Schriftelijke vragen : De maandenlange vertraging van woningbouwproject Beekweide II in Renswoude
Vragen van de leden Steen (CDA) en Nobel (VVD) aan de Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de maandenlange vertraging van woningbouwproject Beekweide II in Renswoude (ingezonden 6 oktober 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Konijnen en hazen dwarsbomen nieuwbouwwijk Renswoude:
«Dit is tenenkrommend en bureaucratie ten top»» over woningbouwproject Beekweide II
in Renswoude, waar sinds 1 oktober de werkzaamheden weer mogen worden hervat, nadat
de bouw van circa 40 woningen bijna een half jaar vertraging had opgelopen?1
Vraag 2
Deelt u de mening dat vermijdbare vertraging van woningbouwprojecten moet worden voorkomen,
omdat woningzoekenden daardoor langer op een woning wachten, kopers langer in onzekerheid
verkeren en de haalbaarheid van woningbouwprojecten onder druk kan komen te staan?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Welke lessen trekt u uit Beekweide II voor de voorspelbaarheid van ecologisch onderzoek,
werkprotocollen en de beoordeling daarvan, nu uiteindelijk binnen de geldende soortenbescherming
een werkwijze is gevonden waarmee de werkzaamheden konden worden hervat?
Vraag 4
Wat vindt u ervan dat Utrecht de vrijstelling voor de haas bij ruimtelijke ontwikkelingen
heeft geschrapt, terwijl in 2022 ook in Limburg een dalende provinciale trend van
de hazenpopulatie was vastgesteld en Limburg deze vrijstelling wel heeft behouden?
Vraag 5
Wat vindt u ervan dat Utrecht en Zeeland als enige twee provincies de vrijstelling
voor het konijn bij ruimtelijke ontwikkelingen niet kennen, terwijl de populatie van
het konijn landelijk sterk is afgenomen en de andere tien provincies bij datzelfde
landelijke beeld de vrijstelling wel hebben behouden?
Vraag 6
Klopt het dat een ongunstige staat van instandhouding op zichzelf niet automatisch
betekent dat een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen juridisch onmogelijk
is, maar dat zo’n vrijstelling onder meer geen afbreuk mag doen aan het streven de
populaties in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan? Zo nee,
hoe luidt de juridische toets dan wel precies?
Vraag 7
Deelt u de mening dat provincies een vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen
niet onnodig moeten schrappen wanneer juridisch en ecologisch kan worden onderbouwd
dat deze geen afbreuk doet aan het streven de populaties in een gunstige staat van
instandhouding te laten voortbestaan, juist omdat het schrappen van zo’n vrijstelling
woningbouw met extra onderzoek en vergunningprocedures kan belasten? Zo nee, waarom
niet?
Vraag 8
Hoe gaat u werk maken van de afspraak in het regeerakkoord om provinciale natuurregels
te uniformeren zodat ze de bouw niet bemoeilijken?
Vraag 9
Welke verschillen tussen provincies in vrijstellingen, beoordelingscriteria en eisen
aan mitigatie en compensatie wilt u bij deze uniformering concreet wegnemen?
Vraag 10
Welke knelpunten in flora- en faunaregels neemt u mee bij de uitvoering van de aangenomen
motie-Mooiman c.s. (Kamerstuk 28 325, nr. 325), die vraagt om bestaande knelpunten en de samenhang tussen bouwregels mee te nemen
in de jaarlijkse Vereenvoudigingswet en tegenstrijdigheden en stapelingen van eisen
voor de bouw te voorkomen?
Vraag 11
Hoe staat het met de uitvoering van de aangenomen motie-Nobel (Kamerstuk 28 325, nr. 322) om alle gemeenten die nog niet met een soortenmanagementplan zijn begonnen ertoe
te bewegen daar in 2026 mee te starten en bij gemeenten die al zijn gestart aan te
dringen op versnelling? Welke aanvullende actie neemt u om deze motie nog dit jaar
uit te voeren?
Vraag 12
Hoe gaat u uitvoering geven aan het advies van STOER om een landelijke standaard voor
beoordelingsprocessen met uniforme criteria te ontwikkelen, zodat verschillen in de
beoordeling van flora- en fauna-activiteiten tussen provincies en omgevingsdiensten
worden verminderd?
Vraag 13
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling in dat rapport om mitigatie- en compensatiemaatregelen
landelijk verder te standaardiseren, zodat vooraf duidelijker is welke maatregelen
in beginsel toereikend zijn, met ruimte voor noodzakelijk ecologisch maatwerk?
Vraag 14
Gaat u de in dat rapport voorgestelde landelijke compensatiecatalogus uitwerken, zodat
vooraf duidelijker is welke compenserende maatregelen kunnen worden geaccepteerd en
hierover niet per woningbouwproject opnieuw langdurige discussie ontstaat?
Vraag 15
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om mogelijk te maken
dat een groter gebied van lagere ecologische kwaliteit wordt gecompenseerd door een
kleiner gebied van aantoonbaar hogere ecologische kwaliteit?
Vraag 16
Hoe gaat u uitvoering geven aan de in dat rapport voorgestelde worst-casebenadering,
waarbij voor geschikte soorten en werkzaamheden wordt uitgegaan van mogelijke aanwezigheid
en direct passende mitigerende maatregelen worden getroffen, zodat soortgericht onderzoek
waar dat ecologisch verantwoord is kan worden beperkt?
Vraag 17
Hoe gaat u uitvoering geven aan de aanbeveling uit dat rapport om het maatschappelijke
belang van woningbouw in het Besluit kwaliteit leefomgeving explicieter als dwingende
reden van groot openbaar belang vast te leggen voor Habitatrichtlijnsoorten en nationaal
beschermde soorten
Vraag 18
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de gevolgen van reeds bekende beschermde
soorten, zoals de kerkuil en steenuil die bij Beekweide II al in ecologische onderzoeken
uit 2024 en 2025 waren aangetroffen, tijdig worden beoordeeld en benodigde maatregelen
en vergunningen vóór de start van werkzaamheden duidelijk zijn, zodat woningbouwprojecten
niet tijdens de uitvoering alsnog vertraging oplopen?
Vraag 19
Klopt het dat een dwingende reden van groot openbaar belang bij vogelrichtlijnsoorten,
zoals de kerkuil en steenuil, geen zelfstandige afwijkingsgrond is en dat het maatschappelijke
belang van woningbouw daardoor niet via deze route kan worden meegewogen?
Vraag 20
Gaat u in het verdere verloop van de lopende Europese stresstest van de Vogel- en
Habitatrichtlijn actief bepleiten dat een dwingende reden van groot openbaar belang
ook voor Vogelrichtlijnsoorten als afwijkingsgrond mogelijk wordt, zodat het maatschappelijke
belang van woningbouw in deze afweging kan worden betrokken? Hoe gaat u deze inzet
concreet vormgeven?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Hanneke Steen, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Jurgen Nobel, Tweede Kamerlid