Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de initiatiefnota van de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en Bruyning over het stoppen van geweld tegen vrouwen (Kamerstuk 36811)
2026D44822 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd over de Initiatiefnota van de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en Bruyning
over het stoppen van geweld tegen vrouwen (Kamerstuk 36 811)
De voorzitter van de commissie,
Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
II
Reactie van de initiatiefnemers
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling en interesse kennisgenomen
van de initiatiefnota van de leden Van der Werf, Becker, Mutluer en Bruyning over
het stoppen van geweld tegen vrouwen (Kamerstuk 36 811) (hierna: de initiatiefnota). Deze leden onderschrijven het belang om geweld tegen
vrouwen te voorkomen en te bestrijden. Zij zien in deze initiatiefnota verschillende
concrete voorstellen en maatregelen, maar ook maatregelen die al (deels) in gang zijn
gezet door het kabinet of daarop voortborduren om vrouwen in Nederland beter te beschermen
tegen geweld, dwang en intimidatie achter de voordeur. Zij stellen nog enkele vragen
over de maatregelen die worden voorgesteld in de initiatiefnota.
De leden van de VVD-fractie lezen in de kabinetsreactie dat het kabinet niet kiest
voor het invoeren van een meldplicht omdat een meldplicht niet zou bijdragen aan daadwerkelijk
betere hulp van bescherming van kind en gezin en de vertrouwensrelatie tussen de professionals
en de directbetrokkenen zou kunnen schaden, maar werkt aan een verkenning naar de
invoering van een wettelijke adviesplicht. Wat vinden de initiatiefnemers van die
verkenning naar de invoering van een wettelijke adviesplicht om de aard en ernst van
signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in een vroeg stadium te kunnen
duiden en tot passend handelen te komen? Met zo’n adviesplicht is het volgens het
kabinet voor alle onder de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vallende
professionals in stap twee van de meldcode niet meer vrijblijvend om advies in te
winnen over de signalen en de vervolgstappen. Bereikt deze adviesplicht volgens initiatiefnemers
hetzelfde doel als de door initiatiefnemers voorgestelde meldcode zoals omschreven
in de initiatiefnota? Hoe zien de initiatiefnemers het onderscheid tussen een meldplicht
en de bestaande meldcode? En welke problemen in de huidige praktijk worden met een
meldplicht opgelost die met de huidige meldcode niet worden opgelost?
De leden van de VVD-fractie onderschrijven de noodzaak om versnippering in de hulpverlening
aan te pakken en zijn geïnteresseerd in het voorstel van de initiatiefnemers om één
casusregisseur per casus te benoemen die ook de mogelijkheid krijgt om doorbraken
te forceren wanneer dat nodig is. Deze leden vragen de initiatiefnemers hoe zij aankijken
tegen de mogelijke afhankelijkheid van slachtoffers van deze regisseur en hoe kan
worden voorkomen dat door het aanwijzen van één casusregisseur de verantwoordelijkheid
van andere hulpverleners afneemt. Kunnen de initiatiefnemers voorbeelden noemen van
organisaties waar momenteel op deze manier gewerkt wordt en wat is volgens hen nodig
om dit landelijk uit te rollen? Wat ontbreekt nog in het toekomstscenario waaraan
het kabinet werkt om dit mogelijk te maken?
De leden van de VVD-fractie delen ten zeerste het belang van het wegnemen van knelpunten
in de privacywetgeving die effectieve informatie-uitwisseling belemmeren. Deze leden
vragen de initiatiefnemers of zij concrete voorbeelden of signalen hebben van knelpunten
zodat deze actief door het kabinet kunnen worden opgepakt. Wat vinden de initiatiefnemers
van de wijze waarop het kabinet uitvoering heeft gegeven aan de aangenomen motie-Becker
over het maken van een inventarisatie van privacywetgeving die gegevensuitwisseling
over femicide bemoeilijkt (Kamerstuk 36 658, nr. 7)?
De leden van de VVD-fractie beamen het belang om ouderschaps- of agressiecursussen
op te leggen aan de pleger specifiek gericht op huiselijk geweld. Deze leden vragen
de initiatiefnemers of er cijfers bekend zijn van dalende recidive na het volgen van
zo’n cursus, om het punt van initiatiefnemers te onderschrijven. Hoe kijken de initiatiefnemers
aan tegen het feit dat dergelijke cursussen momenteel vaak in het vrijwillig zorgkader
vallen en daarmee niet opgelegd kunnen worden? Hoe denken zij dat wet- en regelgeving
aangepast zou moeten worden om vaker preventief over te kunnen gaan tot het opleggen
van maatregelen om de veiligheid in een gezin of van een vrouw te beschermen, in plaats
van achteraf een straf op te leggen wanneer het misgegaan is?
De leden van de VVD-fractie lezen dat initiatiefnemers voorstellen om bij meldingen
van huiselijk geweld automatisch te bezien of een contactverbod, huis- en straatverbod
of locatieverbod kan worden opgelegd, tenzij dit direct tegen de wens van het slachtoffer
ingaat. Deze leden vinden het uitgangspunt dat de veiligheid van het slachtoffer voorop
moet staan belangrijk. Zij vragen voorts of de initiatiefnemers mogelijkheden zien
om elektronische controle, bijvoorbeeld met een enkelband, vaker in te zetten bij
daders die een contact- of locatieverbod opgelegd hebben gekregen. Hoe kijken de initiatiefnemers
aan tegen de mogelijkheden deze instrumenten vaker in te zetten via een preventief
gerechtelijk dwangbevel? Wat vinden zij van de termijnen en de toegestane aanvragers
van deze instrumenten?
De leden van de VVD-fractie vragen de initiatiefnemers hoe zij ervoor willen zorgen
dat signalen van huiselijk geweld structureel worden meegenomen bij beslissingen over
gezag en omgang. Hoe kan volgens de initiatiefnemers worden voorkomen dat situaties
waarin sprake is van (psychisch) geweld ten onrechte als een reguliere «vechtscheiding»
worden beschouwd? Hoe kijken de initiatiefnemers aan tegen de voortgang die het kabinet
en de rechterlijke macht maakt op het vaker kunnen combineren van straf- en familierecht?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota
en de kabinetsreactie. Uiteraard delen deze leden met het kabinet en de indieners
van de initiatiefnota het belang om geweld tegen vrouwen te voorkomen en te bestrijden.
Hoofdstuk 4 – Beschermd achter de voordeur
Ontwikkel een wettelijke meldplicht van huiselijk geweld voor onderwijs- en zorgprofessionals
De leden van de PRO-fractie lezen dat er een verkenning plaatsvindt naar de invoering
van een wettelijke adviesplicht om de aard en ernst van signalen van huiselijk geweld
en kindermishandeling in een vroeg stadium te kunnen duiden en tot passend handelen
te komen. Deze leden lezen ook dat het kabinet geen voorstander is van een meldplicht
omdat daardoor de vertrouwensrelatie tussen de professionals en directbetrokkenen
geschaad kan worden en dat een reden kan zijn voor slachtoffers om geen hulp te vragen
uit angst dat een melding wordt gedaan. Als echter uit de genoemde verkenning naar
een wettelijke adviesplicht blijkt dat bij ernstige signalen van huiselijk geweld
en kindermishandeling het toch zeer wenselijk is dat die signalen gemeld moeten gaan
worden om erger te voorkomen, delen de initiatiefnemers dan de mening dat het dan
wel gewenst om een meldplicht in te voeren?
Eén regisseur per casus, die de mogelijkheid krijgt om doorbraken te forceren
De leden van de PRO-fractie delen de mening van het kabinet dat in de samenwerking
verschillende organisaties en professionals moeten weten wie de regie heeft en wat
ze van elkaar kunnen en mogen verwachten. Deze leden vinden samenwerking en afstemming
ook belangrijk, maar juist omdat het daarbij aan een regisseur met doorzettingsmacht
ontbreekt blijven die samenwerking en afstemming helaas vaak niet optimaal. Deze leden
menen dat afspraken over mandaat en doorzettingsmacht niet alleen van de betrokken
partijen afhankelijk mogen zijn, maar dat er vooral vanaf het begin van een casus
duidelijkheid moet zijn over wie de regisseur wordt en hoe die doorbraken kan afdwingen.
Delen de initiatiefnemers deze mening? Zo ja, waarom en hoe oordelen de initiatiefnemers
dan over de reactie van de regering op dit punt? Zo nee, waarom niet?
Hoofdstuk 5 – Bescherming in de hulpverlening
Zorg voor structureel voldoende plekken in de vrouwenopvang met per gemeente een plan
voor de uitstroom naar beschikbare woningen
De leden van de PRO-fractie zouden erop willen wijzen dat de Kamer er al eerder bij
motie (Kamerstuk 32 847, nr. 1353) op heeft aangedrongen dat er sluitende afspraken komen over de toepassing van het
al langer bestaande wettelijke recht van slachtoffers van huiselijk geweld (die in
de opvang verblijven) op urgentie bij toewijzing van sociale huurwoningen. Deze toepassing
verloopt zeer moeizaam, zo begrijpen deze leden. Kennen de initiatiefnemers deze signalen
ook? Zo ja, wat moet er naar de mening van de initiatiefnemers gebeuren om er wel
voor te zorgen dat deze toewijzing verbeterd wordt?
Hoofdstuk 4 – Beschermd achter de voordeur
De leden van de PRO-fractie lezen dat de aanbeveling voor een 24/7-chatlijn voor slachtoffers,
familieleden en omstanders, waarbij niet hardop gesproken hoeft te worden, niet opgevolgd
gaat worden door het kabinet en wel omdat er ook andere ingangen zijn. Daarbij wordt
gewezen op hulp en advies door gemeenten. De aan het woord zijnde leden menen echter
dat dit niet alleen van beleidskeuzes van gemeenten afhankelijk mag zijn. Delen de
initiatiefnemers deze mening? Zo ja, waarom en wat zegt dat over het belang van een
24/7-chatlijn? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Algemeen
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota.
Deze leden onderschrijven het belang van bewustwording en het voorkomen van geweld
tegen vrouwen. Elke vrouw en elk kind moet veilig kunnen leven, zowel thuis als op
straat. Deze leden danken de initiatiefnemers en de medewerkers voor hun werk bij
de totstandkoming van deze initiatiefnota en maken graag van de gelegenheid gebruik
om vragen te stellen aan de initiatiefnemers.
Hoofdstuk 3 – Bij de rechtbank
De leden van de CDA-fractie lezen dat bepaalde screeningsinstrumenten of risicotaxaties
kunnen worden ingezet om veiligheidsrisico’s goed in te kunnen schatten, maar dat
deze in de rechtszaal of voorafgaand aan de zitting zelden tot nooit worden gebruikt.
Deze leden vragen de initiatiefnemers of zij weten wat de reden hiervan is, en zo
ja, of ze daarop kunnen reflecteren. Hoe zou dit verbeterd kunnen worden en tegen
welke (juridische) belemmeringen wordt aangelopen?
Hoofdstuk 4 – Beschermd achter de voordeur
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers van mening zijn dat hulpverleners,
zoals politieagenten, veel vaker achter de voordeur moeten kunnen kijken. Deze leden
vragen aan de initiatiefnemers wat volgens hen nodig is om dit te bewerkstelligen.
Hoofdstuk 6 – Beschermd bij de rechtbank
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers verschillende voorstellen
doen om slachtoffers te beschermen en professionals meer handvaten te geven om mogelijk
huiselijk geweld te herkennen, zoals het inzetten van screeningsinstrumenten bij mediation
en het verleggen van de focus in de rechtbank. Deze leden vragen aan de initiatiefnemers
hoe zij met deze voorstellen voorkomen dat er veel tijd verloren gaat in een zaak,
waarbij soms juist vaart nodig is ter bescherming van het slachtoffer, door allerlei
extra screeningsinstrumenten. Kan volgens hen een balans gevonden worden in extra
bescherming voor het slachtoffer en het belang van een voortvarende behandeling van
een strafzaak?
Beslispunten
Hoofdstuk 4 – Beschermd achter de voordeur
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers van mening zijn dat huisbezoeken
vaker mogelijk moeten zijn bij een vermoeden van huiselijk geweld. Deze leden vragen
of de initiatiefnemers hier nader op in kunnen gaan. In welke gevallen moet het vaker
mogelijk worden en tot hoever zou die bevoegdheid moeten reiken? Hoe wordt voorkomen
dat een huisbezoek juist leidt tot een groter risico voor het slachtoffer wanneer
de verdachte weet dat er een melding is gedaan?
De leden van de CDA-fractie vragen of de initiatiefnemers kunnen reageren op de reactie
van het kabinet op het beslispunt om een wettelijke meldplicht van huiselijk geweld
voor onderwijs- en zorgprofessionals in te voeren. Zien zij ook het risico dat een
meldplicht er juist toe kan leiden dat een slachtoffer geen hulp durft te vragen aan
professionals uit angst dat een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis? Wat is de reactie
van de indieners op de verkenning van het kabinet of een wettelijke adviesplicht ingevoerd
kan worden?
Hoofdstuk 5 – Bescherming in de hulpverlening
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers voorstellen om vaker gebruik
te maken van contactverboden, huis- en straatverboden en locatieverboden. Wat is volgens
de initiatiefnemers nodig om dit te bewerkstelligen? Hebben de initiatiefnemers hierover
gesproken met de politie of het Openbaar Ministerie (OM), om hun wensen en ideeën
hierin mee te nemen? Daarnaast vragen deze leden of dit voorstel in lijn is met de
verkenning en lopende pilots die zijn gestart door de Minister van Justitie en Veiligheid
en zo nee, welke aanvullende voorstellen de initiatiefnemers hebben.
Hoofdstuk 6 – Beschermd bij de rechtbank
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers voorstellen om standaard
gebruik te maken van screeningsinstrumenten en risicotaxaties bij complexe scheidingen.
Deze leden vragen aan de initiatiefnemers wanneer sprake is van een complexe scheiding
en hoe dit onderscheid juridisch gemaakt kan worden, om af te bakenen in welke gevallen
screeningsinstrumenten wel of niet worden ingezet.
Financiële gevolgen
De leden van de CDA-fractie lezen dat de initiatiefnemers stellen dat de voorgestelde
maatregelen in grote mate technisch en procedureel van aard zijn, en dus sprake is
van beperkte structurele kosten. Deze leden constateren dat de initiatiefnemers niet
ingaan op de financiële consequenties van het voorstel om te zorgen voor structureel
voldoende plekken in de vrouwenopvang. Kunnen de initiatiefnemers een inschatting
geven hoeveel middelen hiervoor nodig zijn? Zijn zij ook in gesprek met gemeenten
om te bevorderen dat er laagdrempelige vrouwenopvang kan worden gerealiseerd en wat
hiervoor nodig is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de initiatiefnota.
Deze leden danken de initiatiefnemers voor het werk dat zij met deze nota hebben verricht
en voor de concrete aanbevelingen die zij doen. Deze leden onderschrijven het belang
van het eerder herkennen van signalen van huiselijk geweld en het snel en doeltreffend
kunnen ingrijpen door professionals. Juist daarom vinden zij de reactie van het kabinet
op enkele concrete aanbevelingen nog wat te afwachtend en vrijblijvend.
Huisbezoeken bij vermoedens van huiselijk geweld
De initiatiefnemers bevelen aan om huisbezoeken vaker mogelijk te maken bij vermoedens
van huiselijk geweld. Daarbij zouden gezinsleden afzonderlijk moeten worden gesproken
en zou onderzoek moeten worden gedaan naar het onderliggende patroon van geweld. Het
kabinet gaat in haar reactie echter vooral in op huisbezoeken in situaties van acute
onveiligheid. Daarmee blijft de kern van de aanbeveling onderbelicht: eerder achter
de voordeur kunnen kijken, juist voordat een situatie acuut of levensbedreigend wordt.
Kunnen de initiatiefnemers uiteenzetten wat het huidige handelingskader is wanneer
er serieuze vermoedens van huiselijk geweld bestaan, maar nog geen sprake is van acute
onveiligheid? Wie kan in zo’n situatie besluiten tot een huisbezoek en onder welke
voorwaarden? Welke mogelijkheden hebben de politie, Veilig Thuis en andere betrokken
organisaties wanneer een gezin niet vrijwillig meewerkt? Achten de initiatiefnemers
deze mogelijkheden voldoende om escalatie te voorkomen? Hoe beoordelen zij in dit
licht de reactie van het kabinet?
Hoe kijken de initiatiefnemers ertegenaan dat het kabinet hun aanbeveling niet overneemt
om huisbezoeken bij vermoedens vaker mogelijk te maken? Zijn zij bereid het kabinet
te vragen te onderzoeken welke aanvullende juridische bevoegdheden of werkwijzen nodig
zijn om eerder en doeltreffender te kunnen optreden?
Informatie-uitwisseling
Het kabinet schrijft dat opnieuw «in kaart» wordt gebracht welke verbeteringen mogelijk
zijn in de informatiedeling en samenwerking. De leden van de BBB-fractie vinden dit
zeer onbevredigend. Al jarenlang is bekend dat signalen over huiselijk geweld verspreid
raken over verschillende organisaties en dat noodzakelijke informatie niet altijd
goed en tijdig wordt gedeeld. Ondertussen lopen slachtoffers risico doordat afzonderlijke
signalen niet tot één volledig beeld worden samengebracht.
Zijn de initiatiefnemers bereid om samen met de leden van de BBB-fractie het kabinet
te vragen nog spoedig met wetgeving te komen als opnieuw blijkt dat de bestaande wettelijke
grondslagen voor informatiedeling onvoldoende zijn? Kan daarin worden geregeld dat
overheids- en semioverheidsorganisaties noodzakelijke informatie kunnen uitwisselen
wanneer dat nodig is ter bescherming van de veiligheid van betrokkenen of derden,
vanzelfsprekend met passende waarborgen? Zo nee, welke concrete oplossing stellen
de initiatiefnemers dan voor om te voorkomen dat instanties ieder een deel van de
puzzel bezitten, maar niemand het volledige gevaar ziet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota. Deze leden
hebben hierover nog enkele vragen.
Hoofdstuk 4 – Beschermd achter de voordeur
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers het belang benadrukken van
een goede beoordeling van de situatie achter de voordeur en van het afzonderlijk spreken
met betrokkenen wanneer dit wenselijk en mogelijk is. Deze leden vragen de initiatiefnemers
welke concrete knelpunten zij op dit moment zien bij het in de praktijk brengen van
deze werkwijze en welke oplossingen zich hiervoor lenen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers inzetten op een betere samenwerking
tussen organisaties en professionals. Deze leden vragen de initiatiefnemers welke
concrete verbeteringen zij noodzakelijk achten in de samenwerking tussen Veilig Thuis,
politie, hulpverlening en andere betrokken organisaties. Hoe moet worden voorkomen
dat signalering wel plaatsvindt, maar niet leidt tot daadwerkelijke bescherming van
slachtoffers en het stoppen van geweld?
De leden van de SGP-fractie lezen dat binnen het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
wordt geëxperimenteerd met een meer systeem- en gezinsgerichte werkwijze. Deze leden
vragen de initiatiefnemers welke lessen uit deze ontwikkeling volgens hen relevant
zijn voor het eerder herkennen van patronen van dwang, controle, afhankelijkheid en
geweld.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers aandacht vragen voor de
regie, het mandaat en de doorzettingsmacht binnen de aanpak van huiselijk geweld.
Deze leden vragen de initiatiefnemers op welke punten de huidige verantwoordelijkheidsverdeling
volgens hen tekortschiet en welke concrete verbeteringen zij voor ogen hebben. Deze
leden lezen dat de mogelijkheden voor informatiedeling binnen het huidige wettelijke
kader volgens de initiatiefnemers beter kunnen worden benut. Zij vragen de initiatiefnemers
welke concrete knelpunten in de praktijk nog leiden tot vertraging, onvoldoende informatiedeling
of gemiste signalen. Zien zij aanleiding tot aanpassing van wet- en regelgeving?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers inzetten op betere veiligheids-
en risicotaxaties. Deze leden vragen de initiatiefnemers in hoeverre signalen van
dwingende controle, psychisch geweld, stalken en afhankelijkheidsrelaties daarin volgens
hen structureel moeten worden meegenomen. Zij lezen dat in de initiatiefnota aandacht
wordt besteed aan een mogelijke Nederlandse toepassing van Clare’s Law. Zij vragen
de initiatiefnemers welke meerwaarde zij hiervan verwachten en hoe een dergelijk instrument
volgens hen zou moeten worden vormgegeven. Hoe moet worden voorkomen dat het verstrekken
van informatie over een mogelijke voorgeschiedenis van geweld leidt tot een vals gevoel
van (on)veiligheid?
Hoofdstuk 5 – Beschermd in de hulpverlening
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers het belang benadrukken van
meer deskundigheid bij professionals over intieme terreur, dwingende controle, psychisch
geweld en femicide. Deze leden vragen de initiatiefnemers hoe zij willen waarborgen
dat deze kennis niet beperkt blijft tot gespecialiseerde organisaties, maar ook beschikbaar
is bij eerstelijnsprofessionals, zoals huisartsen, wijkteams en jeugdhulpverleners.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers een afzonderlijke strafbaarstelling
van psychisch geweld bepleiten. Deze leden vragen de initiatiefnemers welke gedragingen
naar hun oordeel momenteel niet of onvoldoende strafrechtelijk kunnen worden aangepakt
en die door een nieuwe strafbaarstelling wel binnen bereik van opsporing en vervolging
zouden komen. Zij vragen de initiatiefnemers welke meerwaarde een afzonderlijke strafbaarstelling
van psychisch geweld heeft ten opzichte van de bestaande strafrechtelijke mogelijkheden
inzake bedreiging, stalken, dwang, mishandeling en andere relevante delicten.
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers hoe zij de afbakening tussen
strafbaar psychisch geweld, ongewenst gedrag en relationele conflicten voor zich zien.
Hoe wordt volgens hen gewaarborgd dat de strafbaarstelling voldoende duidelijk, voorzienbaar
en rechtszeker is?
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers welke gevolgen zij verwachten
van een dergelijke strafbaarstelling voor de bewijsbaarheid, uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid
en werklast van politie, Openbaar Ministerie en rechtspraak.
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnemers aandacht vragen voor het
beter benutten van bestuursrechtelijke en civielrechtelijke beschermingsmaatregelen.
Deze leden vragen de initiatiefnemers welke aanvullende mogelijkheden zij zien om
slachtoffers beter te beschermen en plegers effectiever aan te pakken. Hoe beoordelen
zij in dit verband het uitgangspunt dat waar mogelijk de pleger en niet het slachtoffer
de woning zou moeten verlaten?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de opvangcapaciteit voor slachtoffers en kinderen
onder druk staat. Deze leden vragen de initiatiefnemers welke maatregelen zij noodzakelijk
achten om wachtlijsten en tijdelijke opvang op alternatieve locaties terug te dringen
en ervoor te zorgen dat slachtoffers tijdig een veilige opvangplek kunnen krijgen.
Hoofdstuk 6 – Beschermd bij de rechtbank
De leden van de SGP-fractie lezen dat in complexe scheidingen meer aandacht nodig
is voor veiligheidsrisico’s. Deze leden vragen de initiatiefnemers of zij ook mogelijkheden
zien om escalatie en complexe scheidingen in een eerder stadium te voorkomen, bijvoorbeeld
door laagdrempelige relatieondersteuning, vroegtijdige begeleiding of andere vormen
van hulp aan stellen en gezinnen. Welke rol zien zij hierbij voor gemeenten en maatschappelijke
organisaties? Zijn de initiatiefnemers bereid om de beste praktijkvoorbeelden in gemeenten
die relatietherapie reeds aanbieden over te nemen?
De leden van de SGP-fractie lezen dat huiselijk geweld niet vanzelfsprekend voldoende
wordt meegewogen in beslissingen over gezag en omgang. Deze leden vragen de initiatiefnemers
hoe zij willen waarborgen dat de veiligheid van slachtoffers en kinderen daadwerkelijk
centraal komt te staan in familierechtelijke procedures. Welke concrete criteria zouden
volgens hen in een toetsingskader moeten worden opgenomen?
Overig
De leden van de SGP-fractie lezen dat de initiatiefnota vooral aandacht besteedt aan
signalering, bescherming en handhaving. Deze leden vragen de initiatiefnemers welke
plaats zij zien voor preventie die zich richt op onderliggende maatschappelijke opvattingen
over relaties, seksualiteit, wederzijds respect en de positie van vrouwen.
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers of zij onderkennen dat voortdurende
seksualisering en objectivering van vrouwen in media, reclame, online platforms en
populaire cultuur kunnen bijdragen aan schadelijke opvattingen over vrouwen en relaties.
Zo ja, welke rol zien zij voor de overheid en maatschappelijke organisaties om deze
ontwikkeling tegen te gaan?
De leden van de SGP-fractie vragen de initiatiefnemers hoe zij de mogelijke relatie
beoordelen tussen seksualisering, objectivering, seksueel grensoverschrijdend gedrag,
partnergeweld en ander geweld tegen vrouwen. Zien zij aanleiding voor nader onderzoek
naar deze samenhang, waaronder naar de rol van pornografie? Deze leden vragen de initiatiefnemers
welke mogelijkheden zij zien voor maatschappelijke campagnes die aandacht vragen voor
respectvolle omgangsvormen, de waardigheid van vrouwen, gezonde relaties en de verantwoordelijkheid
van mannen en jongens bij het voorkomen van geweld tegen vrouwen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota en de kabinetsreactie
hierop. Deze leden spreken hun waardering uit voor de inzet van de initiatiefnemers
en hebben daarnaast nog een aantal vragen over de kabinetsreactie.
De leden van de SP-fractie merken op dat het kabinet bij veel punten verwijst naar
lopende initiatieven en trajecten om problemen aan te pakken. Deze leden benadrukken
echter dat geweld tegen vrouwen een enorm probleem is en er dus extra inzet nodig
is in de aanpak ervan. Hoe kijken de initiatiefnemers hiernaar? In hoeverre achten
zij de beschreven inzet van het kabinet voldoende?
De leden van de SP-fractie pleiten voor uitbreiding van het aantal plekken in de vrouwenopvang
naar 1.800, in lijn met het verdrag van Istanbul. De initiatiefnemers pleiten in de
nota wel voor voldoende plaatsen, maar noemen hierbij geen exacte cijfers. Wat zien
de initiatiefnemers als voldoende plaatsen? Deze leden lezen in de kabinetsreactie
veel ambitie, maar missen een analyse van het kabinet over de financiële consequenties
hiervan. In hoeverre denken de initiatiefnemers dat de ambities uit deze initiatiefnota
en de kabinetsreactie hierop te kunnen waarmaken met de huidige financiering?
II Reactie van de initiatiefnemers
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier