Nota van wijziging : Nota van wijziging
36 913 Wijziging van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (eerste aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering)
Nr. 8
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 30 september 2026
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel E, wordt in het voorgestelde artikel 1.1.19 «bewezenverklaring,
kwalificatie of sanctieoplegging» vervangen door «bewezenverklaring, kwalificatie,
sanctieoplegging of beslissing op de vordering van de benadeelde partij».
B
In artikel III, onderdeel I, wordt het voorgestelde artikel 3.4.5 als volgt gewijzigd:
1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:
a. in geval van een transactieaanbod waarbij het totale bedrag dat is gemoeid met
de transactie een bedrag van € 200.000 of meer bedraagt;.
2. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
2. In de in het eerste lid genoemde gevallen kan de voorwaarde, bedoeld in artikel
3.4.6, eerste lid, onderdeel d, alleen worden gesteld voor zover de aanvaarding van
die voorwaarde door de verdachte geen zelfstandige grond is voor het lager vaststellen
van het te betalen bedrag dan het geschatte voordeel.
C
Na artikel IV, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
In artikel 4.1.2, tweede lid, wordt «derde en vierde lid» vervangen door «derde tot
en met vijfde lid».
D
In artikel IV, onderdeel S, wordt in het voorgestelde artikel 4.4.25, tweede lid,
na «schikking» ingevoegd «, bedoeld in het eerste lid,».
E
Artikel VI, onderdeel W, komt te luiden:
W
In artikel 6.4.12 worden, onder vernummering van het vierde lid tot zesde lid, twee
leden ingevoegd, luidende:
4. Indien de rechtbank een vordering die strekt tot de toepassing van de maatregel,
bedoeld in artikel 36c van het Wetboek van Strafrecht, ten aanzien van een gegevensdrager
of geautomatiseerd werk toewijst, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende
bevelen dat gegevens opgeslagen in, dan wel aanwezig op het voorwerp aan de belanghebbende
worden verstrekt.
5. Indien de rechtbank de vordering afwijst, neemt zij de daarmee overeenkomende beslissing.
F
Artikel IX, onderdeel F, komt te luiden:
F
Artikel 36d komt te luiden:
Artikel 36d
Voor zover de vernietiging noodzakelijk is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten
kunnen ontoegankelijk gemaakte gegevens worden vernietigd indien het gegevens betreft:
a. met betrekking tot welke of met behulp waarvan een strafbaar feit is begaan; of
b. die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met
de wet of het algemeen belang.
G
Na artikel X wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL XA
Artikel 8.11a van de Wet dieren wordt als volgt gewijzigd:
1. Het tweede lid komt te luiden:
2. De maatregel kan inhouden:
a. geen of minder dieren, dan wel bepaalde diersoorten niet, te houden;
b. een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied.
2. Er wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:
7. Indien de maatregel is opgelegd, kan de officier van justitie een reclasseringsinstelling
opdracht geven toezicht te houden op de naleving van de maatregel en de veroordeelde
ten behoeve daarvan te begeleiden. In dat geval wordt de veroordeelde gewezen op de
van rechtswege geldende voorwaarden, bedoeld in artikel 7.2.1, vierde lid, van het
Wetboek van Strafvordering. Indien vanwege de aard van de maatregel reclasseringstoezicht
niet aangewezen is, kan de officier van justitie een andere instelling of persoon
als bedoeld in artikel 7.2.1, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, opdracht
geven toezicht te houden.
Toelichting
A
De regeling van procesafspraken die in dit wetsvoorstel is opgenomen normeert afspraken
die worden gemaakt tussen het openbaar ministerie en de verdachte – met het oog op
de berechting – die van invloed zijn op de omvang van de strafzaak die aan de rechter
wordt voorgelegd (tenlasteleggingsafspraken) of betrekking hebben op een of meer centrale
beslissingen die de rechter moet nemen (zoals straftoemetingsafspraken). De definitiebepaling
van procesafspraken die in artikel 1.1.19 is neergelegd, beoogt die reikwijdte tot
uitdrukking te brengen. Dit onderdeel strekt ertoe de beslissing op de vordering van
de benadeelde partij aan die definitiebepaling toe te voegen. Hiermee wordt in die
bepaling verduidelijkt dat ook de vordering van de benadeelde partij onderdeel vormt
van de voorgestelde wettelijke regeling van procesafspraken. Deze bevat immers begrenzingen
met betrekking tot afspraken die een gezamenlijk voorstel inhouden voor de rechterlijke
beslissing op de vordering van de benadeelde partij, zoals tot uitdrukking komt in
het voorschrift dat dergelijke afspraken alleen kunnen worden gemaakt indien de benadeelde
partij hiermee instemt (artikel 4.2.26b, derde lid).
B
Allereerst bewerkstelligt dit onderdeel dat bij de transactie – ongeacht de aard van
de financiële component(en) – steeds een drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke
toetsing geldt. Daartoe wordt het voorgestelde artikel 3.4.5, eerste lid, onderdeel
a, aangepast (artikel III, onderdeel I, van het wetsvoorstel). In het wetsvoorstel
dat bij de Tweede Kamer is ingediend, hield die bepaling in dat de verlofprocedure
bij hoge transacties van toepassing is als het geldbedrag € 200.000 of meer bedraagt
(wanneer het totale bedrag van de voorgenomen transactie uitsluitend een boetecomponent
kent) dan wel € 1.000.000 of meer bedraagt (wanneer het totale bedrag de optelsom
is van meerdere geldelijke componenten, waaronder de voldoening van een bedrag ter
ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel). De verlofprocedure voor hoge ontnemingsschikkingen
is ook vanaf een drempelwaarde van € 200.000 van toepassing (artikel 4.4.25). In aansluiting
op de inhoudelijke rapportage van de samenwerkende universiteiten (p. 75 en 80) is
in het verslag van de Tweede Kamer door de rapporteurs gevraagd of de drempelwaarde
van € 200.000 voor rechterlijke toetsing van transacties niet ook moet gelden bij
voorgenomen transacties met meerdere financiële componenten, zoals transacties met
een boete- en ontnemingscomponent. Daarbij wordt er in die rapportage van de universiteiten
op gewezen dat de voorgestelde regeling ertoe zou leiden dat rechterlijk verlof is
vereist om via een ontnemingsschikking wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage
van € 700.000 te kunnen ontnemen, terwijl diezelfde voordeelsontneming van datzelfde
bedrag zonder rechterlijk verlof via een transactie kan plaatshebben indien de boetecomponent
van die transactie lager is dan € 200.000. Deze uitkomst is niet beoogd en ook niet
wenselijk. Daarom wordt dit onderdeel van de voorgestelde wettelijke regeling – met
het oog op een consistente toepassing van de al in het wetsvoorstel gemaakte keuze
om voorgenomen ontnemingsschikkingen vanaf een bedrag van € 200.000 te onderwerpen
aan rechterlijke toetsing – zo aangepast dat bij de transactie en de ontnemingsschikking
steeds één en dezelfde drempelwaarde van € 200.000 voor rechterlijke toetsing geldt.
Met deze uniformering kan de geïntroduceerde rechterlijke toetsing bij hoge transacties
en hoge ontnemingsschikkingen op eenduidige wijze bijdragen aan de legitimiteit van
de inzet van deze afdoeningsmodaliteiten.
Daarnaast strekt dit onderdeel van deze nota van wijziging tot invoeging van een lid
in artikel 3.4.5, dat inhoudt dat bij hoge transacties een voorwaarde die ziet op
het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 3.4.6,
eerste lid, onderdeel d, alleen kan worden gesteld voor zover de aanvaarding van die
voorwaarde geen zelfstandige grond is voor het lager vaststellen van het te betalen
bedrag dan het geschatte voordeel. Dit verzekert dat de verdachte via het accepteren
van een hoge transactie geen «korting» krijgt op het vastgesteld wederrechtelijk verkregen
voordeel. Hiermee wordt aangesloten bij de keuze die – mede ter uitvoering van de
aangenomen motie-Van Nispen/Ellian (Kamerstukken II 2024/25, 36 327, nr. 62) – al is gemaakt in de in het wetsvoorstel voorgestelde regelingen van respectievelijk
procesafspraken (artikel 4.2.26b, vierde lid) en de hoge ontnemingsschikking (artikel
4.4.25, tweede lid) om het op consensuele basis ontnemen van grote criminele winsten
te voorzien van een nadere wettelijke begrenzing. Ook wordt tegemoetgekomen aan de
in het verslag van de Tweede Kamer door leden van verschillende fracties geuite wens
om de regelingen van respectievelijk procesafspraken, de transactie en de ontnemingsschikking
op het genoemde punt beter op elkaar af te stemmen.
C
Artikel 4.1.2, tweede lid, schrijft voor dat aan de verdachte die de Nederlandse taal
niet of niet voldoende beheerst een vertaling van de procesinleiding wordt uitgereikt
of toegezonden of dat hij van de daarin opgenomen informatie in een voor hem begrijpelijke
taal in kennis wordt gesteld. Deze informatie betreft zowel de in de procesinleiding
opgenomen tenlastelegging, eventuele ad informandum gevoegde feiten als de door de officier van justitie opgeroepen procesdeelnemers
(artikel 4.1.1, derde en vierde lid). Dit onderdeel van de nota van wijziging voegt
daaraan toe dat in voorkomende gevallen ook de in de procesinleiding opgenomen procesafspraken
moeten worden vertaald. Daartoe wordt aan artikel 4.1.2, tweede lid, een verwijzing
naar artikel 4.1.1, vijfde lid, toegevoegd.
D
In dit onderdeel wordt in het voorgestelde artikel 4.4.25, tweede lid, verduidelijkt
dat deze bepaling – die hiervoor in onderdeel B van deze nota van wijziging al aan
de orde is gekomen – betrekking heeft op hoge ontnemingsschikkingen (artikel IV, onderdeel
S, van het wetsvoorstel).
E
Bij de beantwoording van de vragen uit het verslag is gebleken dat enkele technische
verbeteringen in artikel 6.4.12 moeten worden doorgevoerd, zodat de leden waaruit
dat artikel bestaat beter op elkaar aansluiten. Om die reden is dit onderdeel opnieuw
vastgesteld. Artikel 6.4.12, vierde lid, dat betrekking heeft op het kenbaar maken
van de door de rechtbank genomen beslissing op de vordering van het openbaar ministerie
aan de belanghebbende, is vernummerd tot zesde lid. Daarvóór zijn ingevoegd een vierde
en vijfde lid, die raken aan de door de rechtbank te nemen beslissing op de vordering.
Het nieuwe vierde lid betreft een inhoudelijke aanvulling. Dit artikellid is vergelijkbaar
met artikel 4.3.17, vijfde lid. Ook ingeval de rechtbank op vordering van de officier
van justitie bij afzonderlijke beslissing beslist dat een inbeslaggenomen gegevensdrager
of geautomatiseerd werk aan het verkeer moet worden onttrokken, kan zij op verzoek
van de belanghebbende bevelen dat gegevens opgeslagen in, dan wel aanwezig op dat
voorwerp aan de belanghebbende worden verstrekt. Het vijfde lid blijft zoals eerder
voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel.
F
Het met de eerste aanvullingswet voorgestelde artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht
wordt bij deze nota van wijziging geherformuleerd, maar wijzigt niet inhoudelijk ten
opzichte van de formulering in het wetsvoorstel. Met de nieuwe formulering wordt voorkomen
dat verwarring ontstaat over de vraag of de zinsnede «voor zover de vernietiging noodzakelijk
is ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten» enkel bij onderdeel b hoort of bij
zowel onderdeel a als onderdeel b. De zinsnede geldt voor beide onderdelen, hetgeen
met deze wijziging dus wordt verduidelijkt. De zinsnede wordt namelijk verplaatst
van het einde van de bepaling naar de aanhef.
G
Artikel XA, artikel 8.11a, tweede lid, van de Wet dieren
Met de eerste aanvullingswet worden diverse regelingen met betrekking tot (bijzondere)
voorwaarden en het toezicht op de naleving daarvan gewijzigd, met het oog op de herstructurering
en uniformering ervan. Het gaat daarbij om (het toezicht op de naleving van) voorwaarden
die vallen onder het bereik van de artikelen 7.2.1 en 7.7.5 en die daarmee binnen
het bereik van het nieuwe Wetboek van Strafvordering vallen. De in artikel 8.11a van
de Wet dieren geregelde strafrechtelijke vrijheidsbeperkende maatregel (ook wel het
houdverbod genoemd) valt onder de reikwijdte van artikel 7.2.1, eerste lid, onderdeel
b. Met de eerste aanvullingswet is evenwel abusievelijk de formulering van artikel
8.11a, tweede lid, onderdeel b («zich niet op te houden in een bepaald gebied»), niet
gelijkgetrokken met die in de artikelen 6.5.1, tweede lid, onderdeel b, 7.3.9, tweede
lid, onderdeel b, en 7.6.14, tweede lid, onderdeel b, van het nieuwe Wetboek van Strafvordering,
de artikelen 14c, tweede lid, onderdeel b, 38, tweede lid, onderdeel b, 38p, derde
lid, onderdeel b, 38v, tweede lid, onderdeel b, en 77z, tweede lid, onderdeel b, van
het Wetboek van Strafrecht en artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Gratiewet
(«een verbod zich te bevinden in een bepaald gebied»). Dit wordt met deze nota van
wijziging hersteld.
Artikel XA, artikel 8.11a, zevende lid, van de Wet dieren
Het toezicht op de naleving van de opgelegde maatregel is nu niet expliciet geregeld
in artikel 8.11a van de Wet dieren. In de memorie van toelichting bij de Wet aanpak
dierenmishandeling en dierenverwaarlozing is opgemerkt dat bij de handhaving van de
naleving van de opgelegde maatregel de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
en de Landelijke inspectiedienst dierenwelzijn een belangrijke rol spelen. Het openbaar
ministerie zal bij het vorderen van het houdverbod aan de rechter verzoeken om bij
de oplegging te bepalen welke instantie er toezicht dient te houden op het naleven
van het houdverbod (Kamerstukken II 2020/21, 35 892, nr. 3, p. 11). Bij nader inzien zou in artikel 8.11a van de Wet dieren, net als met de
eerste aanvullingswet is voorzien bij de verschillende voorwaardelijke modaliteiten
en bijvoorbeeld de gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (artikel
6.5.1) en de maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht,
geëxpliciteerd moeten worden dat de rechter een toezichtopdracht kan geven aan een
reclasseringsinstelling of aan een andere instelling of persoon. Ook in dit geval
wordt van belang geacht om bij het stellen van de gedragsaanwijzing en het geven van
een toezichtopdracht de veroordeelde op de van rechtswege geldende voorwaarden te
wijzen dat moet worden meegewerkt aan het toezicht en de identiteitsvaststelling.
Hiertoe wordt met deze nota van wijziging een zevende lid van deze strekking toegevoegd
aan artikel 8.11a van de Wet dieren.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
K.T. van Bruggen
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Indieners
-
Indiener
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Medeindiener
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid