Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over uitkomsten van het bestuurlijk overleg over staalslakken op 18 juni 2026 (Kamerstuk 30015-153)
2026D45646 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat hebben verschillende fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Waterstaat over Uitkomsten van het bestuurlijk overleg over staalslakken op 18 juni
2026 (Kamerstuk 30 015, nr. 153).
De voorzitter van de commissie,
Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie,
Koerselman
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inhoudsopgave
Inleiding
D66-fractie
PRO-fractie
PVV-fractie
JA21-fractie
Partij voor de Dieren-fractie
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van
de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de uitkomsten van het bestuurlijk
overleg van 18 juni 2026 over staalslakken. Deze leden zien dat de toepassing van
staalslakken raakt aan de kwaliteit van bodem, water en natuur, aan het functioneren
van kwetsbare ecosystemen zoals de Ooster- en Westerschelde. Zij hebben hierover de
volgende vragen.
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris
en hebben hier nog enkele vragen over.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Staatssecretaris
en de bijbehorende beslisnota over het bestuurlijk overleg over staalslakken. Zij
hechten groot belang aan een sterke Nederlandse economie en het voorkomen van nodeloze
bureaucratie voor onze industrie en infrastructuur. Tegelijkertijd staat voor deze
leden de bescherming van de volksgezondheid van onze inwoners, het behoud van onze
traditionele Nederlandse visserijsector en een schoon leefmilieu op de allereerste
plaats. Naar aanleiding van de ontvangen stukken hebben deze leden de volgende opmerkingen
en vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brief over
de uitkomsten van het recente bestuurlijk overleg over staalslakken d.d. 22 september
2026.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de uitkomsten
van het bestuurlijk overleg over staalslakken op 18 juni 2026 en hebben hierbij nog
een aantal vragen.
D66-fractie
De leden van de D66-fractie constateren dat Zeeland tijdens het overleg van 18 juni
2026 nadrukkelijk heeft gewezen op de aangenomen motie van de provinciale staten van
Zeeland, op imagoschade voor de regio en op de invloed van staalslaktoepassingen op
het totale ecosysteem, en dat is afgesproken een expertsessie te organiseren om kennishiaten
ten aanzien van de langetermijneffecten van staalslakken in de Ooster- en Westerschelde
te achterhalen. Betreft dit een op Zeeland toegespitste aparte sessie, of gaat het
om een sessie die onderdeel is van een breder traject van vergelijkbare bijeenkomsten
die dit jaar worden georganiseerd? Welke onderzoeksinstituten en Zeeuwse deskundigen
worden uitgenodigd, en op welke wijze wordt geborgd dat deze instituten onafhankelijk
zijn van de staalindustrie? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat de uitkomst van
deze sessie wordt meegewogen, voordat een definitief besluit wordt genomen over de
toekomstige regulering van staalslakken en, zo ja, op welke wijze?
De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen dat er in
de Ooster- en Westerschelde geen staalslakken zullen worden toegepast, zolang de kennishiaten
die tijdens de expertsessie worden geconstateerd niet zijn geadresseerd, ook niet
als een eventuele algemene overgangsregeling elders in het land al zou toelaten dat
toepassing weer mogelijk is. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe wordt voorkomen
dat er een periode ontstaat waarin toepassing in de Zeeuwse wateren weer wettelijk
mogelijk is, voordat de resultaten van de expertsessie en het lopende onderzoek naar
de langetermijneffecten beschikbaar zijn?
De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat toepassers in de toekomst zelf
moeten aantonen dat een toepassing van staalslakken veilig is voor milieu en gezondheid,
voordat een vergunning kan worden verleend. Kan de Staatssecretaris toelichten welke
bewijsstandaard hiervoor wordt gehanteerd, en hoe wordt gegarandeerd dat deze standaard
ook toereikend is voor de specifieke, kwetsbare situatie van de Ooster- en Westerschelde?
Welke garanties zijn er dat decentrale overheden die verantwoordelijk worden voor
deze vergunningverlening voldoende kennis en capaciteit hebben om zulke aanvragen
goed te beoordelen, zeker zolang niet alle relevante onderzoeksresultaten beschikbaar
zijn? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat, mocht er een overgangsperiode ontstaan
tussen het aflopen van de huidige tijdelijke bescherming en de inwerkingtreding van
definitieve regelgeving, het huidige beschermingsniveau in ieder geval in de Ooster-
en Westerschelde gehandhaafd blijft? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben veel begrip voor de zorgen van de inwoners van
Zeeland en de Zeeuwse politiek over de grote hoeveelheden giftig industrieel afval
dat in hun wateren is gestort. De (potentiële) schade van staalslakken in het milieu
zijn bekend. Uitloging van schadelijke stoffen en aantasting van de zuurgraad zijn
schadelijk voor mens en natuur. Als staalslakken in aanraking komen met open water
of grondwater, kunnen de schadelijke stoffen migreren en een veel groter gebied vervuilen.
Aan de oppervlakte zullen schadelijke stoffen zich onder invloed van weer en wind
verspreiden.
De leden van de PRO-fractie vinden daarom de inzet van de Staatssecretaris, om expertsessies
te organiseren voor verder onderzoek, tekortschieten. Het open einde, in afwachting
van de uitkomsten, de vrijblijvendheid ten aanzien van de mogelijke inzet vanuit het
Rijk, kan wat deze leden betreft niet het antwoord blijven. Voor veel inwoners klinkt
dit als uitstel op weg naar afstel.
De leden van de PRO-fractie zijn uiteraard niet tegen onderzoek. Meer kennis is altijd
beter. Maar het doel moet zijn om natuur en inwoners van Zeeland te beschermen tegen
de schadelijke effecten van het industriële afval dat hier is gestort. Dat vraagt
om een oplossing. Een nieuw onderzoek, moet dus leiden naar een oplossing. Daarvoor
is een toezegging nodig, zoals de belofte om de staalslakken weer op te ruimen of
de locaties zodanig aan te pakken dat verdere verspreiding van schadelijke stoffen
wordt uitgesloten. Zeeland kan dit mogelijk niet alleen, dus daar ligt een rol voor
de Staatssecretaris. Is zij hiertoe bereid?
PVV-fractie
Trage bureaucratie versus economische zekerheid
De leden van de PVV-fractie constateren dat er al sinds de invoering van de tijdelijke
regeling staalslak in juli 2025 een toezegging ligt dat er tijdelijk geen staalslakken
worden toegepast in de Ooster- en Westerschelde. Nu, een jaar later, blijkt de enige
concrete uitkomst van het bestuurlijk overleg van 18 juni 2026 het voornemen te zijn
om weer een «expertsessie» te beleggen om «kennishiaten» op te sporen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris of zij klip-en-klaar kan uitleggen
waarom er na een heel jaar bestuurlijk overleg en tijdelijke regelingen nog steeds
sprake is van onduidelijkheid en fundamentele kennishiaten over de langetermijneffecten
van staalslakken. Hoeveel kost dit voortslepende proces van «overleggen over overleggen»
de Nederlandse belastingbetaler inmiddels aan ambtelijke capaciteit en externe onderzoeken?
Welke economische schade en onzekerheid brengt het uitblijven van definitieve, duidelijke
kaders met zich mee voor Nederlandse bedrijven in de grond-, weg- en waterbouw en
de staalverwerkende keten?
Bescherming van volksgezondheid, Zeeuwse visserij en het ecosysteem
De leden van de PVV-fractie constateren dat in Zeeland al geruime tijd grote bezorgdheid
en weerstand bestaat tegen de toepassing van staalslakken in de Deltawateren. De Zeeuwse
Staten hebben hierover een motie aangenomen en wijzen nadrukkelijk op de risico’s
voor het totale ecosysteem en dreigende imagoschade. Kan de Staatssecretaris garanderen
dat er bij de toepassing van staalslakken op geen enkele wijze schadelijke stoffen
of zware metalen uitlogen die een risico vormen voor de gezondheid van omwonenden,
recreanten of de kwaliteit van onze consumptieve visserij (zoals de Zeeuwse mossel-
en oestercultuur)?
De leden van de PVV-fractie vragen waarom er in juli 2025 al een tijdelijke regeling
is vastgesteld, terwijl pas in 2026 onder leiding van een onafhankelijk voorzitter
geprobeerd wordt te achterhalen welke langetermijneffecten eigenlijk nog onbekend
zijn. Is hier niet sprake van achteraf brandjes blussen in plaats van daadkrachtig
en voorzorgbewust bestuur?
Onafhankelijkheid van onderzoek en financiële aansprakelijkheid
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Staatssecretaris aankondigt dat voor de expertsessie
onderzoeksinstituten en Zeeuwse deskundigen worden uitgenodigd onder leiding van een
onafhankelijk voorzitter. Hoe borgt de Staatssecretaris dat deze sessie geen oeverloze
praatclub wordt, maar op korte termijn leidt tot harde, wetenschappelijk onderbouwde
en werkbare conclusies? Mocht uit vervolgonderzoek of de praktijk blijken dat er sprake
is van milieuschade, aantasting van de waterkwaliteit of financiële schade (imagoschade
en gederfde inkomsten) voor de visserijsector, wie draagt dan de financiële aansprakelijkheid?
Kan de Staatssecretaris de toezegging doen dat eventuele herstelkosten of schadevergoedingen
niet op de Nederlandse belastingbetaler worden afgewenteld?
Resumé, de leden van de PVV-fractie zijn zeker voor het gebruik van staalslakken,
mits dit dus geen schadelijke werking op de volksgezondheid heeft. Een goed voorbeeld
is Engeland, waar staalslakken op verschillende hoogwaardige en innovatieve manieren
worden hergebruikt binnen de circulaire economie.
JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie constateren dat de brief een beeld schetst van een positief,
constructief gesprek, maar verder weinig concreet wordt. Kan de Staatssecretaris deze
leden duidelijk maken wat de concrete vervolgstappen zijn tot het aflopen van het
tijdelijk verbod? Wat staat er te gebeuren, als uit de expertsessie blijkt dat het
gebruik van staalslakken in de Ooster- en Westerschelde niet veilig kan? Wat staat
er te gebeuren, indien blijkt dat dit wél veilig kan, maar de Zeeuwse Staten desondanks
alsnog niet akkoord gaan met het gebruik van de staalslak in de Ooster- en Westerschelde?
Partij voor de Dieren-fractie
WUR-rapport en directe effecten op het waterleven
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris kan verduidelijken
of bij het WUR-rapport van Wijsman e.a. metingen naar uitloging van schadelijke stoffen
en pH-verhoging zijn gedaan op meetlocaties dicht bij de toegepaste staalslak en,
zo ja, hoe lang na het aanbrengen van de staalslak deze metingen zijn verricht.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd of de Staatssecretaris
het ermee eens is dat dicht bij de toepassingslocatie en vlak na de toepassing van
staalslak gemeten moet worden om de directe effecten op de omgeving waar te nemen,
aangezien ook een korte blootstelling aan met name zeer alkalisch water schadelijke
effecten kan hebben op het waterleven, waaronder kreeften.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of een significant effect op
het waterleven kan worden uitgesloten. Zij betrekken hierbij de antwoorden op de voorgaande
vragen, de conclusie dat de toepassing van staalslakken de nestelmogelijkheden van
kreeften negatief kan beïnvloeden, en de observaties van kreeftenvissers die hun vangst
drastisch omlaag zagen gaan na staalslakkentoepassingen in de Scheldes.
Grootschalige toepassing en handhaving
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen daarnaast of de Staatssecretaris
bereid is om de grootschalige toepassing van losse staalslakken in grondwallen en
ophogingen, zoals in het gelijknamige Spijk in Gelderland, definitief te verbieden.
Zo nee, waarom blijft deze toepassing mogelijk, gezien de ernstige problemen die in
Spijk zijn ontstaan?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd wat er is gebeurd met
het besluit van de ILT van 14 april 2021 om te handhaven, als het bestuurlijk overleg
geen einde zou maken aan de overtreding van het Besluit bodemkwaliteit, en willen
graag weten welke overtredingen sindsdien zijn beëindigd en welke nog voortduren.
Gezondheid, stofverwaaiing en de overgangsperiode
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen of de Staatssecretaris hen kan
informeren of er sinds het GGD-rapport uit 2020 (waarin gegevens ontbraken en werd
aangenomen dat nauwelijks stof zou verwaaien) met metingen is vastgesteld of die aanname
klopt, ook bij het verplaatsen van staalslakken. Ook zijn zij benieuwd of de Staatssecretaris
bereid is de actuele onderzoeksresultaten openbaar te maken en aanvullend onderzoek
te laten doen waar gegevens ontbreken.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen, omdat de tijdelijke regeling
van het staalslakkenverbod loopt tot 23 januari 2027 en de permanente regels volgens
de brief van 5 juni 2026 op zijn vroegst in juli 2027 ingaan, hoe de Staatssecretaris
voorkomt dat er in de tussenliggende periode toepassingen mogelijk worden die nu verboden
of vergunningsplichtig zijn. Zij vernemen graag de toezegging dat er geen onderbreking
in de bescherming ontstaat, ook niet bij eventuele vertraging van de nieuwe regels.
Situatie Spijk en rol van de provincie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat in de ILT-nota (kenmerk
ILT-2022/22817) staat dat de handhaving stroef verliep en dat de gemeente financiële
risico’s liep door schadeclaims en een faillissement van de aannemer. Deze leden vragen
of deze risico’s ertoe hebben geleid dat handhaving is uitgesteld of beperkt, welke
besluiten daardoor zijn beïnvloed, en hoe wordt voorkomen dat de kosten van herstel
uiteindelijk bij de inwoners terechtkomen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd naar het antwoord dat
de provincie Gelderland heeft gegeven op de brief van de ILT van 13 maart 2025 (waarin
werd gevraagd om uiterlijk 1 mei duidelijkheid te geven over vervolgstappen voor Spijk)
en welke afspraken inmiddels zijn nagekomen. Zij verzoeken tevens om de correspondentie
en de daaropvolgende besluiten naar de Kamer te sturen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen naar aanleiding van het oordeel
van de Advieskamer Bodembescherming op 30 juni 2026 (dat het voorgelegde ontwerp onvoldoende
bescherming biedt tegen onder andere onvoldoende drooglegging, scheurende folie en
verplaatsing van de grond richting de Betuwelijn), wat dit oordeel betekent voor de
plannen om de staalslakken ter plaatse in te pakken en of een aangepast ontwerp opnieuw
onafhankelijk wordt beoordeeld voor er toestemming voor uitvoering wordt gegeven.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen wanneer de Kamer het concrete
plan voor afvoer van de staalslakken uit Spijk ontvangt waar de motie-Beckerman (Kamerstuk
27 625, nr. 728) om verzoekt. Zij willen daarbij graag weten wanneer de afvoer kan beginnen, wie
daarvoor verantwoordelijk is en hoe deze wordt bekostigd. Indien er toch voor wordt
gekozen om de staalslakken te laten liggen, vragen zij hoe zich dat verhoudt tot de
genoemde motie.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen naar aanleiding van de melding
van de Omgevingsdienst Rivierenland in augustus 2022 over scheuren in het folie van
het opslagbassin en het vermoeden van een verband tussen lekkage en verhoogde meetwaarden,
welke lessen hieruit zijn getrokken voor het plan om de staalslakken in de geluidswal
te isoleren, wie controleert of die voorzieningen blijven werken en wie er ingrijpt
bij gebreken.
Zeeland, habitats en Natura 2000
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd welke standpunten er precies
met de provincie Zeeland zijn gewisseld. Deze leden vragen wat de exacte inhoud is
van de motie uit Zeeland, aangezien dit in de brief nog onvoldoende duidelijk is gebleven.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie willen graag weten wat het effect op
habitats is van de toepassingen van staalslakken. Tot slot vragen deze leden hoe staalslakken
worden meegenomen in de Natura 2000-beheerplannen die momenteel worden opgesteld,
en wat dit betekent voor deze plannen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.