Stenogram : Bestaanszekerheid Caribisch Nederland
8 Bestaanszekerheid Caribisch Nederland
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 95
Te raadplegen sinds
2026-10-20Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier36800-IVToon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 95
Bestaanszekerheid Caribisch Nederland
Aan de orde is het tweeminutendebat Bestaanszekerheid Caribisch Nederland (CD d.d. 23/04).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Bestaansrecht Caribisch Nederland. Ik heet van harte welkom de staatssecretaris … Wat zegt u, mevrouw Tseggai? "Bestaanszekerheid Caribisch Nederland" staat in mijn memorandum. Ja, Bestaanszekerheid Caribisch Nederland. We houden het bij "Bestaanszekerheid Caribisch Nederland". U heeft hier ongetwijfeld met elkaar een grapje over gemaakt in het commissiedebat, waar ik niet bij was. Wie ik van harte welkom heet in vak K, is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Ik geef als eerste het woord aan de heer Ceder voor zijn inbreng namens de ChristenUnies ... ChristenUnie. Het is er één, vooralsnog. Wie weet of dat na dit tweeminutendebat ook nog zo is. Gaat uw gang, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Bon dia en good day, iedereen die meekijkt. Bestaanszekerheid blijft een onderwerp van zorg, want Caribisch Nederland hoort bij Europees Nederland, maar je merkt dat er grote verschillen zijn. Een van de hardnekkige problemen is energie. Daar heb ik al geregeld moties over ingediend, maar ook nu weer blijkt dat de energieprijzen in het Caribisch deel van Nederland hoger zijn dan hier in Europees Nederland. Daar moeten we toch echt stappen op zetten. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de energietarieven in Caribisch Nederland substantieel hoger liggen dan in Europees Nederland, terwijl de kosten van het levensonderhoud niet in balans zijn met het besteedbaar inkomen;
overwegende dat het een kwestie van rechtvaardigheid is dat de tarieven gelijkwaardig zijn aan die van Europees Nederland, zoals ook de praktijk is in bijvoorbeeld Portugal en Spanje;
spreekt uit dat de energietarieven in Caribisch Nederland omlaag moeten;
verzoekt de regering om voor de begrotingsbehandeling inzichtelijk te maken hoeveel het kost om de energieprijzen in Caribisch Nederland in ieder geval gelijk te trekken met het gemiddelde in Europees Nederland;
verzoekt de regering om voor de langere termijn maatregelen uit te werken waarbij de betaalbaarheid van energie in Caribisch Nederland gelijke tred houdt met die in Europees Nederland,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 74 (36800-IV).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb ook nog de vraag of ik een toezegging kan krijgen, omdat ik zorgen ontvang over de uitvoering en het effect van de energietoeslag en de verhuursubsidie. Die zijn bedoeld om de meest kwetsbare inkomens te helpen, maar ik krijg signalen dat het toch stroef verloopt, ook omdat de verhuursubsidie via de verhuurder loopt, wat kan zorgen voor grote afhankelijkheid van de verhuurder. Daarom de vraag of ik zo snel mogelijk een overzicht kan krijgen van de bedragen die nu verstrekt zijn, van het aantal personen dat deze regeling ontvangt en van hoe effectief de maatregel, die we volgens mij allemaal willen stimuleren, uiteindelijk is.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Het woord is aan mevrouw Tseggai voor haar inbreng namens PRO tijdens het tweeminutendebat Bestaanszekerheid Caribisch Nederland. Het was een verspreking mijnerzijds bij het openen van het debat. Daar wees u mij terecht bilateraal op. Gaat uw gang, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Uitstekend gedaan, voorzitter. Het leven is voor heel veel mensen in Caribisch Nederland veel te duur. Daar hebben we het in hier in Den Haag al heel lang over. Ik ben dan ook blij dat het kabinet het komende jaar 30 miljoen gaat uittrekken voor het betaalbaar maken van het leven in Caribisch Nederland, maar mijn fractie heeft wel twijfels of het genoeg is. Om te voorkomen dat we het eerst jaren aan gaan kijken voordat we eventueel verdere stappen zetten, heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er nog steeds onredelijke verschillen zijn op het gebied van bestaanszekerheid tussen Europees en Caribisch Nederland;
constaterende dat de commissie-Thodé concrete aanbevelingen heeft gedaan die nog niet allemaal opgevolgd zijn;
overwegende dat het kabinet 30 miljoen euro heeft gereserveerd voor het betaalbaar maken van het leven in Caribisch Nederland, maar het de vraag is of dit voldoende is om de aanbevelingen van de commissie-Thodé uit te voeren;
verzoekt de regering om de aanbevelingen van de commissie voortvarend uit te blijven voeren, en voor het einde van het jaar een stand van zaken van deze uitvoering aan de Kamer te doen toekomen en daarbij aan te geven of hiervoor extra middelen nodig zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 75 (36800-IV).
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Nanninga namens JA21.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Dank aan de ambtsgenoten en de staatssecretaris voor het debat tot nu toe. Ik ga de andere moties natuurlijk met belangstelling goed lezen. Ik heb alleen een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet structureel 30 miljoen euro beschikbaar stelt voor het versterken van de bestaanszekerheid in Caribisch Nederland;
overwegende dat opeenvolgende tijdelijke tegemoetkomingen de structurele oorzaken van de hoge kosten van levensonderhoud en de beperkte economische zelfstandigheid niet wegnemen;
overwegende dat bestaanszekerheid duurzaam wordt versterkt wanneer vaste lasten worden verlaagd, werken loont en inwoners meer mogelijkheden krijgen om zelfstandig in hun inkomen te voorzien;
verzoekt de regering om bij de besteding van de 30 miljoen euro voorrang te geven aan maatregelen die de vaste lasten verlagen, de arbeidsparticipatie vergroten of het lokale verdienvermogen versterken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nanninga en Den Hollander.
Zij krijgt nr. 76 (36800-IV).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Heera Dijk namens D66.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Bon dia en goedemiddag. We hebben in het coalitieakkoord 30 miljoen euro extra voor Caribisch Nederland beschikbaar gesteld. We zouden in de zomer worden geïnformeerd over wat we met deze extra middelen zouden doen. Dat hebben we nog niet te horen gekregen. Maar ik heb wel gehoord dat de eilanden zich zorgen maken. Dan heb ik het over Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Ze zijn bang dat ze niet goed worden meegenomen in het proces en dat de middelen niet worden ingezet voor nieuwe projecten. Daarom heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voor Caribisch Nederland structureel 30 miljoen euro beschikbaar is gesteld om de kosten van levensonderhoud te verlagen;
constaterende dat Bonaire, Sint-Eustatius en Saba zorgen hebben geuit over het voornemen om een substantieel deel van deze middelen in te zetten voor bestaande subsidieregelingen en over hun beperkte betrokkenheid bij de uitwerking van de besteding;
overwegende dat deze middelen bedoeld zijn om de bestaanszekerheid verder te verbeteren door aanvullende maatregelen die de kosten van levensonderhoud daadwerkelijk verlagen;
verzoekt de regering om Bonaire, Sint-Eustatius en Saba vanaf de start te betrekken bij de besluitvorming over de inzet van deze middelen, de volledige 30 miljoen euro in te zetten voor aanvullende maatregelen boven op bestaande maatregelen en hierover met een statusupdate te komen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Heera Dijk en Ceder.
Zij krijgt nr. 77 (36800-IV).
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng namens de VVD.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Dank u, voorzitter. Dit tweeminutendebat komt eigenlijk vier maanden te laat om de wensen voor de invulling van de envelop mee te geven, want de augustusbesluitvorming is intussen geweest. En het komt vier weken te vroeg om te bespreken wat het kabinet er nou eigenlijk van gemaakt heeft, want we hebben hier over een aantal weken de begrotingsvergadering en dan zullen we het er vast over hebben.
Een aantal dingen willen we toch zeggen. Wat de VVD betreft hoeft er geen strikte scheiding te zijn met andere begrotingen die worden gemaakt. De heer Ceder heeft daar eerder wel aandacht voor gevraagd. Wij vinden het belangrijk dat de 30 miljoen vooral gebruikt wordt om mensen minder afhankelijk te maken van overheidssteun, door te investeren in werk, ondernemerschap, betaalbare nutsvoorzieningen en economische ontwikkeling. Ik sluit wat dat betreft ook aan bij wat mevrouw Nanninga net inbracht.
Het kabinet moet zien te voorkomen dat ondersteuning leidt tot langdurige afhankelijkheid wanneer economische versterking mogelijk is. Wij kiezen voor zelfredzaamheid boven afhankelijkheid. Bestaanszekerheid begint bij een inkomen dat je zelf kan verdienen. Daarom investeren we eerst in werk, ondernemerschap en economische groei. Ondersteuning is uiteraard beschikbaar waar het nodig is, maar het mag nooit een vervanging zijn voor economische zelfstandigheid.
Voor de rest bespreken wij de invulling van de envelop graag met het kabinet tijdens de behandeling van de begroting.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag van mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik had het net ook al een beetje met mevrouw Nanninga hierover, maar ik merk dat het mij een beetje verbaast dat het gaat over arbeidsparticipatie op de BES-eilanden. Is mevrouw Den Hollander ervan op de hoogte dat de werkloosheid op de BES-eilanden maar 2,3% is, vraag ik me dan af.
Mevrouw Den Hollander (VVD):
Het gaat om meer dan alleen werkloosheid; het gaat om hoe je voorziet in je eigen bestaan. Dat betekent dus dat we ruimte moeten creëren voor ondernemerschap en ondersteuning daarbij, barrières voor lokale bedrijven moeten verminderen en de toegang tot financiering moeten verbeteren. Dat zijn allemaal zaken die ook in het debat aan de orde zijn gekomen. Dat moet niet alleen maar met inkomenssteun, want als er geen werkloosheid is, dan moet er meer verdienvermogen gerealiseerd worden.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors enkele minuten voor de beantwoording van de zijde van het kabinet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Minister Vijlbrief:
Voorzitter, dank u wel. Op de motie op stuk nr. 74 en de vraag zal de staatssecretaris reageren.
De motie van mevrouw Tseggai begrijp ik, maar is echt ontijdig. We kunnen bij iedere begroting wel zeggen dat er misschien nog meer geld nodig is. Mevrouw Tseggai kan de motie aanhouden als zij dat wil, maar ik kan er nu geen oordeel Kamer aan geven. Het zou raar zijn als ik nu al zeg dat ik weet dat het te weinig is.
De voorzitter:
Bent u bereid om de motie aan te houden, mevrouw Tseggai? Dat is niet het geval. Daarmee krijgt zij ontijdig. Ik wil eigenlijk niet een heel debat overdoen. U mag dus één vervolgvraag stellen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Het is zeker geen debat. Mijn vraag is niet of het kabinet nu al wil toegeven dat er te weinig middelen zijn. Mijn vraag is of het kabinet aan het einde van het jaar een stand van zaken kan geven over de uitvoering en daarbij kan aangeven of er extra middelen nodig zijn. Misschien is dat helemaal niet het geval. Dat zou heel fijn zijn.
Minister Vijlbrief:
Een stand van zaken kunnen we altijd geven. Dat noemen we "de begroting" en "de plannen". Ik ga nu niet toezeggen dat ik dan ga aangeven of het te weinig of te veel is. Dat is echt een hele rare vraag. Ik raad u dus echt aan om de motie even aan te houden. Het is ontijdig om dat nu te vragen. De begroting is nog niet eens ingediend. Ik wil dus best een rapportage geven. Als mevrouw Tseggai het fijn vindt om een brief van mij te krijgen, wil ik die sturen. Maar daar gaat natuurlijk niet in staan dat het te weinig is, want dat weten we dan nog niet. U heeft dus heel weinig aan deze brief.
De voorzitter:
Eén vervolgvraag nog.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik heb het gevoel dat we een Babylonische spraakverwarring hebben. Dat is toch precies de vraag, namelijk of het kabinet aan het einde van het jaar een stand van zaken wil geven en daarbij kan aangeven of er genoeg middelen zijn? Als dat wel zo is, is dat heel fijn. Dat is ook een goed antwoord.
Minister Vijlbrief:
We praten inderdaad langs elkaar heen. Ik houd het gewoon bij het oordeel ontijdig. Dit hoort gewoon in de begroting thuis.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 76.
Minister Vijlbrief:
De motie op stuk nr. 76 van mevrouw Nanninga: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 77 van mevrouw Dijk en de heer Ceder: ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van der Burg:
Ik heb één motie en één vraag, voorzitter. De vraag was van de heer Ceder en ging over een toezegging over de uitgekeerde bedragen wat betreft verhuursubsidie. De energietoelagecomponent van de vraag van de heer Ceder kan worden meegenomen in een brief van Sociale Zaken, van mijn collega hier naast mij, in november. Die komt er dus aan. De verhuursubsidie valt onder de minister van VRO. Ik zal haar vragen of het mogelijk is om het ook te verzenden naar de Kamer.
Dan de motie. Die wil ik toch het oordeel ontijdig geven, omdat ze over de begroting gaat. Daar kan ik nog niet zo veel over zeggen, want die krijgt u pas komende dinsdag. Wij respecteren de Koning en het proces daarin. Wat betreft het element van de inventarisatie van de energieprijzen zal ik aan de minister van KGG vragen om jullie daarover te informeren voor de behandeling van haar begroting. De begrotingsbehandeling begint volgende week, maar ik heb de vraag zo gelezen dat het gaat om de behandeling van het desbetreffende onderwerp.
De voorzitter:
Kort en bondig, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Zeker, voorzitter; u kent mij. Dat klopt. Omdat de KR-begroting vrij snel is, wil ik toch even vragen of uw oordeel de facto verandert na Prinsjesdag en dat ik de motie dan gewoon in stemming kan laten brengen. Dat is volgens mij het enige voorbehoud dat u nu maakt. Anders moet ik weer een oordeel vragen en dan komen we in de knoop met de behandeling van de begroting KR.
De voorzitter:
De stemmingen over deze moties vinden plaats op 22 september.
Staatssecretaris Van der Burg:
22 september klinkt als na Prinsjesdag, dus dan zijn de gegevens openbaar. Het punt is dat ik nu nog geen oordeel Kamer kan geven, want dan zou ik iets zeggen over wat er in de begroting staat. Wat ik wel kan doen — ik wil de Kamer graag tegemoetkomen — is de appreciatie nu op "ontijdig" zetten en voor 22 september een briefje verzenden met daarop één woord. Wat het woord is, merkt u dan tussen volgende week en 22 september.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 74 is ontijdig. De staatssecretaris zegt toe voor de stemmingen een brief te sturen.
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.