10, vierde lid. Maar ook in dat geval
is het wenselijk dat de voormalig neveninstelling verantwoordingsstukken overlegt
over de periode waarin zij nog wel een neveninstelling van een politieke vereniging
was. Daartoe strekt dit wetsartikel.
G (art. 36 Wpp)
In het voorstel van wet werd niet op uniforme wijze verwezen naar de beide Kamers
der Staten-Generaal. Met deze technische aanpassing wordt dit hersteld.
H (art. 36a Wpp)
In het eerste lid is geregeld dat artikel 27 van toepassing blijft op politieke verenigingen
die als gevolg van een verkiezingsresultaat niet langer ook een politieke partij zijn
in de zin van artikel 1 van deze wet. Dit blijft het geval tot en met het kalenderjaar
volgend op het jaar waarin de stemming plaatsvond. Concreet betekent dit dat deze
politieke verenigingen nog wel verplicht blijven om bij de Autoriteit financiële verslagen
aan te leveren die zien op de periode dat zij nog een politieke partij in de zin van
artikel 1 waren. Is de verkiezingsuitslag onherroepelijk vastgesteld in maart van
jaar N, dan moet de politieke vereniging op grond van deze wetsbepaling gelezen in
combinatie met artikel 27 dus een financieel verslag bij de Autoriteit aanleveren
over de jaren N – 1 en N. Waarbij ingevolge artikel 27, derde lid, het financieel
verslag over het jaar N alleen zal zien op de periode waarin de politieke vereniging
nog een politieke partij was.
Het tweede lid ziet op dezelfde omstandigheid als het eerste lid, met dit verschil
dat er eerder subsidie is verleend aan de betreffende politieke partij. In dat geval
blijft hoofdstuk 3 op haar van toepassing gedurende de periode waarvoor subsidie is
verleend. Het zinsdeel «is of wordt verleend» in de eerste volzin refereert aan het
voorgestelde artikel 64. In sommige gevallen kan een politieke vereniging immers ook
subsidie aanvragen, ondanks dat zij geen politieke partij meer is. Artikel 27 is op
de politieke vereniging van toepassing tot en met het jaar volgend op het jaar waarin
de subsidie stopt. Daarmee wordt gewaarborgd dat een politieke vereniging altijd verantwoording
moet afleggen over aan haar verstrekte subsidie.
Tot slot is in het derde lid een voorziening getroffen voor het geval aan een politieke
partij subsidie is verleend en deze vereniging na een verkiezing eigenlijk niet meer
voor subsidie in aanmerking komt. In dat geval wordt de subsidie afgebouwd naar nul.
Geregeld is dat de politieke vereniging gedurende de hele tijd dat zij nog een deel
van haar subsidie ontvangt, verantwoording moet afleggen over de besteding daarvan.
I (art. 44 Wpp)
Het betreft een taalkundige verbetering.
J (art. 50 Wpp)
Als de aanduiding van een politieke partij boven een lijst staat waaraan bij de verkiezing
geen enkele zetel meer wordt toegewezen, dan is die politieke vereniging vanaf het
moment dat de verkiezingsuitslag definitief is vastgesteld geen politieke partij meer.
Als aan de politieke vereniging eerder subsidie is verleend, moet de betreffende politieke
vereniging nog wel een aanvraag tot subsidievaststelling kunnen indienen. Om de subsidie
gedurende vier kwartalen stapsgewijs te kunnen laten afbouwen, is het bovendien wenselijk
dat in een zeer uitzonderlijk geval politieke verenigingen ook een aanvraag tot subsidieverlening
kunnen indienen. Dit regelen wordt mogelijk gemaakt door het tweede lid.
K (art. 53 Wpp)
Welke politieke partijen een aanvraag tot het verlenen van subsidie kunnen indienen
volgt reeds uit het voorgestelde artikel 50.
L (art. 54 Wpp)
Het betreft een redactionele verbetering.
M (art. 61 Wpp)
Bij gelegenheid van het nader rapport is in artikel 57 de wijze waarop het subsidiebedrag
wordt bepaald aangepast. De berekeningen die daartoe eerder werden gemaakt, zijn niet
langer nodig. Abusievelijk is daarbij niet gezien dat artikel 61, zesde lid, als gevolg
daarvan kan komen te vervallen.
N (art. 67 Wpp)
Abusievelijk werd in artikel 67, tweede lid, onderdelen a, b en c telkens verwezen
naar het vijfde in plaats van het vierde lid van artikel 35. Deze verschrijving is
gecorrigeerd.
O (art. 71a Wpp)
Als de aanduiding van een politieke partij boven een lijst staat waaraan bij de verkiezing
geen enkele zetel meer wordt toegewezen, dan is die politieke vereniging vanaf het
moment dat de verkiezingsuitslag definitief is vastgesteld geen politieke partij meer.
Hoofdstuk 5, over subsidies, is dan in beginsel niet meer op haar van toepassing.
In het eerste lid wordt een voorziening getroffen zodat dit hoofdstuk nog wél van
toepassing blijft op de politieke vereniging aan wie eerder subsidie op grond van
deze wet is verleend.
Als bij een verkiezing geen zetel meer is toegewezen aan de lijst van een politieke
partij, wordt de eerder aan haar verleende subsidie in vier kwartalen afgebouwd. Voor
een deel gebeurt dit van rechtswege. Zie daarvoor artikel 61. Omdat de subsidie per
kalenderjaar wordt verleend, kan dit stelsel echter ook met zich meebrengen dat een
politieke vereniging in het kalenderjaar na het verkiezingsjaar nog één, twee of drie
kwartalen recht houdt op subsidie. Het tweede lid bevat een voorziening om haar in
staat te stellen de daarvoor benodigde aanvraag te kunnen indienen.
P (art. 89 Wpp)
Artikel 89, vijfde lid, bevat een voorziening voor het geval een politieke vereniging
in het voorgaande kalenderjaar, of een deel daarvan, geen politieke partij in de zin
van artikel 1 van deze wet was. In de eerste volzin is beschreven wat het gevolg is
als in het voorgaande kalenderjaar een verkiezing heeft plaatsgevonden, waarbij voor
het eerst (weer) een of meer zetels zijn toegewezen aan een lijst waarboven de voor
die politieke vereniging geregistreerde aanduiding heeft gestaan. In dat geval is
de vereniging gehouden om vóór 1 juli een financieel jaarverslag openbaar te maken.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, heeft dat financieel verslag alleen
betrekking op het deel van het jaar waarin zij een politieke partij in de zin van
deze wet was.
In de tweede volzin is beschreven wat het gevolg is als er in de eerste zes maanden
van een kalenderjaar een ververkiezing heeft plaatsgevonden, waarbij voor het eerst
(weer) een of meer zetels zijn toegewezen aan een lijst waarboven de voor die politieke
vereniging geregistreerde aanduiding heeft gestaan. In dat geval is de politieke vereniging
in het voorafgaande kalenderjaar op geen enkel moment een politieke partij in de zin
van deze wet geweest, en hoeft zij dientengevolge geen financieel verslag over dat
kalenderjaar aan te leveren. Oftewel: in het jaar waarin bijvoorbeeld een reguliere
verkiezing van de leden van de gemeenteraad plaatsvindt (jaar N), hoeft een nieuwe
politieke partij geen financieel verslag over het jaar N -1 openbaar te maken. In
het jaar daarop (N + 1), moet de nieuwe politieke partij wel een financieel verslag
openbaar maken over het jaar N, voor zover zij in dat jaar een politieke partij was
in de zin van deze wet.
Q (art. 103 Wpp)
Abusievelijk was de tekst van het voorgestelde artikel 52, tweede lid, ongewijzigd
overgenomen in artikel 103, tweede lid, van het voorstel van wet. Deze omissie wordt
nu hersteld. Artikel 103 heeft immers betrekking op het indienen van een subsidieaanvraag
door een in Caribisch Nederland gevestigde decentrale politieke partij.
R (art. 112 Wpp)
Deze aanpassing betreft een correctie van een onjuiste verwijzing.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties