Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van schriftelijk overleg over initiatiefnota van het lid Dassen over kunstmatige intelligentie (Kamerstuk 36974)
2026D44687 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Digitale Zaken hebben onderstaande fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen aan de indiener over de initiatiefnota van het
lid Dassen over kunstmatige intelligentie (Kamerstuk 36 974).
De voorzitter van de commissie,
Dekker
Adjunct-griffier van de commissie,
Terberg
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie;
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie;
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie;
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie;
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie;
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie.
II
Antwoord/reactie van de indiener
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie danken de indiener voor het opstellen van deze initiatiefnota.
Deze leden delen de urgentie om kunstmatige intelligentie (AI1) hoger op de politieke agenda te zetten. AI gaat onze samenleving en economie ingrijpend
veranderen, en we kunnen die verandering samen de goede kant op sturen. Een Europa
dat digitaal soeverein is en tegelijk volop de kansen van AI benut, is ook voor deze
leden het doel. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen in de initiatiefnota een scherpe analyse van de
risico’s van AI. Deze leden zijn benieuwd hoe de indiener naar de kansen kijkt. Welke
kansen van AI wil de indiener actief benutten, bijvoorbeeld om personeelstekorten
in de zorg en het onderwijs op te vangen of de productiviteitsgroei aan te jagen?
Welke voorstellen in de initiatiefnota dragen daar concreet aan bij? Hoe voorkomt
de indiener dat nieuwe verplichtingen, zoals een verzekeringsplicht, strafrechtelijke
aansprakelijkheid en toetsing vooraf, vooral Nederlandse en Europese start-ups raken,
terwijl grote techbedrijven de nalevingskosten makkelijk kunnen dragen, zo vragen
deze leden. De initiatiefnota maakt verder onderscheid tussen algemene AI en gespecialiseerde
AI, zoals die van het Nederlandse Cradle. Hoe vertaalt de indiener dat onderscheid
naar zijn voorstellen, zodat gespecialiseerde toepassingen ruimte houden om te groeien?
Tot slot vragen deze leden welke concrete voorstellen voor de indiener de hoogste
prioriteit hebben en waarom.
De leden van de D66-fractie delen de wens om minder afhankelijk te worden van niet-Europese
techbedrijven. Wanneer is AI volgens de indiener «Europees»? Gaat het daarbij om de
vestigingsplaats, de zeggenschap, de plaats van dataverwerking of ook om open modellen
die in Europa zelf gedraaid worden? Valt een bedrijf als Mistral volgens de zienswijze
van de indiener bijvoorbeeld onder die definitie, ondanks het gebruik van bepaalde
Amerikaanse technologie? Hoe past dit voorstel binnen het Europese aanbestedingsrecht
en de WTO-afspraken2 over overheidsopdrachten? Is het juridisch uitvoerbaar, of moeten daarvoor specifieke
wetten worden aangepast? De indiener stelt daarnaast dat Nederland zich moet kunnen
verdedigen tegen AI-gedreven cyberaanvallen met modellen die minstens even krachtig
zijn. Hoe ziet de indiener de overgangsperiode, zolang Europese alternatieven op dat
niveau nog niet beschikbaar zijn, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zijn het met de indiener eens dat Europese rekenkracht
nodig is voor een sterke Europese AI-industrie. Hoe wil de indiener meer rekenkracht
combineren met netcongestie, ruimtegebrek en de energienormen die de indiener zelf
in de AI Act wil opnemen? Hoe sluiten de voorgestelde middelen aan op de bestaande
plannen van het kabinet voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI)
en op Europese instrumenten zoals InvestAI en de Europese Investeringbank (EIB)? Hoe
voorkomt de indiener dat de voorgestelde stresstests en rapportageplichten institutionele
beleggers juist terughoudender maken, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zien goede regels en innovatie, net als de indiener, niet
als een tegenstelling. Deze leden vinden het wel belangrijk dat regels uitvoerbaar
zijn en dat Europese innovators de ruimte wordt gegeven. De indiener wil hoog-risicosystemen
vooraf laten toetsen door een onafhankelijk Europees orgaan. Hoeveel capaciteit vraagt
dat en hoe voorkomt de indiener lange wachttijden voor Europese innovators? Hoe werkt
een verplichte AI-verzekering voor bedrijven «op Nederlandse bodem», als de grootste
aanbieders vanuit het buitenland werken? Zorgt dit niet voor een ongelijke concurrentiepositie?
Is er al een verzekeringsmarkt die deze risico’s kan dragen, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie delen de zorg over de concentratie van macht bij een klein
aantal techbedrijven. Deze leden hebben vragen over de uitwerking van de voorgestelde
maatregelen. Het zero-tolerancevoorstel treft ook bedrijven die producten gebruiken
die met onrechtmatig verkregen data zijn getraind. Hoe voorkomt de indiener dat het
Nederlandse mkb hierdoor hard geraakt wordt? Hoe verhoudt een gouden aandeel in gestimuleerde
AI-bedrijven zich tot de Europese rechtspraak over gouden aandelen? Hoe wil de indiener
een collectieve bestuurszetel afdwingen bij techbedrijven die buiten Nederland zijn
gevestigd, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat iedereen mee kan doen in een
arbeidsmarkt die door AI verandert. Deze leden lezen dat de indiener een AI-belasting
wil invoeren voor bedrijven die werknemers vervangen door AI. Hoe wil de indiener
vaststellen of een werknemer is «vervangen door AI»? Hoe wil de indiener het omscholingsfonds
inrichten? Daarnaast stelt de indiener voor dat De Nederlandsche Bank (DNB) de blootstelling
van banken en pensioenfondsen aan AI-gerelateerde financiële risico’s beoordeelt en
daarvoor stresstests ontwikkelt. Hoe sluit dit voorstel aan op wat de DNB en de Europese
Centrale Bank (ECB) al doen, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie zien een belangrijke rol voor Nederland bij internationale
afspraken over AI. Deze leden vragen hoe de voorgestelde coalitie van middelgrote
landen voortbouwt op wat er al is, zoals de REAIM3-top die Nederland in 2023 in Den Haag organiseerde, het AI-verdrag van de Raad van
Europa en de VN-gesprekken over AI. Ook hebben deze leden vragen over het voorgestelde
verificatiemechanisme. ASML maakt lithografiemachines, geen AI-chips. Welke rol ziet
de indiener voor ASML en voor chipontwerpers bij verificatie? Hoe voorkomt de indiener
dat zo’n mechanisme een achterdeur wordt die kwaadwillenden kunnen misbruiken, zo
vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie delen de wens om de kennis over AI bij Kamer, kabinet
en rechtspraak te versterken. Deze leden vragen wat de voorgestelde AI-raad specifiek
toevoegt dat nog niet belegd is bij bestaande organen zoals het Rathenau Instituut,
de Autoriteit Persoonsgegevens als algoritmetoezichthouder en de Wetenschappelijke
Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Welke taken en middelen ziet de indiener voor
een uitgebreide Dienst Analyse en Onderzoek, zodat Kamerleden sneller onafhankelijke
kennis over AI krijgen?
