Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag schriftelijk overleg over Ombuigingen VWS-begroting en positie VNG in het IZA (Kamerstuk 36600-XVI-163)
36 600 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2025
Nr. 199
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 7 juli 2025
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 31 januari 2025 over Ombuigingen VWS-begroting en positie VNG in het
IZA (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 163).
De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2025 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 7 juli 2025 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
6
II.
Reactie van de Minister
6
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de ombuigingen op de VWS-begroting
en positie van VNG in het IZA. Ten aanzien van de ombuigingen op de VWS-begroting
hebben genoemde leden op dit moment geen aanvullende vragen en of opmerkingen.
Genoemde leden zien dat VWS, ZN en VNG weer in gesprek zijn over het aanvullend zorg-
en welzijnsakkoord en deelname aan het Integraal Zorgakkoord (IZA). Samenwerking is
essentieel om de verbinding in de regio tussen het zorg- en sociaal domein te kunnen
versterken. De leden van de PVV-fractie gaan er vanuit dat alle partijen hun verantwoordelijkheid
hierin nemen en er samen voor zorgen dat ook na de voorjaarsbesluitvorming definitief
besloten wordt om deelname aan het IZA en het aanvullend akkoord voort te zetten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
de brief van de Minister over de ombuigingen op de VWS-begroting en de positie van
de VNG in het IZA. Genoemde leden hebben een aantal grote zorgen bij de ombuigingen
en het op losse schroeven staan van het IZA en hebben dan ook meerdere vragen aan
de Minister.
Om te beginnen betreuren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de onduidelijkheid
omtrent de ombuiging op de subsidie van bij- en nascholing van medisch specialisten,
zowel over de initiële invulling van de bezuiniging als over de uitblijvende oplossing
van de Minister. Genoemde leden schrokken van het feit dat de bezuinigingen «rauw»
op het dak vielen van de Minister en dat zij via de media moest vernemen dat er honderden
miljoenen op haar eigen begroting werden bezuinigd. Erkent de Minister de gevolgen
hiervan en de hierdoor ontstane onrust, bijvoorbeeld bij ziekenhuizen die zonder enige
waarschuwing werden overvallen met een enorme bezuiniging die bovendien zonder overleg
met de sector tot stand is gekomen? Wat heeft u sindsdien gedaan om het contact met
de branche te herstellen? Worden partijen beter meegenomen in de alternatieve invulling
van de bezuiniging?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast de zorg dat de «placeholder»
waarmee de bezuiniging op de subsidie bij- en nascholing medisch specialisten wordt
ingevuld tot de voorjaarsbesluitvorming, eveneens tot onduidelijkheid kan leiden.
De Minister schrijft dat het «niet de bedoeling [is] om aan het OVA-convenant te tornen».
Die zorg hebben de deze leden echter wel degelijk, aangezien de ombuiging tijdelijk
wordt ingevuld door middel van een korting op de loon- en prijsbijstelling tranche
2025 van de VWS-begroting. Kan de Minister nadrukkelijker aangeven dat hiermee per
definitie niet aan het OVA-convenant zal worden getornd en dat concreet toezeggen?
En wat bedoelt de Minister daarnaast als zij schrijft dat ze zoekt naar een oplossing
«die de gewenste transitie van de zorg niet belemmert»? Kan de Minister hier nader
op ingaan? Welke onderdelen uit de begroting vallen hier wel en niet onder?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie staan positief tegenover de inzet van de Minister
om afspraken te maken over de beloning van medisch specialisten. Zij zien de inventarisatie
van de Minister naar de mogelijkheden om hier invulling aan te geven als een goede
stap. Wanneer kan de Kamer de inventarisatie van de Minister verwachten? En hoe haalbaar
acht de Minister de beoogde besparingen die hiermee behaald kunnen worden? Kan de
Minister garanties geven dat de boogde besparingen ook daadwerkelijk behaald worden
en gaan deze in beginsel niet juist gepaard met hogere kosten? Hoe staat het daarnaast
met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Dijk c.s. over uiterlijk voor
het zomerreces van 2025 een voorstel naar de Kamer sturen om medisch specialisten
in loondienst te brengen1? Wordt dit voorstel meegenomen in de afspraken over de beloning van medisch specialisten?
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal prangende
vragen over de positie van de VNG in het IZA. Deze leden zijn voorzichtig positief
over de vermelding van de Minister dat het VNG weer deelneemt aan de gesprekken over
het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (AZWA) en deelname aan het IZA hervat. Genoemde
leden lezen echter ook dat na de voorjaarsbesluitvorming door de Algemene Ledenvergadering
(ALV) van de VNG pas definitief wordt besloten over verdere deelname aan het IZA en
het aanvullend akkoord. Gezien het feit dat de overheid zich steeds meer opstelt als
een onbetrouwbare partner en telkens niet de goede randvoorwaarden schept, is dat
wat deze leden betreft vanuit de VNG gezien goed te begrijpen. Zo zien deze leden
nog steeds geen visie of plan voor het ravijnjaar en wordt er hard bezuinigd op preventie.
Ook komen er alleen maar meer taken bij gemeenten te liggen, terwijl ze daar geen
extra middelen voor terugkrijgen. Kan de Minister hierop reflecteren? Erkent zij dat
de overheid hier ernstig in tekort is geschoten en begrijpt zij in dat licht de eerdere
keuze van de VNG om uit de onderhandelingen te stappen?
Ook zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er nog steeds te veel bezuinigd
wordt op preventie, met alle gevolgen van dien voor de onderhandelingen over het AZWA.
Klopt het bijvoorbeeld dat het kabinet geen geld vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw)
beschikbaar zal stellen voor meer welzijn en preventie van inwoners en andere maatregelen
die de zorgvraag verminderen, bijvoorbeeld de inzet van sociaal werk? Erkent de Minister
dat het sociaal domein een essentieel onderdeel is van preventie en het beperken van
de zorgvraag? Klopt het dat de financiering hiervan echter geheel buiten de financiering
van het IZA valt? Kan de Minister aangeven of hier, in tegenstelling tot het IZA,
wel middelen voor gereserveerd worden binnen het AZWA? En hoe gaat de Minister ervoor
zorgen dat aan de randvoorwaarde van de VNG om weer deel te nemen aan de gesprekken,
namelijk dat de financiële positie van gemeenten moet zijn verbeterd en het akkoord
uitvoerbaar moet zijn, voldaan wordt? Erkent zij dat het nakomen van deze randvoorwaarde
essentieel is om de gesprekken over het AZWA te laten slagen?
