Schriftelijke vragen : De uitspraak 'Starters kunnen gelukkig bij hun ouders wonen'
Vragen namens het lid Keijzer (Keijzer) aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de uitspraak «Starters kunnen gelukkig bij hun ouders wonen» (ingezonden 14 oktober 2026).
Vraag 1
Klopt het dat u op 13 oktober als reactie op het onderzoek waaruit blijkt dat nieuw
te bouwen woningen massaal nodig zijn voor asielzoekers de uitspraak «we zien dat
heel veel starters gelukkig, niet ideaal, maar gelukkig nog bij hun ouders mogen wonen
of kunnen blijven wonen» heeft gedaan?
Vraag 2
Welke doelgroep heeft bij u prioriteit? Jongeren die al jaren op zoek zijn naar een
eigen dak boven hun hoofd of asielzoekers die hier kort zijn?
Vraag 3
Deelt u de mening dat het onverteerbaar is voor honderdduizenden jonge Nederlanders,
die vaak jarenlang op een wachtlijst staan, geen gezin kunnen stichten of zelfstandig
kunnen wonen, dat een Minister van Volkshuisvesting hun woonprobleem wegwuift met
de opmerking dat zij «gelukkig bij hun ouders kunnen wonen»?
Vraag 4
Bent u zich er bewust van wat de maatschappelijke effecten zijn van het feit dat een
groot deel van de jongeren niet of pas veel later aan hun leven kunnen beginnen? Zo
ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Vraag 5
Bent u bereid uit te spreken dat bij schaarste op de woningmarkt de belangen van Nederlandse
starters prioriteit hebben aangezien zij hier geworteld zijn, Nederlands staatsburger
zijn en hun ouders hier vaak ook al decennia wonen en al jaren belasting betalen?
Vraag 6
Hoe reflecteert u op het feit dat statushouders voor negentig procent terecht komen
in sociale huurwoningen en de asielmigratie hiermee druk zet op een sociale sector
waar de wachttijden al lang zijn en verder zijn opgelopen in recente jaren? Wie hoort
volgens u voorrang te krijgen: jongeren die al jarenlang op een wachtlijst staan of
statushouders?
Vraag 7
Klopt het dat ruim twintig procent van de beschikbare woningen voor starters in 2023
ging naar statushouders, wat meer is dan woningcorporaties toevoegden in dat jaar?
Hoe reflecteert u hierop?
Vraag 8
Hoeveel van de totale beschikbare sociale huurwoningen gingen in 2025 naar statushouders?
Waar baseert u dit cijfer op?
Vraag 9
Bent u, gezien het feit dat asielmigratie wel degelijk een belangrijke factor is geweest,
bereid het initiatiefwetsvoorstel Keijzer, Claassen en Clemminck over nieuwe regels
inzake huisvesting vergunninghouders (Kamerstuk 36 935) direct over te nemen? Zo niet, waarom niet? Welke maatregelen gaat u dan op korte
termijn nemen?
Vraag 10
Hoe ziet u voldoende alternatieve huisvesting voor zich? Welke invulling krijgen zogenaamde
«doorstroomlocaties» die een soort nieuwe asielzoekerscentra (azc’s) zijn voor mensen
met een verblijfsvergunning?
Vraag 11
Worden gemeenten ook gedwongen deze doorstroomlocaties te realiseren in het kader
van de spreidingswet? Indien het antwoord nee is: gaat u daar dan een nieuwe spreidingswet
of andere wettelijke verplichting voor maken?
Vraag 12
Hoe reflecteert u op het feit dat er lange tijd ontkend is dat migratie een grote
impact zou hebben op de volkshuisvesting? Wat gaat u, nu het feiten zijn, concreet
doen om mensen die hier van jongs af aan wonen een toekomst te bieden door middel
van een woning?
Indieners
-
Gericht aan
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Indiener
Mona Keijzer, Kamerlid