De leden van de D66-fractie kijken uit naar de beantwoording. Deze leden danken de
indiener (en zijn ondersteuning) voor de inzet op dit belangrijke onderwerp.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de initiatiefnota
over kunstmatige intelligentie van het lid Dassen. Deze leden hebben hierover nog
enkele vragen en opmerkingen. Kortheidshalve concentreren zij zich in deze inbreng
voornamelijk op de beslispunten.
Regulering
De leden van de VVD-fractie constateren dat er in de nota veel wordt geredeneerd vanuit
angst voor kunstmatige intelligentie (AI). Daarbij worden grote woorden niet geschuwd.
Zo zou het einde van het kapitalisme nabij zijn (p. 15). Dit leidt er volgens deze
leden toe dat vrijwel alle beslispunten de economische en maatschappelijke kansen
van AI ondermijnen. De beslispunten schrikken af om een AI-onderneming in Nederland
te beginnen, uit te breiden of AI (meer) te integreren in bestaande bedrijven. Dat
geldt bijvoorbeeld voor de voorstellen tot documentatie-eisen (beslispunt 2), verplichte
zetels in raden van bestuur voor de overheid (beslispunt 4), meer regulering via de
AI-Act (beslispunt 8), verplichte verzekeringen (beslispunt 9), strafrechtelijke aansprakelijkheid
voor CEO’s (beslispunt 10), een AI-belasting (beslispunt 13) en meer rapportageverplichtingen
voor beleggers in AI-bedrijven (beslispunt 14). De regeldruk neemt met deze plannen
fors toe. Graag ontvangen deze leden een reflectie van de indiener op dit punt. Leiden
deze voorstellen, wat de indiener betreft, ook tot het ondermijnen van de economische
en maatschappelijke kansen van de technologie? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is dit
verstandig als de technologische ontwikkeling in andere werelddelen, voornamelijk
de Verenigde Staten en China, naar alle waarschijnlijkheid gewoon doorgaat (en zij
zich waarschijnlijk ook niet zullen aansluiten bij de voorgestelde AI-coalitie)?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de indiener voorstelt dat alleen nog maar Europese
bedrijven overwogen zouden mogen worden voor aanbestedingen in kritieke digitale diensten.
Verwacht kan worden dat ook andere landen dan vaker de voorkeur zullen geven aan bedrijven
uit eigen land. Hoe verhoudt zich dit volgens de indiener tot de vrije markt waar
Nederland als open economie zo bij gebaat is, zo vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de indiener voorstelt om meer normeringen op
te nemen in de AI-act. De nota is kritisch op de omnibussen op dit vlak. Hoe verhoudt
zich dit tot de aanbeveling in het Draghi-rapport4 (bijvoorbeeld op p. 79) om juist de AI-act te vereenvoudigen, zo vragen deze leden.
Grotere overheid
De voorstellen leiden, wat de leden van de VVD-fractie betreft, daarnaast tot een
grotere overheid. Dat vinden zij onwenselijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor de oproep
om een extra onafhankelijk bureau op te zetten en het voorstel tot uitbreiding van
de ondersteuning van de Tweede Kamer (beslispunt 5).
Financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie hebben onvoldoende inzicht in de financiële consequenties
van de voorstellen die worden gedaan. Aan welke orde van grootte denkt de indiener
bijvoorbeeld bij het voorstel voor een onderzoeksfonds voor klimaatprojecten? Waarom
meent de indiener dat er publieke financiering nodig is voor een AI-gigafabriek? Het
rapport-Wennink5 stelt dat dit volledig privaat gefinancierd kan worden. Daarnaast wordt er verwezen
naar «fiscale voorstellen uit voorstel 14» (p. 34), maar waar doelt de indiener hierop,
zo vragen de leden van deze fractie.
De leden van de VVD-fractie vinden de financiële dekking voor de voorstellen daarnaast
summier, terwijl deze volgens hen niet verwaarloosbaar zijn. In een bijzin worden
eurobonds als dekking genoemd. Deze leden vinden eurobonds een onverstandig en onrechtvaardig
instrument.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de initiatiefnota
over kunstmatige intelligentie. Zij spreken hun waardering uit voor het uitgebreide
werk van de indiener en zijn team. Over de aanbevelingen hebben zij vragen en opmerkingen.
Inleiding
De leden van de PRO-fractie delen de analyse van de indiener dat kunstmatige intelligentie
te lang geen serieus onderwerp van gesprek is geweest in Den Haag. Door niet op tijd
te handelen, is kostbare tijd verloren gegaan. Deze leden zijn benieuwd welke ideeën
de indiener heeft om het parlement beter in staat te stellen om technologische ontwikkelingen
te kunnen bijhouden en behandelen. Heeft de indiener, naast aanbevelingen aan het
kabinet, ook voorstellen voor de werkwijze van de Kamer? Hoe hoopt de indiener de
politieke discussie over kunstmatige intelligentie (AI) beter te kunnen voeren, zo
vragen deze leden.
De aanbevelingen in de initiatiefnota kunnen in algemene zin rekenen op steun van
de leden van de PRO-fractie. Deze leden hebben hierover nog wel een paar vragen.
Ten eerste lezen de leden van de PRO-fractie de aanbeveling voor een AI-belasting
voor bedrijven. De leden van deze fractie zijn ernaar benieuwd hoe dit er volgens
de indiener uit moet zien. Hoe hoog moet zo’n AI-belasting zijn om bedrijven daadwerkelijk
te ontmoedigen om werknemers te ontslaan, als deze bedrijven tegelijkertijd kosten
besparen door kunstmatige intelligentie te gebruiken? Moeten deze leden een soort
Kolenfonds voor zich zien, waarmee werknemers die hun baan (dreigen te) verliezen
aan ander werk kunnen worden geholpen? Heeft de indiener ook voorstellen om de betrokkenheid
van werknemers over AI-gebruik op hun werkplek beter te organiseren, bijvoorbeeld
via vakbonden of ondernemingsraden, zo vragen deze leden.
Ten tweede lezen de leden van de PRO-fractie aanbevelingen voor internationale en
Europese samenwerking. Deze leden steunen dit. Tegelijk wijzen zij erop dat big tech
inmiddels zo’n 150 miljoen euro per jaar besteedt aan Europese lobby. Hoe denkt de
indiener de invloed van de techlobby in deze internationale afspraken te beperken?
Zou Nederland als invloedrijke EU-lidstaat met nationale maatregelen moeten komen
te vooruitlopen op Europese en internationale afspraken? Deelt de indiener de visie
van deze leden dat Nederland een dergelijke positie moet innemen om invloed uit te
oefenen, zo vragen deze leden.