De zorgen over de positie van gemeenten en de VNG worden door de brief van de Minister
helaas niet weggenomen bij de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Wat gaat de Minister
doen om ervoor te zorgen dat de VNG en gemeenten aan tafel blijven, ook na de voorjaarsbesluitvorming?
Kan ze garanderen dat alle partijen die het IZA hebben getekend ook onderdeel zullen
zijn van het aanvullend akkoord? Wat doet zij eraan om dit voor elkaar te krijgen?
En kan de Minister garanderen dat het aanvullend akkoord geen verslechtering wordt
ten opzichte van het beleid van haar voorgangers?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de ombuigingen
VWS-begroting en de positie van de VNG in het IZA. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn het met de Minister eens dat artsen bijdragen aan
het realiseren van het publieke belang van goede, toegankelijke en betaalbare zorg.
Genoemde leden vinden dat hetzelfde geldt voor verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten,
laboranten en alle andere betrokken en bevoegde professionals in de zorg. Zij hopen
niet dat de Minister artsen een «status aparte» toebedeelt in haar beleid rondom zorg,
kan de Minister dit bevestigen? En is de Minister het met deze leden eens dat gelijkwaardige
samenwerking tussen artsen en al die andere professionals gebaat is bij het expliciete
besef dat alle disciplines elkaar nodig hebben voor een kwalitatief en effectief zorgnetwerk
rondom patiënten. En dat een status aparte daarin niet past. Zo ja, hoe laat zij dat
in haar beleid zien?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de achterban van de Federatie Medisch Specialisten
(FMS) in een gesprek met de Minister hebben aangegeven zich onheus bejegend te voelen.
Genoemde leden vragen de Minister of hierbij ook de al gevraagde «status aparte» voor
artsen geldt en of de Minister dit als een succesvolle lobby beschouwt, of hebben
de verpleegkundigen etc. ook wel eens een dergelijk gevoelen getoond in de kamer van
de Minister, maar hebben we daar gewoon nooit over gelezen in een brief.
In de beslisnota lezen de leden van de VVD-fractie dat aan de Nederlandse Vereniging
van Ziekenhuizen (NVZ) en de FMS is gevraagd te komen met een voorstel over het in
loondienst brengen van specialisten. Genoemde leden zijn ontstemd te lezen dat het
gesprek niet tot voorstellen heeft geleid, maar wel tot een «gevoel» bij FMS. Deze
leden vinden het begrijpelijk dat de Minister wil dat het zorg- en welzijnsakkoord
voortgaat, maar vragen de Minister of zij niet ook vindt dat de inzet van belangen
en macht van de FMS op deze manier strijdig is met de gedeelde publieke waarden in
de zorg. Op welke termijn verwacht de Minister een concreet vervolg tussen haar en
de FMS en NVZ?
Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie wanneer de Minister verwacht meer duidelijkheid
te hebben over de mogelijkheden om invulling te geven aan de gevraagde ombuigingen
en op welke manier zij de Kamer hierin betrekt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de ombuigingen
VWS-begroting en de positie van de VNG in het IZA.
De Minister geeft aan de Kamer nader te informeren over de invulling van de € 165 miljoen
waarvoor zij nu een «placeholder» heeft gevonden. Kan de Minister toezeggen minstens
twee weken voor het debat over de voorjaarsnota haar plannen voor deze alternatieve
invulling te delen met de Kamer?
De leden van de NSC-fractie vinden het een goede ontwikkeling dat VNG weer deelneemt
aan de gesprekken over het AZWA en deelname aan het IZA hervat. De Minister zegt hiervoor
aanvullende afspraken te hebben gemaakt met VNG over gelijkwaardigheid. Hiervan geeft
zij ook één voorbeeld. Kan de Minister alle gemaakte afspraken in dit kader delen
met de Kamer?
Tijdens de laatste ALV van de VNG is een resolutie aangenomen waarin een aantal randvoorwaarden
zijn geformuleerd voor deelname van gemeenten aan een uiteindelijk Aanvullend Zorg
en Welzijn Akkoord. Zo is er besloten dat er een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale
Overheden (UDO) en een doorrekening gemaakt moeten worden bij een eventueel nieuw
akkoord. Gaat de Minister mee met deze resolutie? Zo ja, kan de Minister hier een
planning van geven? Kunnen eventuele aanbevelingen of opmerkingen over de uitvoerbaarheid
nog verwerkt worden?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister over
een alternatieve invulling voor de ombuiging subsidie bij- en nascholing medisch specialisten.
Deze leden constateren dat de Minister nog geen oplossing heeft voor een alternatieve
invulling van € 165 miljoen. Daartoe vragen deze leden, of de Minister duidelijkheid
kan geven over de definitieve invulling en de Kamer hierover te informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de ombuigingen VWS-begroting
en positie VNG in het IZA. Deze leden hebben de volgende vraag aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat de Federatie Medisch
Specialisten bij haar heeft aangegeven dat hun achterban zich onheus bejegend voelt
in de toon die richting de medisch specialisten wordt gehanteerd. De Minister geeft
aan dat spijtig te vinden. De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat woorden
ertoe doen en alleen «spijtig» hierom te min is. Vooral omdat medisch specialisten
gemiddeld zo’n 53 uur per week werken en daarmee een aanzienlijke bijdrage leveren
aan de zorg. Kan de Minister toezeggen dat beleidsvoorstellen rondom het inkomen van
medisch specialisten niet worden ingevoerd zonder rekening te houden met deze structureel
hogere werktijden? Zo ja, op welke wijze zal de Minister dit meenemen in het beleid?
Kan de Minister tevens aangeven welke gevolgen een mogelijke normalisering van de
werkuren van medisch specialisten zou hebben voor het toenemende personeelstekort
in de zorg en de oplopende wachtlijsten voor patiënten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
ombuigingen binnen de VWS-begroting en positie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten
(VNG) in de gesprekken over het Integraal Zorgakkoord (IZA). Genoemde leden hebben
hierover nog enkele opmerkingen en vragen.
Inzake de ombuiging van de VWS-begroting. De leden van de SGP-fractie zijn benieuwd
naar de alternatieve invulling van de ombuiging binnen de VWS-begroting. Zij wachten
hierover de besluitvorming bij de voorjaarsnota af.
Inzake de bestuurlijke afspraken beloningen medisch specialisten. De leden van de
SGP-fractie hebben zich in de gesprekken over ombuigingen op de VWS-begroting er voortdurend
sterk voor gemaakt dat er geen generieke verplichting zou komen voor medisch specialisten
om in loondienst te treden. Zij vinden dit een te vergaande stap. Zij onderkennen
evenwel het belang van het maken van afspraken over de beloning van medisch specialisten.
Daarbij zien de leden van de SGP-fractie dat er een Kamermeerderheid bestaat voor
het in loondienst treden van alle medisch specialisten. De leden van de SGP-fractie
vragen om een nadere toelichting op het tijdspad om te komen tot bestuurlijke afspraken
met de medisch specialisten. Nu de eerste gesprekken hierover blijkbaar niets hebben
opgeleverd, wanneer wil de Minister hierover meer duidelijkheid hebben? Kan de Minister
overigens bevestigen dat het plan om bestuurlijke afspraken te maken met de medisch
specialisten van haarzelf kwam, zoals ook blijkt uit de beantwoording op recente Kamervragen
hierover?2
Inzake de positie van de VNG in het IZA. De leden van de SGP-fractie vinden het een
goede zaak dat de VNG voorlopig weer aangehaakt is bij het IZA, nadat er afspraken
zijn gemaakt over meer gelijkwaardigheid tussen het rijk, de zorgverzekeraars en gemeenten.
Tegelijkertijd maken de leden van de SGP-fractie uit de brief op dat de VNG na de
besluitvorming over de voorjaarsnota definitief besluit over verdere deelname aan
het IZA en het aanvullende zorg- en welzijnsakkoord. Zij vinden dat het kabinet bij
de voorjaarsnota gemeenten tegemoet zou moeten komen ten aanzien van de financiering
van de zorgakkoorden, maar ook ten aanzien van hun bredere zorgen over de gemeentelijke
financiën. Is de Minister, is het kabinet daartoe bereid?
II. Reactie van de Minister
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de ombuigingen op de VWS-begroting
en positie van VNG in het IZA. Ten aanzien van de ombuigingen op de VWS-begroting
hebben genoemde leden op dit moment geen aanvullende vragen en of opmerkingen.
Genoemde leden zien dat VWS, ZN en VNG weer in gesprek zijn over het aanvullend zorg-
en welzijnsakkoord en deelname aan het Integraal Zorgakkoord (IZA). Samenwerking is
essentieel om de verbinding in de regio tussen het zorg- en sociaal domein te kunnen
versterken. De leden van de PVV-fractie gaan er vanuit dat alle partijen hun verantwoordelijkheid
hierin nemen en er samen voor zorgen dat ook na de voorjaarsbesluitvorming definitief
besloten wordt om deelname aan het IZA en het aanvullend akkoord voort te zetten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van
de brief van de Minister over de ombuigingen op de VWS-begroting en de positie van
de VNG in het IZA. Genoemde leden hebben een aantal grote zorgen bij de ombuigingen
en het op losse schroeven staan van het IZA en hebben dan ook meerdere vragen aan
de Minister.
Om te beginnen betreuren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de onduidelijkheid
omtrent de ombuiging op de subsidie van bij- en nascholing van medisch specialisten,
zowel over de initiële invulling van de bezuiniging als over de uitblijvende oplossing
van de Minister. Genoemde leden schrokken van het feit dat de bezuinigingen «rauw»
op het dak vielen van de Minister en dat zij via de media moest vernemen dat er honderden
miljoenen op haar eigen begroting werden bezuinigd.
Erkent de Minister de gevolgen hiervan en de hierdoor ontstane onrust, bijvoorbeeld
bij ziekenhuizen die zonder enige waarschuwing werden overvallen met een enorme bezuiniging
die bovendien zonder overleg met de sector tot stand is gekomen? Wat heeft u sindsdien
gedaan om het contact met de branche te herstellen? Worden partijen beter meegenomen
in de alternatieve invulling van de bezuiniging?
Ik betreur de onduidelijkheid rond de ombuiging op de subsidie voor bij- en nascholing
van medisch specialisten en begrijp de ontstane onrust. Goed en constructief overleg
met de sector is voor mij essentieel. Daarom is mijn ambtsvoorganger direct in gesprek
gegaan met de betrokken partijen. Ik ben verheugd dat partijen weer deelgenomen hebben
aan de gesprekken over het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (AZWA).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast de zorg dat de «placeholder»
waarmee de bezuiniging op de subsidie bij- en nascholing medisch specialisten wordt
ingevuld tot de voorjaarsbesluitvorming, eveneens tot onduidelijkheid kan leiden.
De Minister schrijft dat het «niet de bedoeling [is] om aan het OVA-convenant te tornen».
Die zorg hebben de deze leden echter wel degelijk, aangezien de ombuiging tijdelijk
wordt ingevuld door middel van een korting op de loon- en prijsbijstelling tranche
2025 van de VWS-begroting. Kan de Minister nadrukkelijker aangeven dat hiermee per
definitie niet aan het OVA-convenant zal worden getornd en dat concreet toezeggen?
In de brief van 18 maart jl. heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over
de uiteindelijke invulling van de genoemde bezuiniging, namelijk via een reeds voorgenomen
ramingsbijstelling binnen de Zvw-sector Wijkverpleging. De noodzaak voor de «placeholder»
is daarmee komen te vervallen, en er is niet aan het OVA-convenant getornd.
En wat bedoelt de Minister daarnaast als zij schrijft dat ze zoekt naar een oplossing
«die de gewenste transitie van de zorg niet belemmert»? Kan de Minister hier nader
op ingaan? Welke onderdelen uit de begroting vallen hier wel en niet onder?
Bij het zoeken naar een oplossing is getoetst of deze de gewenste transitie van de
zorg, zoals bijvoorbeeld beschreven in het Integraal Zorgakkoord (IZA), niet zou belemmeren.
Dat ziet niet op specifieke begrotingsartikelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie staan positief tegenover de inzet van de Minister
om afspraken te maken over de beloning van medisch specialisten. Zij zien de inventarisatie
van de Minister naar de mogelijkheden om hier invulling aan te geven als een goede
stap. Wanneer kan de Kamer de inventarisatie van de Minister verwachten? En hoe haalbaar
acht de Minister de beoogde besparingen die hiermee behaald kunnen worden? Kan de
Minister garanties geven dat de boogde besparingen ook daadwerkelijk behaald worden
en gaan deze in beginsel niet juist gepaard met hogere kosten?
Zoals mijn ambtsvoorganger ook in haar brief van 13 maart jl.3 heeft aangegeven wordt verkend of wetgeving gericht op het normeren en maximeren
van de verdiensten van medisch specialisten voorbereid kan worden. Ik kan op dit moment
nog niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze inventarisatie.
Hoe staat het daarnaast met de uitvoering van de aangenomen motie van het lid Dijk
c.s. over uiterlijk voor het zomerreces van 2025 een voorstel naar de Kamer sturen
om medisch specialisten in loondienst te brengen4? Wordt dit voorstel meegenomen in de afspraken over de beloning van medisch specialisten?
Zoals mijn ambtsvoorganger al heeft toegezegd tijdens het debat over de begrotingsbehandeling5 blijf ik in mijn rol als demissionair Minister van VWS mijzelf inzetten voor het
vervolgonderzoek dat nodig is om een afweging te maken over regelgeving die een overgang
naar loondienst verplicht. Dit vraagstuk is geen gemakkelijke opgave, zoals mijn ambtsvoorganger
toen ook heeft toegelicht, omdat een verplichting om medisch specialisten in loondienst
te brengen raakt aan het eigendomsrecht en de juridische waarborgen die daarvoor gelden.
Onderdeel van het vervolgonderzoek is de monitor van de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) die gedurende twee jaar de financiële prikkels binnen een msb, alsmede de positie
van de msb’s in relatie tot de bestuurbaarheid van ziekenhuizen volgt. Eind 2025 verwacht
ik de volgende monitor van de NZa om te bezien of het verbeterpotentieel behaald is.
Ik richt mij nu dus op twee parallelle sporen: wetgeving gericht op het normeren van
het inkomen van medisch specialisten en een overgang van medisch specialisten naar
loondienst. Parallel hieraan blijf ik in constructief gesprek met alle betrokken partijen
waarbij ik blijf inzetten op bestuurlijke afspraken over dit onderwerp.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal prangende
vragen over de positie van de VNG in het IZA. Deze leden zijn voorzichtig positief
over de vermelding van de Minister dat het VNG weer deelneemt aan de gesprekken over
het aanvullend zorg- en welzijnsakkoord (AZWA) en deelname aan het IZA hervat. Genoemde
leden lezen echter ook dat na de voorjaarsbesluitvorming door de Algemene Ledenvergadering
(ALV) van de VNG pas definitief wordt besloten over verdere deelname aan het IZA en
het aanvullend akkoord. Gezien het feit dat de overheid zich steeds meer opstelt als
een onbetrouwbare partner en telkens niet de goede randvoorwaarden schept, is dat
wat deze leden betreft vanuit de VNG gezien goed te begrijpen. Zo zien deze leden
nog steeds geen visie of plan voor het ravijnjaar en wordt er hard bezuinigd op preventie.
Ook komen er alleen maar meer taken bij gemeenten te liggen, terwijl ze daar geen
extra middelen voor terugkrijgen.
Kan de Minister hierop reflecteren? Erkent zij dat de overheid hier ernstig in tekort
is geschoten en begrijpt zij in dat licht de eerdere keuze van de VNG om uit de onderhandelingen
te stappen?
Rijk en gemeenten staan als medeoverheden samen, met de partijen die deelnemen aan
het IZA en AZWA, aan de lat voor de transformatie van zorg naar gezondheid en welzijn.
Deze gezamenlijke opgave is complex. Dit vraagt aandacht voor een structuur waarbinnen
onderlinge verhoudingen goed aansluiten bij de taken en verantwoordelijkheden die
partijen hebben. O.a. daarom hebben de VNG, ZN en VWS gezamenlijk afspraken bekrachtigd
over de invulling van gelijkwaardigheid tussen overheden en financiers bij de samenwerking
in het kader van IZA. De bekrachtiging van de afspraken over gelijkwaardigheid leidde
ertoe dat de VNG weer deelneemt aan het IZA en het gesprek kon worden voorgezet over
het AZWA. Hierbij gelden de randvoorwaarden die door de VNG werden gesteld. Ook bij
de recente Voorjaarsbesluitvorming zijn hierover afspraken gemaakt.
Ook zien de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat er nog steeds te veel bezuinigd
wordt op preventie, met alle gevolgen van dien voor de onderhandelingen over het AZWA.
Klopt het bijvoorbeeld dat het kabinet geen geld vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw)
beschikbaar zal stellen voor meer welzijn en preventie van inwoners en andere maatregelen
die de zorgvraag verminderen, bijvoorbeeld de inzet van sociaal werk?
De Zvw en het sociaal domein worden op verschillende wijze gefinancierd. De Zvw wordt
landelijk gefinancierd via premies en belastingen. Financiering van het sociaal domein
loopt via het gemeentefonds, waarbij middelen voor het sociaal domein niet geoormerkt
zijn. Niet alleen gemeenten, maar ook zorgverzekeraars zetten in op preventie en het
voorkomen van een (grotere) zorg en ondersteuningsbehoefte van burgers. De overheid
heeft de ambitie om de verbinding tussen zorg- en sociaal domein te versterken en
een verdere beweging naar de voorkant te maken van zorg naar gezondheid en welzijn,
zoals afgesproken in het AZWA. Daarbij wordt verkend in hoeverre investeringen in
het sociaal domein kunnen bijdragen aan het voorkomen of verminderen van de zorgvraag.
Erkent de Minister dat het sociaal domein een essentieel onderdeel is van preventie
en het beperken van de zorgvraag? Klopt het dat de financiering hiervan echter geheel
buiten de financiering van het IZA valt? Kan de Minister aangeven of hier, in tegenstelling
tot het IZA, wel middelen voor gereserveerd worden binnen het AZWA?
Ik erken dat het sociaal domein een essentieel onderdeel is van preventie en het beperken
van de zorgvraag. De financiering van het IZA bestaat uit de reguliere Zvw kaders,
inclusief afspraken over groeipercentages. Daarboven op zijn transformatiemiddelen,
de specifieke uitkering IZA (SPUK IZA) en specifieke uitkering GALA (SPUK GALA) voor
gemeentes en verschillende subsidies voor o.a. innovatie, preventie en domeinoverstijgende
samenwerking. Over de financiering zoals overeengekomen in het AZWA verwijs ik u naar
het onderhandelaarsakkoord welke uw Kamer op 3 juli jl. heeft ontvangen. Daarnaast
kunnen partijen in het sociaal domein aanspraak maken op transformatiemiddelen.
En hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat aan de randvoorwaarde van de VNG om weer
deel te nemen aan de gesprekken, namelijk dat de financiële positie van gemeenten
moet zijn verbeterd en het akkoord uitvoerbaar moet zijn, voldaan wordt? Erkent zij
dat het nakomen van deze randvoorwaarde essentieel is om de gesprekken over het AZWA
te laten slagen?
Rijk en gemeenten staan als medeoverheden samen, met zorgverzekeraars en de ondertekenaars
van IZA en het AZWA, aan de lat voor de transformatie van zorg naar gezondheid. Deze
gezamenlijke opgave is complex. Ik erken dat dit aandacht vraagt voor een structuur
waarbinnen onderlinge verhoudingen goed aansluiten bij de taken en verantwoordelijkheden
die partijen hebben.
Daarom heb ik samen met de VNG en ZN afspraken bekrachtigd over de invulling van gelijkwaardigheid
tussen overheden en financiers bij de samenwerking. De bekrachtiging van de afspraken
over gelijkwaardigheid betekent dat de VNG weer deelneemt aan het IZA en het AZWA.
Hierbij gelden de randvoorwaarden dat de financiële positie van gemeenten moet zijn
verbeterd en het akkoord uitvoerbaar moet zijn om mee te kunnen doen in dit aanvullende
akkoord.
De komende periode blijf ik intensief in gesprek met de deelnemers van het bestuurlijk
overleg IZA. In deze gesprekken heb ik aandacht voor de positie van de VNG. Daarbij
wordt ook gekeken naar de balans tussen taken en middelen. Het is belangrijk dat juist
ook de VNG meedoet met de transformatie van zorg naar gezondheid.
De zorgen over de positie van gemeenten en de VNG worden door de brief van de Minister
helaas niet weggenomen bij de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Wat gaat de Minister
doen om ervoor te zorgen dat de VNG en gemeenten aan tafel blijven, ook na de voorjaarsbesluitvorming?
De komende periode blijf ik intensief in gesprek met de deelnemers van het bestuurlijk
overleg IZA. In deze gesprekken ligt de focus op de aanvullende afspraken die nodig
zijn om de samenwerking met het medisch en sociaal domein te versterken. Ook heb ik
aandacht voor het sociaal domein, waarbij ook wordt gekeken naar een juiste balans
tussen (nieuwe) taken en middelen.
Kan ze garanderen dat alle partijen die het IZA hebben getekend ook onderdeel zullen
zijn van het aanvullend akkoord? Wat doet zij eraan om dit voor elkaar te krijgen?
En kan de Minister garanderen dat het aanvullend akkoord geen verslechtering wordt
ten opzichte van het beleid van haar voorgangers?
Het uitgangspunt bij de gesprekken over het AZWA was dat alle ondertekenaars van het
IZA, zoals zorgverzekeraars, brancheorganisaties, gemeenten en patiëntvertegenwoordigers
aan tafel zitten bij deze overleggen. Daarnaast is de samenwerking uitgebreid met
GGD GHOR Nederland, MIND en Sociaal Werk Nederland, voor een nog bredere maatschappelijke
basis.
Ten aanzien van de inhoudelijke lijn geldt dat de aanvullende afspraken geen verslechtering
betekenen ten opzichte van eerder beleid. Integendeel, het AZWA is erop gericht om
de ingezette beweging te verbreden, versnellen en concretiseren.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de ombuigingen
VWS-begroting en de positie van de VNG in het IZA. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie zijn het met de Minister eens dat artsen bijdragen aan
het realiseren van het publieke belang van goede, toegankelijke en betaalbare zorg.
Genoemde leden vinden dat hetzelfde geldt voor verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten,
laboranten en alle andere betrokken en bevoegde professionals in de zorg. Zij hopen
niet dat de Minister artsen een «status aparte» toebedeelt in haar beleid rondom zorg,
kan de Minister dit bevestigen? En is de Minister het met deze leden eens dat gelijkwaardige
samenwerking tussen artsen en al die andere professionals gebaat is bij het expliciete
besef dat alle disciplines elkaar nodig hebben voor een kwalitatief en effectief zorgnetwerk
rondom patiënten. En dat een status aparte daarin niet past. Zo ja, hoe laat zij dat
in haar beleid zien?
Het is belangrijk dat verschillende professionals in de zorg elkaars expertise waarderen
en benutten en gelijkwaardig met elkaar samenwerken. Juist als het gaat om het organiseren
van een kwalitatief en effectief zorgnetwerk rondom patiënten. Hier past ook bij dat
de verschillende professionals zeggenschap ervaren. Een gelijkwaardige samenwerking
en zeggenschap is nog niet altijd vanzelfsprekend. Dit vraagt om een cultuurverandering
in zorg en welzijn.
Het is aan werkgevers om een cultuur te stimuleren waarin een gelijkwaardige samenwerking
en zeggenschap de norm is. Ik ondersteun werkgevers hierin op verschillende manieren.
Onder meer met subsidie via de Subsidieregeling Veerkracht en Zeggenschap en via een
projectsubsidie voor het Landelijk Actieplan Zeggenschap. De kennis- en leermiddelen
die de voornoemde projectorganisatie ontwikkelt zijn met name gericht op de verpleegkundige
beroepsgroep, maar ook breder inzetbaar.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de achterban van de Federatie Medisch Specialisten
(FMS) in een gesprek met de Minister hebben aangegeven zich onheus bejegend te voelen.
Genoemde leden vragen de Minister of hierbij ook de al gevraagde «status aparte» voor
artsen geldt en of de Minister dit als een succesvolle lobby beschouwt, of hebben
de verpleegkundigen etc. ook wel eens een dergelijk gevoelen getoond in de kamer van
de Minister, maar hebben we daar gewoon nooit over gelezen in een brief.
Zoals ik hierboven heb aangegeven, herken ik het beeld dat de medisch specialisten
een status aparte zouden hebben in mijn beleid niet. In dit geval was de aanleiding
een afspraak die specifiek op het terrein van de beloning van medisch specialisten
ligt. Mijn ambtsvoorganger heeft kennisgenomen van het signaal van de FMS en uw Kamer
laten weten dat medisch specialisten een belangrijke rol vervullen. Uiteraard geldt
dit ook voor andere professionals in de zorg. De inzet rondom het IZA en het AZWA
is altijd geweest om in gezamenlijkheid te komen tot werkbare en breed gedragen afspraken.
In de beslisnota lezen de leden van de VVD-fractie dat aan de Nederlandse Vereniging
van Ziekenhuizen (NVZ) en de FMS is gevraagd te komen met een voorstel over het in
loondienst brengen van specialisten. Genoemde leden zijn ontstemd te lezen dat het
gesprek niet tot voorstellen heeft geleid, maar wel tot een «gevoel» bij FMS. Deze
leden vinden het begrijpelijk dat de Minister wil dat het zorg- en welzijnsakkoord
voortgaat, maar vragen de Minister of zij niet ook vindt dat de inzet van belangen
en macht van de FMS op deze manier strijdig is met de gedeelde publieke waarden in
de zorg. Op welke termijn verwacht de Minister een concreet vervolg tussen haar en
de FMS en NVZ? Tenslotte vragen de leden van de VVD-fractie wanneer de Minister verwacht
meer duidelijkheid te hebben over de mogelijkheden om invulling te geven aan de gevraagde
ombuigingen en op welke manier zij de Kamer hierin betrekt.
Zoals mijn ambtsvoorganger recent6, 7 aan uw Kamer heeft laten weten, heeft zij de Federatie Medisch Specialisten (FMS)
over dit onderwerp gesproken en hen gevraagd zelf de door uw Kamer gewenste besparing
van 150 miljoen euro (amendement Bontenbal c.s.) vorm te geven. Deze gesprekken hebben
nog geen resultaat opgeleverd. Daarom inventariseer ik nu de mogelijkheden om met
eigen instrumentarium invulling te geven aan de wens van de Kamer. Dit houdt concreet
in dat verkend wordt of wetgeving voorbereid kan worden die gericht is op het normeren
en maximeren van de verdiensten van medisch specialisten, op een vergelijkbare wijze
als de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen die vallen onder de Wet
Normering Topinkomens (WNT). Overleg hierover tussen mijn ambtsvoorganger en de betrokken
partijen heeft vooralsnog niet tot afspraken geleid, maar parallel aan de verkenning
tot wetgeving blijf ik in gesprek. Als partijen bereid zijn om bestuurlijke afspraken
te maken dan sta ik daar voor open.
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de ombuigingen
VWS-begroting en de positie van de VNG in het IZA.
De Minister geeft aan de Kamer nader te informeren over de invulling van de € 165 miljoen
waarvoor zij nu een «placeholder» heeft gevonden. Kan de Minister toezeggen minstens
twee weken voor het debat over de voorjaarsnota haar plannen voor deze alternatieve
invulling te delen met de Kamer?
In de brief van 18 maart jl. heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over
de uiteindelijke invulling van de genoemde bezuiniging. Dat is ruim voor het debat
over de voorjaarsnota, dat gepland stond voor 25 juni 2025.
De leden van de NSC-fractie vinden het een goede ontwikkeling dat VNG weer deelneemt
aan de gesprekken over het AZWA en deelname aan het IZA hervat. De Minister zegt hiervoor
aanvullende afspraken te hebben gemaakt met VNG over gelijkwaardigheid. Hiervan geeft
zij ook één voorbeeld. Kan de Minister alle gemaakte afspraken in dit kader delen
met de Kamer?
Rijk en gemeenten staan als medeoverheden samen, met de partijen die deelnemen aan
het IZA en AZWA, aan de lat voor de transformatie van zorg naar gezondheid en welzijn.
VWS, VNG en ZN hebben afspraken gemaakt over gelijkwaardigheid. De aanvullende afspraken
over gelijkwaardigheid zijn op vier thema’s gemaakt: governance, financiën, mandaat
en brede toegankelijkheid van zorg en ondersteuning. In het AZWA staat de inhoudelijke
uitwerking hiervan beschreven. Hieronder de inhoud van de afspraken.
1. De governance: rijk en gemeenten staan als medeoverheden samen, met zorgverzekeraars
(en de ondertekenaars van IZA en AZWA) aan de lat voor de transformatie van zorg naar
gezondheid en de aanpak daartoe en zijn onderling afhankelijk van elkaar om dit gezamenlijke
doel te realiseren. Gemeenten respecteren de systeemverantwoordelijkheid van VWS als
landelijk regisseur van het stelsel van zorg en sociaal domein en van het akkoord,
en andersom respecteert VWS dat gemeenten de bestuurlijk verantwoordelijke overheid
zijn voor de inkoop en organisatie van het sociaal domein. Zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk
als financiers van de verzekerde zorg. Deze gezamenlijke opgave is complex en vraagt
om aandacht voor een structuur waarbinnen onderlinge verhoudingen goed aansluiten
bij de taken en verantwoordelijkheden die partijen hebben. Daar past bij besluitvorming
en communicatie die dat goed faciliteren en in balans zijn.
2. Financiën: Het rijk is verantwoordelijk voor een balans tussen taken, middelen en
uitvoerbaarheid voor gemeenten. De transformatie vraagt om voldoende structurele middelen
om afspraken uit te voeren, zodat gemeenten in de domeinoverstijgende samenwerking
in alle regio's afgesproken basisfunctionaliteiten (preventie-aanpakken of samenwerkingsafspraken)
in kunnen richten met hun partners in het sociaal domein. Plannen en afspraken moeten
getoetst zijn conform de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden. De UDO is bedoeld
om een betere balans te bewerkstelligen tussen ambities, middelen en uitvoerbaarheid
voor gemeenten. Vanwege de opgaven op het snijvlak van het medisch en sociaal domein
is het nodig dat verzekeraars en gemeenten de transformatieplannen waarin het sociaal
domein betrokken is of die impact hebben op het sociaal domein, samen van richting
voorzien en beoordelen.
3. Mandaat: Gemeenten zijn eerste overheid voor hun inwoners, met democratische prioriteiten
en autonome bevoegdheden ten aanzien van hun begroting. Samenwerking op het niveau
van de regio is cruciaal om het IZA tot een succes te maken. Gemeenten maken daar
onderling en met ketenpartners afspraken over, passend bij hun lokale rol en positie.
4. Brede toegankelijkheid zorg en ondersteuning en paradigma: Het toegankelijkheidsvraagstuk
betreft zowel de zorg als het sociaal domein. Voor de beweging van zorg naar gezondheid
is de betaalbaarheid en het absorptievermogen van het brede sociaal domein cruciaal.
De wijze waarop gemeenten het sociaal domein inrichten en organiseren is wettelijk
decentraal georganiseerd. Deze lokale invulling is van waarde voor de houdbaarheid
van zorg en ondersteuning, met name door de positionering van publieke en collectieve
faciliteiten en de verbinding met sociale basis binnen de eigen gemeente.
Tijdens de laatste ALV van de VNG is een resolutie aangenomen waarin een aantal randvoorwaarden
zijn geformuleerd voor deelname van gemeenten aan een uiteindelijk Aanvullend Zorg
en Welzijn Akkoord. Zo is er besloten dat er een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale
Overheden (UDO) en een doorrekening gemaakt moeten worden bij een eventueel nieuw
akkoord. Gaat de Minister mee met deze resolutie? Zo ja, kan de Minister hier een
planning van geven? Kunnen eventuele aanbevelingen of opmerkingen over de uitvoerbaarheid
nog verwerkt worden?
In de ALV van de VNG is in november 2024 een resolutie aangenomen over de deelname
van de VNG aan de gesprekken over het AZWA. Voor de VNG is het belangrijk dat voor
de nieuwe afspraken een uitvoeringstoets wordt uitgevoegd, de Uitvoerbaarheidstoets
Decentrale Overheden (UDO). De UDO is een proces waarmee het vakdepartement samen
met BZK en koepels van decentrale overheden beleid uitwerkt dat invloed heeft op decentrale
overheden. Het is onderdeel van het reguliere beleids- en wetgevingsproces. Het doel
hiervan is om een betere balans te bewerkstelligen tussen ambities, middelen en uitvoerbaarheid
voor gemeenten.
Onderdeel van de afspraken over gelijkwaardigheid bij IZA en AZWA is dat plannen en
afspraken moeten getoetst zijn conform het UDO proces zijn het in kaart brengen van
de financiële kosten, en de gevolgen voor de uitvoeringskracht van gemeenten. Hiervoor
wordt o.a. de komende tijd een Uitvoeringstoets door VNG Realisatie uitgevoerd. We
streven ernaar dat deze UDO in het najaar van 2025 is afgerond, zodat gemeenten dit
mee kunnen nemen in hun besluit om deel te nemen aan het AZWA. Ook in de verdere uitvoering
van de afspraken in het kader van IZA en AZWA zal er ruimte nodig zijn om de uitvoerbaarheid
van de afspraken gezamenlijk (VWS, VNG, ZN) te volgen en bij te sturen indien nodig.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister over
een alternatieve invulling voor de ombuiging subsidie bij- en nascholing medisch specialisten.
Deze leden constateren dat de Minister nog geen oplossing heeft voor een alternatieve
invulling van € 165 miljoen. Daartoe vragen deze leden, of de Minister duidelijkheid
kan geven over de definitieve invulling en de Kamer hierover te informeren.
In de brief van 18 maart jl. heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd over
de uiteindelijke invulling van de genoemde bezuiniging.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de ombuigingen VWS-begroting
en positie VNG in het IZA. Deze leden hebben de volgende vraag aan de Minister.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat de Federatie Medisch
Specialisten bij haar heeft aangegeven dat hun achterban zich onheus bejegend voelt
in de toon die richting de medisch specialisten wordt gehanteerd. De Minister geeft
aan dat spijtig te vinden. De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat woorden
ertoe doen en alleen «spijtig» hierom te min is. Vooral omdat medisch specialisten
gemiddeld zo’n 53 uur per week werken en daarmee een aanzienlijke bijdrage leveren
aan de zorg. Kan de Minister toezeggen dat beleidsvoorstellen rondom het inkomen van
medisch specialisten niet worden ingevoerd zonder rekening te houden met deze structureel
hogere werktijden? Zo ja, op welke wijze zal de Minister dit meenemen in het beleid?
Zoals mijn ambtsvoorganger eerder8 heeft aangegeven worden alle relevante aspecten meegenomen in de besluitvorming.
Voor een gedegen juridische onderbouwing is het o.a. van belang dat goed zicht is
op de effectiviteit van alternatieve maatregelen die denkbaar zijn om passende zorg
te realiseren.
Kan de Minister tevens aangeven welke gevolgen een mogelijke normalisering van de
werkuren van medisch specialisten zou hebben voor het toenemende personeelstekort
in de zorg en de oplopende wachtlijsten voor patiënten?
Indien het maken van afspraken over de beloning van medisch specialisten ertoe zou
leiden dat het aantal werkuren van medisch specialisten daalt, dan zou dit kunnen
leiden tot een beperktere beschikbaarheid van medisch specialisten. Normalisering
van werkuren zou echter ook andere effecten met zich mee kunnen brengen, zoals minder
uitstroom van medisch specialisten. Welk effect het uiteindelijk zou kunnen hebben
op het personeelstekort en wachtlijsten is daarmee niet op voorhand te zeggen. Bovendien
zijn er meer factoren van invloed op de beschikbaarheid van medisch specialisten,
personeelstekorten en bijbehorende wachtlijsten. Zie daarvoor ook de ramingen van
het Capaciteitsorgaan en instroomadviezen waarvan de nieuwe versie eind van dit jaar
verschijnt.
De leden van de SGP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over de
ombuigingen binnen de VWS-begroting en positie van de Vereniging Nederlandse Gemeenten
(VNG) in de gesprekken over het Integraal Zorgakkoord (IZA). Genoemde leden hebben
hierover nog enkele opmerkingen en vragen.
Inzake de ombuiging van de VWS-begroting. De leden van de SGP-fractie zijn benieuwd
naar de alternatieve invulling van de ombuiging binnen de VWS-begroting. Zij wachten
hierover de besluitvorming bij de voorjaarsnota af.
Inzake de bestuurlijke afspraken beloningen medisch specialisten. De leden van de
SGP-fractie hebben zich in de gesprekken over ombuigingen op de VWS-begroting er voortdurend
sterk voor gemaakt dat er geen generieke verplichting zou komen voor medisch specialisten
om in loondienst te treden. Zij vinden dit een te vergaande stap. Zij onderkennen
evenwel het belang van het maken van afspraken over de beloning van medisch specialisten.
Daarbij zien de leden van de SGP-fractie dat er een Kamermeerderheid bestaat voor
het in loondienst treden van alle medisch specialisten.
De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op het tijdspad om te
komen tot bestuurlijke afspraken met de medisch specialisten. Nu de eerste gesprekken
hierover blijkbaar niets hebben opgeleverd, wanneer wil de Minister hierover meer
duidelijkheid hebben?
Zoals mijn ambtsvoorganger recent9, 10 aan uw Kamer heeft laten weten, heeft zij de Federatie Medisch Specialisten (FMS)
over dit onderwerp gesproken en hen gevraagd zelf de door uw Kamer gewenste besparing
van 150 miljoen euro (amendement Bontenbal c.s.) vorm te geven. Deze gesprekken hebben
nog geen resultaat hebben opgeleverd. Daarom inventariseer ik de mogelijkheden om
met eigen instrumentarium invulling te geven aan de wens van de Kamer. Hoewel overleg
nog niet geleid heeft tot afspraken blijf ik parallel aan de verkenning tot wetgeving
in gesprek. Als partijen bereid zijn om bestuurlijke afspraken te maken dan sta ik
daar voor open.
Kan de Minister overigens bevestigen dat het plan om bestuurlijke afspraken te maken
met de medisch specialisten van haarzelf kwam, zoals ook blijkt uit de beantwoording
op recente Kamervragen hierover?11
Ja, ik kan bevestigen dat het plan om bestuurlijke afspraken te maken met de medisch
specialisten van mijn ambtsvoorganger zelf kwam.
Inzake de positie van de VNG in het IZA. De leden van de SGP-fractie vinden het een
goede zaak dat de VNG voorlopig weer aangehaakt is bij het IZA, nadat er afspraken
zijn gemaakt over meer gelijkwaardigheid tussen het rijk, de zorgverzekeraars en gemeenten.
Tegelijkertijd maken de leden van de SGP-fractie uit de brief op dat de VNG na de
besluitvorming over de voorjaarsnota definitief besluit over verdere deelname aan
het IZA en het aanvullende zorg- en welzijnsakkoord. Zij vinden dat het kabinet bij
de voorjaarsnota gemeenten tegemoet zou moeten komen ten aanzien van de financiering
van de zorgakkoorden, maar ook ten aanzien van hun bredere zorgen over de gemeentelijke
financiën.
Is de Minister, is het kabinet daartoe bereid?
Rijk en gemeenten staan als medeoverheden samen, met zorgverzekeraars en de ondertekenaars
van IZA en het AZWA, aan de lat voor de transformatie van zorg naar gezondheid. Deze
gezamenlijke opgave is complex. Ik erken dat dit aandacht vraagt voor een structuur
waarbinnen onderlinge verhoudingen goed aansluiten bij de taken en verantwoordelijkheden
die partijen hebben.
Daarom heb ik samen met de VNG en ZN afspraken bekrachtigd over de invulling van gelijkwaardigheid
tussen overheden en financiers bij de samenwerking. De bekrachtiging van de afspraken
over gelijkwaardigheid betekent dat de VNG weer deelneemt aan het IZA en het AZWA.
Hierbij gelden de randvoorwaarden dat de financiële positie van gemeenten moet zijn
verbeterd en het akkoord uitvoerbaar moet zijn om mee te kunnen doen in dit aanvullende
akkoord.
De komende periode blijf ik intensief in gesprek met de deelnemers van het bestuurlijk
overleg IZA. In deze gesprekken heb ik aandacht voor de positie van de VNG. Daarbij
wordt ook gekeken naar de balans tussen taken en middelen. Het is belangrijk dat juist
ook de VNG meedoet met de transformatie van zorg naar gezondheid.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier