Stenogram : Wijziging van de Archiefwet 1995
12 Wijziging van de Archiefwet 1995
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 96
Te raadplegen sinds
2026-10-21Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier3688936889Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 96
Wijziging van de Archiefwet 1995
Aan de orde is de behandeling van:
-het wetsvoorstel Wijziging van de Archiefwet 1995 ter verruiming van de mogelijkheden om archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten en die persoonsgegevens bevatten, ter raadpleging en gebruik beschikbaar te stellen (36889).
De voorzitter:
Een goede middag. Ik heropen hierbij de vergadering. Wij zijn inmiddels aanbeland bij de Wijziging van de Archiefwet 1995 ter verruiming van de mogelijkheden om archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten en die persoonsgegevens bevatten, ter raadpleging en gebruik beschikbaar te stellen. We gaan dit met elkaar behandelen in twee termijnen. Ik ga straks het woord geven aan mevrouw Tijmstra als eerste spreekster. In eerste instantie ga ik niemand beperken in de interrupties, maar laten we wel even bekijken hoe het gaat. Als we echt uit de tijd gaan lopen, ga ik daarop ingrijpen, maar ik heb de verwachting dat dat gaat meevallen.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Mevrouw Tijmstra, aan u het woord.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Met dit wetsvoorstel worden de mogelijkheden om toegang te geven tot overheidsarchieven die persoonsgegevens bevatten, verruimd. Hoewel het wetsvoorstel een bredere reikwijdte heeft, is de aanleiding voor het wetsvoorstel de onlinetoegang tot het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Daarin zit een te maken belangenafweging tussen het recht op informatie en het recht op de bescherming van persoonsgegevens.
Het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, het CABR, is het oorlogsarchief dat dossiers bevat van 425.000 Nederlanders die na de Tweede Wereldoorlog werden verdacht van collaboratie. Het zijn dossiers van mensen, met allerlei persoonlijke gegevens van daders, maar ook van mensen die alleen verdacht waren, en met namen van slachtoffers, gegevens over omstanders en getuigen. Vaak zijn de direct betrokkenen overleden, maar soms gaat het over mensen die nog leven. Al die mensen hebben ook nabestaanden. Dat zijn mensen die ook vandaag de dag nog steeds leven met onbeantwoorde vragen en doorgegeven trauma's, en mensen die zonder zelf iets gedaan te hebben, na de oorlog te maken kregen met stigma en sociale uitsluiting.
De dossiers komen tot leven in de gesprekken die ik heb gevoerd en de artikelen die ik heb gelezen over mensen die in het archief voorkomen. De dossiers vertellen allemaal bijzondere verhalen. Neem het verhaal van Judith Zilversmit. Zij kreeg in 2024 onverwacht een bericht op Instagram van de kleindochter van de vrouw die haar vader had verraden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat leidde voor haar tot nieuwe vragen en een nieuwe zoektocht naar het verhaal van haar vader, waar ze vorig jaar over schreef. Zij pleit voor volledige openbaarmaking van het archief. Of het verhaal van journalist Jos Verlaan. Hij ontdekte via de strafdossiers dat zijn grootvader bij de NSB had gezeten. Hij schreef in 2024 over wat het betekende om die familiegeschiedenis onder ogen te zien en over hoe hij uiteindelijk de schaamte te boven kwam. Ook voor de Joodse gemeenschap is het belangrijk om de geschiedenis van de familie terug te kunnen vinden. De onlinetoegang tot het archief maakt dit straks voor veel meer mensen mogelijk.
Maar er is ook een andere kant die ik wil benoemen: kinderen en kleinkinderen van collaborateurs die vertellen hoe zij vandaag de dag nog steeds kampen met de gevolgen hiervan. Er was bijvoorbeeld iemand die vertelde over benauwdheidsklachten bij de huisarts. De huisarts zag niks geks, maar vroeg door: had diegene een trauma had meegemaakt of was er iets anders? Toen het hoge woord eruit kwam, bleek het stress te zijn over de openbaarmaking van de archieven. Zij zeggen: is er alleen een recht om te weten of is er ook een recht om te vergeten? Iemand anders vertelde hoe zijn vader door een fout in zijn jonge jaren al zwaar gestraft was, strafrechtelijk, door opsluiting na de oorlog, door de omstandigheden in de interneringskampen en door het leven met schaamte en geheimhouding. Ongefilterde onlinetoegang tot het CABR voelt dan als een vierde straf. Voor hen is het extra lastig dat zij zich niet kunnen beroepen op de AVG, omdat die alleen op levenden van toepassing is.
Het CDA kijkt door de bril van al deze verhalen naar het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel draait om de vraag hoe openbaarmaking van het CABR en het digitaal doorzoekbaar maken van dit archief, rekening houden met al deze belangen, al deze gevoelens en al deze verhalen. Wat het CDA betreft bevat het wetsvoorstel dat nu voorligt een goede balans. Er wordt nadrukkelijk gekozen voor digitalisering en openbaarmaking, omdat dit het voor slachtoffers en nabestaanden mogelijk maakt om meer te weten te komen over wat er in de oorlog is gebeurd. Ook voor onderzoekers is dit van belang. Een digitaal toegankelijk archief kan antwoorden geven op zaken waar mensen al decennia naar op zoek zijn. Dat komt ook omdat het archief was geordend op de namen van daders en verdachten, wat het voor slachtoffers heel moeilijk maakte om de juiste dossiers te vinden.
Tegelijkertijd bevat het wetsvoorstel passende maatregelen om de verschillende belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen, waaronder het belang van een zorgvuldige bescherming van de persoonsgegevens. Dat gebeurt onder andere door de afbakening in de wet van het type archief, de in de wet opgenomen te treffen maatregelen voor het maken van de belangenafweging, de bevoegdheid voor de archivaris om hier nog extra waarborgen aan toe te kunnen voegen, de aanwijzing die nodig is van de minister, met de voorafgaande raadpleging bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de verplichte internetconsultatie. Ook komt er een contactpunt waar mensen zich kunnen melden en gegevens direct offline gehaald kunnen worden als dat nodig is. Dat vinden we goed. Het gaat immers om bijzondere en strafrechtelijke persoonsgegevens die openbaar worden. Dat mag niet zomaar. Dat is de reden dat de Autoriteit Persoonsgegevens ingreep toen het archief al in 2025 openbaar gemaakt zou worden. Dit wetsvoorstel zorgt voor de juiste wettelijke grondslag om deze gegevens alsnog openbaar te maken, maar wel met de juiste waarborgen. Het CDA vindt dat daar een goede balans in gevonden is.
We hebben nog wel de volgende vragen aan de minister. Ten eerste is er discussie over de vraag of de toegang tot het archief alleen via het aanmaken van een account mogelijk zou moeten zijn, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens heeft gevraagd. Het Centraal Joods Overleg wijst juist op het belang van anonieme toegang. Kan de minister iets uitgebreider ingaan op de hierin gemaakte belangenafweging? Het is ook lastig om er een oordeel over te vellen, omdat de AMvB's en de besluiten nog niet klaar zijn. Het is voor ons in ieder geval noodzakelijk dat belanghebbenden mee kunnen denken. In de afgelopen periode is hierover telkens in goed overleg gezamenlijk gesproken met zowel vertegenwoordigers van slachtoffers, zoals het CJO, als vertegenwoordigers van kinderen en kleinkinderen van collaborateurs. Kan de minister bevestigen dat dit ook de komende periode het geval blijft, als moet worden overlegd over de precieze manier waarop informatie wordt gepubliceerd? Deelt de regering dat dit niet alleen via de internetconsultatie over het besluit moet, maar ook in een structureel gesprek met alle betrokkenen, voor en na publicatie van het archief? Zo ja, hoe krijgt dit dan vorm?
De minister geeft ook aan dat wordt gekeken naar manieren om het archief waar nodig te voorzien van context, onder andere om te voorkomen dat nabestaanden van daders opnieuw worden aangesproken over het verleden van hun voorouders. Kan de minister iets meer zeggen over hoe dit eruitziet? Heeft het Nationaal Archief hier voldoende capaciteit voor, ook gezien de recente berichten over het afstoten van taken?
Voorzitter. Het archief belichaamt ook een groter belang en lessen voor vandaag. Verhalen over de oorlog moeten verteld blijven worden. De archieven zijn een belangrijke bron van informatie over de Holocaust, juist omdat zo weinig mensen de Holocaust hebben overleefd en hier niet direct van konden getuigen. Het archief schijnt het licht over een donkere periode waarin de rechtsstaat in Nederland buiten werking werd gesteld. Daarmee is het blijven beschermen van die rechtsstaat een opdracht voor ons allemaal.
Tot slot, voorzitter. U heeft gezien dat collega Jeltje Straatman en ik vandaag een amendement op de Archiefwet hebben ingediend dat een ander onderwerp betreft. Ik wil dat graag kort toelichten. Mijn collega Straatman is namelijk al enige tijd bezig om aandacht te vragen voor herstel van misstanden die bij binnenlandse en interlandelijke adoptie hebben plaatsgevonden, van de afstandsmoeders in Nederland tot de geadopteerden uit Chili. Op 2 juli heeft het kabinet excuses aangeboden aan de vrouwen die tussen 1956 en 1984 gedwongen werden om hun pasgeboren baby's af te staan. Nog altijd zijn afstandsmoeders op zoek naar hun kinderen en kleinkinderen en zijn kinderen op zoek naar hun moeder. Toegang tot en inzage in de afstands- en adoptiedossiers die bewaard worden in onder andere het Nationaal Archief, kan voor hen doorslaggevend blijken in de zoektocht naar elkaar en in het ontdekken van de eigen familiegeschiedenis.
De Tweede Kamer heeft via de motie-Michon-Derkzen al uitgesproken volledige toegang tot de dossiers te willen bewerkstelligen. Dit amendement zorgt ervoor dat de toegang tot de dossiers voor deze groep aanzienlijk wordt versneld, omdat niet gewacht hoeft te worden op de bredere wetgeving die hiervoor momenteel wordt opgesteld. Voor mensen die al jarenlang zoeken naar hun moeder, hun kind of hun eigen familiegeschiedenis, kan iedere maand wachten heel zwaar wegen, al helemaal omdat het gaat over mensen die al op leeftijd zijn. Graag hoor ik de appreciatie van de minister. Omdat we het amendement pas net voor het debat hebben ingediend, heb ik er ook alle begrip voor als hier extra tijd voor genomen wordt, bijvoorbeeld via een schriftelijke reactie.