Ten derde lezen de leden van de PRO-fractie de aanbevelingen voor een AI-raad. Deze
leden wijzen op de aangenomen motie-Kathmann/Six Dijkstra6 die reeds wordt uitgevoerd. Kan de indiener zijn visie delen op de rol en verantwoordelijkheden
die bij zo’n AI-raad of een AI-veiligheidsinstituut belegd moeten worden, zo vragen
deze leden.
Tot slot lezen de leden van de PRO-fractie de aanbeveling om als overheid als «launching
customer» op te treden. Deze leden steunen het voornemen om de Rijksoverheid als marktmeester
te positioneren door strategisch inkoopbeleid te voeren. Tegelijkertijd is AI-adoptie
binnen de overheid geen doel op zich, als het überhaupt al wenselijk is. Kan de overheid
volgens de indiener zowel «launching customer» zijn, als terughoudend zijn in het
gebruik en afnemen van AI-diensten, zo vragen deze leden.
Analyse
De leden van de PRO-fractie bedanken de indiener voor zijn uitgebreide analyse over
de maatschappelijke gevolgen van AI. Om de urgentie te onderstrepen, haalt de indiener
de waarschuwingen van verschillende AI-baronnen aan. Deze leden zien in hun oproep
echter ook een commercieel belang: door hun technologie als levensgevaarlijk af te
schilderen, winnen zij aan aanzien. Door regulering voor te stellen, zetten zij kleine
AI-bedrijven buitenspel omdat alleen de grootste bedrijven de juridische afdelingen
hebben om aan nieuwe wetgeving te voldoen. Daarnaast voeren de big tech-bedrijven
volop lobby om de regels naar hun hand te zetten. Kan de indiener toelichten hoe serieus
hij de waarschuwingen van de AI-baronnen neemt? Ziet hij ook het commerciële belang
dat hierachter schuilgaat en doet dat af aan de betrouwbaarheid van hun oproep, zo
vragen deze leden.
Tot slot zijn de leden van de PRO-fractie benieuwd naar de gesprekken die de indiener
heeft gevoerd om tot deze initiatiefnota te komen. Kan hij toelichten welke organisaties
en experts hij heeft geraadpleegd bij het schrijven van de nota, zo vragen deze leden.
De leden van de PRO-fractie bedanken de indiener en zijn team voor hun beantwoording.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota van het lid
Dassen over kunstmatige intelligentie (Kamerstuk 36 974). Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog een aantal vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren allereerst dat de indiener de volgende definitie
voor Artificial Intelligence (AI) hanteert: «Systemen die intelligent gedrag vertonen
door hun omgeving te analyseren en actie ondernemen om, met een bepaald niveau van
autonomie, specifieke doelen te behalen.» Is de indiener het met deze leden eens dat
deze definitie nogal mystiek van aard is en een vertekend beeld geeft van de werkelijkheid
van precognitieve statistische vergelijkingsmodellen? Waarom is niet gekozen voor
de door de overheid gebruikte definitie, zoals gedefinieerd in de Gids AI-verordening7? Graag verzoeken deze leden een onderbouwing van de beantwoording.
Daarnaast merken de leden van de PVV-fractie op dat de indiener in deze initiatiefnota
AI opsplitst in een tweetal stromingen: 1) algemene AI-systemen en; 2) op maat gemaakte
AI-systemen. De indiener schuift generatieve AI vervolgens onder de noemer «algemene
AI», terwijl hij daarbij tegelijkertijd waarschuwt voor «autonome systemen» die zichzelf
niet laten uitschakelen. Is de indiener het met deze leden eens dat een splitsing
over twee varianten verwarrend werkt? Waarom heeft indiener niet gekozen om onderscheid
te maken tussen drie varianten, zoals bijvoorbeeld: (1) «Reguliere AI» (analytisch
en voorspellend, geen nieuwe data en nauwelijks risico op controleverlies), (2) «Generatieve
AI» (creëert nieuwe content) en (3) «Autonome AI agents» (kunnen zelfstandig doelen
stellen, acties uitvoeren in systemen en vertonen «recursive self-improvement». Hier
bestaat het risico op controleverlies)?
Tot slot merken de leden van de PVV-fractie op dat de indiener voorstelt om het parlement
en de rechterlijke macht toegang tot digitale expertise te geven. Tevens stelt de
indiener voor een AI-raad op te richten die expertise brengt naar het parlement. De
moties 26 643-996 (Van Weerdenburg/Van Haga8, verworpen) en 26 643-1403 (Kathmann/Six-Dijkstra9, aangenomen) riepen al eerder tot een AI-raad op. Daarnaast beschikt de Kamer ook
over een gereedschapskist aan middelen, die ook vaker ingezet zijn, om digitale expertise
in te winnen. Zo zijn er mogelijkheden om technische briefings en rondetafelgesprekken
te organiseren, maar ook thematische bijeenkomsten. Rechters beschikken verder over
de mogelijkheid om experts te horen. Deze leden vernemen graag van de indiener hoe
hij tot de conclusie is gekomen dat het parlement en de rechters niet zouden kunnen
beschikken over digitale expertise.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie willen allereerst het lid Dassen danken voor deze interessante
en inhoudelijke initiatiefnota. Deze leden weten uit eigen ervaring dat het opstellen
van een initiatiefnota veel tijd, denkkracht en doorzettingsvermogen vergt. Juist
daarom waarderen zij het wanneer Kamerleden het initiatief nemen om een maatschappelijk
en politiek relevant onderwerp op deze wijze te agenderen en het debat erover te verdiepen.
Dat draagt bij aan een zorgvuldige gedachtewisseling en versterkt de kwaliteit van
de parlementaire besluitvorming.
De leden van de CDA-fractie delen met de indiener het belang van een breed en fundamenteel
gesprek over de kansen, risico’s en maatschappelijke gevolgen van kunstmatige intelligentie
(AI). AI is niet slechts een technologische innovatie, maar een ontwikkeling die raakt
aan de manier waarop wij werken, leren, ondernemen, zorg verlenen en onze democratische
rechtsstaat vormgeven. Dat vraagt om een zorgvuldige politieke afweging, waarin ruimte
is voor innovatie, maar ook oog blijft voor menselijke waardigheid, publieke waarden
en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Tegen die achtergrond danken de leden van
deze fractie de indiener voor de heldere analyse en de zorgvuldige samenvatting van
de uiteenlopende discussies die momenteel op dit terrein worden gevoerd. Deze initiatiefnota
vormt daarmee een waardevolle basis voor het verdere debat.
Moties in de Kamer over AI
De leden van de CDA-fractie waarderen het overzicht van de ingediende AI-moties. Wel
zal het de indiener niet verbazen dat deze leden de hoeveelheid ingediende moties
op zichzelf geen goede graadmeter vinden voor de kwaliteit van parlementair werk.
Meer moties betekenen immers niet automatisch beter beleid, en soms betekent dit juist
het tegendeel. Deelt de indiener de opvatting dat de Kamer gebaat is bij minder, maar
inhoudelijk sterkere moties, zo vragen de leden van deze fractie. Tegelijkertijd zijn
de leden het met de indiener eens dat het parlement vaker het fundamentele gesprek
zou moeten voeren over de brede maatschappelijke impact van AI. Juist daarom danken
deze leden de indiener voor deze initiatiefnota. In de volgende alinea’s zal worden
ingegaan op de verschillende beslispunten van de initiatiefnota.
Wereldwijde AI-coalitie en verificatie
De leden van de CDA-fractie zijn het met de indiener eens dat internationale samenwerking
cruciaal is om de risico’s van AI het hoofd te bieden. Samenwerking met gelijkgestemde
landen vormt daarbij een logische eerste stap en de leden van deze fractie zien, in
het bijzonder binnen de Europese Unie, kansen om hierin een voortrekkersrol te vervullen.
Ook kunnen de leden de gedachte achter een internationaal verdrag, waarin fundamentele
uitgangspunten voor de ontwikkeling en toepassing van AI worden vastgelegd, goed volgen.
Tegelijkertijd geldt, net als bij het non-proliferatieverdrag voor kernwapens, dat
de effectiviteit uiteindelijk staat of valt met de mogelijkheid tot handhaving en
verificatie.
De leden van deze fractie vinden het voorstel om samen met ASML te onderzoeken of
een verificatiemechanisme kan worden ontwikkeld daarom vernieuwend en interessant.
Tegelijkertijd vragen deze leden of deze benadering niet te afhankelijk is van de
unieke marktpositie en medewerking van één onderneming. Hoe voorkomt de indiener dat
een dergelijk systeem juist een extra prikkel vormt voor andere landen om alternatieven
voor de technologie van ASML te ontwikkelen? En hoe toekomstbestendig is dit voorstel
wanneer ASML niet aan een dergelijk systeem wil meewerken of haar unieke marktpositie
in de toekomst verliest? Welke alternatieve routes ziet de indiener om internationale
verificatie en handhaving vorm te geven, zo vragen de leden van deze fractie.
Zero tolerance voor gebruik Europese data
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van een goede bescherming van
de Europese interne markt en deze leden zijn het met de indiener eens dat Europese
regels ook daadwerkelijk moeten worden nageleefd. Wie structureel in strijd handelt
met Europese wet- en regelgeving, moet daarop kunnen worden aangesproken.
De leden vragen echter of het voorgestelde gebruik van het Anti-Coercion Instrument10 het meest geëigende instrument is om dit doel te bereiken. Het Anti-Coercion Instrument
is immers ontwikkeld als een uitzonderlijk geopolitiek handelsinstrument. Kan de indiener
aan deze leden nader motiveren waarom bestaande sectorspecifieke instrumenten en handhavingsmogelijkheden,
zoals die voortvloeien uit de AI Act11, de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)12, de Digital Services Act (DSA)13 en de Digital Markets Act14, volgens hem onvoldoende zijn? Onder welke omstandigheden zou het volgens de indiener
gerechtvaardigd zijn om het Anti-Coercion Instrument in te zetten, zo vragen de leden
van deze fractie
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie de indiener om de gevolgen van een dergelijk
instrument nader in kaart te brengen. Welke consequenties heeft een zero tolerance-beleid
voor de rechtszekerheid van ondernemingen die actief zijn op de Europese markt? En
hoe voorkomt de indiener dat een dergelijke maatregel ten koste gaat van de leveringszekerheid
van digitale diensten waarvan Europese bedrijven, maatschappelijke instellingen en
burgers op dit moment afhankelijk zijn, zo vragen de leden van deze fractie.
Collectieve inspraak en medezeggenschap afdwingen bij big tech
De leden van de CDA-fractie begrijpen de wens van de indiener om publieke waarden
beter te borgen binnen ondernemingen die een sleutelrol vervullen in de AI-waardeketen.
De leden van deze fractie vragen echter of een verplichte publieke vertegenwoordiging
in de raad van bestuur daarvoor het meest geëigende instrument is. Kan de indiener
toelichten hoe wordt voorkomen dat een dergelijke verplichting juist Europese ondernemingen
op een concurrentienadeel zet ten opzichte van bedrijven buiten de Europese Unie?
Acht de indiener het risico aanwezig dat een dergelijke maatregel investeringen en
vestigingsbeslissingen van o.a. Europese AI-startups negatief beïnvloedt, zo vragen
de leden van deze fractie.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de indiener daarbij kan toelichten
op welke ondernemingen deze verplichting van toepassing zou moeten zijn. Ziet de indiener
mogelijkheden om hierbij onderscheid te maken naar bijvoorbeeld omvang, marktmacht
of de mate waarin een onderneming een systeemrelevante positie inneemt binnen de digitale
infrastructuur, zodat kleinere Europese ondernemingen en startups niet met dezelfde
verplichtingen worden geconfronteerd als de grootste technologiebedrijven, zo vragen
de leden van deze fractie.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat ondernemingen te
afhankelijk worden van overheidsparticipatie en de beschikbaarheid van overheidskapitaal
voor gouden aandelen. Is de indiener van mening dat de overheid structureel een rol
zou moeten hebben in de strategische besluitvorming van private ondernemingen? Hoe
verhoudt dit zich tot het uitgangspunt dat ondernemerschap, innovatie en investeringsbeslissingen
juist vaak het beste tot stand komen in een vrije en concurrerende markt, waarbij
de overheid kaders stelt en toezicht houdt, zo vragen de leden van deze fractie.
Geef parlement en de rechterlijke macht toegang tot digitale expertise
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van meer digitale expertise
binnen het parlement en de rechterlijke macht. De leden van deze fractie vragen echter
of de oplossing primair ligt in nieuwe adviesstructuren of extra capaciteit bij Dienst
Analyse en Onderzoek. Zou niet eerst moeten worden bezien hoe bestaande kennis en
expertise beter kunnen worden benut, zo vragen de leden van deze fractie.
Europese soevereiniteit opnemen in AI-aanbestedingskaders
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van de overheid als «launching
customer». Met de inkoopkracht van de overheid kunnen innovaties worden gestimuleerd
en kan de ontwikkeling van Europese AI-oplossingen worden versneld. Daarbij achten
de leden van deze fractie het wel van belang dat de continuïteit en kwaliteit van
de publieke dienstverlening gewaarborgd blijven.
De leden van de CDA-fractie onderschrijven bovendien het belang van strategische autonomie
en dataveiligheid bij publieke aanbestedingen. Deze leden vragen echter of een categorisch
verbod op aanbieders van buiten de Europese Unie daarvoor het juiste instrument is.
Zou het niet verstandiger zijn om strategische autonomie, dataveiligheid en weerbaarheid
zwaarder te laten meewegen binnen aanbestedingskaders, zonder de concurrentie onnodig
te beperken, zo vragen de leden van deze fractie.
In het verlengde daarvan vragen de leden van de CDA-fractie hoe een voorkeur voor
Europese AI-oplossingen juridisch en praktisch binnen aanbestedingskaders kan worden
vormgegeven. Kan de indiener aan deze leden toelichten hoe een voorkeur voor Europese
AI-oplossingen volgens hem juridisch en praktisch binnen aanbestedingskaders kan worden
vormgegeven? Onder welke omstandigheden acht de indiener het gerechtvaardigd om uitsluitend
voor Europese aanbieders te kiezen? Hoe kan daarbij worden gewaarborgd dat de kwaliteit
en continuïteit van de publieke dienstverlening niet in het gedrang komen wanneer
nog geen volwaardig Europees alternatief beschikbaar is, zo vragen de leden van deze
fractie.
Een hervormde Artificial Intelligence Act gericht op maatschappelijk belang
De leden van de CDA-fractie constateren dat de AI Act zich nog midden in de implementatiefase
bevindt en dat de huidige AI Act na jarenlange onderhandeling tot stand is gekomen.
Deze wet wijzigen zou een nieuw Europees wetgevingstraject vergen. Hoe ziet de indiener
het vervolgtraject voor zich en op welke termijn acht hij de voorgestelde aanpassingen
realistisch, zo vragen de leden van deze fractie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de indiener voorstelt onderscheid te maken tussen
Europese en niet-Europese ondernemingen. Kan de indiener aan deze leden toelichten
hoe dit voorstel zich verhoudt tot de uitgangspunten van de Europese interne markt
en het non-discriminatiebeginsel? Acht de indiener een dergelijk onderscheid juridisch
houdbaar binnen het huidige Europese rechtskader, zo vragen de leden van deze fractie.
Strafrechtelijke aansprakelijkheid als fundament voor regulering
De leden van de CDA-fractie begrijpen de wens van de indiener om ernstige overtredingen
op het gebied van kunstmatige intelligentie effectief te sanctioneren. Deze leden
vragen echter hoe het voorgestelde systeem van strafrechtelijke aansprakelijkheid
in de praktijk zou moeten functioneren. Hoe wordt vastgesteld wanneer sprake is van
een strafbaar feit en wie acht de indiener daarvoor strafrechtelijk verantwoordelijk?
Richt het voorstel zich op bestuurders, ontwikkelaars, ondernemingen of een combinatie
daarvan, zo vragen de leden van deze fractie.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de indiener de internationale handhaafbaarheid
voor zich ziet. Veel toonaangevende AI-ontwikkelaars zijn buiten de Europese Unie
gevestigd. Kan de indiener aan deze leden toelichten hoe wordt voorkomen dat het voorstel
in de praktijk vooral symbolische wetgeving wordt, wanneer de betrokken ondernemingen
en bestuurders zich buiten de Europese Unie bevinden?
Europese AI-top
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van internationale en Europese
samenwerking op het gebied van kunstmatige intelligentie. Deze leden constateren echter
dat AI reeds op verschillende internationale en Europese fora wordt besproken. Kan
de indiener aan deze leden toelichten welke concrete meerwaarde een afzonderlijke
Europese AI-top heeft ten opzichte van deze bestaande overleggen?
AI-belasting
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel voor een AI-belasting.
Deze leden vragen echter hoe dit voorstel zich verhoudt tot de brede opgave om de
arbeidsproductiviteit in Europa te verhogen. Juist recente rapporten, zoals die van
Draghi15 en de commissie-Wennink16, benadrukken het belang van investeringen in digitalisering en kunstmatige intelligentie
om de productiviteitsgroei te versterken. Ook de indiener onderkent dat AI grote economische
kansen biedt. Kan de indiener aan deze leden toelichten hoe een belasting op AI-investeringen
zich daarmee verhoudt? Bestaat niet het risico dat juist investeringen in productiviteitsverhoging
worden afgeremd, zo vragen de leden van deze fractie.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe een dergelijke belasting in de praktijk
vorm zou moeten krijgen. Wat wordt precies de belastinggrondslag? Wanneer is sprake
van een AI-investering die belast moet worden en hoe wordt voorkomen dat ondernemingen
activiteiten of investeringen eenvoudig naar andere jurisdicties verplaatsen, zo vragen
de leden van deze fractie.
Divergentie van AI-investeringen
De leden van de CDA-fractie onderschrijven het belang van aandacht voor mogelijke
concentratie- en systeemrisico’s die kunnen ontstaan door de snelle ontwikkeling van
AI. Deze leden constateren echter dat het toezicht op risico’s voor de financiële
stabiliteit reeds behoort tot de kerntaken van toezichthouders als De Nederlandsche
Bank en Autoriteit Financiële Markten. Genoemde toezichthouders geven bovendien aan
dat AI-risico’s binnen het bestaande toezicht- en risicobeheerkader worden meegenomen
en dat dit toezicht waar nodig wordt geïntensiveerd17. Kan de indiener aan deze leden toelichten welke lacune hij ziet die aanvullende
rapportageverplichtingen noodzakelijk maakt? Waarom kiest de indiener niet voor versterking
van het bestaande toezicht in plaats van nieuwe administratieve lasten voor financiële
instellingen, zo vragen de leden van deze fractie.
Bouw mee aan Europese AI-rekenkracht
De leden van de CDA-fractie onderschrijven de noodzaak van Europese AI-soevereiniteit.
Deze leden vragen af of deze ambitie het best wordt gerealiseerd door iedere lidstaat
afzonderlijk AI-gigafabrieken te laten ontwikkelen, of juist door binnen Europa te
kiezen voor specialisatie en samenwerking, waarbij lidstaten investeren op die onderdelen
waar zij de grootste toegevoegde waarde hebben. Deze leden zijn van mening dat de
inzet van de overheid zich in de eerste plaats zou moeten richten op het verbeteren
van de randvoorwaarden voor Europese private aanbieders, bijvoorbeeld op het gebied
van financiering, energie-infrastructuur, vergunningverlening en toegang tot hoogwaardige
onderzoeksfaciliteiten. Kan de indiener aan deze leden toelichten waarom hij kiest
voor een model waarin de overheid zelf een grotere rol neemt bij de ontwikkeling van
AI-gigafabrieken?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de indiener de Europese samenwerking
bij AI-gigafabrieken voor zich ziet. Zou het, mede gelet op de grote investeringsopgave
en de verschillen tussen lidstaten in beschikbare energie, ruimte en industriële capaciteit,
niet logischer zijn om dergelijke infrastructuur gezamenlijk met andere Europese landen
te ontwikkelen? Welke rol ziet de indiener daarbij voor grensoverschrijdende samenwerking
met landen als Duitsland en België, zo vragen de leden van deze fractie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de initiatiefnota over kunstmatige
intelligentie (AI). Deze leden onderschrijven dat de snelle ontwikkeling van AI grote
gevolgen kan hebben voor de economie, de arbeidsmarkt, de overheid en de samenleving.
AI biedt echter niet alleen risico’s, maar juist ook grote kansen voor economische
groei, innovatie, productiviteit en strategische autonomie. De leden hebben daarom
de volgende vragen.
De leden van de JA21-fractie vinden het belangrijk dat bij de discussie over AI niet
alleen wordt gekeken naar mogelijke verdringing van arbeid, maar ook naar de economische
kansen die technologische ontwikkeling met zich meebrengt. AI kan werknemers ondersteunen,
de arbeidsproductiviteit verhogen, nieuwe bedrijvigheid creëren en Nederlandse ondernemingen
internationaal concurrerender maken. Tegen deze achtergrond hebben de leden vragen
bij het voorstel om een AI-belasting in te voeren voor bedrijven die werknemers vervangen
door AI. Technologische vooruitgang heeft altijd geleid tot veranderingen op de arbeidsmarkt.
Dat bepaalde taken door technologie worden overgenomen, betekent niet automatisch
dat er minder werk ontstaat. Het kan er ook toe leiden dat werknemers productiever
worden en dat nieuwe economische activiteiten ontstaan. Een belasting op het gebruik
van AI kan daarom een tegengesteld effect hebben. Wanneer Nederlandse bedrijven extra
worden belast omdat zij investeren in productiviteitsverhogende technologie, kan dit
hun concurrentiepositie verslechteren. Bovendien bestaat het risico dat bedrijven
hun investeringen of AI-activiteiten verplaatsen naar landen waar dergelijke belastingen
niet bestaan.
De leden van de JA21-fractie vragen de indiener waarom specifiek AI fiscaal zou moeten
worden ontmoedigd. Waarom wordt technologische innovatie hier anders behandeld dan
eerdere vormen van automatisering en digitalisering? Hoe wordt bepaald wanneer een
werknemer daadwerkelijk door AI wordt «vervangen»? Is daar sprake van wanneer één
werknemer dankzij AI hetzelfde werk kan doen als voorheen twee werknemers? Heeft de
indiener onderzocht welke effecten een AI-belasting heeft op arbeidsproductiviteit,
investeringen, innovatie en het vestigingsklimaat? Is daarbij ook gekeken naar de
mogelijkheid dat bedrijven AI-activiteiten naar het buitenland verplaatsen, zo vragen
deze leden.
De leden van de JA21-fractie hebben ook vragen bij het voorstel van de indiener om
de overheid als «launching customer» te laten optreden voor «ethische» Europese AI.
De overheid kan via haar inkoopbeleid innovatie stimuleren, maar het is van belang
dat daarbij objectieve criteria worden gehanteerd. Wat verstaat de indiener precies
onder «ethische AI»? Wie bepaalt of een AI-systeem aan deze kwalificatie voldoet?
Hoe wordt voorkomen dat politieke voorkeuren een rol spelen bij de keuze welke technologieën
of bedrijven overheidssteun krijgen, zo vragen deze leden.
De leden van de JA21-fractie begrijpen de zorg over strategische afhankelijkheid van
buitenlandse technologiebedrijven. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat digitale
soevereiniteit wordt vertaald naar enkel overgaan op Europese technologie. De indiener
stelt onder meer voor om bij overheidsaanbestedingen uitsluitend Europese AI-alternatieven
te gebruiken. De leden vragen zich af of dit in de praktijk uitvoerbaar is. Europa
loopt op verschillende terreinen van AI momenteel achter op Amerika. Wanneer Europese
alternatieven nog niet beschikbaar of concurrerend zijn, kan een verplichting om uitsluitend
Europese technologie te gebruiken betekenen dat Nederlandse overheden genoegen moeten
nemen met duurdere of minder geavanceerde systemen.
De leden van de JA21-fractie vragen daarom hoeveel Europese alternatieven voor deze
diensten momenteel beschikbaar zijn? Hoe verhouden deze zich tot internationale alternatieven
op het gebied van vooral kwaliteit, veiligheid en schaalbaarheid? Wat moet een Nederlandse
overheidsorganisatie verder doen wanneer er voor een kritieke toepassing geen Europees
alternatief beschikbaar is? Mag zo’n organisatie dan alsnog gebruikmaken van Amerikaanse
of andere buitenlandse technologie, zo vragen deze leden.
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast of de indiener het ermee eens is dat
strategische autonomie niet hetzelfde is als het volledig uitsluiten van buitenlandse
technologie. Zou het niet verstandiger zijn om afhankelijkheden alleen daar te verminderen
waar daadwerkelijk sprake is van een veiligheids- of strategisch risico, zo vragen
deze leden.
Ook op het gebied van AI-rekenkracht kiest de initiatiefnota nadrukkelijk voor Europese
oplossingen. De indiener wil investeren in het Europese gigafabriek-initiatief om
de Europese rekenkracht te vergroten. De leden van deze fractie begrijpen het belang
van voldoende rekenkracht, maar zij zien hierbij een opmerkelijke spanning met de
zorgen die de initiatiefnota zelf uit over het energie- en watergebruik van datacenters.
Enerzijds wordt gesteld dat Europa meer eigen AI-rekenkracht nodig heeft, anderzijds
wordt gewaarschuwd voor de klimaatgevolgen van datacenters. Deze leden vragen hoe
deze twee doelstellingen met elkaar kunnen worden verenigd. Hoe kan volgens de indiener
het investeren in innovatie, waaronder AI, plaatsvinden als datacenters volgens hem
een negatief effect hebben op het klimaat, zo vragen deze leden.
De initiatiefnota pleit daarnaast voor verdere Europese regelgeving en nieuwe Europese
of internationale overlegstructuren. De leden van de JA21-fractie vragen waarom deze
onderwerpen noodzakelijkerwijs op Europees niveau moeten worden geregeld. Kan de indiener
per voorstel aangeven waarom nationale regelgeving niet zou volstaan? Welke taken
zouden volgens hem beter door Nederlandse toezichthouders kunnen worden uitgevoerd?
Hoe wordt het subsidiariteitsbeginsel bij deze voorstellen toegepast, zo vragen deze
leden.
De leden van de JA21-fractie onderschrijven dat de ontwikkeling van AI nieuwe risico’s
met zich kan meebrengen. Deepfakes kunnen worden ingezet voor misleiding en AI kan
worden gebruikt om op grote schaal informatie te produceren of te verspreiden. Ook
kunnen cyberveiligheid en privacy onder druk komen te staan. Tegelijkertijd vinden
deze leden het van groot belang dat maatregelen ter bescherming van de democratie
niet zelf leiden tot een beperking van het vrije publieke debat. De initiatiefnota
gebruikt begrippen als «polarisatie», «menselijke waardigheid», «ethische AI» en «maatschappelijke
bescherming». Juist bij dergelijke begrippen is het van belang dat duidelijk is wie
bepaalt wat daar precies onder valt. De indiener stelt dat AI stemgedrag kan beïnvloeden
en polarisatie kan aanwakkeren. Deze leden vragen hoe «polarisatie» in dit verband
wordt gedefinieerd. Is een scherp verschil van politieke opvattingen volgens de indiener
al een vorm van ongewenste polarisatie? Wie bepaalt wanneer een politieke uiting te
polariserend is, zo vragen deze leden.
De leden van de JA21-fractie vragen voorts hoe wordt voorkomen dat bepaalde politieke
of ideologische standpunten eerder worden aangemerkt als «desinformatie», «haat» of
«polarisatie» dan andere. Welke onafhankelijke en objectieve criteria zouden hierbij
moeten gelden, zo vragen deze leden.
De indiener wil daarnaast een wereldwijd verbod op AI die een te groot risico vormt
voor de menselijke waardigheid en een internationaal non-proliferatieverdrag naar
VN-model. De leden van de JA21-fractie vragen wat precies wordt verstaan onder «gevaarlijke
AI» en wie bepaalt wanneer een AI-systeem deze grens overschrijdt.
Ook het voorgestelde verificatiemechanisme voor AI-chips roept vragen op. De indiener
wil samen met onder meer ASML een systeem ontwikkelen waarmee kan worden gecontroleerd
hoe en waar krachtige AI-rekenkracht wordt ingezet. De leden vragen welke gevolgen
de indiener verwacht voor de Nederlandse hightechsector. Hoe wordt voorkomen dat aanvullende
verplichtingen Nederlandse bedrijven op achterstand zetten ten opzichte van internationale
concurrenten, zo vragen de leden.
De leden van de JA21-fractie constateren dat de initiatiefnota zeventien voorstellen
bevat die gezamenlijk een aanzienlijke uitbreiding van regelgeving, toezicht en overheidsbemoeienis
betekenen. Het gaat onder andere om een AI-belasting, een verplichte verzekeringsmarkt,
nieuwe toezicht- en adviesstructuren, strengere Europese regelgeving, publieke investeringen,
Europese aanbestedingsvoorschriften en nieuwe vormen van aansprakelijkheid. De leden
vragen of voor ieder van deze maatregelen voldoende is aangetoond dat het betreffende
probleem niet al met bestaande wet- en regelgeving kan worden aangepakt.
Kan de indiener per voorstel aangeven welk concreet probleem wordt opgelost? Welke
bestaande wet- en regelgeving is op dit moment onvoldoende? Waarom is juist het voorgestelde
instrument noodzakelijk?
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast aandacht voor de uitvoerbaarheid. Hoeveel
extra capaciteit is bij de overheid nodig om de voorgestelde regelgeving uit te voeren
en te handhaven? Welke financiële middelen zijn hiervoor nodig? Welke administratieve
lasten ontstaan voor Nederlandse ondernemingen, zo vragen deze leden.
Bij verschillende voorstellen wordt bovendien gekozen voor meer directe overheidsbemoeienis
met de markt. Zo wordt voorgesteld om gouden aandelen te nemen in AI-bedrijven die
door de overheid worden gesteund en om overheid en burgers een zetel te geven in de
bestuursorganen van grote technologiebedrijven.
De leden van de JA21-fractie vragen tot slot waarom de overheid structurele zeggenschap
zou moeten krijgen in private ondernemingen. Hoe verhoudt dit voorstel zich tot het
eigendomsrecht en de ondernemingsvrijheid? Ook het voorstel voor een verplichte nationale
verzekeringsmarkt roept vragen bij hen op. Hoe wordt voorkomen dat kleine en innovatieve
ondernemingen door hoge verzekeringspremies moeilijk toegang tot de markt krijgen?
Waarom is gekozen voor een nationale verzekeringsmarkt wanneer AI-bedrijven en de
bijbehorende risico’s juist internationaal opereren?
De leden van de JA21-fractie zien de beantwoording van bovenstaande vragen met belangstelling
tegemoet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie bedanken het lid Dassen voor het initiatief van deze nota
over kunstmatige intelligentie. Deze leden delen de opvatting van de indiener dat
kunstmatige intelligentie grote gevolgen zal hebben voor onze economie, arbeidsmarkt
en samenleving en dat Nederland niet naïef moet zijn over risico’s rondom veiligheid,
privacy, democratische beïnvloeding en onze afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven.
Zij onderschrijven bovendien het belang van meer Nederlandse en Europese digitale
autonomie. Tegelijkertijd hebben deze leden grote zorgen over de gekozen richting
van deze initiatiefnota. De indiener stelt een omvangrijk pakket voor van nieuwe belastingen,
verplichtingen, verboden, instituties en directe overheidssturing. De leden van deze
fractie vragen zich af of daarmee niet juist de Nederlandse en Europese innovatiekracht
wordt verzwakt en onze afhankelijkheid van Amerikaanse en Aziatische technologie uiteindelijk
verder wordt vergroot. Deze leden hebben daarom de volgende vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de indiener een AI-belasting wil invoeren voor
bedrijven die werknemers vervangen door kunstmatige intelligentie en de opbrengsten
onder meer wil inzetten voor een omscholingsfonds. Kan de indiener nader definiëren
wanneer volgens hem sprake is van het «vervangen» van een werknemer door AI? Hoe wordt
omgegaan met bedrijven die door toepassing van AI groeien, efficiënter werken, vacatures
niet opnieuw invullen of werknemers andere werkzaamheden laten uitvoeren? Hoe kan
objectief worden vastgesteld welk banenverlies rechtstreeks het gevolg is van AI,
zo vragen de leden van deze fractie.
Kan de indiener aan de leden van de BBB-fractie uiteenzetten welke gevolgen een dergelijke
belasting naar verwachting heeft voor de concurrentiepositie van Nederlandse ondernemingen?
Heeft hij onderzocht of hierdoor het risico ontstaat dat bedrijven AI-ontwikkeling
of andere activiteiten buiten Nederland of buiten de Europese Unie onderbrengen? Deelt
de indiener de zorg van deze leden dat een AI-belasting vooral kleinere Nederlandse
ondernemingen en start-ups kan raken, terwijl grote internationale technologiebedrijven
dergelijke kosten gemakkelijker kunnen dragen? Hoe voorkomt de indiener dat zijn voorstel
daarmee juist de marktpositie van de grote technologiebedrijven versterkt, zo vragen
de leden van deze fractie.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat werknemers moeten kunnen profiteren
van technologische vooruitgang en dat tijdige om- en bijscholing daarbij van groot
belang is. Waarom kiest de indiener voor het belasten van de toepassing van AI in
plaats van primair voor het versterken van scholing, innovatie en aanpassingsvermogen
van werknemers en bedrijven? Erkent de indiener dat technologische ontwikkeling historisch
gezien niet alleen banen kan laten verdwijnen, maar eveneens nieuwe werkzaamheden
en economische bedrijvigheid kan creëren, zo vragen de leden van deze fractie.
De indiener stelt verder voor dat de Nederlandse overheid uitsluitend Europese AI
gebruikt. Kan hij toelichten aan de leden van de BBB-fractie wat hij precies onder
«Europese AI» verstaat? Moeten zowel het bedrijf, het model, de gebruikte cloudinfrastructuur
als de onderliggende technologie Europees zijn? Wat moet een overheidsorganisatie
volgens hem doen wanneer een Europees alternatief duurder, kwalitatief minder geschikt
of nog niet beschikbaar is? Waarom kiest de indiener voor een geografische uitsluiting
in plaats van stevige eisen aan onder meer veiligheid, gegevensbescherming, continuïteit
en strategische autonomie, zo vragen de leden van deze fractie.
De leden van de BBB-fractie delen de wens om de Europese digitale autonomie te versterken,
maar wijzen erop dat daarvoor juist een sterke en concurrerende eigen technologiesector
noodzakelijk is. Hoe rijmt de indiener zijn ambitie om minder afhankelijk te worden
van Amerikaanse technologie met voorstellen die het ontwikkelen en toepassen van AI
in Europa tegelijkertijd duurder en juridisch risicovoller kunnen maken? Erkent hij
dat digitale autonomie naast regulering ook vraagt om voldoende kapitaal, rekenkracht,
energie-infrastructuur, talent en ruimte voor ondernemerschap, zo vragen de leden
van deze fractie.
De indiener stelt tevens een verplichte verzekering voor AI-bedrijven voor, gekoppeld
aan veiligheidsnormen, rapportage en gegevensdeling. De leden van de BBB-fractie willen
weten welk concreet probleem hiermee wordt opgelost dat niet via bestaande of reeds
aangekondigde Europese regelgeving en aansprakelijkheidsregels kan worden aangepakt.
Hoe hoog verwacht de indiener dat de kosten van dergelijke verzekeringen zullen zijn?
Hoe voorkomt hij dat een verplichte verzekering een nieuwe toetredingsdrempel vormt
voor start-ups en kleinere innovatieve ondernemingen, zo vragen de leden van deze
fractie.
Ook stelt de indiener voor ernstige overtredingen van AI-regelgeving onder de Wet
op de economische delicten te brengen, waardoor onder omstandigheden ook CEO’s, ontwikkelaars
en andere betrokkenen persoonlijk strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Kan de indiener
aan de leden van de BBB-fractie precies aangeven welke gedragingen volgens hem strafrechtelijk
vervolgbaar moeten worden? Waarom acht hij het bestaande bestuursrechtelijke en civielrechtelijke
instrumentarium onvoldoende? Hoe wordt voorkomen dat ontwikkelaars persoonlijk aansprakelijk
worden gesteld voor onvoorziene gedragingen van complexe AI-systemen? Heeft de indiener
onderzocht wat een dergelijke persoonlijke strafrechtelijke aansprakelijkheid betekent
voor het Nederlandse vestigingsklimaat en het vermogen om technisch talent aan te
trekken, zo vragen de leden van deze fractie.
De leden van de BBB-fractie hebben voorts vragen over het voorstel om overheid en
burgers collectieve vertegenwoordiging te geven in de raad van bestuur van de grootste
technologiebedrijven en om een gouden aandeel te nemen in AI-bedrijven die door de
overheid worden gefinancierd of gestimuleerd. Hoe stelt de indiener zich een verplichte
bestuurszetel juridisch voor bij private en veelal buitenlandse ondernemingen? Wie
vertegenwoordigt daarbij «de burger», hoe wordt deze persoon geselecteerd en aan wie
legt deze verantwoording af? Vanaf welke vorm of omvang van overheidssteun zou een
gouden aandeel gerechtvaardigd zijn? Geldt dit bijvoorbeeld ook wanneer een onderneming
uitsluitend gebruikmaakt van een algemene fiscale innovatieregeling, zo vragen de
leden van deze fractie.
De indiener pleit daarnaast voor de oprichting van een onafhankelijke AI-raad. Kan
de indiener aan de leden van de BBB-fractie aangeven welke concrete taken deze raad
krijgt die niet reeds door bestaande toezichthouders, adviesorganen en kennisinstellingen
kunnen worden uitgevoerd? Hoe voorkomt de indiener dat opnieuw een bestuurlijke laag
wordt toegevoegd terwijl hij zelf constateert dat technologische ontwikkelingen sneller
gaan dan de overheid kan bijhouden, zo vragen deze leden.
De leden van de BBB-fractie lezen voorts het voorstel voor een wereldwijde AI-coalitie
en uiteindelijk een non-proliferatieverdrag naar het model van internationale afspraken
over nucleaire wapens. Kan de indiener aan deze fractie aangeven welke vormen van
AI volgens hem dermate gevaarlijk zijn dat ontwikkeling daarvan internationaal verboden
zou moeten worden? Hoe realistisch acht de indiener mondiale overeenstemming hierover,
gelet op de grote investeringen van onder andere de Verenigde Staten en China? Hoe
voorkomt de indiener dat Europa zichzelf beperkingen oplegt die andere economische
en geopolitieke machtsblokken niet volgen en daarmee zijn technologische achterstand
verder vergroot, zo vragen de leden van deze fractie.
Ook wordt door de indiener voorgesteld om met wetenschappers en bedrijven als ASML
te onderzoeken of verificatiemechanismen kunnen worden ingebouwd in AI-chips en de
toeleveringsketen. Kan de indiener aan de leden van de BBB-fractie toelichten welke
verantwoordelijkheid hij hiermee bij Nederlandse technologiebedrijven wil neerleggen?
Heeft de indiener de mogelijke gevolgen voor de concurrentiepositie, intellectuele
eigendom, cybersecurity en exportpositie van Nederlandse ondernemingen onderzocht?
Waar eindigt volgens de indiener de verantwoordelijkheid van een fabrikant voor het
uiteindelijke gebruik van technologie elders in de wereld, zo vragen de leden van
deze fractie.
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat de initiatiefnota tegelijkertijd
aanzienlijke publieke investeringen, fiscale voordelen en afnamegaranties voor AI
voorstelt. Ook wil de indiener meer publiek risicokapitaal beschikbaar stellen en
middelen vrijmaken voor Europese AI-rekenkracht. Kan de indiener aan de leden van
deze fractie een indicatie geven van de totale financiële gevolgen van zijn voorstellen
voor de Nederlandse overheid? Op welke wijze worden deze uitgaven gedekt? Hoe voorkomt
hij dat de overheid zelf gaat bepalen welke technologieën en ondernemingen winnaars
en verliezers worden, zo vragen de leden van deze fractie.
De leden van de BBB-fractie vragen de indiener ten slotte of hij voor het gehele pakket
een analyse heeft gemaakt van de gevolgen voor de regeldruk, het mkb, start-ups en
scale-ups, arbeidsproductiviteit, innovatie, het Nederlandse vestigingsklimaat en
het Europese concurrentievermogen.
II Antwoord/reactie van de indiener
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. Dekker, voorzitter van de vaste commissie voor Digitale Zaken -
Mede ondertekenaar
F.P. Terberg, adjunct-griffier