Schriftelijke vragen : De toezegging met betrekking tot de uitleg van ‘wederrechtelijkheid’ n.a.v. wetgevingsoverleg Implementatiewet herziene richtlijn milieucriminaliteit en appreciatie amendement 24
Vragen van het lid Van der Plas (BBB) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de toezegging met betrekking tot de uitleg van «wederrechtelijkheid» n.a.v. wetgevingsoverleg Implementatiewet herziene richtlijn milieucriminaliteit en appreciatie amendement 24 (ingezonden 27 oktober 2026).
Vraag 1
Kunt u de situatie die u in uw brief beschrijft, namelijk: «In de memorie van toelichting
is opgenomen dat strafrechtelijke aansprakelijkheid in de regel niet aan de orde is
als een verdachte een vergunning heeft en in lijn met de daaraan verbonden voorschriften
handelt. Dit kan echter anders liggen als de bedrijfsactiviteiten op grond van de
vergunning naar de huidige maatstaven evident (duidelijk en aanzienlijk) in strijd
zijn met de geldende milieuregelgeving. In dat geval kan wel sprake zijn van wederrechtelijk
handelen. In die gevallen moet voor de vergunninghouder zonder meer kenbaar zijn dat
de kern van de vergunning niet meer voldoet aan de (inmiddels aangescherpte) milieuregelgeving.»,
concretiseren?
Vraag 2
Bent u het ermee eens dat de door u beschreven situatie, toch precies de situatie
is waarin PAS-melders zich bevinden, die ondanks op basis van het destijds geldende
overheidsbeleid en milieuregelgeving, nu naar de huidige maatstaven mogelijk (evident
(duidelijk en aanzienlijk)) in strijd handelen met de geldende milieuregelgeving,
en dat dus zonder meer kenbaar is dat de kern van de vergunning niet meer voldoet
aan de inmiddels aangescherpte milieuregelgeving, en dus sprake kan zijn/is van wederrechtelijk
handelen? Waarom wel/niet?
Vraag 3
Als u het er niet mee eens bent, kunt u dan op antwoord bij deze vraag 100% garanderen
dat PAS-melders die binnen hun destijds verleende vergunning handelen, nooit het verwijt
kunnen krijgen wederrechtelijk te handelen, ook al is voor hun evident dat naar de
huidige maatstaven ze (mogelijk) in strijd handelen met de inmiddels aangescherpte
geldende milieuregelgeving?
Vraag 4
In hoeverre biedt het door u aangehaalde arrest uit 1984 waarin het gaat over een
vergunning verleend op grond van een gemeentelijke kampeerverordening, ook bescherming
bij toepassing van dit wetsvoorstel, dat uitvoering geeft aan Europese regelgeving
en waarbij ook de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang
is?
Vraag 5
Bent u, in navolging op de volgende overweging van de Hoge Raad, namelijk: «De houder
van een vergunning mag in het algemeen erop vertrouwen dat deze vergunning overeenkomstig
de wettelijke voorschriften is verstrekt en dat hij gerechtigd is van deze vergunning
gebruik te maken, ook wanneer later zou blijken dat zij in strijd is met een wettelijk
voorschrift en derhalve ten onrechte is gegeven. Zulks lijdt echter uitzondering in
een geval als het onderhavige, waarin uit hetgeen door het Hof is overwogen is af
te leiden dat de verlening van de vergunning een ook voor de verdachte zo onmiskenbare
wetsschending opleverde dat hij had moeten begrijpen dat B en W hem deze niet hadden
mogen verlenen», op de hoogte van het betoog van de jurist die namens MOB handhavingsprocedures
voert, dat PAS-melders het juridische risico hadden kunnen kennen?
Vraag 6
Welke bescherming biedt u wanneer die redenering ook in een strafrechtelijke procedure
wordt aangevoerd?
Vraag 7
In hoeverre biedt het door u aangehaalde arrest uit 1984 waarin het gaat over een
vergunning verleend op grond van een gemeentelijke kampeerverordening, ook bescherming
bij toepassing van dit wetsvoorstel, aan PAS-melders, die op dit moment helemaal geen
geldige vergunning bezitten?
Vraag 8
Begrijpt u na het lezen van de vragen beter waar de zorgen zitten en vandaan komen?
Vraag 9
Kunt u nogmaals 100% garanderen dat PAS-melders en andere ondernemers niet strafrechtelijk
vervolgd kunnen worden?
Vraag 10
Welke aanvullende waarborgen zijn mogelijk om te voorkomen dat PAS-melders en ondernemers
die hun vergunning naleven strafrechtelijk worden aangesproken op een situatie die
is ontstaan door fouten van de overheid of het uitblijven van legalisatie of actualisering
van hun vergunning?
Vraag 11
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen een week beantwoorden?
Indieners
-
Gericht aan
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Caroline van der Plas, Kamerlid