Stenogram : Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
38 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 85
Te raadplegen sinds
2026-09-18Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier3691736917Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 85
Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau
Aan de orde is de behandeling van:
-het wetsvoorstel Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de behandeling van de Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau (36917). De minister was al in ons midden en ik heb haar al welkom geheten.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Er zijn acht sprekers van de zijde van de Kamer. De eerste geef ik het woord. Dat is de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Weinig media staan zo dicht bij mensen als de lokale publieke omroep. Zij controleren de lokale politiek, doen verslag van evenementen en brengen het nieuws letterlijk vanuit de straat. Dat wordt voor een belangrijk deel gedaan door vrijwilligers, met hart voor hun gemeente, de regio en het omroepwerk.
Voorzitter. Er zijn zo veel voorbeelden. In de uitzending van RTW-radio uit Waddinxveen wordt Annabella geïnterviewd als een van de organisatoren van de kerstviering voor het hele dorp. Ze is toevallig ook een van de beste ambtelijk secretarissen van dit huis, bij de ChristenUnie, maar dat terzijde. Of denk aan Studio Rheden, dat geregeld de enige media-instelling is die fysiek aanwezig is bij de raadsvergaderingen in Rheden en Rozendaal. Of denk aan de WOS, de lokale omroep voor Hoek van Holland en de gemeenten Maassluis, Midden-Delfland en Westland. Medewerkers van hulpdiensten kijken bewust naar wegafsluitingen die door de WOS worden gerapporteerd. Het is op-en-top lokaal nieuws en op zo veel manieren cruciaal voor de lokale gemeenschappen.
Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, gaat veel impact hebben op het reilen en zeilen van de omroep. Het vormt immers een ingrijpende stelselherziening van het lokale publieke omroepbestel. Twee belangrijke stelselwijzigingen zijn de verplaatsing van de financieringsstroom van gemeenten naar het Rijk en een schaalvergroting van meer dan 200 lokale omroepen nu naar maximaal 80. Dat is fors.
In algemene zin proef ik veel steun voor de stelselherziening. Zo is het verstandig om de financiering via het Rijk te laten lopen. Op deze manier is de waakhond van de lokale democratie voor het budget niet meer afhankelijk van diezelfde lokale democratie. Daarnaast is de gedachte dat schaalvergroting tot verdere professionalisering leidt. Mijn fractie kan de richting van het wetsvoorstel steunen. We begrijpen die ook.
Toch hebben we ook zorgen. Die gaan precies over die financiering en de lokale verankering van de omroepen. De lokale omroepen moeten namelijk nog steeds lokaal hun functie behouden. Ik maak me zorgen over de financiering van de lokale omroepen. Samen met PRO, CDA en BBB diende ik daarom afgelopen januari al een motie in. We vonden dat voorkomen moest worden dat bij inwerkingtreding van het nieuwe stelsel lokale omroepen per saldo minder te besteden hebben dan nu. Een derde van de lokale omroepen heeft immers al geen gezonde financiële positie.
In een brief naar aanleiding van de motie schrijft de minister: "Ik wil enkel rekenen met structurele en niet met tijdelijke financiering." Ook tijdelijke centen zijn echter harde centen. Als tijdelijke middelen wegvallen, heeft dat gevolgen voor de omroepen. Al met al moet de discussie niet zijn of er nu meer of minder geld is, maar de vraag moet zijn of het geld dat we met elkaar vrijmaken voldoende is.
Kan de minister daarom onderbouwen hoe met dit wetsvoorstel en de financiering wordt geborgd dat elke lokale omroep straks wel financieel gezond is? Acht zij het risico aanwezig dat lokale omroepen straks moeten afschalen in plaats van afbouwen door gebrek aan financiering? Is een onafhankelijk advies niet op zijn plaats om te bezien hoeveel geld er nodig is voor een lokale publieke omroep die in staat is om op goede wijze vorm te geven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau?
De financieringssystematiek zoals geregeld in het wetsvoorstel maakt dit namelijk des te urgenter. De vrees is niet alleen dat gemeenten straks niet met meer financiering willen bijspringen, maar dit wetsvoorstel maakt het hen ook moeilijker om te kunnen bijspringen. Straks kunnen ze namelijk slechts voorafgaand aan elke aanwijzingsperiode van de lokale omroep, dus eens in de vijf jaar, aangeven hoe hoog de aanvullende bijdrage vanuit de gemeente gaat zijn. Dat betekent dat het gemeentebestuur financiële toezeggingen over de eigen coalitieperiode heen moet doen.
Voorzitter. Als voormalig gemeenteraadslid in Amsterdam kan ik u zeggen dat dat knap lastig is en dat het ook de dynamiek van de lokale politiek miskent. Het zal waarschijnlijk ook ten koste gaan van de lokale omroepen. Erkent de minister dat het nu moeilijker wordt voor gemeenten om aanvullende subsidie te verlenen en dat de kans nog kleiner is dat ze dit daadwerkelijk gaan doen?
De minister meent dat het straks niet meer mogelijk kan zijn voor gemeenten om jaarlijks bij te dragen, omdat dat in strijd zou zijn met Europese staatssteunregels. De provincies werken echter met dezelfde systematiek. Waarom is er dan geen risico op overcompensatie en is dit niet in strijd met de staatssteunregels, zo vraag ik aan de minister. Heeft de minister ook om extern en onafhankelijk juridisch advies gevraagd op dit punt? Is er een route mogelijk om het wetsvoorstel zo aan te passen dat een jaarlijkse gemeentelijke bijdrage, met de nodige waarborgen, mogelijk blijft? Om deze reden heb ik samen met de heer Mohandis een amendement ingediend dat regelt dat gemeenten juist tijdens de eerste spannende aanvraagperiode kunnen bijspringen. Dat had ik gedaan met de hoop dat dit beter juridisch zou standhouden, maar een oplossing voor daarna zou natuurlijk beter zijn.
Voorzitter. Mijn tweede punt is de lokale verankering. Mijn tweede belangrijke zorg ziet op het punt van de lokale herkenbaarheid van de omroepen. Volgens mij is het de uitdaging om de voordelen van schaalvergroting te benutten en om de negatieve effecten zo veel mogelijk te ondervangen. Hoe wil de minister bijvoorbeeld voorkomen dat lokale redacties met gedreven vrijwilligers het onderspit delven binnen een lokale omroep die straks een stuk groter is? Blijft er onder de paraplu van de lokale omroepen wel ruimte voor lokale redacties om het nieuws van de gemeente te brengen? Kan de minister dit borgen? Hoe wordt voorkomen dat vrijwilligers straks mogelijk afhaken?
Mijn zorgen zijn ook puur praktisch. Stel dat er straks slechts één tv-zender en één radiozender zijn, terwijl de lokale omroep meerdere gemeenten beslaat. Het risico bestaat dan dat kleinere gemeenten het onderspit delven en dat een inwoner van Rheden straks op de televisie wel de gemeentelijke politiek van Arnhem kan volgen, maar niet of minder die van de eigen gemeente, of dat een inwoner uit Nunspeet die de radio aanzet, vooral veel hoort over het nieuws uit Elburg of Barneveld, maar veel minder over de eigen gemeente. Erkent en herkent de minister dit risico en hoe wordt voorkomen dat kleine gemeenten worden ondergesneeuwd door de grote gemeenten als ze straks door dezelfde streekomroep worden bediend? Hoe gemakkelijk is het straks voor lokale omroepen om alsnog meerdere tv- en radiokanalen in stand te houden, zodat ze de mogelijkheid hebben om te differentiëren? De minister benoemt deze ruimte in de nota naar aanleiding van het verslag. Ik ben benieuwd hoe die er praktisch uitziet en op welke manier de lokale omroepen hierbij zo nodig worden ondersteund. Kan de minister monitoren of de stelselherziening daadwerkelijk zorgt voor versterking van de lokale journalistiek in elke gemeente van een verzorgingsgebied? Hier zit onze grootste zorg en daar zullen we dit wetsvoorstel uiteindelijk ook op toetsen.
