Nota van wijziging : Nota van wijziging
35 073 Aanpassing van wetten in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren (Aanpassingswet Wnra)
Nr. 6 NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 7 maart 2019
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2.2 wordt in het voorgestelde artikel 5, eerste lid, onderdeel d, de aanduiding
«a.» vervangen door de aanduiding «d.».
B
Artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel F wordt in het voorgestelde artikel 68, eerste lid, onderdeel p, de
aanduiding «a.» vervangen door de aanduiding «p.».
2. In onderdeel G wordt in het voorgestelde artikel 81f, eerste lid, onderdeel p,
de aanduiding «a.» vervangen door de aanduiding «p.».
C
Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het voorgestelde artikel 57 komt te luiden:
Artikel 57
1. Bij de toepassing van afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
op de overgang van personeel als gevolg van wijzigingen van de gemeentelijke indeling
geldt als verkrijger de gemeente die op grond van artikel 44, eerste of tweede lid,
de rechtsopvolger is van de op te heffen gemeente.
2. Artikel 663, tweede zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is op de overgang
van personeel als gevolg van wijzigingen van de gemeentelijke indeling niet van toepassing.
3. Eden en beloften, die ambtenaren in verband met hun functie bij de op te heffen
gemeente hebben afgelegd, worden geacht mede betrekking te hebben op de dienstbetrekking
bij de gemeente waar zij met ingang van de datum van herindeling in dienst zijn.
2. Het voorgestelde artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:
a. In het eerste lid wordt «Op de datum van herindeling gaat het personeel» vervangen
door «In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling het personeel».
b. In het tweede lid wordt «artikel 57, tweede lid» vervangen door «artikel 57, derde
lid».
3. Het voorgestelde artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:
a. De tweede zin van het eerste lid vervalt.
b. Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde
lid wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:
2. Afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is niet op de secretaris
van toepassing. Indien hij in dienst is van de in het eerste lid bedoelde gemeente,
eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege op de dag voor de datum van herindeling.
c. In het derde lid (nieuw) wordt «het eerste lid, tweede zin» vervangen door «het
tweede lid» en wordt «artikel 59, eerste lid,» vervangen door «artikel 59, tweede
lid,».
d. In het vierde lid (nieuw) wordt «het eerste lid» vervangen door «het eerste en
tweede lid».
4. Het voorgestelde artikel 61 komt te luiden:
Artikel 61
1. Het personeel, dat in dienst is van een gemeenschappelijke regeling met rechtspersoonlijkheid
die ingevolge artikel 41, eerste of tweede lid, vervalt, gaat met ingang van de datum
van herindeling over in dienst van de gemeente die op grond van artikel 44, eerste
lid of tweede lid, de rechtsopvolger is van de op te heffen gemeente.
2. gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen bepalen dat het personeel,
dat in dienst is van een gemeenschappelijke regeling met rechtspersoonlijkheid die
ingevolge artikel 41, vierde of vijfde lid, wordt opgeheven, met ingang van de datum
van herindeling overgaat in dienst van de bij de goedkeuring van de opheffing aan
te wijzen gemeente.
3. Afdeling 8 van titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is op de in het eerste
en tweede lid bedoelde overgang van toepassing. Als verkrijger geldt de gemeente,
waarnaar het personeel op grond van het eerste of tweede lid overgaat.
4. gedeputeerde staten van de betrokken provincie kunnen bepalen dat de uitkeringen
of betalingen waarop gewezen personeel, dat in dienst is of was van een ingevolge
artikel 41, vierde of vijfde lid, op te heffen of opgeheven gemeenschappelijke regeling
met rechtspersoonlijkheid op de dag voorafgaande aan de herindeling wegens beëindiging
van het dienstverband of ziekte aanspraak maakte ten laste komen van de bij de goedkeuring
van de opheffing van de gemeenschappelijke regeling aan te wijzen gemeente of gemeenten.
D
Artikel 2.16, onderdeel D, onder 2, komt te luiden:
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Onder laatstelijk in zijn ambt genoten loon wordt verstaan het loon als bedoeld
in artikel 6, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag en, in
afwijking van onderdeel a van dat lid, de vakantiebijslag als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van die wet. Onder laatstelijk in zijn ambt genoten bezoldiging wordt
verstaan de bezoldiging, bedoeld in artikel 48a, eerste lid, van de Politiewet 2012,
in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
of in artikel 10, eerste lid, van de Wet ambtenaren defensie.
E
Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:
a. Na onderdeel 2 wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
2a. Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 3a
1. Overheidswerkgevers kunnen een onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid
van een functie als ambtenaar doen. Indien noodzakelijk kunnen zij daarbij bijzondere
categorieën van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard als
bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene
verordening gegevensbescherming verwerken.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de
soorten persoonsgegevens die verwerkt kunnen worden.
b. Onder 5, onderdeel b, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt «tweede leden» vervangen door «drie leden».
2. Het voorgestelde derde lid wordt vervangen door tweede leden, luidende:
3. Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren worden aanstellingen verleend voorafgaand aan de aanstelling,
bedoeld in het eerste lid, als arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht beschouwd.
4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 3.
2. Onderdeel B komt te luiden:
B
Artikel IIA wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A, wordt als volgt gewijzigd:
a. In onderdeel 1 wordt «Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht
van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden voor de ambtenaren van politie,
bedoeld in artikel 2, voorschriften vastgesteld» vervangen door «Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur worden voor de politie voorschriften vastgesteld».
b. Onderdeel 2 komt te luiden:
2. Het vierde lid komt te luiden:
4. De paragrafen 2, 3 en 4 van de Ambtenarenwet 2017 zijn, met uitzondering van artikel 6,
tweede lid, van overeenkomstige toepassing op de politie.
2. Onderdeel B komt te luiden:
B
Artikel 53, derde lid, komt te luiden:
3. De artikelen 44a, 47, 47a, 47b, 47c en 48 en de paragrafen 3.5.2. en 3.5.3. zijn
van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche.
3. Na onderdeel C wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ca
Artikel III, onderdeel B, komt te luiden:
B
Artikel 662 wordt als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid vervalt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot eerste
en tweede lid.
2. Aan het eerste lid (nieuw), onderdeel b, wordt toegevoegd « waaronder begrepen
de uitoefening van openbaar gezag».
F
Artikel 2.19 komt te luiden:
Artikel 2.19 Wet op de parlementaire enquête 2008
Artikel 1, tweede lid, van de Wet op de parlementaire enquête 2008 komt te luiden:
2. In deze wet wordt mede verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie en de dienstplichtige als
bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht.
G
Artikel 2.21 vervalt.
H
Na artikel 2.24 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.25 Wet vergoedingen adviescolleges en commissies
In artikel 2, tweede lid, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies wordt
«het personeel werkzaam bij de sector Rijk» vervangen door «de ambtenaren die op grond
van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn».
I
Na artikel 6.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 6.2a
Artikel 1:16 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd:
1. In de laatste volzin van het eerste lid wordt «benoembaarheidsvereiste» vervangen
door «vereiste van aanwijsbaarheid».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren worden door burgemeester en wethouders
aangewezen. Een aanwijzing kan voor een bepaalde tijdsduur geschieden. De aanwijzing
eindigt van rechtswege met ingang van de datum waarop de uitoefening van de functie
van ambtenaar van de burgerlijke stand of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke
stand eindigt. Als ambtenaar of buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand is
slechts aanwijsbaar de persoon die in de uitoefening van zijn ambt geen onderscheid
maakt als bedoeld in artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling, tenzij het onderscheid is gebaseerd op een wettelijk voorschrift.
J
Na artikel 6.4 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 6.4a
De Penitentiaire beginselenwet wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 41, vierde lid, wordt «en op de aanstelling van geestelijke verzorgers
bij een inrichting» vervangen door «en op de indienstneming van geestelijke verzorgers
bij een inrichting».
K
Artikel 6.5 wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
aA
Afdeling 3.5. Rechtspositie wordt als volgt gewijzigd:
1. Voor artikel 45 wordt een opschrift ingevoegd, luidende:
§ 3.5.1. Algemeen
2. In § 3.5.1. (nieuw) wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 44a
1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
a. ambtenaar van politie: de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 2, onder a,
b of c;
b. bevoegd gezag:
1°. Onze Minister, voor zover het betreft de korpschef;
2°. de korpschef, voor zover het betreft de ambtenaar van politie, met uitzondering
van de korpschef;
c. bezoldiging:
1°. de bedragen – onder de benaming bezoldiging of welke benaming ook – waarop de
ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft;
2°. de bedragen – onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming
ook – waarop de gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking
aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden
aanspraak hebben.
2. Voor de toepassing van de artikelen 47b en 47c en de paragrafen 3.5.2. en 3.5.3.
wordt mede verstaan onder ambtenaar van politie: de nagelaten betrekkingen van een
ambtenaar van politie die uit hoofde van zijn overlijden pensioen genieten.
2. Onderdeel B wordt als volgt gewijzigd:
a. De aanhef komt te luiden: Na artikel 48 worden twee paragrafen toegevoegd, luidende:
b. Het voorgestelde opschrift «Afdeling 3.6. Beslag, terugvordering, verrekening en
korting» wordt vervangen door «§ 3.5.2. Beslag, terugvordering, verrekening en korting».
c. Het voorgestelde artikel 48a komt te luiden:
Artikel 48a
Beslag omvat in deze paragraaf ook de vordering, bedoeld in artikel 19 van de Invorderingswet
1990.
d. Het voorgestelde opschrift «Afdeling 3.7. Bepalingen voor ambtenaren van politie
die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt» wordt vervangen door «§ 3.5.3. Bepalingen
voor ambtenaren van politie die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt».
3. Onderdeel C komt te luiden:
C
Artikel 81, derde lid, komt te luiden:
3. De artikelen 44a, 47a, 47b, 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3 van deze wet alsmede
artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 zijn van overeenkomstige toepassing op de Politieacademie,
met dien verstande dat:
a. voor de toepassing van artikel 47c en de paragrafen 3.5.2 en 3.5.3 onder bevoegd
gezag wordt verstaan: Onze Minister, en
b. voor de toepassing van artikel 4 van de Ambtenarenwet 2017 onder overheidswerkgever
wordt verstaan: de Staat.
L
Artikel 6.12 wordt als volgt gewijzigd:
Na onderdeel E wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Ea
In artikel 73, derde lid, eerste zin, wordt «benoemd» vervangen door «aangewezen».
M
Na artikel 7.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 7.4 Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005
In artikel 3, derde lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 vervalt «, die door
Onze Minister worden benoemd».
N
In hoofdstuk 8 wordt voor artikel 8.1 een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 8.0 Archiefwet 1995
De Archiefwet 1995 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «benoemd» vervangen door «aangewezen».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. gedeputeerde staten wijzen de provinciearchivaris aan. De aanwijzing eindigt van
rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van provinciearchivaris
geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
B
Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «benoemd» vervangen door «aangewezen».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. burgemeester en wethouders wijzen de gemeentearchivaris aan. De aanwijzing eindigt
van rechtswege met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van gemeentearchivaris
geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
C
Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «benoemd» vervangen door «aangewezen».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. Het bestuur wijst de waterschapsarchivaris aan. De aanwijzing eindigt van rechtswege
met ingang van de datum dat de uitoefening van de functie van waterschapsarchivaris
geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
D
In artikel 46, derde lid, wordt «benoemd» vervangen door «aangewezen».
O
Aan artikel 10.2, onderdeel C, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
3. Het tweede lid (nieuw) komt te luiden:
2. gedeputeerde staten kunnen de Provinciale Raad ontheffing verlenen van de toepassing
van de op grond van het eerste lid toe te passen arbeidsvoorwaarden inzake de salariëring
van de directeur en van de andere personen, werkzaam bij het bureau.
P
Artikel 10.6 wordt als volgt gewijzigd:
1. Onderdeel A komt te luiden:
A
Artikel 55, vijfde lid, laatste zin, wordt vervangen door twee zinnen, luidende:
Zij worden bij besluit van Onze Minister aangewezen. De aanwijzing eindigt met ingang
van de datum dat de uitoefening van de functie van secretaris of plaatsvervangend
secretaris geen onderdeel meer uitmaakt van de werkzaamheden van de betreffende ambtenaar.
2. Onder verlettering van onderdeel B tot onderdeel C wordt een nieuw onderdeel B
ingevoegd, luidende:
B
Artikel 55a, eerste lid, komt te luiden:
1. Onze Minister draagt zorg voor de indienstneming van ambtenaren, die klagers kunnen
adviseren bij het opstellen en wijzigen van hun klacht.
Q
Artikel 11.1 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het tweede lid wordt «de leden van zelfstandige bestuursorganen als bedoeld
in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en leden van
adviescolleges als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet adviescolleges»
vervangen door «de leden, bedoeld in het eerste lid».
2. Het derde lid komt te luiden:
3. In afwijking van artikel 17, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 blijven algemeen
verbindende voorschriften betreffende de rechtspositie van de in het tweede lid bedoelde
leden die tot stand zijn gebracht op grond van titel III of titel IIIa van de Ambtenarenwet
tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, op hen van toepassing.
3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. Algemeen verbindende voorschriften die op grond van titel III of titel IIIa van
de Ambtenarenwet tot stand zijn gebracht blijven van toepassing voor zover zij op
de leden, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard
tot het tijdstip, bedoeld in het eerste lid.
5. Voor zover de in het derde en vierde lid bedoelde algemeen verbindende voorschriften
bedragen bevatten, worden deze bedragen vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van
artikel I van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren telkens aangepast overeenkomstig
de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor de ambtenaren die krachtens
een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
R
Na artikel 11.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 11.1a
1. De titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet zijn tot het tijdstip, bedoeld in
artikel 11.1, eerste lid, van toepassing op de leden van zelfstandige bestuursorganen
als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
en de leden van adviescolleges als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Kaderwet
adviescolleges, die worden ingesteld na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I
van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren maar voor het tijdstip, bedoeld
in artikel 11.1, eerste lid.
2. In afwijking van het eerste lid zijn de titels III en IIIa niet van toepassing
op:
a. de leden van zelfstandige bestuursorganen aan wie een schadeloosstelling als bedoeld
in artikel 14, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is toegekend,
en;
b. de leden van adviescolleges, niet zijnde een adviescollege als bedoeld in artikel 3
van de Kaderwet adviescolleges.
S
Artikel 11.4 komt te luiden:
Artikel 11.4 Samenloop
Indien het bij koninklijke boodschap van 22 november 2018 ingediende voorstel van
wet tot wijziging van enige wetten in verband met de normalisering van de rechtspositie
van ambtenaren in het onderwijs (Kamerstukken 35 089) tot wet is of wordt verheven en die wet:
a. eerder in werking treedt of is getreden of op hetzelfde tijdstip in werking treedt
als artikel 2.12 van deze wet, komt in artikel 2.12 artikel 58 te luiden:
Artikel 58
In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling het personeel,
verbonden aan de in overgaand gebied gevestigde door de gemeente in stand gehouden
scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van
de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
over in dienst van de gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd.
b. later in werking treedt dan artikel 2.12 van deze wet, komt artikel 58 van de Wet
algemene regels herindeling te luiden:
Artikel 58
In het geval van een grenscorrectie gaat op de datum van herindeling het personeel,
verbonden aan de in overgaand gebied gevestigde door de gemeente in stand gehouden
scholen als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van
de Wet op de expertisecentra of artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs,
over in dienst van de gemeente waaraan bedoeld gebied wordt toegevoegd.
Toelichting
Onderdelen A en B
Deze onderdelen herstellen redactionele misslagen.
Onderdeel C (artikel 2.12, Wet algemene regels herindeling)
Artikel 2.12 van het wetsvoorstel is opgesteld met als uitgangspunt dat afdeling 8
van titel 7.10 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) niet op herindelingen van toepassing
is. Onderdeel E, onder 3, van deze nota van wijziging wijzigt het wetsvoorstel echter
zodanig, dat die afdeling wel van toepassing wordt op de overgang van bestuurstaken.
Daarmee komen ook herindelingen onder het bereik van die afdeling te vallen. Artikel 2.12
dient in verband daarmee te worden aangepast. Dit onderdeel voorziet daarin.
Het voorgestelde artikel 57
Het oorspronkelijk voorgestelde artikel 57 bevatte de hoofdregel dat personeel van
een op te heffen gemeente overgaat naar de gemeente waaraan het gebied wordt toegevoegd
of van de in de herindelingsregeling aan te wijzen gemeente. In de memorie van toelichting
is bij de toelichting op artikel 57, eerste en tweede lid, en artikel 58 reeds opgemerkt
dat daarbij is aangesloten bij artikel 44, eerste lid, van de Wet algemene regels
herindeling (hierna: Wet arhi), dat ziet op de overgang van rechten en plichten van
de op te heffen gemeente. Nu afdeling 8 van titel 7.10 van het BW op herindelingen
van toepassing wordt, is het niet langer nodig om in de Wet arhi de overgang van personeel
te regelen. Dat wordt voortaan geregeld door artikel 7:663 BW. In het nieuw voorgestelde
artikel 57, eerste lid, wordt neergelegd dat in het kader van herindelingen geldt
als de verkrijger de gemeente waarnaar het personeel van de op te heffen gemeente
overgaat. Hierbij is, net als in het oorspronkelijke voorstel, aansluiting gezocht
bij artikel 44, eerste lid, Wet arhi.
Het nieuw voorgestelde tweede lid bepaalt dat de tweede zin van artikel 7:663 BW niet
van toepassing is op herindelingen. Het aldaar geregelde is bij herindelingen niet
aan de orde, omdat de gemeente die wordt heringedeeld, in termen van artikel 7:663
BW de vervreemder, ophoudt te bestaan. Voor alle duidelijkheid wordt de zin buiten
toepassing verklaard.
Het voorgestelde derde lid komt overeen met het in het wetsvoorstel oorspronkelijk
voorgestelde artikel 57, tweede lid.
De oorspronkelijk voorgestelde leden 3 en 4 van artikel 57 regelden dat binnen zes
maanden na herindeling de nieuwe gemeente aan haar ambtenaren schriftelijk laat weten
of de gemeente voornemens is de arbeidsovereenkomst in verband met de herindeling
te beëindigen of te wijzigen. Nu herindelingen kunnen worden aangemerkt als overgang
van onderneming, wordt het opzegverbod van artikel 7:670, achtste lid, BW van toepassing.
Die bepaling verbiedt het opzeggen van de arbeidsovereenkomst wegens een overgang
van onderneming. Ook het wijzigen van een arbeidsovereenkomst is volgens vaste jurisprudentie
niet zomaar toegestaan. Het ligt voor de hand voor ambtenaren, die betrokken zijn
bij een herindeling, aan te sluiten bij de bestaande regels en jurisprudentie. Het
oorspronkelijk voorgestelde derde en vierde lid van artikel 57 komen daarom niet terug.
Het voorgestelde artikel 58
In het geval van een herindeling waarbij één of meerdere gemeenten worden opgeheven,
wordt de overgang van onderwijspersoneel reeds geregeld door artikel 44, eerste lid,
in samenhang met artikel 57, eerste lid, van de Wet arhi. Onderwijspersoneel gaat
aldus over naar de gemeente die de rechtsopvolger is van de opgeheven gemeente(n).
Het kan daarbij ook gaan om meerdere op te heffen gemeenten of verschillende gemeenten
die als rechtsopvolger zijn aangewezen voor afzonderlijke onderwijsinstellingen. Dit
is anders in het geval van een grenscorrectie, waarbij geen gemeente wordt opgeheven.
Wanneer in overgaand gebied een school gevestigd is en het personeel in dienst is
van de gemeente, dient het onderwijspersoneel over te gaan in dienst van de gemeente
waaraan het gebied wordt toegevoegd. Het nieuw voorgestelde artikel 58, eerste lid,
van de Wet arhi regelt dit.
In het voorgestelde tweede lid van artikel 58 van de Wet arhi is een redactionele
aanpassing aan het nieuw voorgestelde artikel 57 doorgevoerd.
Het voorgestelde artikel 59
De secretaris en griffier nemen binnen een gemeente een bijzondere positie in. Ingevolge
artikel 100 van de Gemeentewet is er slechts één secretaris en één griffier. In de
memorie van toelichting1 is bij de toelichting op het voorgestelde artikel 59 reeds beschreven dat als zij
overgaan in dienst van de nieuwe gemeente dat noodzakelijkerwijs in een andere functie
zal zijn. Het bijzondere karakter van deze functies brengt dan ook met zich dat afdeling
8 van titel 7.10 van het BW niet van toepassing kan zijn op de secretaris en de griffier.
Het nieuw voorgestelde artikel 59, tweede lid, van de Wet arhi regelt dit. Het van
rechtswege eindigen van de arbeidsovereenkomst van de secretaris (en via het nieuwe
vijfde lid van de griffier) is verplaatst van het eerste naar het tweede lid. Als
gevolg hiervan heeft artikel 59, eerste lid, louter betrekking op (het eindigen van)
de aanwijzing van de secretaris en artikel 59, tweede lid, op de gevolgen van de herindeling
voor de arbeidsovereenkomst van de secretaris die in dienst is van de op te heffen
gemeente. Eén en ander is ingevolge het voorgestelde vijfde lid van overeenkomstige
toepassing op de griffier. De overige in artikel 59 van de Wet arhi doorgevoerde wijzigingen
zijn redactionele aanpassingen hieraan.
Het voorgestelde artikel 61
Het voorgestelde artikel 61 van de Wet arhi regelt de gevolgen voor personeel van
gemeenschappelijke regelingen met eigen rechtspersoonlijkheid, die als gevolg van
de herindeling vervallen of worden opgeheven. Bij gemeenschappelijke regelingen zonder
eigen rechtspersoonlijkheid is het personeel in dienst van één van de deelnemende
gemeenten. In dat geval wordt de overgang van dat personeel geregeld door artikel 44,
eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 57, eerste lid, van de Wet arhi. Wanneer
de gemeenschappelijke regeling echter eigen rechtspersoonlijkheid heeft, is het personeel
in dienst van de gemeenschappelijke regeling zelf. Omdat de gemeenschappelijke regeling
niet als zodanig is betrokken bij de herindeling en dus niet «overgaat», zijn de regels
omtrent overgang van onderneming niet van toepassing. Dit betekent ook dat de overgang
van het personeel apart moet worden geregeld. Het nieuw voorgestelde eerste en tweede
lid van het voorgestelde artikel 61 van de Wet arhi regelen die overgang. Het nieuw
voorgestelde derde lid verklaart vervolgens de regels omtrent overgang van onderneming
in afdeling 8 van titel 7.10 van het BW van toepassing.
Het vierde lid bevat tot slot een voorziening voor de overgang van aanspraken van
gewezen personeel ten laste van de gemeenschappelijke regeling. Deze was in het oorspronkelijke
wetsvoorstel neergelegd in het voorgestelde artikel 61, derde lid. In het nieuwe artikellid
zijn ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel twee inhoudelijke wijzigingen aangebracht.
Ten eerste is voor huidig personeel een voorziening ten aanzien van de overgang van
aanspraken niet nodig, omdat op grond van het derde lid alle rechten en verplichtingen
van de gemeenschappelijke regeling overgaan op de verkrijger. Dit geldt ook voor aanspraken
uit hoofde van ziekte.
In het wetsvoorstel was voorgesteld dat aanspraak op uitkeringen van personeel, waarvan
het dienstverband redelijkerwijs niet kon worden gehandhaafd, ten laste komt van de
in de goedkeuring van de wijziging van de gemeenschappelijke regeling aan te wijzen
gemeente. In het licht van artikel 7:670, achtste lid, BW is dit echter niet meer
houdbaar. In de nieuw voorgestelde tekst komt dit daarom niet terug.
Voor de volledigheid is hieronder een aangepaste transponeringstabel opgenomen. De
rechterkolom is, ten opzichte van de tabel die in de memorie van toelichting is opgenomen,
aangepast aan de door deze nota van wijziging aangebrachte wijzigingen in artikel 2.12
van het wetsvoorstel. De linkerkolom ziet nog steeds op hoofdstuk VIII van de Wet
arhi, zoals dat thans luidt. In die kolom zijn dan ook geen wijzigingen aangebracht.
Aangepaste transponeringstabel Wet arhi
Huidige situatie
Na inwerkingtreding Wnra
Artikel 57, eerste lid
Artikel 59, eerste tot en met derde lid
Artikel 57, tweede lid
Artikel 59, vierde lid
Artikel 57, derde lid
Artikel 59, vijfde lid
Artikel 58
Artikel 58
Artikel 59, eerste lid
Artikel 57, eerste en tweede lid
Artikel 59, tweede lid
Artikel 57, derde lid, en artikel 58, tweede lid
Artikel 59, derde lid
Vervallen. Herindelingen worden voortaan aangemerkt als overgang van onderneming.
Dit brengt met zich, dat op grond van artikel 7:670, achtste lid, BW een arbeidsovereenkomst
niet op bedrijfseconomische gronden wegens de overgang mag worden opgezegd. De bestaande
jurisprudentie over het wijzigen van een arbeidsovereenkomst vanwege een overgang
van onderneming wordt op herindelingen van toepassing.
Artikel 59, vierde en vijfde lid
Vervallen. Artikel 7:669, vierde lid, Burgerlijk Wetboek: de werkgever kan de arbeidsovereenkomst
alleen opzeggen indien herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met
behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de
rede ligt
Artikel 59, zesde lid
Vervalt. De door artikel 7:672 Burgerlijk Wetboek voorgeschreven opzegtermijn wordt
in acht genomen.
Artikel 59, zevende, achtste en negende lid
Vervallen. Bij beëindiging met wederzijds goedvinden kunnen partijen overeenkomen
wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt en deze datum, met wederzijds goedvinden, tussentijds
wijzigen. In het geval van opzegging geldt voor werkgevers geen maximumtermijn, alleen
een minimumtermijn. Wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd en deze niet eindigt met wederzijds goedvinden, na opzegging met instemming van
de werknemer of na opzegging door de werknemer zelf is het eveneens mogelijk om deze
te doen eindigen en voor het verrichten van de tijdelijke werkzaamheden een tijdelijke
arbeidsovereenkomst aan te gaan (artikel 7:667, vierde lid, Burgerlijk Wetboek).
Artikel 59, tiende lid
Vervalt. De rechten en verplichtingen van de oude werkgever gaan over op de nieuwe
werkgever (artikel 44, eerste lid, en artikel 57, eerste lid). Dit geldt ook voor
het loon; de gemeente waar de ambtenaar toe overgaat is op grond daarvan verplicht
hetzelfde loon te blijven betalen.
Artikel 59, elfde lid
Vervalt. Arbeidsovereenkomsten worden de norm.
Artikel 60
Vervalt. De rechten en verplichtingen van de oude werkgever gaan over op de nieuwe
werkgever (artikel 44, eerste lid, en artikel 57, eerste lid). Dit geldt ook voor
de (collectieve) arbeidsvoorwaarden. De totstandkoming van nieuwe collectieve arbeidsvoorwaarden,
voor zover aan de orde, is afhankelijk van overeenstemming tussen werkgever en werknemers.
Artikel 61, eerste lid
Artikel 60, eerste lid
Artikel 61, tweede lid
Artikel 60, eerste, tweede en derde lid
Artikel 61, derde lid
Artikel 60, vierde lid
Artikel 62 en 63
Vervallen. Op grond van artikel 44, eerste lid, en artikel 57, eerste lid, komen aanspraken
van (voormalige) ambtenaren uit hoofde van ziekte of ontslag ten laste van de rechtsopvolgende
gemeente.
Artikel 65
Vervalt; de in deze bepaling genoemde regeling bestaat niet meer.
Artikel 66, eerste lid
Artikel 61, eerste en derde lid
Artikel 66, tweede lid, onderdeel a
Artikel 61, tweede en derde lid
Artikel 66, tweede lid, onderdeel b
Vervallen. De bepaling waarnaar wordt verwezen, artikel 57, derde lid, vervalt eveneens.
Artikel 66, tweede lid, onderdeel c
Vervalt. De bepalingen waarnaar wordt verwezen vervallen eveneens.
Artikel 66, derde lid
Artikel 61, vierde lid
Onderdeel D (artikel 2.16, Wet incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement)
Het loonbegrip in het BW is niet specifiek gedefinieerd en beperkt zich niet tot geldelijke
inkomsten. Het komt daarmee niet overeen met hetgeen tot nu tot de bezoldiging wordt
gerekend, omdat die bezoldiging is beperkt tot geldelijke inkomsten. Het loonbegrip
in het Burgerlijk Wetboek is voor de berekening van de non-activiteitswedde van genormaliseerde
ambtenaren op grond van de Wet Incompatibiliteiten Staten-Generaal en Europees Parlement
daarom niet goed toepasbaar als alternatief om het begrip «bezoldiging» te vervangen.
Dit wordt aangepast naar een verwijzing naar het loonbegrip in de Wet minimumloon
en minimumvakantiebijslag; dat wel is beperkt tot geldelijke inkomsten en komt nagenoeg
overeen met hetgeen tot de bezoldiging wordt gerekend.
In de tweede zin van het voorgestelde artikel 4, tweede lid, van de Wet Incompatibiliteiten
Staten-Generaal en Europees Parlement zijn geen wijzigingen aangebracht.
Onderdeel E (Artikel 2.18, Wet normalisering rechtspositie ambtenaren)
Onder 1, subonderdeel a (het voorgestelde artikel 3a Ambtenarenwet 2017)
Op het moment van inwerkingtreding van de Wnra vervalt artikel 125 van de Ambtenarenwet.
Daarmee vervalt ook de huidige delegatiegrondslag uit artikel 125, eerste lid, onderdeel
b, van de Ambtenarenwet om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften
vast te stellen betreffende het onderzoek naar de geschiktheid en de bekwaamheid van
ambtenaren. Voor rijksambtenaren wordt deze bepaling uitgewerkt in artikel 9 van het
ARAR, dat een grondslag biedt om, waar noodzakelijk ten behoeve van het onderzoek,
persoonsgegevens te verwerken. Dit kunnen ook bijzondere categorieën van persoonsgegevens
en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard zijn. Zie bijvoorbeeld het huidige artikel 9,
zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR).
De verwerkingsgrond, te weten het onderzoek naar de geschiktheid en bekwaamheid van
ambtenaren, dient behouden te blijven. Er wordt voorgesteld deze in artikel 3a van
de Ambtenarenwet 2017 op te nemen. In de formulering van de bepaling wordt daarbij
tevens expliciet een grondslag opgenomen voor het verwerken van bijzondere categorieën
van persoonsgegevens en persoonsgegevens van strafrechtelijke aard genoemd. Dit is
nu geregeld in artikel 9 van het ARAR. Omwille van inzichtelijkheid is ervoor gekozen
deze verwerkingsgrondslag nu op het niveau van de formele wet neer leggen. Dit is
lijn met de keuze van de initiatiefnemers van de Wnra bij andere onderwerpen, die
thans op het niveau van een algemene maatregel van bestuur geregeld zijn, in het kader
van de Wnra de normstelling naar het niveau van de formele wet te tillen.
Op grond van het tweede lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
gesteld.
Onder 1, subonderdeel b (wijziging artikel 14 Ambtenarenwet 2017)
Met dit onderdeel wordt een nieuw derde lid in artikel 14 van de Ambtenarenwet 2017
ingevoegd. Het voorgestelde derde lid wordt met een redactionele aanpassing verplaatst
naar het vierde lid.
Naar het oordeel van de regering dienen na inwerkingtreding van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren (Wnra) de dienstjaren gewerkt op basis van een of meerdere
aanstellingen, die voorafgingen aan de aanstelling die op grond van artikel 14, eerste
lid, van de Ambtenarenwet 2017 van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht in elk geval mee te tellen bij:
• de vaststelling van het recht op transitievergoeding en de hoogte daarvan in de zin
van artikel 7:673 BW;
• de toepassing van de ketenregeling in de zin van artikel 7:668a BW;
• de berekening van de termijn van opzegging in de zin van 7:672 BW;
• de toepassing van de regeling van de proeftijd in artikel 7:652 BW.
Het is gebleken dat onzekerheid bestond of dit het geval is en of artikel 14 van de
Ambtenarenwet 2017 in deze zin dient te worden uitgelegd; in het verslag2 van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer vragen bijvoorbeeld
de leden van de VVD-fractie hiernaar. Om de onzekerheid weg te nemen, is het wetsvoorstel
op dit punt aangepast. Het uitgangspunt, dat voorgaande aanstellingen meetellen als
ware zij arbeidsovereenkomsten, is expliciet vastgelegd in het voorgestelde derde
lid van artikel 14 van de Ambtenarenwet 2017. Artikel 15 van de Ontslagregeling zal
overeenkomstig worden aangepast, zodat het voor het UWV helder is op welke wijze het
afspiegelingsbeginsel moet worden toegepast.
Op grond van artikel 7:668a, tweede lid, en artikel 7:673, vierde lid, onderdeel b,
van het BW zijn elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende
werkgevers, die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van
de werknemer, ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijs geacht moeten worden
elkaars opvolger te zijn, van invloed op de toepassing van de ketenregeling en de
vaststelling van het recht op transitievergoeding en de hoogte daarvan. Deze artikelen
kunnen ook worden toegepast ten aanzien van aanstellingen die als arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht worden beschouwd. In welk geval werkgevers ten aanzien van de
verrichte arbeid redelijkerwijs als elkaars opvolgers dienen te worden beschouwd,
is afhankelijk van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Om eventuele misverstanden te voorkomen, zij hier nog opgemerkt dat in het eerste
lid van artikel 14 van de Ambtenarenwet 2017 is bepaald dat met ingang van het tijdstip
van inwerkingtreding van artikel I van de Wnra de aanstelling van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat het ontstaan van de arbeidsovereenkomst
automatisch uit de wet voortvloeit: de ambtenaar en zijn werkgever hebben hierin geen
keuzevrijheid. Niettemin kunnen werkgevers ervoor kiezen om een arbeidsovereenkomst
te sluiten met personeel dat al in dienst was voor inwerkingtreding van de Wnra (bijvoorbeeld
omdat zij als extra afspraak bepaalde bedingen, zoals een incorporatiebeding, willen
overeenkomen). Indien partijen hierbij kiezen voor een latere ingangsdatum dan de
datum van inwerkingtreding van artikel I van de Wnra, dan is het evident dat sprake
is van een wijziging van de al tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Mochten
partijen ervoor kiezen om een dergelijke arbeidsovereenkomst te sluiten die tegelijk met de inwerkingtreding van de Wnra (de beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari
2020) ingaat, dan moet deze overeenkomst juridisch eveneens gezien worden als een
wijziging van de arbeidsovereenkomst die van rechtswege ontstaan is. Wijzigingen die
partijen met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wnra overeenkomen
maken immers deel uit van dezelfde arbeidsverhouding (die wordt voortgezet in een
andere juridische vorm, namelijk een arbeidsovereenkomst in plaats van een aanstelling);
het gaat niet om een nieuw dienstverband. Dit laat bestaande rechten van de ambtenaar
onverlet, tenzij partijen willens en wetens wijzigingen daarin overeenkomen. Een wijziging
van de arbeidsovereenkomst geldt dan ook niet als een nieuwe arbeidsovereenkomst voor
de toepassing van de ketenregeling in de zin van artikel 7:668a BW.
Onder 2 (wijziging artikel 47 Politiewet 2012)
Artikel 2.18, onderdeel B, van het wetsvoorstel voorziet in wijzigingen van artikel IIA,
onderdeel A, van de Wnra. Artikel IIA, onderdeel A, van de Wnra heeft betrekking op
artikel 47 van de Politiewet 2012. Artikel 3, onderdeel f, van de Ambtenarenwet 2017
bepaalt dat een overheidswerkgever geen arbeidsovereenkomst sluit met ambtenaren van
politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 en de plaatsvervanger van
de directeur van de Politieacademie, bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de Politiewet
2012.3 Genoemde functionarissen zijn dan ook geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet
2017.
De hier voorgestelde wijziging beoogt artikel IIA, van de Wnra in overeenstemming
te brengen met de systematiek van de Politiewet 2012. Volgens de systematiek van de
Politiewet 2012 is hoofdstuk 3 van de Politiewet 2012 – inclusief artikel 47 – uitsluitend
van toepassing op de rechtspersoon politie, te weten het landelijk politiekorps, bedoeld
in artikel 25, eerste lid, van de Politiewet 2012, en op de bij de rechtspersoon politie
werkzame ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen a, b en c, van
die wet. Hoofdstuk 4 van de Politiewet 2012 is van toepassing op de rijksrecherche
en op de ambtenaren van de rijksrecherche, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van
de Politiewet 2012 die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, onderscheidenlijk
voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van
de rijksrecherche. Artikel 53, tweede en derde lid, van de Politiewet 2012 – opgenomen
in hoofdstuk 4 van de Politiewet 2012 – verklaren een aantal rechtspositionele bepalingen
uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing op de rijksrecherche.
Gelet op het feit dat het huidige artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 bepaalt
dat daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving van toepassing is op de politie, doorkruist artikel IIA, onderdeel A, van de Wnra de systematiek van de Politiewet
2012 door te regelen dat artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 na de inwerkingtreding
van de Wnra betrekking zal hebben op de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012, derhalve inclusief de ambtenaren van de rijksrecherche. Daarnaast wordt hiermee
de reikwijdte van artikel 47, eerste lid, van de Politiewet 2012 ingeperkt omdat de
daarop gebaseerde gedelegeerde regelgeving niet alleen betrekking heeft op de ambtenaren
van politie, maar ook op de politieorganisatie als zodanig en daarmee het bevoegd
gezag. Dat de initiatiefnemers van de Wnra niet beoogd hebben de bestaande systematiek
van de Politiewet 2012 te doorkruisen en de Wnra op dit punt innerlijk tegenstrijdig
is, blijkt uit het feit dat zij in artikel IIA, onderdeel B, van de Wnra de schakelbepaling
van artikel 53, derde lid, van de Politiewet 2012 conform de systematiek van de Politiewet
2012 hebben gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis van de Wnra blijkt voorts niet dat
de initiatiefnemers de bedoeling hebben gehad de reikwijdte van artikel 47, eerste
lid, van de Politiewet 2012 in te perken. Deze onbedoelde gevolgen worden hersteld
door «de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2» te vervangen door «de politie».
Tevens wordt artikel IIA, onderdeel B, van de Politiewet met dit oogmerk gewijzigd.
Deze wijzigingen realiseren een beleidsneutrale voortzetting van de systematiek van
de huidige Politiewet 2012 die als conform aan de bedoelingen van de initiatiefnemers
moet worden gezien.
In artikel IIA, onderdeel A, onder 1, van de Wnra wordt daarnaast een wetstechnische
verbetering voorgesteld, door de verplichting, dat de op grond van artikel 47, eerste
lid, van de Politiewet 2012 tot stand te brengen algemene maatregel van bestuur wordt
voorgedragen door de Minister van Justitie en Veiligheid, te schrappen.
Onder 3 (wijziging 7:662 BW)
Artikel 7:662 en volgende BW implementeren Richtlijn 2001/23 van de Raad van 12 maart
2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende
het behoud van de rechten van de werknemers bij de overgang van ondernemingen, vestigingen
of onderdelen ondernemingen of vestigingen (PbEG van 22 maart 2001, L 82/16). Hoofddoel
van deze richtlijn is de nadelige effecten van fusies en concentraties van ondernemingen
voor het personeel te voorkomen.
Bij de implementatie van deze richtlijn is aangesloten bij de reikwijdte van de richtlijn.
Afdeling 8 van titel 7.10 BW moet daarom richtlijnconform worden geïnterpreteerd.
Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de richtlijn
niet van toepassing is op personen die niet krachtens nationale wetgeving als werknemer
bescherming genieten, ongeacht de werkzaamheden die zij uitoefenen. Van belang hierbij
is of werknemers op het moment van overgang onder «een publiek statuut» vallen. Tot
de inwerkingtreding van de Wnra genieten ambtenaren daarom niet de bescherming die
werknemers op grond van artikel 7:662 BW en volgende hebben: zij vallen immers onder
een «publiek statuut», te weten de Ambtenarenwet en andere speciaal voor ambtenaren
in het leven geroepen wettelijke regelingen.
Nu de rechtspositie van ambtenaren als gevolg van de Wnra gelijk getrokken wordt met
die van werknemers in de private sector, is het logisch dat ambtenaren dezelfde arbeidsrechtelijke
bescherming genieten als werknemers bij overgang van onderneming. Dit is ook in lijn
met de Wet arhi, die een soortgelijke regeling biedt voor gemeentelijke herindeling.
Om die reden dienen ambtenaren die een arbeidsovereenkomst krijgen, ook volledig onder
de werking van artikel 7:662 e.v. BW te worden gebracht.
Hierbij is ten eerste van belang het begrip «onderneming». Dit begrip beslaat volgens
de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie ook de publieke sector.
Zo kan een onderdeel van een gemeente of ander overheidslichaam een onderneming zijn.
Bij een openbare onderneming moet niet alleen gedacht worden aan een op winst gericht
overheidsbedrijf. Ook een gemeente of een waterschap valt bijvoorbeeld onder de definitie
van het begrip «onderneming», zij het dat het moet gaan om economische activiteiten.
Een administratieve reorganisatie van overheidsdiensten of de overgang van administratieve
functies tussen overheidsdiensten kan niet als overgang van onderneming in de zin
van de richtlijn gekwalificeerd worden. Dus als openbaar gezagstaken bij een overgang
van onderneming overgaan, valt dit niet onder de reikwijdte van afdeling 8 van titel 7.10
BW. Nu ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 2017 een arbeidsovereenkomst krijgen
en daarmee onder het arbeidsrecht vallen, is dat niet wenselijk. Het zou betekenen
dat als er bij een overgang van onderneming openbaar gezagstaken overgaan de rechtsbescherming
die afdeling 8 biedt bij overgang van onderneming in veel gevallen aan ambtenaren
zou worden onthouden. Om zeker te stellen dat afdeling 8 van titel 7.10 BW ook van
toepassing is bij de overgang van de ene overheidsinstelling naar de andere, ook als
er bij overgang van onderneming ook openbaar gezagstaken overgaan, wordt voorgesteld
dit artikel in die zin aan te vullen. De richtlijn beoogt de positie van werknemers
bij overgang van onderneming te beschermen en staat er niet aan in de weg om de reikwijdte
(bescherming) van het regime van overgang van onderneming via nationale wetgeving
te verruimen naar de overgang van activiteiten die behoren tot de uitoefening van
openbaar gezag.
Onderdeel F (artikel 2.19, Wet op de parlementaire enquête 2008)
Artikel 2.19 van het wetsvoorstel is vereenvoudigd. Reden daarvoor is de vraag van
de leden van de D66-fractie in het verslag4 of in de voorgestelde wijziging van de definitie van ambtenaar niet specifieker kan
worden verwezen dan naar het gehele artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017. Dat is inderdaad
het geval. Hieronder wordt ten aanzien van de in artikel 3 genoemde categorieën personen
beschreven of zij al dan niet in artikel 1 van de Wet op de parlementaire enquête
2008 (hierna: WPE) dienen te worden genoemd en daarmee moeten worden aangemerkt als
ambtenaar in de zin van die wet.
De bepalingen in de WPE hebben betrekking op ambtenaren die werkzaam zijn of zijn
geweest ten behoeve van organen van de Staat. Artikel 16, tweede lid, en artikel 20,
eerste lid, van de WPE zijn uitsluitend van toepassing op ambtenaren, die ten behoeve
van een Minister of Staatssecretaris werkzaam zijn of zijn geweest. Artikel 19, tweede en derde lid, WPE is van toepassing
op ambtenaren die werkzaam zijn of zijn geweest ten behoeve van een tot de Staat behorend orgaan. Met Staat wordt in dit verband bedoeld de rechtspersoon Staat. In de meeste gevallen
gaat dit om ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 2017.
De reden dat de reikwijdte van artikel 19 groter is, is »omdat deze organen veelal
informatie onder zich zullen hebben, die van de betrokken ministeries afkomstig is.
Indien [ambtenaren die werkzaam zijn (geweest) bij] deze organen niet de verschoningsgrond
belang van de Staat zou toekomen, zou de situatie kunnen ontstaan dat bepaalde informatie
die niet door een bewindspersoon wordt verstrekt, bijvoorbeeld van de Algemene Rekenkamer
kan worden gevraagd.»5
Burgerlijke ambtenaren van het Ministerie van Defensie, militaire ambtenaren en dienstplichtigen
dienen onder het begrip ambtenaar als bedoeld in de WPE te vallen. Voor hen dienen
de in artikel 16, tweede lid, artikel 19, tweede en derde lid, en artikel 20, eerste
lid, WPE voor ambtenaren neergelegde regels te blijven gelden. Zij zijn ingevolge
artikel 3, onderdelen c en d, van de Ambtenarenwet 2017 echter geen ambtenaar in de
zin van die wet. Zij worden daarom in het nieuw voorgestelde artikel 1, tweede lid,
WPE onder het begrip «ambtenaar» gebracht. Daarbij wordt verwezen naar de in artikel 3.1,
onderdeel A, van het wetsvoorstel voorgestelde definitie voor de (burgerlijke en militaire)
ambtenaar van Defensie en naar het begrip dienstplichtige als bedoeld in artikel 1,
eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht.
Tot de kring van personen op wie thans artikel 19, tweede en derde lid, WPE van toepassing
is behoren ook leden en bestuurders van tot de Staat behorende organen. Zij worden
in die bepalingen reeds als aparte groep genoemd. Dit zijn bijvoorbeeld leden van
zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges. Zij zijn thans wel ambtenaar in de
zin van de Ambtenarenwet, maar niet in de zin van de Ambtenarenwet 2017 omdat artikel 3,
onderdeel a van die wet op hen van toepassing is. Zij worden echter in artikel 19,
tweede en derde lid, WPE al apart genoemd. Zij hoeven daarom niet ook nog eens onder
de reikwijdte van het begrip «ambtenaar», zoals dat wordt gedefinieerd in artikel 1,
tweede lid, WPE, te worden gebracht.
Voor wat betreft ambtenaren van politie, geldt dat zij naar huidig recht geen ambtenaren
zijn die werkzaam zijn of zijn geweest ten behoeve van een tot de staat behorend orgaan.
De Nationale politie heeft op grond van artikel 26 van de Politiewet 2012 eigen rechtspersoonlijkheid,
waardoor ambtenaren van politie niet werkzaam zijn ten behoeve van een tot de Staat
behorend orgaan. Zij kunnen zich dus niet op grond van artikel 19 WPE beroepen op
het belang van de staat als verschoningsgrond. Met het wetsvoorstel wordt daarin geen
verandering beoogd; de verwijzing naar onderdeel f van artikel 3 van de Ambtenarenwet
2017 in artikel 1 van de WPE blijft daarom achterwege.
Verwijzing naar de onderdelen b en e van artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 kan achterwege
blijven omdat deze groepen niet behoren te vallen onder het begrip «ambtenaar» in
de zin van de WPE. Zij zullen namelijk niet beschikken over informatie die afkomstig
is van ministeries en zijn evenmin werkzaam voor een Minister. De artikelen 16, 19
en 20 van de WPE zijn voor hen dus niet relevant.
Onderdeel G (artikel 2.21, Wet raadgevend referendum)
De Wet raadgevend referendum is met ingang van 10 juli 2018 ingetrokken.6 Artikel 2.21 van het wetsvoorstel, dat een wijziging van die wet inhield, dient daarom
eveneens te vervallen.
Onderdeel H (het voorgestelde artikel 2.25, Wet vergoedingen adviescolleges en commissies)
Na inwerkingtreding van de Wnra heeft de sector Rijk geen wettelijk vastgelegde positie
meer, en zal het voortbestaan ervan in de huidige of een andere vorm afhangen van
afspraken van de sociale partners. Verwijzingen naar die sector dienen daarom te worden
aangepast. De rechtspositieregelingen worden vervangen door collectieve arbeidsovereenkomsten
(cao’s). Verwijzingen naar de sector Rijk worden daarom vervangen door een verwijzing
naar ambtenaren die op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.
Dit wordt expliciet bepaald zodat duidelijk is dat deze verwijzing alleen slaat op
ambtenaren in dienst van de Staat zelf en niet op ambtenaren, die vanuit een andere
overheidswerkgever worden gedetacheerd.
Onderdeel I (het voorgestelde artikel 6.2a, Boek 1 Burgerlijk Wetboek)
De voorgestelde wijziging strekt ertoe de bepaling in het Burgerlijk Wetboek (BW)
die betrekking heeft op de ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand aan te passen met het oog op de invoering van de Wet normalisering
rechtspositie ambtenaren (Wnra). Artikel 1:16 van het BW stelt rechtspositionele regels
ten aanzien van de ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand binnen de gemeente. Ambtenaren die momenteel bij de gemeente
op publiekrechtelijke grondslag zijn aangesteld, worden na de inwerkingtreding van
de Wnra ambtenaren in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017
en zullen als gevolg daarvan krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam zijn voor de gemeente.
De overgang naar een privaatrechtelijke rechtspositie vergt enkele redactionele aanpassingen
in artikel 1:16 BW die hieronder worden toegelicht.
De ambtenaar van de burgerlijke stand en de buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke
stand worden op grond van artikel 1:16, eerste lid, van het BW benoemd, geschorst
en ontslagen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarbij
zij werkzaam zijn. De ambtenaar van de burgerlijke stand die in dienst is van een
gemeente, zal na de inwerkingtreding van de Wnra krachtens arbeidsovereenkomst werkzaam
zijn met een overheidswerkgever, namelijk de gemeente (artikel 2, aanhef en onder
c, van de Ambtenarenwet 2017). Dat geldt ook voor de buitengewoon ambtenaar van de
burgerlijke stand die als ambtenaar in dienst is van een gemeente.
Uitgangspunt van de aanpassingswetgeving is dat het orgaan binnen de rechtspersoon
dat nu zeggenschap over het personeel heeft, die zeggenschap behoudt. Het college
van burgemeester en wethouders is op grond van artikel 160, eerste lid, onderdeel
e, van de Gemeentewet bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente
te besluiten. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders op grond
van de huidige regelgeving na inwerkingtreding van de Wnra de zeggenschap houdt over
het personeel waarover het nu zeggenschap heeft, omdat het belast is met de besluitvorming
over alle privaatrechtelijke rechtshandelingen van de gemeente. Daaronder valt ook
het aangaan, wijzigen en beëindigen van een arbeidsovereenkomst. De burgemeester sluit,
wijzigt of beëindigt vervolgens namens de gemeente de arbeidsovereenkomst op grond
van artikel 171, eerste lid, van de Gemeentewet. De bevoegdheid van het college tot
benoemen, schorsen en ontslaan, zoals opgenomen in het tweede lid, van artikel 1:16
BW kan dan ook komen te vervallen (zie ook paragraaf 4.2 van de memorie van toelichting
bij de Aanpassingswet normalisering rechtspositie ambtenaren). De buitengewoon ambtenaar
van de burgerlijke stand die geen ambtenaar in gemeentelijke dienst is (artikel 1:16,
derde lid, van het BW) en derhalve niet onder artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet
2017 valt, zal met toepassing van artikel 1, tweede lid, van de Ambtenarenwet 2017
onder de werking van de Ambtenarenwet 2017 worden gebracht (zie daarvoor ook paragraaf
9.2.1 van de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet normalisering rechtspositie
ambtenaren).
Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kent aan de ambtenaar van de burgerlijke stand diverse
taken en bevoegdheden toe. De ambtenaar van de burgerlijke stand is onder andere belast
met het opnemen van akten in de onder hem berustende registers van de burgerlijke
stand (artikel 1:16a BW) en met het opmaken van akten van geboorten en overlijdens
(artikelen 1:19 en 1:19f). Ook kunnen er binnen een gemeente een of meer buitengewoon
ambtenaren van de burgerlijke stand werkzaam zijn. De buitengewoon ambtenaren van
de burgerlijke stand worden slechts belast met het verrichten van bepaalde taken (artikel 1:16,
derde lid, tweede volzin, van het BW).
Gelet op het feit dat aan de ambtenaar van de burgerlijke stand wettelijke bevoegdheden
zijn geattribueerd, is de ambtenaar van de burgerlijke stand bestuursorgaan in de
zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het aanstellingsbesluit waarin een ambtenaar
momenteel in de functie van ambtenaar van de burgerlijke stand wordt benoemd, heeft
tot gevolg dat de ambtenaar deze wettelijk geattribueerde taken en bevoegdheden kan
uitoefenen. De arbeidsovereenkomst kan, anders dan het aanstellingsbesluit, echter
niet tevens als grondslag dienen voor de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden.
Daartoe is immers een publiekrechtelijke grondslag vereist. Naast de arbeidsovereenkomst
zal het college van burgemeester en wethouders om die reden de persoon met wie de
arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, bij besluit moeten aanwijzen in de functie van
ambtenaar van de burgerlijke stand. Het aanwijzingsbesluit biedt dan de grondslag
voor het uitoefenen van de wettelijk toegekende bevoegdheden. Uitgangspunt bij de
Aanpassingswet normalisering rechtspositie ambtenaren is om bepalingen op grond waarvan
ambtenaren in functies worden benoemd waaraan bij of krachtens de wet bevoegdheden
worden toegekend daarop aan te passen door de term «benoemen» te vervangen door de
term «aanwijzen». Artikel 1:16 BW wordt overeenkomstig dit uitgangspunt aangepast
(zie ook paragraaf 4.3 «Arbeidsovereenkomsten en wettelijk geattribueerde bevoegdheden
aan bepaalde functies») en zal de grondslag bieden voor het college van burgemeester
en wethouders om een aanwijzingsbesluit te nemen ter zake van de ambtenaar van de
burgerlijke stand. Op deze manier wordt veiliggesteld dat deze ambtenaren hun wettelijk
toegekende taken en bevoegdheden kunnen uitoefenen.
Voor de goede orde wordt hier opgemerkt dat de ambtenaar van de burgerlijke stand
bestuursorgaan is, maar niet onder de uitzondering van artikel 3, aanhef en onder
a, van de Wnra valt (zie daarvoor p. 24 van de memorie van toelichting bij de Wnra)7.
De voorgestelde wijzigingen zijn beleidsneutraal en technisch van aard. Inhoudelijke
wijzigingen zijn daarbij niet beoogd.
Onderdeel J (het voorgestelde artikel 6.4a, Penitentiaire beginselenwet)
Artikel 41, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet behelst de delegatiegrondslag
voor het bij of krachtens algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels
ten aanzien van de beschikbaarheid van de geestelijke verzorging. Deze regels hebben
betrekking op de verlening van geestelijke verzorging door of vanwege verschillende
richtingen van godsdienst of levensovertuiging, op de organisatie en de bekostiging
van de geestelijke verzorging en op zaken die verband houden met de aanstelling van
geestelijk verzorgers bij een inrichting. In de Penitentiaire maatregel, de algemene
maatregel van bestuur waarin voornoemde regels zijn opgenomen, is in de artikelen 26
en 27 bepaald dat geestelijk verzorgers van verschillende gezindten of levensovertuigingen
op grond van een aanstelling werkzaam kunnen zijn bij een inrichting. Volgens de nota
van toelichting8 bij de Penitentiaire maatregel gaat het hier om een ambtelijke aanstelling. Ook wordt
in de nota van toelichting9 aangegeven dat een geestelijk verzorger op andere titel dan een aanstelling werkzaam
kan zijn bij een inrichting. Nu in artikel 41, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet
de term «aanstelling» wordt gebruikt met betrekking tot de arbeidsrelatie van geestelijk
verzorgers, wordt deze term vervangen door de term «indienstneming». Hiermee wordt
de ruimte gelaten voor nadere invulling van de arbeidsrelatie in de praktijk. Een
materiële wijziging is niet beoogd.
Onderdeel K (Politiewet 2012)
Deze wijziging brengt het voorgestelde artikel 6.5 van het wetsvoorstel in overeenstemming
met de systematiek van de Politiewet 2012.
Zoals hiervoor in de toelichting op onderdeel E, onder 2, is aangegeven, bepaalt artikel 3,
onderdeel f, van de Ambtenarenwet 2017 dat een overheidswerkgever geen arbeidsovereenkomst
sluit met ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 2 van de Politiewet 2012 en
de plaatsvervanger van de directeur van de Politieacademie, bedoeld in artikel 76,
eerste lid, van de Politiewet 2012.10 Genoemde functionarissen zijn dan ook geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet
2017. De directeur van de Politieacademie, bedoeld in artikel 73, derde lid, van de
Politiewet 2012, is een eenhoofdig zelfstandig bestuursorgaan van de rechtspersoon
Politieacademie en is op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van de Ambtenarenwet
2017 geen ambtenaar in de zin van deze wet.
Dit brengt met zich dat de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet die komen te
vervallen, maar op dit moment wel van toepassing zijn op ambtenaren van politie, bedoeld
in artikel 2 van de Politiewet 2012, en de directeur van de Politieacademie en zijn
plaatsvervanger, ook na invoering van de Wnra onverkort op hen van toepassing moeten
blijven. Titel III komt deels terug in de paragrafen 2, 3 en 4 van de Ambtenarenwet
2017, die door middel van het met artikel IIA van de Wnra gewijzigde artikel 47, vierde
lid, van de Politiewet 2012 van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de
politie. De artikelen 125b, 125c, 125g en 125h en de titels II en IIIa van de Ambtenarenwet
komen als gevolg van artikel I van de Wnra te vervallen. Zie hierover ook paragraaf
5.1 in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel. Met de overheveling van de
inhoud daarvan naar de artikelen 47a tot en met 47c en de nieuwe paragrafen 3.5.2.
en 3.5.3. in het hoofdstuk 3 van de Politiewet 2012 wordt veiliggesteld dat de inhoud
van bedoelde, te vervallen bepalingen uit de Ambtenarenwet van toepassing blijven
op de politie.
Zoals hiervoor in de toelichting op onderdeel E, onder 2, aangegeven, worden in de
Politiewet 2012 de politie, de rijksrecherche en de Politieacademie en daarmee tevens
de bij deze organisaties in dienst zijnde personen geregeld in drie separate hoofdstukken:
hoofdstuk 3 voor de politie en ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 2, onderdelen
a, b en c, van de Politiewet 2012, hoofdstuk 4 voor de rijksrecherche en de ambtenaren
van de rijksrecherche, bedoeld in artikel 2, onderdeel d, van de Politiewet 2012,
en hoofdstuk 8 voor de Politieacademie en de directeur van de Politieacademie en zijn
plaatsvervanger.
In de hoofdstukken 4 en 8 is een aantal rechtspositionele bepalingen uit hoofdstuk
3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de rijksrecherche (artikel 53) onderscheidenlijk
de Politieacademie (artikel 81).
Om te regelen dat de vanuit de Ambtenarenwet overgehevelde bepalingen ook van toepassing
blijven op de ambtenaren van de rijksrecherche en de directeur van de Politieacademie
en zijn plaatsvervanger wordt voorgesteld in de artikelen 53 en 81 van de Politiewet
2012 te bepalen dat de voorgestelde artikelen 44a, 47a, 47b en 47c en de voorgestelde
paragrafen 3.5.2. en 3.5.3. van de Politiewet 2012 van overeenkomstige toepassing
zijn op de rijksrecherche, onderscheidenlijk de Politieacademie.
Ter verduidelijking wordt voorts voorgesteld ten aanzien van de Politieacademie, een
krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon, in artikel 81, derde lid, van de
Politiewet 2012 aangegeven dat voor de toepassing van artikel 4 van de Ambtenarenwet
2017 onder bevoegd gezag de Staat wordt verstaan. Deze aanpassingen betreffen een
louter wetstechnische aanpassing; inhoudelijke wijzingen worden daarbij niet beoogd.
Onderdeel L (artikel 6.12, Wet op de rechterlijke organisatie)
Met deze wijziging wordt een aanpassing van artikel 73, derde lid, van de Wet op de
rechterlijke organisatie voorgesteld. In artikel 73, derde lid, wordt ter zake van
de waarnemend griffiers bij de Hoge Raad de term «benoemd» vervangen door «aangewezen».
Aan deze functie zijn bij wet een aantal bevoegdheden geattribueerd, zoals het op
grond van artikel 36, derde lid, van de Onteigeningswet oproepen van partijen, derde
belanghebbenden en deskundigen in onteigeningszaken. Overeenkomstig hetgeen is beschreven
in paragraaf 4.3 van de memorie van toelichting wordt in dergelijke gevallen de benoeming
vervangen door een aanwijzing.
Onderdeel M (het voorgestelde artikel 7.4, Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005)
De secretaris en de adjunct-secretaris worden thans op grond van artikel 3, derde
lid, van de Zaaizaad- en Plantgoedwet 2005 benoemd door de Minister van Landbouw,
Natuur en Voedselkwaliteit. Na inwerkingtreding van de Wnra wordt echter niet meer
gesproken van benoemingen. In verband daarmee dient de zinsnede, die nu de benoeming
regelt, te vervallen.
Onderdeel N (het voorgestelde artikel 8.0, Archiefwet 1995)
In de Archiefwet 1995 was abusievelijk het «benoemen» van de provinciearchivaris,
de gemeentearchivaris en de waterschapsarchivaris niet aangepast in «aangewezen».
Naast de arbeidsovereenkomst die de betreffende ambtenaar na de inwerkingtreding van
de Wnra heeft met een provincie, gemeente of waterschap, heeft de archivaris ook de
bevoegdheid om de archiefbewaarplaats te beheren. Voor deze publiekrechtelijke bevoegdheid
is een aanwijzingsbesluit nodig. De archivaris wordt daarom voortaan «aangewezen»
in plaats van «benoemd». De aanwijzing eindigt van rechtswege zodra de functie van
provincie-, gemeente- of waterschapsarchivaris geen onderdeel meer uitmaakt van de
werkzaamheden van de betreffende ambtenaar. Zie over de aanwijzing uitgebreid paragraaf
4.3 van de memorie van toelichting.
Onderdeel O (artikel 10.2, Gezondheidswet)
In artikel 10.2 van het wetsvoorstel is voorzien dat, zoals nu ook het geval is, na
inwerkingtreding van de Wnra voor de medewerkers van de Provinciale Raden dezelfde
arbeidsvoorwaarden gelden als voor het personeel van de provincies, zij het dat die
provinciale arbeidsvoorwaarden dan bij cao zullen worden vastgesteld. Met andere woorden,
de provinciale cao is straks van rechtswege van toepassing op het personeel van het
bureau van de Provinciale Raden. Thans stellen gedeputeerde staten voorschriften vast
over de bezoldiging van de directeur en het overige personeel werkzaam bij de bureaus
van de Provinciale Raden. Die bezoldiging mag afwijken van de bezoldigingsregels die
gelden voor het provinciepersoneel.
Om ook in de toekomst afwijking van de voor de provincies geldende salarisschalen
mogelijk te maken, wordt voorgesteld in de Gezondheidswet op te nemen dat gedeputeerde
staten aan de Provinciale Raden ontheffing kunnen verlenen om voor wat betreft de
salariëring af te wijken van de voor bij cao vastgestelde salarisschalen. Indien bij
de inwerkingtreding van de Wnra op grond van thans door gedeputeerde staten vastgestelde
voorschriften, afwijkende beloningsregels gelden voor het personeel van de Provinciale
Raden, dan kunnen die afwijkende beloningen ook na inwerkingtreding van de Wnra met
ontheffing van gedeputeerde staten gecontinueerd worden.
Onderdeel P (artikel 10.6, Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg)
Na inwerkingtreding van de Wnra worden de secretaris en de plaatsvervangend secretaris
niet langer benoemd, maar hebben ze een arbeidsovereenkomst met de Staat. Daarnaast
oefenen zij met ingang van 1 april 2019 door de invoering van artikel 65a van de Wet
BIG11 openbaar gezag uit. Daarom dient de secretaris naast de arbeidsovereenkomst ook bij
besluit te worden aangewezen. Daarop ziet de wijziging in artikel 55, vijfde lid,
van de Wet BIG. De aanwijzing in een bepaalde hoedanigheid vervalt van rechtswege
op het moment dat de uitoefening van de betreffende werkzaamheden geen onderdeel meer
uitmaken van de werkzaamheden van de ambtenaar.
Door de inwerkingtreding van de Wnra zal geen sprake meer zijn van een eenzijdige
aanstelling van ambtenaren. Omdat dit ook geldt voor de tuchtklachtfunctionarissen,
wordt de terminologie van artikel 55a, eerste lid, van de Wet BIG daarop aangepast.
Onderdeel Q (artikel 11.1)
In het tweede lid van artikel 11.1 van het wetsvoorstel is een redactionele verbetering aangebracht, zodat daar wordt verwezen naar de leden van zelfstandige
bestuursorganen en adviescolleges als bedoeld in het eerste lid. Daarmee wordt duidelijk
gemaakt dat het alleen gaat om leden van zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges
als bedoeld in de respectievelijke kaderwetten die ook ambtenaar zijn in de zin van
de Ambtenarenwet. Die laatste nuancering kwam in de redactie van het oorspronkelijke
tweede lid ten onrechte niet terug.
Met de wijziging van artikel 11.1, derde lid, van het wetsvoorstel blijven niet alleen
algemeen verbindende voorschriften in stand die gebaseerd zijn op artikel 125 van
de Ambtenarenwet, maar ook voorschriften die op grond van andere artikelen van titel III
of titel IIIa tot stand zijn gebracht van toepassing op de leden, op wie titel III
en IIIa zelf ook van toepassing zijn. Dit betreft bijvoorbeeld de in artikel 61 van
het Algemeen Rijksambtenarenreglement geregelde opgave van nevenwerkzaamheden, die
op grond van artikel 125 quinquies van de Ambtenarenwet tot stand is gebracht. De
toepassing van het derde lid wordt in die zin uitgebreid. Voorts is een redactionele
verbetering aangebracht.
Het ingevoegde vierde lid van artikel 11.1 van het wetsvoorstel heeft betrekking op
leden van zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges op wie titel III en IIIa
ingevolge artikel 2 van de Ambtenarenwet niet van toepassing zijn. Het komt echter
voor dat in regelgeving inzake de rechtspositie van deze leden op titel III of titel IIIa
van de Ambtenarenwet gebaseerde algemeen verbindende voorschriften van overeenkomstige
toepassing verklaard zijn. Dit is bijvoorbeeld het geval in het Rechtspositiebesluit
voorzitters huurcommissie 2010, waarin bepalingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement
van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Het voorgestelde nieuwe vierde lid
voorziet erin dat die van overeenkomstige toepassing verklaarde voorschriften ook
in die situaties in stand blijven.
Het voorgestelde vijfde lid van artikel 11.1 van het wetsvoorstel voorziet erin dat
de genoemde bedragen in de op grond van het derde en vierde lid voorlopig in stand
te houden rechtspositieregels mee ontwikkelen met de arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren
die werkzaam zijn op grond van een arbeidsovereenkomst met de Staat, de huidige sector
Rijk. Hun arbeidsvoorwaarden worden voortaan neergelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst.
In het vijfde lid wordt daarnaar verwezen op de in paragraaf 5.2 van de memorie van
toelichting12 bij het wetsvoorstel beschreven wijze.
Onderdeel R (het voorgestelde artikel 11.1a)
Artikel 11.1 van het wetsvoorstel bevat overgangsrecht, waarmee de toepassing van
de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving
voor leden van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges wordt
gecontinueerd. In een apart traject worden deze titels herijkt. Zodra op dit vlak
een definitieve regeling is getroffen, wordt de overgangsregeling op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip beëindigd. In paragraaf 8.1 van de memorie van toelichting
wordt artikel 11.1 uitgebreid besproken.
Artikel 11.1 heeft, omdat het een overgangsregeling is, alleen betrekking op leden
van publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges, die op het
tijdstip van inwerkingtreding van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren al
zijn ingesteld. De leden van nieuwe publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen
en adviescolleges die vanaf deze inwerkingtredingsdatum worden ingesteld, vallen daarbuiten.
Ook voor hen dient echter, net zoals voor leden van bestaande zelfstandige bestuursorganen
en adviescolleges in artikel 11.1 wordt geregeld, te worden voorzien in de leemte
die door het wegvallen van de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet dreigt te
ontstaan.
Het traject waarbij de titels II, III en IIIa worden herijkt, zal immers niet alleen
betrekking hebben op leden van zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges, die
op het tijdstip van inwerkingtreding van de Wnra al zijn ingesteld maar ook op leden
van zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges die daarna worden ingesteld. Geheel
in lijn met de doelstellingen van ordening en harmonisatie die aan de Kaderwet zelfstandige
bestuursorganen en de Kaderwet adviescolleges ten grondslag liggen13, heeft deze herijking ook betrekking op de leden van na de inwerkingtreding van de
Wnra in te stellen zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges. In de periode van
de inwerkingtreding van de Wnra tot het moment dat een definitieve – herijkte – regeling
is getroffen, ontbreekt voor deze leden echter ieder kader voor de publiekrechtelijke
vormgeving van hun rechtspositie. De Ambtenarenwet is immers niet meer van toepassing.
Om dit onvoorziene gat te dichten, wordt artikel 11.1a ingevoegd. Dat artikel regelt
dat de titels II, III en IIIa van de Ambtenarenwet van toepassing zijn op in de overgangsperiode
op te richten zelfstandige bestuursorganen en adviescolleges totdat een definitieve
regeling is getroffen. De titels III en IIIa zijn op grond van artikel 2 van de Ambtenarenwet
nu niet van toepassing op leden van zelfstandige bestuursorganen die een schadeloosstelling
ontvangen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Deze titels zijn evenmin van toepassing op leden van adviescolleges, die geen adviescollege
zijn in de zin van artikel 3 van de Kaderwet adviescolleges. Adviescolleges in de
zin van dat artikel 3 zijn adviescolleges, waarvan de adviestaak niet de hoofdtaak
is. Een adviescollege, dat geen adviescollege is in de zin van artikel 3, is dus een
adviescollege waarvan de adviestaak wel de hoofdtaak is. Op de leden van dergelijke
adviescolleges zijn ingevolge artikel 2 van de Ambtenarenwet de titels III en IIIa
nu niet van toepassing. Op leden van adviescolleges, waarvan de adviestaak niet de
hoofdtaak is, zijn deze titels dus wel van toepassing.
Op grond van artikel 11.1, eerste lid, van het wetsvoorstel wordt bij koninklijk besluit
het tijdstip bepaald waarop de aldaar getroffen overgangsregeling ten einde komt.
In artikel 11.1a wordt naar datzelfde tijdstip verwezen, zodat de in artikel 11.1a
getroffen regeling voor nieuwe gevallen automatisch op hetzelfde tijdstip eindigt.
Onderdeel S (artikel 11.4)
Onderdeel C stelt artikel 2.12, dat de Wet algemene regels herindeling wijzigt, opnieuw
vast. Daarbij verandert ook het voorgestelde artikel 58 van de Wet algemene herindeling,
waarop de samenloopbepaling van artikel 11.4 ziet. Die samenloopbepaling dient daarop
te aangepast. Dit onderdeel voorziet daarin.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren
Ondertekenaars
K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties