Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over voortgang arbeidsmarktbeleid en fair pay in de culturele en creatieve sector (Kamerstuk 32820-578)
2026D45396 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister
d.d. 2 juli 2026 inzake voortgang arbeidsmarktbeleid en fair pay in de culturele en
creatieve sector (Kamerstuk 32 820, nr. 578).
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosnjakovic
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
II
Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief over
het arbeidsmarktbeleid en fair pay in de culturele en creatieve sector. Deze leden
waarderen de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet om eerlijke beloning en goede
arbeidsvoorwaarden steeds meer de norm te maken. Dat is van groot belang voor de mensen
die onze culturele en creatieve sector iedere dag vormgeven. Deze leden zien dat de
sector volop in ontwikkeling is en dat daarbij verschillende vraagstukken samenkomen,
zoals de positie van zelfstandigen en de verdere borging van fair pay. Zij hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de inzet op fair pay ertoe bijdraagt dat zelfstandigen
de kosten van de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering kunnen dragen. Waarop
is deze verwachting gebaseerd en in hoeverre is onderzocht of de huidige inkomens
van zzp’ers in de culturele en creatieve sector hiervoor daadwerkelijk voldoende ruimte
bieden?
De leden van de D66-fractie lezen dat organisaties en werkenden de voorzieningen die
nu via Oog voor Impuls worden gestimuleerd na 2028 zelfstandig moeten oppakken. Is
onderzocht in hoeverre zzp’ers en culturele organisaties financieel in staat zijn
de kosten voor onder andere arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioenvoorzieningen
vanaf dat moment zelfstandig te dragen en, zo ja, wat zijn daarvan de uitkomsten?
De leden van de D66-fractie lezen dat gemeenten en provincies belangrijke financiers
zijn van de culturele en creatieve sector en dat fair pay als uitgangspunt is opgenomen
in de cultuurconvenanten 2025–2028. In hoeverre hebben gemeenten voldoende financiële
ruimte binnen hun cultuurbudgetten om uitvoering te geven aan fair pay?
De leden van de D66-fractie constateren dat in 2025 structureel € 38,4 miljoen beschikbaar
is voor fair pay bij BIS1-instellingen, musea in de Erfgoedwet en de Rijkscultuurfondsen. In hoeverre dekt
dit bedrag de daadwerkelijke meerkosten van fair pay en, in geval dit niet alles dekt,
hoe kan dit worden opgevangen?
De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat fair pay niet alleen op papier
de norm is, maar ook daadwerkelijk leidt tot een betere beloning voor makers en andere
werkenden. Welk aandeel van de werkenden in de culturele en creatieve sector wordt
momenteel conform de geldende cao’s, honorariumrichtlijnen of andere fairpayafspraken
betaald en welk aandeel nog niet? En in welke deelsectoren en welk type instellingen
worden deze afspraken vooral nog niet goed nageleefd?
De leden van de D66-fractie merken op dat gemeenten en provincies belangrijke financiers
zijn van de culturele en creatieve sector en fair pay als uitgangspunt is opgenomen
in de cultuurconvenanten 2025–2028. Welk beeld heeft de Minister van de manier waarop
gemeenten en provincies hier in de praktijk invulling aan geven? Wordt daarbij ook
gekeken naar de financiële ruimte binnen lokale cultuurbudgetten en de verschillen
die daarbij tussen gemeenten kunnen bestaan?
De leden van de D66-fractie lezen dat instellingen en andere partijen de afspraken
over fair pay onderschrijven, maar dat hun begrotingen hier nog niet altijd op zijn
toegerust. Kan de Minister een beeld geven van waar dit met name speelt? Zijn er bepaalde
deelsectoren of typen instellingen waar dit vraagstuk vaker naar voren komt?
De leden van de D66-fractie merken op dat er volgens de Minister nog een verschil
bestaat tussen wat aan de ketentafels over fair pay wordt afgesproken en wat financieel
haalbaar is. Hoe ziet dit verschil er in de verschillende deelsectoren uit en welke
factoren spelen daarbij een rol? En welke mogelijkheden ziet de Minister om binnen
de sectorale dialoog de komende jaren verdere stappen te zetten om afspraken en financiële
haalbaarheid dichter bij elkaar te brengen?
De leden van de D66-fractie vragen welke onderzoeksvragen en indicatoren worden opgenomen
in de aangekondigde evaluatie van fair pay, en of de Minister kan bevestigen dat daarbij
ook wordt onderzocht wat de daadwerkelijke meerkosten van fair pay zijn, in hoeverre
de beschikbare publieke financiering deze kosten dekt en welke gevolgen een eventueel
tekort heeft voor het culturele aanbod.
De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat de kennis en ervaring uit de
culturele sector goed wordt betrokken bij de verdere uitwerking van de bestuurlijke
afspraken. Kan de Minister toelichten op welke manier culturele organisaties en brancheverenigingen,
waaronder vertegenwoordigers uit de podiumkunsten, bij de voorbereiding van deze afspraken
worden betrokken?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de voortgang van het arbeidsmarktbeleid en fair pay in de culturele en creatieve sector.
Deze leden onderschrijven het belang van een fatsoenlijke beloning voor mensen die
in deze sector werken. Tegelijkertijd vinden de leden dat fair pay hand in hand moet
gaan met ondernemerschap, keuzevrijheid voor zelfstandigen en een gezonde financiële
basis onder de sector. Fair pay moet niet automatisch leiden tot meer regels en overheidsbemoeienis
en ook zeker niet tot meer structurele subsidies, zo menen deze leden. Vanuit dat
uitgangspunt hebben zij enkele vragen.
Algemeen arbeidsmarktbeleid en de culturele en creatieve sector
De leden van de VVD-fractie constateren dat ruim de helft van de culturele en creatieve
makers als zzp’er werkt. Voor veel makers is zelfstandig ondernemerschap een bewuste
keuze. Deze leden vinden het daarom belangrijk dat het bestrijden van schijnzelfstandigheid
niet leidt tot het beperken van echte zelfstandigheid.
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Minister voorkomt dat fairpayrichtlijnen
en tariefafspraken in de praktijk gaan functioneren als minimumtarieven die de vrijheid
van zelfstandige makers en opdrachtgevers beperken. Kan de Minister bevestigen dat
zelfstandigen die bewust kiezen voor ondernemerschap voldoende ruimte moeten houden
om zelf over prijs en voorwaarden te onderhandelen?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de Minister de bijzondere positie
van de culturele en creatieve sector zal inbrengen bij de ontwikkeling van de Zelfstandigenwet.
Wat verstaat zij concreet onder die bijzondere positie, zo vragen deze leden. Hoe
voorkomt de Minister dat hierdoor een afzonderlijk regime ontstaat met extra regels
en administratieve lasten voor culturele ondernemers?
De leden van de VVD-fractie constateren dat sinds 2025 structureel € 38,4 miljoen
extra beschikbaar is om fair pay mogelijk te maken bij BIS-instellingen, musea in
de Erfgoedwet en de Rijkscultuurfondsen. Tegelijkertijd schrijft de Minister dat er
nog steeds een gat bestaat tussen wat aan de ketentafels wordt afgesproken en wat
financieel haalbaar is. Deze leden vinden dat een fundamentele vraag. Als hogere tarieven
alleen betaald kunnen worden wanneer de overheid daarvoor structureel extra geld beschikbaar
stelt, hoe duurzaam is het stelsel dan? Is de Minister het met deze leden eens dat
eerlijke beloning uiteindelijk ook moet passen binnen een financieel gezonde bedrijfsvoering
en dat instellingen zelf verantwoordelijkheid dragen voor voldoende eigen inkomsten
en scherpe keuzes in hun uitgaven? Daarbij vragen deze leden bijzondere aandacht voor
het gelijke speelveld. Gesubsidieerde culturele instellingen ontvangen extra publieke
middelen om hogere arbeidskosten te kunnen dragen, terwijl private culturele ondernemers
deze kosten uit hun eigen inkomsten moeten betalen. Heeft de Minister onderzocht welke
gevolgen dit heeft voor de concurrentiepositie van private producenten, podia, galeries
en andere culturele ondernemers? Zo nee, wil zij dit meenemen in de evaluatie?
De leden van de VVD-fractie lezen dat aanzienlijke bedragen worden besteed aan arbeidsmarktprogramma’s.
Voor Oog voor Impuls is voor 2022–2028 € 28 miljoen beschikbaar. Voor Permanente Professionele
Ontwikkeling werd voor 2020–2025 € 23,5 miljoen beschikbaar gesteld en voor de verlenging
tot en met 2028 nog eens € 21,2 miljoen. Deze leden lezen tegelijkertijd dat organisaties
en werkenden bepaalde voorzieningen na 2028 weer zelfstandig moeten oppakken. Dat
uitgangspunt steunen deze leden. Tijdelijke stimulering moet immers ook daadwerkelijk
tijdelijk kunnen zijn. Wanneer is de culturele sector volgens de Minister voldoende
in staat om deze verantwoordelijkheid zelf te dragen? En hoe voorkomt zij dat tijdelijke
stimuleringsprogramma’s uiteindelijk permanente subsidieregelingen worden?
De leden van de VVD-fractie merken op dat dezelfde vraag geldt voor Platform ACCT.
De Minister overweegt de ondersteuningsfunctie van dit platform vanaf 2029 voort te
zetten. Welke resultaten moeten worden bereikt voordat de Minister concludeert dat
deze ondersteuning niet langer nodig is?
De leden van de VVD-fractie lezen dat er onvoldoende draagvlak bestaat voor een bindend
sectoraal convenant over fair pay. Werkgevers- en brancheorganisaties voelen bovendien
onvoldoende mandaat om bindende afspraken te maken voor hun achterban. Deze leden
vinden dat een relevante conclusie. Is de Minister het ermee eens dat het ontbreken
van draagvlak niet moet worden opgelost door afspraken vervolgens alsnog van bovenaf
af te dwingen? Kan zij bevestigen dat zij niet voornemens is een bindend sectoraal
convenant via overheidsmaatregelen af te dwingen?
De leden van de VVD-fractie steunen de constatering van de Minister dat een convenant
geen doel op zichzelf is. Zij vinden dat afspraken over arbeidsvoorwaarden primair
een verantwoordelijkheid zijn van werkgevers, opdrachtgevers, werknemers en zelfstandigen
zelf.
De leden van de VVD-fractie hebben met instemming gelezen dat de Minister waarde hecht
aan de beleidsvrijheid van de Rijkscultuurfondsen. Kan zij bevestigen dat deze fondsen
ook daadwerkelijk ruimte houden om bij projecten een afweging te maken tussen fair
pay, artistieke kwaliteit, publieksbereik, beschikbare middelen en het aantal projecten
dat kan worden ondersteund? Deze leden willen voorkomen dat steeds gedetailleerdere
voorwaarden uiteindelijk betekenen dat met hetzelfde cultuurbudget steeds minder cultuur
kan worden gemaakt. Wordt dit mogelijke effect eveneens bij de evaluatie betrokken?
Slot
De leden van de VVD-fractie willen dat mensen die werken in de culturele en creatieve
sector behoorlijk worden betaald. Maar uiteindelijk moet een gezonde culturele sector
meer zijn dan een sector waarin de overheid steeds opnieuw het verschil bijlegt tussen
wat partijen willen betalen en wat zij daadwerkelijk kunnen betalen.
De leden van de VVD-fractie zien daarom een principiële vraag onder deze brief: waar
ligt het eindpunt van het fairpaybeleid? Is het doel een sector die structureel aanvullende
publieke middelen nodig heeft om afgesproken tarieven te kunnen betalen, of een sector
die door ondernemerschap, eigen inkomsten en professionele bedrijfsvoering uiteindelijk
zo veel mogelijk zelf in staat is om mensen behoorlijk te betalen? Kan de Minister
aangeven welke concrete stappen zij zet om dat laatste te bereiken?
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie merken op dat makers in de creatieve en culturele sector
moeten kunnen rekenen op een eerlijke beloning. Deze leden zien dan ook bij voorkeur
dat men in de culturele en creatieve sector fair pay en fair practice als norm hanteert,
want dan ontvangen makers een eerlijke beloning waarmee ze kunnen rondkomen.
De leden van de PRO-fractie constateren dat de Kamer in 2025 de motie van de leden
Mohandis en Koops heeft aangenomen, die de regering verzocht prikkels en voorwaarden
te verkennen om de werkverschaffers en opdrachtgevers te bewegen de fairpayrichtlijnen
te volgen en deel te nemen aan een bindend convenant.2 De Minister concludeert nu dat het huidige beleid daar grotendeels al in voorziet.
Deze leden vragen of de Minister de ambtelijke verkenning die aan die conclusie ten
grondslag ligt, met de Kamer wil delen. Welke opties zijn daarin gewogen en op welke
gronden zijn die afgevallen? Kan de Minister daarbij specificeren welke van de zeven
aanbevelingen van De Creatieve Coalitie3 zij heeft gewogen, en waarom zij deze wel of niet overneemt?
De leden van de PRO-fractie merken op dat de Minister voornemens is opnieuw afspraken
te maken met medeoverheden en in gesprek blijft met private fondsen en commerciële
opdrachtgevers. Deze leden waarderen dit voornemen. Met welke partijen en volgens
welk tijdpad vinden die gesprekken plaats, en wanneer ontvangt de Kamer daarvan de
uitkomsten?
De leden van de PRO-fractie constateren dat er de afgelopen jaren ten aanzien van
fair pay in de culturele en creatieve sector vooruitgang is geboekt en ook dit waarderen
deze leden. Tegelijkertijd geeft de Minister het signaal dat zij het arbeidsmarktbeleid
op termijn wil teruggeven aan de sector. Dit betekent dat zij grotendeels met het
beleid stopt in de hoop dat opdrachtgevers het oppakken, terwijl zij toch ook in de
onderhavige brief constateert dat het mandaat om duurzame bindende afspraken te maken
onder opdrachtgevers ontbreekt. Tevens stelt ze geen extra financiering hiervoor in
het vooruitzicht. Wat deze leden betreft, blijft de kern van het probleem daarmee
onopgelost.
Daarnaast merken de leden van de PRO-fractie op dat het jaar 2028 geen overdrachtsjaar
dreigt te worden, maar een jaar waarbij alle voortgang plotsklaps stopt. De Minister
schrijft dat in 2028 verschillende ondersteuningsmaatregelen in principe ophouden
te bestaan, zoals de zeer populaire regeling om zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers)
in de sector te ondersteunen met bij- en omscholing, of de regeling die een stukje
van de kosten op zich neemt als zzp’ers in onze sector een arbeidsongeschiktheidsverzekering
afsluiten.
De leden van de PRO-fractie signaleren dat de keuze van de Minister betekent dat de
culturele en creatieve sector na 2028 collectieve voorzieningen zelf moet dragen,
maar zij merken op dat de Minister tegelijkertijd erkent dat het mandaat voor bindende
afspraken ontbreekt. In Duitsland, Frankrijk en Italië dragen opdrachtgevers een percentage
van het honorarium af, waarmee scholing en sociale zekerheid van zelfstandige makers
worden gefinancierd. Dat betreft een werkgeversdeel voor wie geen werkgever heeft.
In Duitsland draagt iedere opdrachtgever die een zzp’er uit de culturele en creatieve
sector inhuurt sinds 1983 een percentage van het honorarium af (4,9% in 2026). Daarmee
wordt onder andere de helft van hun pensioen- en zorgpremie betaald. Frankrijk kent
sinds 1977 een bijdrage van 1,1%, deels bestemd voor om- en bijscholing. Italië voerde
in 2024 een bijdrage van 1% in, uitdrukkelijk ook over opdrachten aan zelfstandigen.
Is dit de Minister bekend? Wat ziet de Minister als voor- en nadelen van zo’n opdrachtgeversbijdrage?
Wat zou het betekenen als ook Nederland zo’n opdrachtgeversbijdrage zou invoeren?
Deze leden hechten eraan dat een dergelijke bijdrage niet ten koste gaat van het honorarium
voor de makers zelf. Is de Minister bereid het risico van afwenteling op de tarieven
van makers expliciet in het onderzoek te betrekken?
De leden van de PRO-fractie wijzen daarbij op recent economisch onderzoek naar de
arbeidsmarkteffecten van artificial intelligence4, dat beschrijft hoe bedrijven de besparing door automatisering zelf opstrijken terwijl
de gevolgen voor werkgelegenheid en bestedingen bij het collectief terechtkomen, en
waarom alleen een verplichting die voor alle partijen geldt dat patroon doorbreekt.
Is de Minister bereid dit onderzoek te betrekken bij de verkenning?
De leden van de PRO-fractie merken voorts op dat de Minister over de premie voor de
voorgenomen arbeidsongeschiktheidsverzekering schrijft dat zij ervan uitgaat «dat
de inzet op fair pay bijdraagt aan het kunnen dragen van deze kosten». Deze leden
vragen op welke gegevens en berekeningen die aanname berust. Welk deel van de zelfstandige
makers wordt bereikt met de huidige fairpaymaatregelen en welke inkomensverbetering
verwacht de Minister voor hen?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister bereid is om samen met de Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onderzoek te laten doen naar de koopkracht en
het inkomen van zelfstandigen in deze sector. Deze leden vragen daarbij de gezamenlijke
gevolgen in beeld te brengen van de verzekeringspremie, de afbouw van de fiscale ondernemersfaciliteiten
en de kosten van om- en bijscholing, voor makers met verschillende inkomensniveaus.
Welke financiële ruimte resteert er in die beelden voor pensioenopbouw en bestaanszekerheid?
De leden van de PRO-fractie merken op dat de inkomensontwikkeling van zelfstandigen
het van belang maakt dat het uitgangspunt van fair pay daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Tegelijkertijd krijgen zzp’ers te maken met verschillende veranderingen, zoals de
afbouw van de zelfstandigenaftrek, het verdwijnen van de startersaftrek en de arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Wordt ook de samenloop met deze bredere ontwikkelingen in de inkomenspositie van zelfstandigen
bekeken? Wanneer verwacht de Minister dat het effect van de per 1 januari 2025 aangescherpte
fairpayvoorwaarden zichtbaar wordt in de inkomenscijfers van het CBS?
De leden van de PRO-fractie stellen vast dat de Minister schrijft dat organisaties
en werkenden de door Oog voor Impuls ondersteunde voorzieningen na 2028 zelf moeten
oppakken, «zoals dat ook in andere sectoren gebeurt». Welke andere sectoren heeft de Minister hierbij voor ogen? Waarop baseert de Minister
dat de culturele en creatieve sector deze voorzieningen zonder vergelijkbare grondslag
zelf kan dragen? Ziet zij een verplichte opdrachtgeversbijdrage als een manier om
die grondslag alsnog te creëren? In die andere sectoren loopt de financiering van
scholing namelijk doorgaans via een O&O-fonds: werkgevers dragen een percentage van
de loonsom af op grond van een cao die algemeen verbindend is verklaard voor de hele
bedrijfstak. Deze leden constateren dat die grondslag in de culturele en creatieve
sector ontbreekt, omdat ruim de helft van de werkenden zelfstandig is en er relatief
weinig cao’s zijn. Over een factuur van een zzp’er wordt immers niets afgedragen.
Deze leden vragen welke rol de Minister ziet om binnen het eigen mandaat en buiten
die van sociale partners (kwetsbare) zelfstandigen te ondersteunen bij scholing en
ontwikkeling.
De leden van de PRO-fractie merken tevens op dat de Minister stelt dat de Rijkscultuurfondsen
bij meerjarige regelingen fair pay als uitgangspunt nemen en bij projectsubsidies
kijken wat er mogelijk is. Deze leden vragen of de Minister per fonds en in totaal
kan specificeren hoe subsidiebedrag en aantal toekenningen zich verhouden tussen meerjarige
regelingen en projectsubsidies, over het meest recente afgesloten jaar. Bij welke
fondsregelingen is fair pay een harde voorwaarde en bij welke (nog) niet? Hoe verschillen
die verplichtingen van de verplichtingen voor instellingen van de culturele basisinfrastructuur?
Hoe tonen instellingen aan dat zij deze verplichtingen naleven? Wie controleert wat
makers feitelijk uitbetaald krijgen, en welke gevolgen heeft niet-naleving? Laat de
Minister dit expliciet betrekken bij de fairpayevaluatie?
Daarnaast merken de leden van de PRO-fractie op dat de Tweede Kamer een wet heeft
aangenomen die regelt dat er een rechtsvermoeden van werknemerschap komt voor zelfstandigen
die werken onder een bepaald uurtarief. Deze leden vragen of er overwogen wordt of
er een verplicht minimumtarief kan komen, als feitelijke bodem voor de uurtarieven.
Zij vragen welke hoogte hier volgens de Minister passend zou zijn.
Ten slotte vragen de leden van de PRO-fractie de Minister naar schijnzelfstandigheid
binnen de sector. Deze leden vragen of er aanleiding is te geloven dat werkenden in
de culturele sector eigenlijk een dienstverband zouden moeten hebben. Zij vragen naar
concrete aantallen en aandelen en op welke wijze er binnen de culture sector hierop
wordt gehandhaafd. Zij vragen verder hoe wordt geborgd dat werknemers aanspraak kunnen
maken op de daarbij horende bescherming en zekerheid.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de voortgang van het arbeidsmarktbeleid en fair pay in de culturele en creatieve sector
en hebben hierover op dit moment geen verdere vragen.
Inbreng van de leden van Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de brief van de Minister.
Deze leden wachten de beantwoording met belangstelling af.
II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
C.H. Bosnjakovic, adjunct-griffier