Tot zover mijn eerste termijn. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we door naar de volgende fractie en dat is PRO. Ik geef het woord graag aan de heer Mohandis.
De heer Mohandis (PRO):
Voorzitter, dank u wel. De aanleiding voor dit wetsvoorstel is de discussie over het online openstellen van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, ook wel CABR of oorlogsarchief genoemd, met 485.000 dossiers van personen die na de Tweede Wereldoorlog zijn onderzocht op collaboratie met de Duitse bezetter. Daar is veel over gezegd.
Ik wil even refereren aan ongeveer twee jaar geleden. Toen hebben we een uitvoerige wetsbehandeling in de Kamer gehad over het wijzigen van de Archiefwet. Toen ging het ook over dit onderdeel. Ik kan me nog goed herinneren dat er toen discussie was over de vraag of we dit moesten amenderen. Een vrij brede Kamermeerderheid heeft toen aangegeven aan de voorganger van de minister, de heer Bruins, toenmalig minister Bruins: regel dit in één keer goed. Volgens mij is dat goed gegaan, in de belangenafweging, met de Autoriteit Persoonsgegevens. De aangekondigde spoedwet, zoals we 'm toen noemden, ligt hier voor. Onze fractie begrijpt heel goed hoe die belangenafweging is gegaan. Ik zeg er gelijk bij dat de vraag naar de reikwijdte, dus hoe we bepalen tot hoever inzage mag gaan, altijd discussie behoeft. Dat gold ook voor de wijziging van de Archiefwet als zodanig.
Dan kom ik op het volgende punt. Een belangrijk deel van de Nederlandse archiefsector valt bij dit wetsvoorstel nog buiten de boot, zoals Beeld & Geluid, het NIOD, Herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Katholiek Documentatie Centrum, om er maar een paar te noemen. Daarom is het van belang dat de voorziening die de regering met dit wetsvoorstel voor de wijziging van de Archiefwet realiseert, binnen afzienbare tijd ook wordt neergelegd in de Uitvoeringswet AVG voor deze archiefinstellingen. Deelt de minister deze opvatting? Graag een reactie.
Voorzitter. Het is vrij technisch, maar er ligt nu een wetsvoorstel voor. Gezien de spoed en aangezien veel maatschappelijke organisaties vinden dat het te lang heeft geduurd, is het goed dat we dit wetsvoorstel met elkaar aannemen. Toch zagen we in het wetsvoorstel punten die voor verbetering vatbaar zijn. Dan is de verleiding bij onze fractie altijd om amendementen in te dienen om het beter te maken, maar de manier waarop het is gegaan — denk aan het tempo en aan het stempel dat de Autoriteit Persoonsgegevens erop heeft gedrukt, wat we daar ook van vinden — heeft ons ervan overtuigd om nu vragen voor te leggen. Over een jaar of twee kunnen we bij een evaluatie dan altijd kijken of de reikwijdte voldoende is of dat die breder moet.
Vandaar de volgende vragen. Ik ga even in op artikel 8.4a, lid 1: "Onze Minister kan besluiten dat informatie uit beperkt openbare documenten die persoonsgegevens bevat, door een archivaris voor eenieder via internet ter raadpleging of gebruik beschikbaar kan worden gesteld." De vraag is dan: hoe gaat de minister dit praktisch vormgeven als het gaat om oorlogsarchieven die op decentraal niveau worden beheerd? Kunnen gemeentearchieven of stadsarchieven ook een verzoek indienen bij de minister? Is dat dan de logische route? Waarom niet het lokaal bestuur in positie brengen? Dat is gewoon een vraag om te achterhalen waarom er in het wetsvoorstel voor gekozen is om het op deze manier te organiseren.
Een andere vraag: hoe gaat de minister om met onderwerpen die niet vallen onder de bovenstaande onderwerpen? Dan heb ik het dus over de gekozen reikwijdte, waarbij je moet denken aan oorlogsmisdaden, totalitaire regimes et cetera; het bekende rijtje. Hoe gaat de minister om met verzoeken die ook zwaarwegend zijn, maar net buiten deze categorieën vallen? Is die ruimte er?
Vraag drie: hoe gaat de minister om met archieven die berusten bij instellingen die niet onder de Archiefwet vallen? Het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, valt niet onder deze wet, maar beheert informatie die uitermate goed past binnen de doelstelling van deze wet. Ik ben heel benieuwd hoe u daarop reflecteert.
Dat waren de aanvullende vragen. Tot slot kom ik op een ander punt. Dat raakt niet aan dit wetsvoorstel, maar wel aan het Nationaal Archief als zodanig. De PRO-fractie maakt zich grote zorgen over het voornemen van het Nationaal Archief om te stoppen met het opnemen van particuliere archieven en om zijn publiekstaken te staken. Er bestaat een groot risico dat dit leidt tot ernstige lacunes in de mogelijkheden voor geschiedschrijving, waarheidsvinding en onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen. Mijn fractie vreest dat andere archieven deze taak niet zomaar volledig kunnen overnemen. Kan de minister over deze koerswijziging advies inwinnen bij bijvoorbeeld het ACOI, het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding, voordat zij het Nationaal Archief deze weg laat inslaan? Wat is de positie van de minister? We hebben ook een motie op dit punt.
Tot slot. De PRO-fractie maakt zich ook zorgen over de uitvoerbaarheid van de gewijzigde Archiefwet, die vorig jaar is aangenomen. In mijn inleiding begon ik daarover. Wordt in de Archiefwet wel voldoende rekening gehouden met de digitale werkelijkheid? We hebben daar toen ook op gehamerd. De achterstanden in de informatiehuishouding, de versnipperde opslag en de gebrekkige metadata baarden de PRO-fractie zorgen. Daarover hebben we in maart schriftelijke vragen gesteld. De antwoorden van de minister stellen ons niet helemaal gerust. Wij zullen daar via een motie op terugkomen, omdat er rijksbreed — ik kijk naar de minister, maar het geldt voor al uw collega's — nog echt werk aan de winkel is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. We gaan naar de volgende fractie, en dat is D66. Mevrouw Heera Dijk, gaat uw gang.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik was afgelopen week in Eefde. Dat is een plaatsje vlakbij Zutphen. Ik was er zelf nog nooit geweest. Ik ontmoette daar een vrouw uit Angola. Ik was nieuwsgierig hoe die vrouw daar terechtgekomen was. Het antwoord was best simpel: het waren werk, studie en de liefde. Ze is getrouwd met een Joodse man. Aan de keukentafel vertelde ze me hoe de familiegeschiedenis van haar schoonfamilie is verlopen: hoe ze van twaalf naar vijf personen zijn gegaan. Het verhaal raakte me en ik wilde meer weten, maar ik durfde niet verder te vragen. Ik voelde namelijk de pijn en het verdriet dat nog steeds doorwerkt. Het verleden werkt nog steeds door in het heden.
Voorzitter. We mogen onze geschiedenis nooit vergeten. De verhalen uit het verleden mogen niet vergeten worden. Om ervoor te zorgen dat ook volgende generaties weten wat er is gebeurd, moeten deze verhalen blijven voortbestaan. Vandaag bespreken we de Archiefwet. Deze wet maakt het mogelijk om belangrijke archieven over onder andere oorlog, genocide en misdaden tegen de menselijkheid digitaal toegankelijk te maken. Een familiegeschiedenis raakt immers meerdere generaties. We moeten in het proces zorgvuldig blijven omgaan met de gegevens. D66 ziet dan ook dat er flinke verbeteringen zijn aangebracht. Uiteraard gebeurt dit altijd, maar in dit geval is er echt uitgebreid naar het advies gekeken. Dat kan ik uit de stukken concluderen, denk aan de AP, het ACOI, de rijksarchivaris en natuurlijk de Raad van State. Zorgvuldig omgaan met onze archieven betekent ook zorgvuldig omgaan met de mensen die erin voorkomen. Daarom is mijn eerste vraag of de minister kan toelichten hoe de verschillende adviezen zijn verwerkt in het uiteindelijke wetsvoorstel. Welke aanpassing vindt zijzelf het meest bepalend voor de zorgvuldigheid van de wet?
Verder zou ik vandaag vooral nog een paar vragen willen stellen over de uitwerking in de praktijk, zodat we de puntjes op de i kunnen zetten en kunnen zorgen dat de wet in de praktijk echt goed werkt. Zo sprak ik deze week met de medewerkers van het NIOD. Voor de wetenschap is het belangrijk dat je niet naar één dossier kijkt, maar naar een geheel. Als wetenschapper wil je de digitale data als een geheel kunnen analyseren om patronen te ontdekken. Bijvoorbeeld: waren straffen in de ene regio hoger dan in de andere regio? Hoeveel Joodse getuigen waren er? Welke patronen zijn er te ontdekken rond het verraden van onderduikers? Het is voor wetenschappers belangrijk om toegang te krijgen tot de digitale dataset. Dat moet zeker niet openbaar op internet, maar alleen binnen een beveiligde onderzoeksomgeving. Dat is volgens de AVG mogelijk, maar zij vragen of de minister kan verduidelijken of dat op basis van de Archiefwet is toegestaan. Mijn vraag is dan ook of de minister dit kan verduidelijken en of deze vorm van online historisch wetenschappelijk onderzoek door onderzoeksinstituten in de Archiefwet is toegestaan.
Dan de bescherming van de gegevens zelf. We moeten natuurlijk rekening houden met de wereld van nu. Als we het archief online zetten, moeten we ervoor zorgen dat de gegevens niet bruikbaar worden voor bijvoorbeeld AI-bedrijven die grote hoeveelheden data willen verzamelen. De regering wil daarom tekstscraping, datamining en grootschalig downloaden voorkomen. Dat begrijp ik. Daarom vraag ik de minister welke technische maatregelen archiefinstellingen moeten nemen. Wie bepaalt vervolgens of die maatregelen voldoende zijn?
De digitale wereld blijft zich ontwikkelen. Hoe zorgen we ervoor dat de maatregelen meebewegen met de tijd? De wet opent straks de deuren van onze archieven voor veel meer mensen. Dat zijn niet alleen historici en onderzoekers, maar juist ook mensen die thuis voor het eerst op zoek gaan naar hun eigen familieverhaal. Hoe zorgen we ervoor dat ook mensen zonder ervaring in dit archief hun weg kunnen vinden? Dat heb ik ook gehoord tijdens het gesprek met het NIOD. Hoe krijg je context bij de informatie die je krijgt? Als je geen specialist bent, hoe kun je dan die informatie tot je nemen? Volgens mij ligt daarin ook een mooie kans voor het onderwijs. Kan de minister kijken hoe we scholen en docenten kunnen helpen om deze digitale archieven vaker de klas in te halen?
Tot slot. Volgens mij ligt er een mooi voorstel voor een Archiefwet. Ik zou nog even terug willen gaan naar de keukentafel in Eefde. Ik had die vrouw graag willen vertellen dat zij straks haar familiegeschiedenis wel kan opzoeken en zo het verhaal van haar schoonfamilie beter kan begrijpen. De Archiefwet verschuift daarmee van een algemeen belang naar een meer persoonlijk belang. Voor mij verschuift de Archiefwet daarmee ook naar een meer menselijk belang, zodat wij het nooit kunnen vergeten, ook niet na 80 jaar.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor deze inbreng. Dat brengt ons bij de laatste spreker, de heer Van der Maas namens de VVD. Aan u het woord.
De heer Van der Maas (VVD):
Hartelijk dank, voorzitter. Wij spreken over een wijziging van de Archiefwet. Archieven geven inzicht in onze geschiedenis. De mensen moeten kunnen achterhalen wat zich in het verleden heeft afgespeeld. Met deze wetswijziging wordt het eenvoudiger om met de juiste waarborgen archieven te onderzoeken. De VVD steunt de wijziging, want overheidsarchieven moeten wat ons betreft in beginsel toegankelijk zijn.
Tegelijkertijd is het voor ons wel van groot belang dat het doel van de wet, te weten de verruiming van de toegang tot overheidsarchieven met openbare toegang tot persoonsgegevens met betrekking tot de genoemde gebeurtenissen, onverkort in stand blijft. De wijziging van de wet geeft geen aanleiding tot zorgen daarover. Wel hebben wij een aantal vragen aan de minister.
De eerste vraag gaat over de AMvB. In een AMvB zullen nadere en meer gedetailleerde regels worden opgenomen over de belangenafweging en de te stellen voorwaarden bij het geven van inzage aan bezoekers. Deze nadere regels zijn nog niet bekend, maar het is wel van belang om te weten hoe precies de afweging gemaakt gaat worden om de goede balans te vinden tussen het recht op informatie en het recht op bescherming van persoonsgegevens. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vraag wanneer iemand een voldoende zwaarwegend belang heeft en of een bezoeker uitgebreid moet motiveren waarom hij of zij bepaalde informatie wil zien.
Ik maak me zorgen over het ontstaan van het systeem waarin de legitimiteit van iemands belangstelling door een autoriteit met een bepaalde mate van willekeur bepaald gaat worden. Mijn vraag aan de minister is hoe de gedetailleerde regels eruit gaan zien. Kan zij daar al een indicatie van geven?
Daar waar gegevens openbaar gemaakt worden waarbij de persoonlijke levenssfeer van verdachten die uiteindelijk niet schuldig werden bevonden geraakt wordt, is het wenselijk dat dit duidelijk gemaakt wordt. Het wetsvoorstel maakt echter niet direct een onderscheid tussen archiefbescheiden van personen die schuldig zijn bevonden en archiefbescheiden van personen die onschuldig werden bevonden en zelfs niet vervolgd werden. Het is aan de archivaris om passende maatregelen te nemen om te waarborgen dat de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig wordt geschaad. Ik vraag de minister welke maatregelen de archivaris gaat nemen en hoe dit gecontroleerd gaat worden. We moeten voorkomen dat iemand die 80 jaar geleden ten onrechte werd beschuldigd, niet nu alsnog als verdachte of zelfs als schuldige kan worden aangemerkt.
Het wetsvoorstel beperkt de werking in de zin dat het publieke archieven betreft. Ook particuliere archieven kunnen gegevens bevatten die vanuit het oogpunt van informatie betreffende de genoemde gebeurtenissen van belang zijn wat betreft cultureel erfgoed. In hoeverre acht de minister het wenselijk dat dit soort archieven ook worden ontsloten? Gegeven het feit dat daar vele andere overwegingen een rol bij spelen, zoals de juridische context en de borging van proportionaliteit, is mijn vraag: gaat de minister hier onderzoek naar doen?
Mijn laatste punt betreft het amendement dat net is ingediend. Wij vinden dat een heel belangrijk amendement. Wij zullen dat ook steunen, want het is gebaseerd op de motie-Michon. Vele moeders missen hun kinderen en die kinderen missen hun moeders. Die zijn naar elkaar op zoek. Dat punt moeten we echt gaan regelen. Ik heb alleen nog wel een vraag over de techniek van het amendement. Er wordt nu een onderscheid gemaakt tussen een geadopteerde en een afstammeling van een geadopteerde. Voor een geadopteerde is het 12 jaar en voor een afstammeling volgens mij vanaf 16 jaar, of misschien vanaf 18 jaar. Mijn vraag is of dat bewust is gedaan of niet. Dat is geen vraag aan de minister, maar aan de indiener van het amendement. Misschien kan die vraag in de tweede termijn beantwoord worden.
Dat was het. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Die laatste vraag kan inderdaad in de tweede termijn worden beantwoord door de CDA-fractie. Dank u wel.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn vanuit de Kamer. Ik heb begrepen dat de minister zo'n twintig minuten nodig heeft om een goede beantwoording voor te bereiden. Ik wil daarom voorstellen om om 18.00 uur hier met elkaar door te gaan. Uiteraard nemen we de tijd om dit zorgvuldig te behandelen, maar op deze manier hebben we niet tussentijds een dinerpauze nodig. Mijn voorstel zou dus zijn om om 18.00 uur door te gaan met elkaar. Ik hoor dat de minister iets meer tijd nodig heeft. Ik geef haar enige ruimte; laten we dan om 18.05 uur starten. De vergadering is geschorst.
De vergadering wordt van 17.42 uur tot 18.05 uur geschorst.
De voorzitter:
Een goede avond. Hierbij heropen ik de vergadering. Welkom terug bij het agendapunt rondom de Wijziging van de Archiefwet. We hebben de eerste termijn van de Kamer gehad en we zijn nu aanbeland bij de beantwoording van de minister. Ik geef haar graag het woord.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Door deze wetswijziging kunnen wij een uniek project van groot maatschappelijk belang realiseren. Dat werd in al uw bijdragen vanavond ook benadrukt. We kunnen het meest geraadpleegde oorlogsarchief, het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, online beschikbaar stellen, zodat het voor iedereen laagdrempelig op tekst doorzoekbaar wordt. Bovendien wordt dit archief dankzij de inzet van het Nationaal Archief, het NIOD, WO2Net en het Huygens Instituut ook van context voorzien. Nu kunnen ook naasten van slachtoffers, meer dan 80 jaar na de Tweede Wereldoorlog, informatie krijgen over het lot van hun dierbaren. Ook kan binnen Nederland het maatschappelijke debat over de rol van Nederland in de oorlog beter worden gevoerd. Herinneringscentra en oorlogsmusea kunnen, met behulp van informatie uit deze archieven, hun bezoekers ook nog meer inzicht bieden.
Er is het afgelopen jaar heel hard gewerkt om dit wetsvoorstel zorgvuldig voor te bereiden. Daar hecht ik ook aan, gezien het noodzakelijke evenwicht tussen enerzijds het maatschappelijk belang van de toegankelijkheid van oorlogsarchieven en anderzijds de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voor de mensen die wat minder bekend zijn met dit archief: het gaat om ongeveer 3,8 kilometer — voor mij visualiseert dat altijd lekker — aan archiefmateriaal. Er zijn 18 miljoen pagina's — 18 miljoen pagina's! — met honderdduizenden namen en 485.000 dossiers. Dat is dus waar we het hier vanavond met elkaar over hebben.
Mevrouw de voorzitter. Ik heb met veel belangstelling kennisgenomen van uw introducties en de vragen en opmerkingen die u heeft gemaakt, die ik met alle plezier nu ga beantwoorden. Dat doe ik in de volgorde van een aantal blokjes. Ik begin met vragen die te maken hebben met de wetswijziging. Daarna heb ik een blokje belang online voor eenieder. Dan heb ik een blokje mitigerende maatregelen en het ministeriële besluit dat nog moet komen. Daarna heb ik een mapje met overige vragen en dan meteen de appreciatie van het amendement, of doe ik dat in de volgende termijn?
De voorzitter:
Dat kunt u inderdaad meteen doen, als laatste blokje.
Minister Letschert:
Oké. Dan begin ik met de vragen die te maken hebben met de wetswijziging. Ik begin met een wat meer generieke vraag, die mij werd gesteld door het Kamerlid van D66, over de zorgvuldigheid waarmee dit hele traject de afgelopen periode is doorlopen, de vele adviezen die er zijn gekomen, hoe die zijn verwerkt in het uiteindelijke wetsvoorstel en welke aanpassing ik het meest bepalend vind voor de zorgvuldigheid van de wet. Ik heb natuurlijk de hele wetsgeschiedenis de afgelopen periode tot mij mogen nemen. Als ik dan kijk hoeveel organisaties advies hebben uitgebracht, met uiteindelijk ook in november '25 het mooie advies van de Raad van State, zie ik dat eigenlijk al die verschillende adviezen die we hebben binnengekregen steeds tot behoorlijke aanpassingen hebben geleid en dat we daar ook een toelichting op hebben gegeven. Die aanpassingen hebben we ook in de memorie van toelichting verwoord. U kunt vanaf hoofdstuk vijf in de memorie van toelichting per advies zien wat we daarmee gedaan hebben en hoe we dat in het wetsvoorstel hebben verwerkt.
Het lastige met zo'n mooie vraag is dat als ik er nu één uitlicht, ik eigenlijk alle andere voorstellen die ook zijn gedaan, tekortdoe. Om toch een antwoord te geven op uw vraag: de rode draad is dat gaandeweg steeds meer op het niveau van het wetsvoorstel is geregeld, bijvoorbeeld voor welke categorie beperkte openbare archieven onlinebeschikbaarstelling soms nodig is en de voorwaarden waarbij dan in ieder geval aan voldaan moet worden. Dat is ook de hele discussie waardoor de autoriteit vorige keer op het negatieve advies uitkwam. Die rode draad, dus dat we het naar het niveau van het wetsvoorstel hebben getrokken, is heel belangrijk. Dat komt namelijk ook de zorgvuldigheid ten goede. Ik wil ook van de gelegenheid gebruikmaken om hier alle instanties die adviezen hebben gegeven, daar heel erg voor te bedanken.
Mevrouw de voorzitter. Dan een vraag van het Kamerlid van PRO, Mohandis. Die ging over andere belangrijke onderwerpen die ook een zwaarwegend belang hebben, maar die buiten de categorieën vallen zoals die nu in de wet zijn opgenomen: welke ruimte is daarvoor? Zoals u weet, gaat het in dit wetsvoorstel om uitzonderlijke archieven waarvoor het, vanwege het maatschappelijke belang, gerechtvaardigd is ze voor eenieder online beschikbaar te stellen, ondanks dat ze nog bijzondere of strafrechtelijke gegevens bevatten. Op advies van de Raad van State is de categorie archieven waarvoor dit kan gelden, op wetsniveau ingekaderd. De reikwijdte is ook zo veel mogelijk beperkt tot de … Ik ga het even technisch maken. Dit is natuurlijk een wetsvoorstel dat gaat over mensen en de verhalen die mensen graag willen leren kennen, maar het gaat over wetstechniek. Excuses dat ik daar af en toe op inga, maar ik wil ook zorgvuldigheid gebruiken als ik het op die manier ga uitleggen. Als u kijkt naar de reikwijdte zoals die in overweging 158 van de AVG is opgenomen, dan ziet u dat er ook wordt verwezen naar de gebeurtenissen zoals we die nu hebben vastgelegd. Dat gaat dus over oorlogsmisdaden, politiek gedrag onder voormalige totalitaire regimes, genocide of misdaden tegen de menselijkheid. Voor de uitvoerbaarheid heb ik nog de categorie "oorlog" toegevoegd. Als er in de toekomst een wens zou zijn om dit ook voor andere belangrijke archieven mogelijk te maken, is dat uiteraard mogelijk, maar dan moet daartoe op wetsniveau opnieuw besloten worden. Er is nu niet voor gekozen om het heel veel wijder te maken, want waar stopt het dan? Dat wil niet zeggen dat in de toekomst, ook in het gesprek met de Kamer, niet een andere keuze gemaakt kan worden, maar nu gaat het echt over de categorieën die ik zojuist aan u schetste.
De voorzitter:
U zag het zelf volgens mij ook al: de heer Mohandis heeft hier een vraag over.
De heer Mohandis (PRO):
Ik kan het betoog van de minister volgen. De vraag blijft dan wat het zou betekenen als we het wél zouden verbreden. Als we het zouden verbreden, betekent dat dan dat de minister — ik weet dat dit procedureel misschien complex zit — weer naar de Autoriteit Persoonsgegevens moet? Kunt u daar iets meer over zeggen?
Minister Letschert:
Ja, dat is sowieso een verstandige route; daar hebben we ervaring mee. Dan zou je opnieuw de verschillende instanties om advies gaan vragen. Je zou vragen wat het betekent voor andere, in uw woorden zwaarwegende, categorieën en of je die op die manier online beschikbaar moet stellen, met, nogmaals, persoonsgegevens van mensen die nog leven.
De voorzitter:
U kunt verder met de beantwoording.
Minister Letschert:
Dan ga ik door met de beantwoording van de vraag van het Kamerlid van de VVD, de heer Van der Maas, over de algemene maatregel van bestuur en de wijziging van het Archiefbesluit die meer gedetailleerde regels zal stellen aan de belangenafweging en de te stellen voorwaarden bij het geven van inzage aan een individuele bezoeker. U vraagt mij hoe die gedetailleerde regeling er in de praktijk uit gaat zien. De vraag betreft de verruiming van de verwerkingsgrondslag voor het geven van toegang tot archieven op individuele basis vanwege een persoonlijk belang. Dit is een juridische reparatie om het wettelijk kader in lijn te brengen met de reeds gangbare praktijk bij onze archiefdiensten. Zonder deze wijziging is de grondslag in de Archiefwet eigenlijk te beperkt voor de taak die archiefdiensten hebben, zoals ook al bleek uit de brief van de Autoriteit Persoonsgegevens uit 2024. De nadere regels voor wat betreft het geven van toegang staan dus in dat Archiefbesluit en komen uiteindelijk in een AMvB. Deze is nu nog geënt op het huidige wettelijke kader. Die moet dus ook worden aangepast. Dat kost ook weer tijd. Met de capaciteit die we hebben, hebben we nu voorrang gegeven aan het zo snel mogelijk vooruitbrengen van het wetsvoorstel, waardoor we uiteindelijk ook het ministeriële besluit kunnen nemen rondom het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging. Ik kan nu nog niet vooruitlopen op de invulling hiervan. Maar het is belangrijk om aan te geven dat deze AMvB ook ter toets wordt voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State.
De heer Van der Maas (VVD):
Ik heb een korte vraag. Kunt u een indicatie geven van de timing daarvan? Hoelang gaat dat ongeveer duren?
Minister Letschert:
Daar kom ik in de volgende termijn op terug.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Letschert:
Voorzitter, dan ga ik naar het blokje over het belang van online voor eenieder. Een vraag vanuit het CDA was of ik kan bevestigen dat in de komende periode zowel met vertegenwoordigers van slachtoffers, bijvoorbeeld het Centraal Joods Overleg, als met vertegenwoordigers van kinderen en kleinkinderen van collaborateurs wordt overlegd. Ja, dat is absoluut cruciaal. Ik heb ongelofelijk veel waardering voor de inzet en betrokkenheid van de verschillende belangenorganisaties. Ik kan hier dan ook bevestigen dat de gesprekken met alle betrokken organisaties, het Centraal Joods Overleg, de Stichting Werkgroep Herkenning en het Centraal Orgaan Voormalig Verzet en Slachtoffers, zullen worden voortgezet. Dit gebeurt zowel vanuit mijn eigen departement als vanuit het departement van VWS, maar ook vanuit het consortium dat dit allemaal met ons heeft voorbereid, het consortium Oorlog voor de Rechter. Dit is zeg maar de gebruikelijke manier van samenwerken hier. Als het ministeriële besluit klaar is, zal dat uiteraard ook in internetconsultatie gaan. Daarin wordt — dat is dan meer de formele route — de gelegenheid gegeven om een reactie te geven op dat voorgenomen ministeriële besluit. Ik deel dan ook — dat was nog een zijvraag misschien of een subvraag — dat het structurele gesprek over zo'n groot maatschappelijk, maar ook gevoelig onderwerp, met alle dimensies en kwetsbaarheden die daarbij horen, zoals mevrouw Tijmstra ook in haar inleiding zo treffend verwoordde, zowel voor als na de publicatie van het archief moet blijven plaatsvinden. Dat was dit punt.
Voorzitter. Mevrouw Tijmstra stelde ook de vraag hoe we ervoor zorgen dat het archief van context wordt voorzien en of ik daar iets meer over kan zeggen. Er is een schat aan contextinformatie aangeboden bij de onlinebeschikbaarstelling van dit centrale archief. Ik heb tijdens een van mijn werkbezoeken de kans gekregen om ook alvast een kijkje te nemen, om te zien hoe dat eruitziet en hoe het dan werkt. Dan zie je dat de informatie die je daarin vindt ook in perspectief wordt geplaatst. Hierdoor wordt de gebruiker in staat gesteld om de documenten te duiden. Er worden begrippen uitgelegd en er wordt ook gewaarschuwd tegen het trekken van te overhaaste conclusies. Daarnaast — dat vind ik eerlijk gezegd ook wel een hele zorgvuldige ontwikkeling, die van belang gaat zijn zodra het online is — is er een centraal informatiepunt, een klantcontactcentrum, ingericht, waar gebruikers terechtkunnen voor allerlei soorten vragen. Daar is voldoende capaciteit om te zorgen dat die vragen zo snel mogelijk kunnen worden beantwoord.
Dan ga ik door met het blokje mitigerende maatregelen en het ministeriële besluit. Eens even kijken. Ik begin met de vraag van het Kamerlid van het CDA rondom de login. Zou je niet vast moeten leggen dat toegang tot het archief alleen maar via het aanmaken van een account mogelijk is? Wij hebben die keuze niet gemaakt. U vraagt naar de belangenafweging. Allereerst — dat is misschien een meer principiële reactie op uw vraag — druist het ook wel in tegen het maatschappelijk belang om ongehinderd toegang te krijgen tot informatie over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust en hierover te kunnen vertellen. Dat is een principieel uitgangspunt waar deze wet eigenlijk voor staat.
Dan heb ik nog wat praktische argumenten die we in die afweging hebben meegenomen. Zo'n verplichte login is een grote drempel voor nazaten van onderzochten en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog die informatie zoeken over hun naasten en eerlijk gezegd ook wel een belemmering voor diegenen die niet in Nederland wonen. Je zou een login kunnen doen via bijvoorbeeld DigiD, maar dat heeft niet iedereen die niet het Nederlanderschap heeft en wel in deze bestanden naar familieverhalen wil zoeken.
Een derde, meer administratief-praktische, overweging is dat het verwerken van persoonsgegevens van bezoekers van de website zonder dat dit toegevoegde waarde heeft voor de toegang tot die website of voor de betrokkenen die mogelijk in die dossiers voorkomen, ook wel heel ondoelmatig wordt gevonden, want je moet ook weer iets doen met de gegevens die je dan verzamelt. Dat is dan een AVG-route waar je tegenaan loopt. Wat doe je met die gegevens? Eigenlijk geeft het ook een soort schijnveiligheid. Vandaar dat we er, na al die overwegingen, voor gekozen hebben om dat niet te doen, ook gesteund door veel van de belangenorganisaties waar ik net naar verwees.
Dan ga ik door met de vraag van het Kamerlid van PRO, Kamerlid Mohandis. Hoe gaan we om met decentrale archieven die online beschikbaar zouden kunnen worden gesteld voor eenieder, en kunnen gemeente- en stadsarchieven ook een verzoek indienen bij de minister? Ja. De gemeente- of stadsarchieven kunnen op basis van het wetsvoorstel inderdaad een verzoek bij mij als minister indienen om een oorlogsarchief — daar hebben we het over — aan te wijzen voor onlinebeschikbaarstelling voor eenieder. Ik maak dan de belangenafweging. Er is in de memorie van toelichting natuurlijk ook uitvoerig uitgelegd waarom die discussie onder de ministeriële verantwoordelijkheid valt. Als die belangenafweging uitvalt naar onlinebeschikbaarstelling, dan stel ik daartoe ook een ministerieel besluit op, waarvan het voornemen dan ook weer in internetconsultatie gaat. Iedereen kan daar dus ook weer op reageren. In dit wetsvoorstel is ook echt gekozen voor die stevig wettelijk ingekaderde belangenafweging, op basis waarvan oorlogsarchieven kunnen worden aangewezen die voor eenieder online beschikbaar worden gesteld. Dat is heel bewust onder de ministeriële verantwoordelijkheid geplaatst, ook in het licht van de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State. Maar ze kunnen dus absoluut een verzoek indienen.
Dan ga ik door naar de vraag welke technische maatregelen archiefinstellingen moeten nemen. Die kwam van het Kamerlid van D66. Wie bepaalt of die voldoende zijn en of ze in de digitale wereld, die zich steeds blijft ontwikkelen, ook nog passend zijn, dus dat ze meebewegen met de tijd? De mitigerende maatregelen die in ieder geval moeten worden genomen, staan in het wetsvoorstel. Er zijn hele technische, die u ook zelf heeft genoemd, rondom ongeoorloofde indexering, tekst- en datamining en grootschalig kopiëren, die worden tegengegaan. Naast die wettelijk bepaalde maatregelen kan ik per ministerieel besluit aanvullende maatregelen nemen en dus verplichten. De archivaris die het archief beheert, staat bij de onlinebeschikbaarstelling aan de lat, ook voor de uitvoering van die mitigerende maatregelen.
U vroeg ook wie daar dan toezicht op houdt. Dat is de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed; die houdt toezicht op de naleving van de Archiefwet door het Nationaal Archief, ook wat betreft de uitvoering van deze getroffen maatregelen en elke andere aanvullende maatregel die ik in de toekomst mogelijkerwijs zou moeten nemen ten aanzien van deze archieven. De autoriteit houdt weer — het is allemaal heel technisch, hè, mensen, via mevrouw de voorzitter — toezicht op de verwerking van de persoonsgegevens, overeenkomstig de wet, en daarmee dus ook op die getroffen maatregelen. Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen of die maatregelen voldoende zijn.
In antwoord op uw vraag hoe we zorgen dat de maatregelen meebewegen met de tijd: dat kan dus ook, doordat er ruimte is om die aanvullende maatregelen te nemen, en doordat de archivaris, die ook in die digitale wereld meebeweegt, bij de uitvoering van de maatregelen die beweging naar de digitale werkelijkheid in acht neemt. Er hoeft dan dus geen heel nieuw wetsvoorstel te komen, als daar de zorg misschien heeft gezeten.
Ik ga door. Kamerlid Van der Maas zei: daar waar gegevens openbaar worden gemaakt en waarbij dit ook de persoonlijke levenssfeer raakt van onderzochten of verdachten die uiteindelijk niet schuldig werden bevonden, is het ook wenselijk dat dit duidelijk wordt gemaakt. In de dossiers, dat aantal dat ik u net noemde, is te lezen of een onderzochte veroordeeld is of niet en wat de strafmaat is. In het dossier waar u dan toegang toe heeft, kunt u dat dan ook meteen zien. Juist door het beschikbaar stellen van de dossiers met die context wordt het mogelijk om een beeld te krijgen van hoe de rechtsgang is verlopen en hoe de oorlog zich heeft afgespeeld. U ziet dus meteen wat de status is van hoe de procedure uiteindelijk is afgerond. Bovendien wordt op de website Oorlog voor de Rechter duidelijk gemaakt hoe de gerechtelijke onderzoeken destijds zijn vormgegeven.
Dat is een antwoord op de vraag rondom context. Die website Oorlog voor de Rechter geeft er duiding bij. Een belangrijke mitigerende maatregel die ik hierbij wil noemen — die wordt namelijk nog weleens vergeten in de discussie — is dat alleen dossiers van onderzochten die zijn overleden online beschikbaar zijn. Dat is een niet te onderschatten maatregel.
Mevrouw de voorzitter. Kan ik toezeggen om de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming aan te passen? Dat zou ik misschien ... Nee, dat kan ik niet, want dat zit bij een ander departement, namelijk bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, die verantwoordelijk is voor deze wet. De voorliggende wetswijziging beperkt zich bewust tot de archieven die onder de Archiefwet vallen en voor deze archieven maakt het wetsvoorstel de balans op. De UAVG geldt voor alle personen en organisaties in Nederland. Hierdoor verschilt ook de juridische context van de juridische context van de overheidsarchieven. De regeling die ten aanzien van de Archiefwet voorligt laat zich daardoor niet eenvoudig kopiëren naar de UAVG. De balans zou daardoor ook anders kunnen uitvallen. Ik kan uw wens tot een wijziging overbrengen aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, maar die is uiteindelijk verantwoordelijk voor die wet.
Dan ga ik naar de overige vragen. Die gaan met name over hoe we scholen en docenten kunnen helpen om de digitale archieven in de klas te gebruiken. Het feit dat we dit centrale archief nu online voor iedereen toegankelijk kunnen maken, gaat er ook voor zorgen dat het blijven vertellen van het verhaal van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust veel meer mogelijk wordt gemaakt. Dat geldt voor het onderwijs zelf, maar er werd eerder ook verwezen naar de oorlogsmusea en de herinneringscentra. Ook daarvoor is dit een ongelofelijke schat aan informatie die ingezet kan worden om scholieren op een goede manier te informeren over de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust.
Ik zou eenieder willen aanraden om, zodra het online is, ook echt te kijken wat voor informatie en context je allemaal kan vinden. Het consortium dat daaraan gewerkt heeft, het consortium Oorlog voor de Rechter, en alle wetenschappelijke partijen die daarbij betrokken zijn geweest, hebben een dusdanige schat aan informatie en context beschikbaar gemaakt dat het mogelijk is voor scholen en docenten om daar echt gebruik van te maken. De begrippen worden namelijk uitgelegd en er wordt gewaarschuwd voor het trekken van overhaaste conclusies. Dat zit er allemaal in. Het is niet alleen maar zo dat je die — wat zei ik dat het was? — 18 miljoen pagina's krijgt; er zit ook een hele duiding bij. Echt prachtig. Zo mag ik het vanuit een wetenschappelijk en educatief perspectief wel noemen, denk ik.
Mevrouw de voorzitter. Hoe zorgen we er dan voor dat mensen zonder ervaring in het archief straks ook hun weg online kunnen vinden? Het is enorm toegankelijk gepresenteerd, zowel in de visuele uitingsvormen van het Centraal Archief als in de duiding die erbij wordt gegeven. Daardoor wordt de gebruiker dus in staat gesteld om de documenten te duiden. Daarnaast en als laatste wil ik wederom verwijzen naar dat centrale informatiepunt, het klantcontactcentrum, waar gebruikers vragen kunnen stellen, mochten ze toch nog vastlopen.
Ik ga door met de vraag van de VVD in hoeverre ik het wenselijk acht dat de particuliere archieven, waar meerdere vragen over zijn gesteld, maar die buiten het wetsvoorstel vallen, ook worden ontsloten. Met dit wetsvoorstel geef ik prioriteit aan het realiseren van de onlinebeschikbaarstelling van dit centraal archief. De Archiefwet gaat over het overheidsarchief, wat ook nog weleens vergeten wordt. Dat is waar deze wet over gaat. De diversiteit aan organisaties met particuliere archieven is echt gigantisch. In voorbereiding op dit debat heb ik daar nog eens wat op doorgevraagd. Zowel qua soort archieven als qua omvang is dat echt enorm. Dat valt dus niet onder de Archiefwet. Dat maakt het in de juridische context waarin we dit nu bespreken, dus ook ingewikkeld. Maar ook qua uitvoering, zou je die kant op willen gaan, is het echt een ongelofelijk grote opgave. Voor die particuliere archieven geldt gewoon de AVG, maar nogmaals, die vallen dus niet onder de Archiefwet, want die gaat over overheidsarchieven.
Mevrouw de voorzitter. De heer Mohandis vroeg wat ik ervan vind dat het Nationaal Archief stopt met particuliere archieven die aan hen zijn overdragen. Daar is dus ook wel een praktijk in geweest. Of nou ja, "geweest", ik weet niet of ik het zo moet formuleren. De precieze uitwerking daarvan, ook als het gaat om de strategie en de visie van het Nationaal Archief, is op dit moment onderwerp van formele besluitvorming, zowel binnen het archief als binnen het ministerie. Zij zijn ook in overleg met de KVAN, de vereniging die daar een belangrijke partner in is, over hoe je een nader kader zou kunnen ontwikkelen voor de omgang met particuliere archieven. Ik zou graag de uitkomst van dat overleg willen afwachten en daarom ook nu nog geen adviesaanvraag willen doen bij het ACOI. Ik zou namelijk eerst dat proces willen afwachten. Dan kom ik in een van de volgende Kamerbrieven bij u terug met wat daaruit is gekomen en wat het formele besluit is van zowel het Nationaal Archief als het ministerie.
De heer Mohandis (PRO):
Het is een beetje een dilemma. Als we moeten wachten wat de uitkomsten zijn en er dan een besluit wordt genomen, dan kan ik vanuit de Kamer weinig meegeven, want ik weet niet wat er wordt besloten en hoe dat nu gaat. Ik moet het hebben van een krantenartikel en van een brief — de minister verwees er al naar — van de Koninklijke Vereniging Archiefsector Nederland, de KVAN, zoals wij die kennen. Punt blijft dat als er een afslag wordt genomen die wij onwenselijk vinden omdat de effecten daarvan gevolgen hebben — we weten immers niet wat dat betekent voor het archiveren van alles wat geen overheidsinformatie is — ik dat nogal ver vind gaan. Ik weet dus niet of ik daarop moet wachten, omdat ik niet weet welk besluit er gaat vallen. Graag iets meer houvast. Anders zal ik de minister toch via een motie opdracht moeten geven om in ieder geval de Kamer in positie te brengen.
De voorzitter:
We gaan kijken of de minister u wat houvast kan bieden.
Minister Letschert:
Nou, ik zeg niet dat wij alle besluiten gaan nemen en dan … Het is wel van belang dat de precieze uitwerking en de gesprekken die nu lopen, leiden tot een positie die we innemen als Nationaal Archief en ministerie. Daar gaan we ook advies op vragen. Dat is dus niet een besluit; dat is de richting die we kiezen. Dan komt het natuurlijk ook bij de Kamer terecht. Het is dus niet zo dat u daar in een buitenpositie wordt gesteld. Als ik die indruk heb gewekt, zou ik dat graag willen — ik zoek even naar het juiste woord — ontkrachten.
De heer Mohandis (PRO):
Dat laat ik even op me inwerken; laat ik het dan zo zeggen. Dan even heel concreet op wat wij hebben kunnen lezen. Klopt er iets van die berichten? Is er sprake van onnodige onrust? U zegt namelijk: het gaat allemaal niet zo snel als in de krant heeft gestaan. Iets meer politieke duiding zou handig zijn, zeg ik via u, voorzitter.
Minister Letschert:
Wat ik zeg: dat is echt te vroeg. De precieze uitwerking, ook van de gesprekken die er zijn, is onderwerp van gesprek. Daar is dus nog geen uitkomst van. Zodra we daarbij in de buurt komen, zullen wij er advies over vragen en dat ook met uw Kamer delen. Ik kan dus niet zeggen wat ik … Als het gaat over de onrust nu bij het Nationaal Archief: die zit deels op de manieren waarop er bijvoorbeeld wordt omgegaan met educatieve taken van het Nationaal Archief en de voorlichting daaromtrent. U weet ook dat wij als kabinet ten aanzien van zowel onze beleidsdepartementen als onze uitvoeringsorganisaties hebben gevraagd om ook te kijken naar wat we de "slagvaardige overheid" noemen en de taakstellingen die daarbij horen. Dat betekent dat alle organisaties ook met elkaar aan het kijken zijn wat er nou onder de wettelijke taken die we hebben valt en waar we misschien in de toekomst afstand van zouden moeten nemen. Dat proces loopt. Daar is nog geen besluit over genomen. Zodra de directie van het Nationaal Archief daarover een voorgenomen besluit zou hebben liggen, wordt dat met het ministerie besproken en wordt daar ook advies op gevraagd. In de krant wordt natuurlijk heel veel gezegd. Ik begrijp ook de zorgen van medewerkers binnen het Nationaal Archief die bijvoorbeeld werken aan bepaalde onderdelen en onderwerpen die voor hen heel belangrijk zijn. Dat is eigenlijk waar het krantenartikel ook op doelt. Maar nogmaals: er is nog geen besluitvorming geweest. Dat proces daarnaartoe loopt.
De voorzitter:
Uw derde interruptie, meneer Mohandis.
De heer Mohandis (PRO):
En de laatste op dit onderwerp. Ik wacht dan heel erg af wat daaruit komt, maar het blijft voor ons toch een zoektocht. Er wordt gesproken over het nemen van een besluit en over het mogelijk minder doen als het gaat om archiveren. Bepaalde taken worden in dat geval afgestoten, maar het is mij een raadsel waar die taken naartoe gaan. Dat blijft toch een beetje een vraagteken. Ik begrijp wat de minister zegt. Ik beraad me even op wat ik daarmee doe in de tweede termijn.
De voorzitter:
Dat is helemaal goed. Ik stel voor dat we verdergaan met de beantwoording. U was in het blokje overig. Ik ben benieuwd of u daar bijna klaar mee bent en of u richting het amendement kunt gaan.
Minister Letschert:
Zeker. Ik heb nog twee vragen, mevrouw de voorzitter.
Eén. Dit is de laatste vraag vanuit D66 rondom het historisch wetenschappelijk onderzoek: is dat online door de onderzoeksinstituten toegestaan en werpt deze wet daar geen belemmeringen voor op? Laat ik als eerste zeggen dat toegang voor wetenschappers tot de archieven zoals dit centraal archief ongelofelijk belangrijk is. Het zijn ook de wetenschappelijke instellingen die hebben meegewerkt aan die hele contextuele duiding zoals die dadelijk toegankelijk gaat zijn voor iedereen. Het huidige wettelijke kader biedt de ruimte voor het raadplegen van archieven voor de wetenschap. Indien er openbaarheidsbeperkingen op archieven rusten, worden er voorwaarden aan deze raadpleging gesteld. Dat geldt ook voor de wetenschappelijke partijen die daar toegang toe willen hebben. Op dit moment zijn we met bijvoorbeeld het NIOD en het Huygens Instituut bezig om afspraken te maken over een voor wetenschappers bestemde en bruikbare toegang tot de data achter het gedigitaliseerde centraal archief. Er zitten natuurlijk heel veel ruwe data achter — dat is ook precies wat het Kamerlid beschreef — die je zou willen kunnen gebruiken om allerlei cross-overanalyses te maken die je uit die data kan halen. Volgens mij lopen daar goede gesprekken over. Deze wet beperkt echter absoluut niet de toegang en de mogelijkheden voor de wetenschap.
Mevrouw de voorzitter, de laatste vraag. Wordt er voldoende rekening gehouden met het digitale tijdperk in general? De Archiefwet die is aangepast en gemoderniseerd, is juist ook aangepast en gemoderniseerd met het oog op de verbetering van het digitaal archiefbeheer. Het coördinerende departement is hier BZK, want dat is het coördinerende departement voor de informatiehuishouding van de Rijksoverheid. U moet dus eigenlijk bij mijn collega zijn, staatssecretaris Van der Burg, die hier de verantwoordelijkheid heeft. Ik kan hier misschien wel zeggen dat op basis van de Archiefwet alle departementen verplicht zijn om planmatig met hun informatiebeheer om te gaan. Dat betekent dus ook dat alle overheidsorganisaties verplicht worden om beheerregels op te stellen. Onderdeel daarvan is een kwaliteitssysteem gericht op de duurzame toegankelijkheid van documenten. De departementen zelf zijn verantwoordelijk voor de doorvertaling van dit plan naar hun eigen organisatie en voor de uitvoering. Dat valt dus ook niet onder OCW. Over tweeënhalf en vervolgens weer over vijf jaar wordt de Archiefwet 2026 geëvalueerd. Ik wil u daarbij zeker toezeggen dat hierbij ook oog is voor het digitale archiefbeheer.
Dan ga ik naar het amendement. Laat ik vooropstellen dat ik een enorm begrip heb voor de grote behoefte die er bestaat bij geadopteerden om informatie te vinden over hun biologische ouders en hun familie, en bij moeders die op zoek zijn naar hun kinderen. Dan kom ik toch bij een wat meer ... Ik weet niet of het een technisch antwoord is, maar het is in ieder geval een antwoord gerelateerd aan de verantwoordelijkheid die ik vanuit mijn ministerie heb voor de Archiefwet.
Op grond van de Archiefwet maakt de archivaris een belangenafweging tussen het belang van degene die informatie verzoekt en het belang van andere personen die in de adoptiedossiers voorkomen. Ik heb mij vanmiddag op het ministerie wat dieper laten informeren over hoe dat loopt en wat de huidige rechtspraak en de huidige wetgevende kaders zeggen. Daaruit hoor ik terug dat uit de rechtspraak en uit de internationale verdragen die erbij horen, volgt dat voor adoptiedossiers veel gewicht toekomt aan het belang van de geadopteerde en dat het Nationaal Archief dat ook op die manier uitvoert. Het zwaarwegende belang van betrokkenen gaat als heel zwaarwegend belang dus ook heel vaak voor.
Daarbij geldt wel dat er situaties kunnen voorkomen waarin informatie niet verstrekt kan worden die niet direct gerelateerd is aan de adoptie of de afstamming. Ik noem even wat voorbeelden. Het gaat bijvoorbeeld om medische informatie van broers en zussen of van ooms en tantes. Waarom zitten die in dat dossier? Omdat het niet persoonsdossiers, maar gezinsdossiers zijn, waar dus ook namen in kunnen voorkomen, inclusief de medische informatie van deze familieleden. Ik ben een paar maanden geleden op werkbezoek geweest bij het Nationaal Archief. Ik heb toen ook gesproken met de archivarissen die deze belangenafweging maken. Zij hebben me ook toegelicht hoe dat dan gaat en wat er dus allemaal in zo'n gezinsdossier kan zitten.
Als ik mee zou gaan in dit amendement, en dus, zeg maar, het moeten weghalen van dat soort informatie van andere personen in het gezinsdossier … Dat valt onder de AVG. Daar verandert het aannemen van dit amendement dan ook niks aan. Als we dit amendement met oordeel Kamer zouden appreciëren, dan wek ik daarmee de indruk dat er meer informatie beschikbaar gaat komen, wat niet het geval is, want dan legt dezelfde AVG nog steeds diezelfde beperking op.
Misschien nog een generieke, meer wetsgerelateerde opmerking. Deze Archiefwet 2026 is een algemene kaderwet. Beslisregels voor specifieke soorten archieven hieraan koppelen, is ergens ingewikkeld. Ik ga dit dus ontraden. Ik zie de teleurstelling vanuit het CDA, dus ik ga er graag met u over in debat als u daar een andere blik op heeft.
De voorzitter:
Dat gaan wij horen, want ik ga het woord geven aan mevrouw Tijmstra.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Excuses zonder dat er vervolgtrajecten zijn, zijn leeg. Dit is het allereerste moment dat we vanuit de politiek, vanuit de Kamer met de regering, een kans kunnen pakken om voor deze doelgroep meer inzicht te geven in de dossiers om familie terug te kunnen vinden, iets waar ongelooflijk veel behoefte aan is. Er ligt gewoon een advies van landsadvocaat Pels Rijcken. Dat advies is heel helder: je kan vanuit de politiek meer sturend zijn in het maken van die belangenafweging. Dat is onzes inziens ook nodig om die stap te kunnen zetten, zodat alle informatie die nodig is om je familie terug te kunnen vinden ook beschikbaar komt. Hoe kijkt de minister dan naar het advies van de landsadvocaat dat er ligt? We spreken hier al ontzettend lang over.
Minister Letschert:
Zoals ik net aangaf, heb ik het advies van de landsadvocaat vanmiddag kunnen lezen. Ik blijf het ingewikkeld vinden dat de indruk wordt gewekt dat er meer gegevens beschikbaar zouden komen door deze wijziging aan de Archiefwet toe te voegen, vanwege de reden die ik net heb geschetst. Dan wek je een verwachting, ook als het gaat over de gezinsdossiers. Er zullen dan nog steeds namen weggelakt moeten worden vanwege de verantwoordelijkheden vanuit de AVG. Ik ben dus nog erg zoekende. Ik zou liever nog een andere route willen verkennen over hoe het komt dat die familieleden en afstandsmoeders de ervaring hebben dat het Nationaal Archief de zwaarwegende belangen die zij hebben, niet op zo'n manier weegt dat het ook daadwerkelijk leidt tot de informatie die deze mensen nodig hebben. Maar dit amendement gaat dat niet opleveren.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Weet je wat ik gewoon heel ingewikkeld vind? De grootste belangenorganisatie zegt: inzage kan, maar we krijgen niet altijd de bijzondere persoonsgegevens waar we behoefte aan hebben. Dus inzage in het archief kan, maar wat heb je daaraan als de informatie waarnaar je op zoek bent, zwartgelakt is? De Kamer heeft via een motie ook een hele duidelijke uitspraak gedaan, namelijk dat wij volledige toegang tot alle dossiers willen. Hoe we dan werken hier in Den Haag, is dat daar dan een nieuwe wet voor opgesteld moet worden. Ik begrijp dat die belangenafweging gemaakt moet worden en dat wetgeving goed moet zijn, maar wetgeving opstellen duurt een jaar of twee. Nu doet zich een kans voor om voor de dossiers die in het Nationaal Archief zitten een stap te maken, om met elkaar te zoeken naar hoe we wel iets kunnen betekenen voor die groep. Die kans wordt niet gepakt. Dat vind ik echt doodzonde. Ik ben echt benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt.
Minister Letschert:
Ik ga een beetje in herhaling vallen. Op het moment dat er in een gezinsdossier bijvoorbeeld medische informatie voorkomt van gezinsleden, zal er op grond van de AVG gelakt moeten worden, ook met het aannemen van dit amendement. De vraag is dus wat we dan aan het oplossen zijn.
De voorzitter:
Ik merk ook dat u in herhaling valt. Ik kijk nu naar mevrouw Tijmstra voor haar derde en laatste interruptie hierop.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ja, dank u wel, voorzitter. Afrondend. Deze minister is onderdeel van het kabinet. Het kabinet heeft excuses gemaakt en wil daar ook een vervolg aan geven. Ik zou u eigenlijk willen vragen: laten we gewoon kijken of we met elkaar een formulering kunnen vinden, in de artikelen die nu voorliggen of op een andere manier, zodat we deze kans benutten in de wet die nu voorligt, zodat we voor deze groep, ook nu, op dit moment, echt een stap kunnen zetten.
Minister Letschert:
Voorzitter, ik wil daar graag in de volgende termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Ja. Volgens mij bent u allebei met die zoektocht bezig.
De heer Mohandis (PRO):
Dit is een belangrijk amendement van de collega van het CDA. Het volgende is voor mijn fractie wel belangrijk om te weten. De minister zegt dat als dit amendement wordt aangenomen — ik zeg het in mijn eigen woorden — het heel veel valse beloftes gaat opwekken en niet zal leiden tot de, terechte, hoop die er is bij deze groep. Ik ben wel echt benieuwd wat dit amendement werkelijk doet. Als wij voor zouden stemmen en dit amendement wordt aangenomen, wat betekent dat dan? Wat betekent dat in de praktijk? Misschien kan de minister daar in de tweede termijn op terugkomen. De wetgeving moet goed — daar zijn we het snel over eens — maar we moeten echt weten wat voor effect dit met zich meebrengt.
De voorzitter:
Het is niet uw amendement, maar ik snap absoluut dat u die afweging wilt kunnen maken.
Minister Letschert:
Volgens de informatie die ik vanmiddag heb opgehaald en waar ik me in heb verdiept, ook volgens staande rechtspraak, jurisprudentie en internationale verdragen, is de bestaande praktijk dat het zwaarwegende belang van de belanghebbenden die in het adoptiedossier willen kijken, moet worden meegewogen. Dat is wat er in de praktijk gebeurt. Wat er niet gebeurt, is dat gegevens van andere personen in de gezinsdossiers openbaar worden gemaakt voor degene die dat dossier kan inzien, ook vanuit de AVG. Dit amendement gaat dat deel niet veranderen. Het feit dat het zwaarwegende belang van de afstandsmoeders en de adoptiekinderen moet worden meegewogen, is de bestaande praktijk. Dat is wat ik bedoel met het creëren van verwachtingen. Ik ben heel erg zoekende. Ik ben het namelijk eens met mevrouw Tijmstra dat het feit dat we excuses hebben aangeboden, niet voldoende is. Ik denk alleen niet dat deze route echt een betekenisvolle volgende stap gaat zijn. Ik wil graag meezoeken naar wat die betekenisvolle stap kan zijn, maar daar heb ik dan ook even wat tijd voor nodig.
De voorzitter:
Dat begrijp ik.
Minister Letschert:
Na de derde termijn.
De voorzitter:
De tweede.
Minister Letschert:
Ja.
De voorzitter:
We houden het bij een tweede termijn vanavond!
Minister Letschert:
Sorry, de tweede termijn, ja!
De voorzitter:
Mogelijkerwijs kan mevrouw Tijmstra daar in haar eigen tweede termijn kort op terugkomen en dan kunt u daar weer op reageren.
Dat was de appreciatie van het amendement. Op dit moment wordt het ontraden. Daarmee bent u volgens mij ook aan het einde gekomen van uw beantwoording. U heeft daar verder niks aan toe te voegen. Dan wil ik u hartelijk danken daarvoor.
Ik kijk even naar de Kamerleden om te zien of wij direct over kunnen gaan tot de tweede termijn. Ik zou dezelfde sprekersvolgorde willen hanteren, tenzij mevrouw Tijmstra een collega voor wil laten. Nee, bent u zover? Dan geef ik u het woord voor uw tweede termijn. De richtlijn is om ongeveer een derde van de spreektijd in eerste termijn te gebruiken. Gaat uw gang.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de minister hartelijk danken voor de uitgebreide beantwoording van onze vragen. Het CDA vindt het heel erg belangrijk dat de partijen aan tafel blijven en dat het gesprek gevoerd wordt, zowel met het Centraal Joods Overleg als met de nabestaanden van collaborateurs. Die toezegging heb ik de minister horen doen, dus daar zijn we heel erg tevreden over.
Ik zou nog terugkomen op één vraag van de VVD. Dat is inderdaad heel scherp. We gaan nog even kijken naar de formulering.
Voorzitter. Ik wil hier nogmaals een appel doen op de minister om te kijken hoe we ook in haar eigen wetgeving ruimte kunnen creëren en echt iets kunnen doen voor deze groep mensen. Misschien nog een hartenkreet: laten we alsjeblieft ook kijken naar een intensieve samenwerking tussen ministeries en zorgen dat het daar in ieder geval niet op stukloopt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat heeft u duidelijk overgebracht. Meneer Mohandis, aan u het woord voor uw tweede termijn.
De heer Mohandis (PRO):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties. Dank aan de minister voor de beantwoording in eerste termijn. Ik ga nog even door op het punt over het Nationaal Archief. Ik dien de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Nationaal Archief de publiekstaken wil staken, geen particuliere archieven meer op wil nemen en zich uitsluitend wil richten op een van zijn kerntaken, het duurzaam toegankelijk maken en houden van overheidsinformatie;
overwegende dat het niet langer acquireren van particuliere archieven dreigt te leiden tot lacunes, die de mogelijkheden voor geschiedschrijving, waarheidsvinding en onderzoek naar maatschappelijke ontwikkelingen ernstig beperken;
voorts overwegende dat het afstoten van belangrijke publiekstaken door het Nationaal Archief afbreuk doet aan de bijdrage van het Nationaal Archief dat bezoekers de inhoud van de dossiers op juiste waarde leren schatten en dat met het verdwijnen van educatieve programma's het onderwijs een unieke plek verliest waar leerlingen kunnen ontdekken hoe historische bronnen het verhaal van Nederland vertellen en waarom betrouwbare informatie ertoe doet;
van oordeel dat het niet vanzelf spreekt dat andere archieven, zoals DNPP (Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen), Atria en The Black Archives al deze taken zomaar kunnen overnemen;
verzoekt de regering om bij het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding (ACOI) en de Raad voor Cultuur advies in te winnen over deze koerswijziging voordat ze het Nationaal Archief eventueel hiertoe laat overgaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis.
Zij krijgt nr. 9 (36889).
De heer Mohandis (PRO):
Mijn laatste motie gaat over het effect van het debat dat we eerder, een paar jaar geleden, hebben gevoerd over de nieuwe Archiefwet, hoe die zou moeten doorwerken en hoe de Rijksoverheid daarin het goede voorbeeld kan geven.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er mede door de exponentiële groei van de hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie sprake is van achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata;
van oordeel dat kennelijk met het invoeren van het wetsvoorstel voor de nieuwe Archiefwet niet alle problemen in de informatiehuishouding zijn opgelost;
verzoekt de regering om een verplichtend rijksbreed plan op te stellen om informatiebeheer zo snel mogelijk onderdeel te maken van de bedrijfsvoering van alle departementen, met een helder tijdpad, om aan deze verplichting uit de nieuwe Archiefwet te voldoen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Mohandis en Kathmann.
Zij krijgt nr. 10 (36889).
De heer Mohandis (PRO):
Deze motie is mede-ingediend door collega Kathmann, een heel digitaal Kamerlid.
Dat was het.
De voorzitter:
Altijd goed als de commissie Digitale Zaken meedoet, zou ik willen zeggen. Prachtig. Dank u wel, ook voor de moties. Ik kom bij de volgende spreker, mevrouw Heera Dijk. Aan u het woord.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij dank aan de minister voor de beantwoording. Goed om te horen dat het allemaal zorgvuldig is gegaan met allemaal verschillende partijen. Ik heb één motie en die heeft betrekking op het onderwijs.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat met deze wet belangrijke oorlogsarchieven, waaronder het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, digitaal toegankelijk kunnen worden gemaakt;
overwegende dat deze archieven geschiedenis dichtbij brengen door de verhalen van mensen die haar hebben meegemaakt;
overwegende dat originele archiefstukken brieven, foto's, getuigenverklaringen en processtukken leerlingen kunnen laten zien wat oorlog, vervolging en uitsluiting in het leven van mensen hebben betekend;
overwegende dat we de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust alleen levend houden als ook nieuwe generaties deze verhalen blijven kennen en begrijpen;
verzoekt de regering om, in aansluiting op het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie, samen met archiefinstellingen, kennisinstellingen en het onderwijsveld te zorgen dat digitaal beschikbare oorlogsarchieven goed bruikbaar worden voor scholen en docenten, onder meer door historische bronnen toegankelijk te maken met goede context, uitleg en educatief materiaal,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Heera Dijk en Van der Maas.
Zij krijgt nr. 11 (36889).
Dank u wel. Deze motie is mede-ingediend door de heer Van der Maas. Helemaal goed, dank u wel. Dan kunnen we inderdaad door naar de heer Van der Maas. Hij was zojuist al aangekondigd. Het woord is aan u voor uw tweede termijn.
De heer Van der Maas (VVD):
Heel fijn om te horen dat mijn naam nu synoniem is met de VVD. Hartelijk dank daarvoor. Daar ben ik erg trots op, uiteraard.
Hartelijk dank aan de minister voor de beantwoording van mijn vragen. Ik heb er verder geen moties over. Ik ben heel benieuwd naar de appreciaties en hoe we met het amendement omgaan. Dat is voor ons echt superbelangrijk. Dat wilde ik nog even melden.
Hartelijke dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer.
Er zijn een aantal moties ingediend. Ik wil de minister vragen om zich daarop voor te bereiden. Ik begreep dat zij zo'n vijftien minuten daarvoor nodig heeft. Er moet ook nog op en neer gelopen worden, dus laten we om 19.15 uur verdergaan.
De vergadering wordt van 18.57 uur tot 19.14 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedenavond, welkom terug bij dit debat. Ik heropen de vergadering. We zijn gebleven bij de Wijziging van de Archiefwet. Ik mag de minister het woord geven voor de appreciatie van de moties. Ook zijn er nog enkele vragen gesteld in de tweede termijn. Het woord is aan de minister.
Minister Letschert:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Er was nog een openstaande vraag van Kamerlid Van der Maas. Hij vroeg naar de termijn waarop de AMvB wordt opgesteld over de voorwaarden voor persoonlijke toegang op de studiezaal. Het concept wordt op dit moment opgesteld. Ik streef naar internetconsultatie in de eerste helft van 2027. Daarna gaat het naar de Autoriteit Persoonsgegevens en tot slot moet ik ook nog advies vragen aan de Raad van State. Dat heb ik net al toegelicht. Dat was de vraag die ik nog had openstaan.
Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 9 over het advies vragen aan het ACOI en de Raad voor Cultuur ga ik ontraden. De activiteiten die het Nationaal Archief ontplooit rondom deze particuliere archieven zijn een discretionaire bevoegdheid van het Nationaal Archief. In de visieontwikkeling voor de toekomst heeft het Nationaal Archief veel contact met de KVAN, de vereniging waarover we vanavond ook al hebben gesproken. Ik zal de Kamer uiteraard informeren over de precieze invulling. Maar nogmaals, het is een kanbepaling in de Archiefwet, waarover het Nationaal Archief een eigenstandige visie mag ontwikkelen. Als ik het voorgenomen besluit heb ontvangen, zal ik afwegen of dit nog vraagt om het inwinnen van nader advies en zo ja, van wie. Ik kan de motie nu echter geen oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 9 wordt ontraden.
Dat levert een vraag op van de heer Mohandis.
De heer Mohandis (PRO):
Ik hou de motie staande, waarbij ik nog wel de opmerking wil maken dat ik terugkrijg dat de keuze ook ingegeven is door de beperkte middelen. Als de minister ons in ieder geval informeert over de stand van zaken — daar zijn we het dan over eens — wanneer krijgen we die dan ongeveer? Kan dat bijvoorbeeld — ik noem maar een moment — voor de behandeling van de begroting Cultuur? Dat zou heel fijn zijn, want dan kunnen we dat samen wegen.
Minister Letschert:
Ja. Die toezegging wil ik doen.
De voorzitter:
Dat is helemaal goed.
Minister Letschert:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 10, inzake de digitale huishouding. Die geef ik het oordeel overbodig, omdat de verplichte plannen waar Kamerlid Mohandis om vraagt al worden voorgeschreven in de Wet open overheid. Dat betreft de meerjarenplannen informatiehuishouding.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 10 krijgt het oordeel overbodig.
Minister Letschert:
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 11, van de leden Dijk en Van der Maas, waarin wordt gevraagd de digitaal beschikbare oorlogsarchieven bruikbaar te maken voor scholen. Deze motie geef ik oordeel Kamer. Ik merk daarbij op dat dit ligt op het terrein van onze minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Uiteraard heb ik met haar contact hierover. De appreciatie is oordeel Kamer, als ik de motie zo mag begrijpen dat het breed gaat om het levend houden van de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, inclusief de Holocaust, en dat de instellingen in de WO II-sector hierbij worden betrokken.
De voorzitter:
ik kijk even naar mevrouw Heera Dijk om te zien of die interpretatie akkoord is. Dat is het geval. De motie op stuk nr. 11 krijgt oordeel Kamer.
Minister Letschert:
Dan ga ik naar het amendement. Zoals ik net in de vorige termijn heb gezegd — ik heb het net nog een keer doorgesproken met een aantal juristen die in de buurt waren — ben ik echt van mening dat dit amendement de praktijk niet zal veranderen. Ik wil hier toezeggen dat ik binnen nu en twee maanden een gesprek ga organiseren met de Kamerleden die daarvoor open staan, de belangenverenigingen en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, om met elkaar te kijken hoe het nu kan dat we op dit punt een verschil van opvatting hebben en hoe we ervoor kunnen zorgen dat we de belangen van deze heel belangrijke groep van afstandsmoeders en geadopteerden beter kunnen dienen. Maar het amendement moet ik ontraden, vanuit de redenering die ik u net ook heb gegeven.
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Toch nog een aanvullende vraag hierover. De wethouder wil binnen twee maanden een gesprek voeren, maar dan is de wetsbehandeling van de Archiefwet natuurlijk voorbij. Dit is de enige route voor het opstellen van nieuwe wetgeving, die sowieso vanuit JenV wordt opgepakt. Ziet de minister dan helemaal geen kans om dit moment, nu er een kans voorligt, te benutten om iets te doen voor deze groep?
Minister Letschert:
Ik probeer steeds duidelijk te maken dat het amendement zoals het nu voorligt niets gaat veranderen aan de bestaande praktijk. Daardoor zie ik de opportuniteit die u nu noemt niet als een opportuniteit die iets gaat veranderen voor deze doelgroep. Ik wil heel graag mijn tijd en energie aanbieden, ook als ik hoor dat u zegt dat er interdepartementaal wellicht af en toe dingen blijven liggen in die belangenbehartiging, maar dit amendement gaat niets veranderen. De inzage wordt al zo veel als mogelijk aangegeven binnen de kaders van de AVG. Als de Tweede Kamer wil dat de inzage wordt verruimd, moet de AVG worden aangepast. De inzage kan niet via dit amendement op deze wet worden aangepast.
De voorzitter:
Mevrouw Tijmstra, u heeft nog een andere vraag?
Mevrouw Tijmstra (CDA):
Ik ben natuurlijk blij dat de minister ervoor openstaat om een gesprek te voeren; laat ik dat vooropstellen. Toch vind ik het lastig dat dit momentum dan voorbij is. Ik hoor de minister iedere keer terugkomen op het amendement. Dat snap ik, want dat ligt voor. Maar mijn vraag was breder. Kunnen we met elkaar in gesprek gaan om te kijken wat er binnen de Archiefwet mogelijk is?
Minister Letschert:
Dan gaat u ervan uit dat ik, voordat we de stemming over deze wet hebben, een bepaling ga vinden die tegemoetkomt aan de oproep die u doet, waarvan ik steeds zeg dat we daarmee tegen andere wetgeving aanlopen. Ik zie daarvoor gewoon geen reële mogelijkheden.
De voorzitter:
Dat is het antwoord van de minister. Ik zie dat de heer Mohandis daar toch nog wat over wil weten.
De heer Mohandis (PRO):
Ik heb nog een verhelderende vraag. Het amendement is uiteraard van een collega, maar wij hadden eigenlijk ook amendementen in gedachten. Dat zei ik ook in de eerste termijn. Wij zien ook wel dat de wet hier en daar scherper kan, maar we kunnen niet overzien wat de werkelijke werking ervan is als het amendement wordt aangenomen. De simpele vraag is als volgt. Stel nu dat dit amendement wordt aangenomen. Misschien is dit een als-danvraag, maar wat betekent dat? Dan is de tekst in de wet gewijzigd en dan gaat die naar de Eerste Kamer. Klopt het dat de minister zegt: dat voegt nog steeds niets toe voor de groep die hoop heeft meer te kunnen zien?
Minister Letschert:
Dat klopt.
De voorzitter:
Dat is helder. U was volgens mij aan het einde gekomen van uw beantwoording in deze tweede termijn. Daarmee komen we ook aan het einde van de inhoudelijke bespreking van dit wetsvoorstel. Hartelijk dank aan de minister voor haar beantwoording. Dank ook aan de aanwezige Kamerleden voor hun inbreng tijdens het debat. Dank ook aan alle mensen op de tribune voor hun aanwezigheid hier. Nogmaals dank.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan op 22 september stemmen over de wet, het amendement en de moties. Dan resteert mij om u allen een hele prettige avond te wensen. Hierbij sluit ik de vergadering.