Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 055 Wijziging van de Woningwet in verband met aanpassing van het saneringskader
Nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 8 juni 2022
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel I, onderdeel B, onder 2, komt te luiden:
2. Het vierde lid, onderdeel a, onder 1°, komt te luiden:
1°. de situatie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, eerste volzin, of tweede lid,
eerste volzin, zich voordoet tot aan definitieve vaststelling van een subsidie als
bedoeld in artikel 57, eerste lid, onder a, en die situatie betrekking heeft op of
gevolgen heeft voor het kunnen voortzetten van werkzaamheden als genoemd en bedoeld
in het bepaalde bij en krachtens artikel 47, eerste lid, onderdelen a tot en met i,
en de vestigingen van die rechten naar het oordeel van de borgingsvoorziening wenselijk
zijn, of
B
Artikel I, onderdeel E, het voorgestelde artikel 56b wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, komt «of, indien dat ontoereikend is, strekkende tot
het aangaan van een fusie als bedoeld in artikel 309 van Boek 2 van het Burgerlijk
Wetboek met laatstbedoelde toegelaten instelling» te vervallen.
2. In het eerste lid, onderdeel b, komt «of dit aangaan van een fusie» te vervallen.
C
Artikel I, onderdeel I, vervalt.
Toelichting
Artikelsgewijze toelichting
Artikel A
Artikel 21d, eerste lid, regelt dat alleen financiële instellingen als bedoeld in
artikel 21c, eerste lid, zekerheidsrechten kunnen vestigen op bezit dat niet behoort
tot de diensten van algemeen economisch belang (niet-DAEB). Een (eerste) vestiging
van pand of hypotheek door anderen of een daartoe beperkend beding is nietig.
Op grond van artikel 21d, vierde lid, onderdeel a, van de Woningwet, kan Waarborgfonds
Sociale Woningbouw (WSW, de borgingsvoorziening) wel zekerheidsrechten vestigen wanneer
een situatie zich voordoet waarin het bestuur van de woningcorporatie van mening is
dat de financiële middelen ontbreken om de werkzaamheden voort te zetten als bedoeld
in artikel 29, tweede lid (voorheen eerste lid). Het wetsvoorstel maakt met aanpassing
van het vierde lid, onderdeel a, van artikel 21d van de Woningwet mogelijk dat zekerheidsrechten
op niet-DAEB ook ten behoeve van het WSW gevestigd kunnen worden in een situatie van
financiële stress als bedoeld in artikel 29, eerste lid (nieuw). Vestiging van een
zekerheidsrecht kan in deze situaties noodzakelijk zijn, omdat gedurende die situatie
de waarde van het onderliggende DAEB-onderpand snel terug kan lopen en daarmee de
kans toeneemt dat het buffervermogen of de achtervangvoorziening van gemeenten en
Rijk moet worden aangesproken.
In de praktijk is gebleken dat het niet volledig duidelijk is of het WSW op basis
van artikel 21d, eerste en vierde lid, van de Woningwet ook tijdens een saneringsperiode
hypothecaire zekerheidsrechten kan vestigen op niet-DAEB. In de kamerbrief van 28 april
2021 (TK 2020–2021, 32 847, nr. 744) is aangekondigd dat de Woningwet op dit punt zal worden verduidelijkt. Met de toevoeging
van de periode tot aan vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 57, eerste
lid, onder a (de saneringssubsidie) wordt geëxpliciteerd dat het WSW gedurende de
saneringsperiode zekerheidsrechten kan vestigen op niet DAEB-bezit. De saneringsperiode
eindigt met de definitieve vaststellingsbeschikking van de saneringssubsidie.
Artikel B
Het wetsvoorstel regelt dat de woningcorporaties in de woningmarktregio verplicht
kunnen worden een bijdrage te leveren aan het voortzetten van het noodzakelijk DAEB-bezit
van een andere woningcorporatie wanneer deze in financiële problemen komt te verkeren.
Voortzetting van het noodzakelijk-DAEB bezit van een woningcorporatie in financiële
problemen kan doordat een regiocorporatie het noodzakelijk DAEB-bezit gedeeltelijk
of geheel overneemt. Een aanwijzing van de Autoriteit woningcorporaties (Aw) aan een
regiocorporatie tot het overnemen van de werkzaamheden gemoeid met het bezit van een
noodlijdende woningcorporatie, is mogelijk voor zover uit het advies van de adviescommissie
noodzakelijke werkzaamheden toegelaten instellingen, waarbij de zienswijzen van de
Aw en het WSW zijn betrokken, blijkt dat dit in redelijkheid van de betreffende corporatie
kan worden verlangd. Uitgangspunt is dat het overnemen van deze werkzaamheden past
binnen de opgave voor de regiocorporaties. Voor het geven van een dergelijke aanwijzing
moet aantoonbaar sprake zijn van voldoende additionele financiële en operationele
ruimte van regiocorporatie(s) om het maatschappelijk vermogen in te zetten voor het
noodzakelijke DAEB.
Met de voorgestelde wijziging van artikel 56b, eerste lid, aanhef, van de Woningwet
wordt deze bepaling teruggebracht in de vorm zoals deze was in de consultatieversie
van het wetsvoorstel in overleg met de sector. Voortzetting van het noodzakelijk DAEB-bezit
is het uitgangspunt, dit kan op verschillende manieren worden gerealiseerd. Het is
in eerste instantie aan de regiocorporatie zelf die een aanwijzing krijgt van de Aw
om, indachtig het advies van de adviescommissie, vorm te geven aan de wijze waarop
het noodzakelijk DAEB-bezit wordt voortgezet. De mogelijkheid van een fusie als ultimum
remedium is nu niet meer expliciet toegevoegd aan de artikeltekst, maar blijft wel
één van de mogelijkheden waarop door een regiocorporatie in de praktijk invulling
gegeven kan worden aan een aanwijzing van de Aw.
Artikel C
Het artikel I, onderdeel I, wordt geschrapt omdat het een onuitvoerbare wijzigingsopdracht
is geworden. De Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van de Woningwet in verband met
het tijdelijk uitbreiden van het werkgebied van toegelaten instellingen met het oog
op het huisvesten van vergunninghouders (Stb. 2016, 295) is eerder in werking getreden dan de Wet van 7 juli 2021 tot wijziging van de Huisvestingswet
2014, de Woningwet, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Overgangswet nieuw Burgerlijk
Wetboek naar aanleiding van de evaluatie van de herziene Woningwet en om de mogelijkheden
voor tijdelijke huurovereenkomsten te verruimen (Stb. 2021, 425).
Hierdoor treedt artikel IV, eerste lid, onderdeel A, uit het laatstgenoemde wetsvoorstel
in werking en komt artikel VV ter toevoeging van het artikel 130a aan de Woningwet
uit deze wet te vervallen en wordt de aanduiding van artikel 131 in artikel I, onderdeel
F, van eerstgenoemde wet vervangen door de aanduiding 130a.
De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, H.M. de Jonge
Ondertekenaars
H.M. de Jonge, minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening