Schriftelijke vragen : Ontbossing en mensenrechtenschendingen in West-Papua
Vragen van het lid Ceder (ChristenUnie) aan de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over ontbossing en mensenrechtenschendingen in West-Papua (ingezonden 12 oktober 2026).
Vraag 1
Herinnert u zich de reactie vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken op de brief
van de Samenwerkende Organisaties voor West-Papua van 4 juni 2026?
Vraag 2
Welke informatie heeft u over de schaal van de ontbossing in Zuid-Papua, de betrokken
bedrijven en de gevolgen hiervan voor de landrechten, voedselvoorziening en bestaanszekerheid
van de Papoea’s aldaar?
Vraag 3
In hoeverre wordt bij grootschalige landbouw-, palmolie- en energieprojecten in Papua
daadwerkelijk de vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming van de gemeenschappen
aldaar verkregen, conform artikel 32 van de VN-Verklaring over de Rechten van Inheemse
Volken (UNDRIP)? Welke waarborgen bestaan hiervoor?
Vraag 4
Klopt het dat lokale bewoners en mensenrechtenverdedigers die zich uitspreken tegen
ontbossing en landonteigening te maken krijgen met intimidatie of andere vormen van
druk? Welke informatie is daarover bij u bekend?
Vraag 5
Op welke manier heeft u uitvoering gegeven aan motie-Ceder over bij Indonesië aandringen
op het waarborgen van de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s
en activisten in het bijzonder (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3436)?
Vraag 6
Heeft u ook in bilateraal verband bij Indonesië aangedrongen op het waarborgen van
de veiligheid en eerbiediging van de mensenrechten van de Papoea’s, en activisten
in het bijzonder, en op veilige vertoningen van de documentaire Pesta Babi wanneer
gewenst? Zo ja, wat was de reactie van de Indonesische autoriteiten? Zo nee, bent
u bereid om dit alsnog te doen?
Vraag 7
Welke concrete uitvoering heeft u gegeven aan de motie over de Europese Commissie
verzoeken om verbetering van de mensenrechtensituatie in West-Papoea bespreekbaar
te maken (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3406)? Is de situatie inmiddels ook onderdeel van de gesprekken over de relatie tussen
de EU en Indonesië en het EU-Indonesia Comprehensive Economic Partnership Agreement
(CEPA)?
Vraag 8
Kunt u inzicht geven in eventuele Nederlandse betrokkenheid bij palmolie-, landbouw-
of energieprojecten in het gebied? Hoe wordt voorkomen dat Nederlandse of Europese
bedrijven en financiële instellingen bijdragen aan ontbossing of mensenrechtenschendingen
in Papua? Liggen hier onafhankelijke risicoanalyses aan ten grondslag?
Vraag 9
Welke waarborgen bieden de EU-ontbossingsverordening en de afspraken binnen CEPA dat
producten uit Papua die de Europese markt bereiken niet afkomstig zijn van recent
ontbost gebied en dat daarbij ook de landrechten van Papua-gemeenschappen worden gerespecteerd?
Welke onafhankelijke risicoanalyses liggen hieraan ten grondslag?
Vraag 10
Bent u bereid zich in EU-verband in te zetten voor een integrale aanpak waarbij de
bescherming van het regenwoud, de landrechten en mensenrechten van de Papoea’s en
de bescherming van mensenrechtenverdedigers expliciet onderdeel worden van de EU-Indonesiërelatie,
en de Kamer hierover vóór de eerstvolgende Raad Buitenlandse Zaken te informeren?
Vraag 11
Kunt u, in het licht van bovenstaande vragen, reflecteren op de bijzondere historische
en morele verantwoordelijkheid die Nederland draagt voor de bescherming van de rechten
van de Papoea’s? Zo nee, waarom niet?
Vraag 12
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van het Ministerie van
Buitenlandse Zaken?
Indieners
-
Gericht aan
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Gericht aan
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Indiener
Don Ceder, Kamerlid