Ik steun overigens wel de lijn van de minister dat we toe moeten werken naar veel minder verzorgingsgebieden, want dat hoort bij de opschaling en de schaalvergroting. De minister noemt daarin het aantal van 80. Ik ben niet getrouwd met het getal, maar tegelijkertijd vind ik het wel onverstandig om dit maximumaantal van 80 in de wet vast te leggen. Ik heb geen glazen bol — de minister heeft die volgens mij ook niet — en ik weet dus ook niet welke ontwikkelingen zich in de toekomst zouden kunnen voordoen die het noodzakelijk zouden maken om eventueel naar meer verzorgingsgebieden te gaan, of minder. Om die reden heb ik het amendement ingediend, samen met de heer Mohandis, die ook zeer gepassioneerd is over dit onderwerp, om het maximumaantal niet in de wet, maar in een AMvB vast te leggen. Ik zou willen voorkomen dat als wij er allemaal niet meer zijn, onze opvolgers over tien jaar geconfronteerd worden met de situatie waarvan gedacht zal worden: waarom heb je dit niet opengelaten en waarom heb je niet het advies van de Raad van State gevolgd? Volgens mij kunnen we dat oplossen door dat in een AMvB te ondervangen en tegelijkertijd nu wel de ruimte aan de minister te geven om de keus te maken, die dan natuurlijk voor de komende jaren zal gelden. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de minister van het amendement.
Voorzitter. Ik heb nog een aantal andere punten waar ik kort bij stil wil staan. Allereerst het toezicht. Het is de taak van het Commissariaat voor de Media om toezicht te houden op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, inclusief die op lokaal niveau. Hoe de NLPO vormgeeft aan de publieke mediaopdracht, wordt vastgelegd in het concessiebeleidsplan, maar hierbij is de toezichthoudende rol van het commissariaat beperkt. Ik vraag de minister waarom hiervoor is gekozen. Het commissariaat moet straks advies uitbrengen over het concessiebeleidsplan, maar dan is het plan al vastgesteld. Wat is dan de toegevoegde waarde van dit advies? Ik heb ook om die reden een amendement ingediend, met — u raadt het al — de heer Mohandis, om de toezichthoudende taak van het commissariaat bij het concessiebeleidsplan te versterken. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de minister.
Voorzitter. Een ander punt. Enkele leden van het College van Omroepen mogen straks nieuwe leden van het college kiezen. Het college kiest dus zijn eigen opvolging en dat wringt ergens. Ziet de minister hierbij niet het risico van een gesloten systeem, dus van een ons-kent-onswereldje? Waarom koos ze niet voor meer mogelijkheden om leden van het college aan te dragen? Ook daar heb ik een amendement op voorbereid. Dat heb ik samen gedaan — u raadt het al — met de heer Mohandis.
Voorzitter, tot slot. Het huidige artikel 2.70 van de Mediawet regelt dat regionale en lokale omroepen een samenwerkingsovereenkomst met elkaar kunnen sluiten. Dat verdwijnt. Mijn vraag is of het dan nog wel mogelijk blijft om deze overeenkomst te kunnen sluiten. Blijft het voortbestaan van de bestaande samenwerkingsverbanden dan nu voldoende gewaarborgd?
Voorzitter, tot slot. Welke risico's ziet de minister verder bij de overgang naar het nieuwe stelsel, bijvoorbeeld dat bestaande netwerken en financiering verdwijnen? Hoe monitort de minister dat? Hoe monitort de minister dat de motie-Ceder naar letter en geest wordt uitgevoerd? Welke keuzes brengt zij daarvoor in kaart en welke keuzes maakt ze?
Voorzitter, tot slot. Hoe zorgen we met dit wetsvoorstel ook dat bij de lokale omroepen de zorgen worden weggenomen? Het gaat niet om veel omroepen, maar ze zijn er wel. Het gaat dan om zorgen die zij hebben dat dit betekent dat zij op termijn opgeheven zullen worden en dat zij hun vrijwilligers en ook het bereik kwijtraken, juist daar in een perifeer gebied of waar zij een bron van journalistieke waarde zijn.
Voorzitter, tot slot. In lijn met de vele adviezen zijn wij positief over de denkrichting van het wetsvoorstel. U heeft in mijn bijdrage gehoord dat we echt nog wel een aantal punten hebben waarover we nog graag van gedachten zouden wisselen, en dat we een aantal voorstellen hebben gedaan om het wetsvoorstel nog beter te maken. Ik kijk uit naar de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan — zijn naam viel al — de heer Mohandis voor zijn inbreng namens de fractie van PRO.
De heer Mohandis (PRO):
Voorzitter, dank u wel. Hoe zorgen we ervoor dat in een veranderend medialandschap ook de lokale media toegankelijk, zichtbaar en relevant blijven? Verantwoordelijke politiek vereist namelijk stevige democratische controle, ook op lokaal niveau. Voor onze fractie is het van belang dat ook gewone mensen kunnen rekenen op toegankelijke en hoogwaardige journalistiek, ook zonder betaalmuur als het gefinancierd wordt uit publieke middelen.
Voorzitter. Aan onderzoeken geen gebrek. Wij hebben als Kamer al tig onderzoeken gehad naar het belang van het versterken van lokale media. Ik ga al die onderzoeken niet voorlezen — dat heeft niks met mijn spreektijd te maken — maar ik wil een paar onderzoeken aanhalen. Een onderzoek van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, een later onderzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur en een onderzoek van de Raad voor Cultuur zeggen eigenlijk eensluidend: vooral in kleinere gemeenten is het heel lastig om er als lokale omroep voor te zorgen dat de democratie wordt gecontroleerd en dat politici worden gecontroleerd. Dat vinden wij een hele slechte zaak, om nog maar niet te spreken over de afhankelijkheid van lokale omroepen van vaak gemeentelijke financiering. We willen juist een sterke lokale omroep, die onafhankelijk journalistiek bedrijft. Vandaar dat we in ieder geval de richting van dit wetsvoorstel, om dit nu landelijk te organiseren en de koepel van lokale omroepen landelijk te borgen, goed vinden.
De oprichting van een koepel van de dertien regionale omroepen — daar hebben we het nu dus niet over — is in 2016 geregeld. Ik heb dat debat meegemaakt, en het is interessant dat het kabinet aangeeft dat het veel van hoe dat toen is gegaan, nu ook probeert te regelen in de wet. Dan is één punt heel belangrijk. Ook toen ging het hier in de Kamer over het volgende. Ik deed dat debat, samen met collega Elias van de VVD. Ik weet dat ook andere leden bij dat debat aanwezig waren. Ik weet dat de heer Bosma daarbij vertegenwoordigd was. Het ging toen heel erg over het punt dat we, als we de regionale publieke omroepen een wettelijke basis geven, ook goed moeten kijken naar hoe zij die taken kunnen vervullen op een manier waarbij de dertien regionale omroepen kunnen floreren met de taakopdracht. Toen heeft ene Mohandis samen met de heer Elias een motie ingediend en gezegd: om deze operatie, de transitie en de overgang te laten slagen, willen wij eenmalig 17 miljoen euro uittrekken. De Kamer nam dat aan.
Waarom maak ik deze opmerking? Onze grootste zorg wat betreft dit wetsvoorstel heeft te maken met de ingangsdatum van eind dit jaar, met als feitelijke omschakeling naar het nieuwe systeem 1 januari 2028. Volgens mij heeft de heer Ceder daar ook goede dingen over gezegd. De weg daarnaartoe kan heel veel onzekerheden met zich meebrengen, maar zal ook laten zien dat sommige lokale omroepen nu bijvoorbeeld rekenen met incidentele middelen en daarvoor journalisten in dienst hebben. Als straks alle plussen en minnen tegen elkaar worden weggestreept, kan het niet zo zijn dat sommige lokale omroepen eerder mensen moeten ontslaan dan aannemen omdat deze wet ingaat. Ik ben heel erg benieuwd hoe de minister reflecteert op deze zorg. Deze zorg komt niet alleen van mij. Ik haalde al de ervaringen uit 2016 aan. Ook vandaag komen die zorgen vanuit bijvoorbeeld de VNG. Volgens mij heeft ook de Raad van State er wat over gezegd. Wat mij betreft is dit dus een belangrijk punt waarop de minister moet reflecteren.
Dan maak ik een sprongetje naar de ingediende voorstellen. Ik heb nog een vraag over de vergelijking met de regionale publieke omroepen. Er wordt door de minister beweerd dat veel overgenomen is van hoe het in 2016 is gegaan, maar er wordt gekozen voor een rechtspersoon met een wettelijke taak. De Stichting Nederlandse Lokale Publieke Omroepen wordt geen zbo, oftewel een zelfstandig bestuursorgaan in het kader van de Kaderwet zbo. Ik ben benieuwd waarom daarvoor gekozen is en wat hierachter zit.
Dan maak ik een sprongetje naar de voorstellen. De heer Ceder heeft er al het nodige over gezegd, dus ik ga proberen niet alles opnieuw voor te lezen. Er ligt dus een voorstel, samen met de ChristenUnie, om gemeenten na de aanwijzingsprocedure de mogelijkheid te geven bij te dragen aan de lokale omroep. Wij horen graag van de minister hoe zij daarnaar kijkt.
Ik ben ook benieuwd hoe de minister dit gaat borgen. Er zijn heel veel goede voorbeelden te noemen van samenwerkingen tussen lokale omroepen, landelijke omroepen en regionale omroepen. Dat zijn allerlei dwarsverbanden die nu gewoon staande praktijk zijn. Wij zijn benieuwd of de minister met deze operatie in het vooruitzicht ervoor gaat zorgen dat dit type samenwerking — ik noem maar even de samenwerking tussen FunX en de G4-gemeenten — een jongere populatie beter gaat bereiken. Ik kan nog veel meer voorbeelden noemen; die zijn er echt. Hoe gaan we dat borgen? Hoe zorgen we ervoor dat in de transitie niet alles wat is opgebouwd door lokale omroepen aan samenwerking tussen de drie bekende lagen, gaat sneuvelen? Ik zou dat heel zonde vinden. Ik ben heel erg benieuwd hoe de minister daarop reflecteert.
Voorzitter. Een belangrijk punt bij dit debat is de streekindeling, ofwel de vraag hoe we omgaan met de bekende 80 streekomroepen. Voordat ik daarnaartoe ga, wil ik het hebben over de kerntaken. Voor ons is van belang dat als omroepen de krachten gaan bundelen, dat ook leidt tot een verbetering en niet tot een verslechtering. We zien prachtige voorbeelden. Toevallig is het voorbeeld van WOS in Westland, Maassluis en Midden-Delfland, al door Ceder genoemd; we hadden onze spreekteksten niet op elkaar afgestemd. Ik ben daar op werkbezoek geweest. Door deze krachtenbundeling zie je dat alle gemeenteraden die onder dit verzorgingsgebied vallen, met een betaalde kracht worden gecontroleerd. Ze zijn door samenwerking en de aanschaf van een autootje dat tussen deze gemeenten rijdt, veel beter in staat om grote evenementen te brengen en te verslaan. Wij zien dus echt wel prachtige voorbeelden van streekvorming. Het is ook niet gek dat best veel lokale omroepen al over zijn gegaan naar de voorbereiding hierop als de wet zes jaar geleden al is aangekondigd. Ik kan me voorstellen dat het overgrote deel zoiets heeft van: politiek, maak dan een keer die keuze. Maar als we die keuze maken, laten we die dan ook goed maken en deze wet in één keer goed inrichten. Vandaar dat er heel veel amendementen zijn, waar ik straks wat sneller doorheen zal gaan; ik weet dat ik de voorzitter daar heel blij mee maak.
Voorzitter. Dan kom ik op de verbeteringen die wij zien als we dit goed zouden doen. Dat zien we in ieder geval aan de voorbeelden waarbij men al vooruitloopt op de wet, om het maar even zo te zeggen. Onderzoek laat ook zien dat het 24/7-bereik kan worden versterkt, dat er naast vrijwilligers meer betaalde krachten kunnen komen om elkaar te versterken en dat medewerkers onder een cao kunnen vallen. Ik ben heel erg benieuwd of de minister dit soort verbeteringen ook ziet en hoe ze daarop gaat sturen, zodat het daadwerkelijk iets gaat doen zoals het is bedacht. Dat is vaker zo: we bedenken iets en hopen dat het zo uitpakt.
Daarom dienen wij de volgende amendementen in. Samen met de ChristenUnie dienen we het amendement op stuk nr. 21 in, om het aantal van 80 niet in de wet vast te leggen, maar bij algemene maatregel van bestuur. Het richtsnoer van 80 kan worden aangehouden, maar als je het in de wet regelt, dan breek je alle flexibiliteit. Dat zouden wij een hele slechte zaak vinden, omdat Nederland continu verandert, ook als het gaat om de verzorgingsgebieden, gemeentelijke fusies enzovoorts, enzovoorts.
Het amendement op stuk nr. 20 …
De voorzitter:
Eerst een interruptie van mevrouw Oualhadj. Ik stel voor om niet te maximeren, maar interrupties wel kort en bondig te houden en maximaal in drieën.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Super. Het is een vraag die ik ook aan de heer Ceder had kunnen stellen, want het gaat inderdaad over die 80, maar aangezien u allebei dezelfde spreektekst houdt, maakt het ook niet uit. Nee, dat is een flauw grapje. De vraag gaat over die 80. Ik hoor u zeggen dat ook voor u, zeg ik even via de voorzitter, die 80 niet heilig is. Bent u er wel voorstander van om dan te maximeren op een ander aantal? Ik maak me er namelijk wel zorgen over dat we, als we het helemaal loslaten, over een aantal jaar misschien wel met het getal 90 zitten, terwijl het bedrag hetzelfde blijft.
De heer Mohandis (PRO):
Dat is een hele terechte vraag. Ik zie twee ontwikkelingen. De allereerste ontwikkeling noemde ik net al. De meeste lokale omroepen zien dit al zes jaar aankomen. Alle kabinetten vanaf Rutte IV hebben gezegd dat deze richting, met alle hoofdlijnen die ook in het wetsvoorstel staan, niet meer anders gaat zijn. Ik heb hierover nog een mooie brief van kabinet-Schoof waar alle ministers handtekeningen onder hebben gezet als het naar de Kamer komt. Wat dat betreft is het dus een ingeslagen weg. We zien dat heel veel lokale omroepen al over zijn gegaan in die streekvorming en dat ze daarop aan het voorbereiden zijn. Het kan zo zijn dat er een paar moeilijker meegaan en daar heb ik ook geen oplossing voor; daar zal ik heel eerlijk over zijn. Hoe je daarmee omgaat, is nog best ingewikkeld. We zien bij het overgrote deel dat ze zien dat dit een verbetering is ten opzichte van het nu, laat ik het dan zo zeggen. Als we het gaan maximeren, dan krijg je aantallen. Als ik 85 zeg, krijg ik een discussie over 85. Als we 87 zeggen … Wat wij in ieder geval beogen, is dat het niet hard in de wet wordt vastgelegd. Regel het in een AMvB, met een nahang. Het proces hoeft niet verstoord te worden, maar neem de Kamer erin mee en bouw zelf ruimte in om te kijken of je ergens in Nederland nog wellicht iets kan doen om iedereen mee te krijgen in het proces. Dat zit hierachter, maar het richtsnoer van 80 lijkt ons interessant en goed.
De voorzitter:
Mevrouw Oualhadj, via de voorzitter, alstublieft.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, via de voorzitter ditmaal. Oké, dan hebben we het in de AMvB zo vastgelegd en staat die 80 in ieder geval niet in de wet. Maar in de AMvB zouden we dan opschrijven dat er een mogelijkheid is om te schuiven? Begrijp ik het zo goed? Ik probeer het even goed te begrijpen.
De heer Mohandis (PRO):
Dat ligt eraan hoe je de AMvB opschrijft. Het kan op heel veel manieren. Je kunt nog een keer kijken met de stichting: "Goh, dit is nu de indeling. Wie doen er nog niet mee? Wie doen er wel mee? Wat wordt de vrijwillige bijdrage van gemeenten?" Je moet dus alles meewegen in het totaal en dan kijken of je uitkomt op 80 of 81. Maar als je dat heel hard vastlegt, terwijl ergens een soort geografische knip veel logischer is … Ik zal één voorbeeld noemen, van een streekomroep waar acht of tien gemeenten onder vallen. Stel dat ze zeggen "we doen toch liever zij met z'n vijven en wij met z'n vieren", dan hou je een beetje ruimte over om daarnaar te kijken. Maar die ruimte heeft de minister wat mij betreft. Laten we het niet hard in de wet regelen. Dat zegt ook de Raad van State. Dat zegt ook het Commissariaat voor de Media. Dat zeggen ook anderen die ons brieven hebben geschreven. Dat is wat wij beogen. We hebben dat, dus de aantallen niet exact in de wet vastleggen, in het verleden ook wel vaker gedaan, omdat je anders een hele wetswijziging moet optuigen als het op 81 uitkomt.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Tot slot. Heel fijn, dit antwoord. Ik ben dan een beetje op zoek naar of we misschien iets van een bandbreedte kunnen aanmerken, zodat we niet per se op 80 uitkomen, maar misschien van 75 tot 85. Dan weten al die omroepen in de toekomst wel waar ze aan toe zijn — dat is ook wel fijn — omdat het bedrag niet te veel schommelt. Want als het er straks 90 zijn — dat kan namelijk met uw voorstel — terwijl de taart even groot blijft, dan worden de stukjes wel steeds kleiner. Ik ben een beetje op zoek naar een oplossing voor waar u naartoe wilt bewegen. Want ik wil graag meebewegen, maar ik hecht er wel aan dat er aan de bovenkant in elk geval een maximumaantal is.
De heer Mohandis (PRO):
Laten we kijken hoe de AMvB eruitziet. In de toelichting bij het amendement met de heer Ceder wordt gesproken over een richtsnoer van 85. We hadden ook een ander aantal. Ik vind "richtsnoer" iets meer ruimte geven dan een exact aantal. Maar nogmaals, daar kunnen we met elkaar het debat over voeren. Volgens mij is die ruimte wel noodzakelijk om dit goed in te regelen, wetende wat er nog af gaat komen op de minister richting 2028.
De heer Van der Maas (VVD):
Ik heb eigenlijk een heel simpele vraag. Als we gaan werken met een AMvB — ik zie ook wel de noodzaak van een bepaalde flexibiliteit — welke criteria hangt u daar dan aan? De heer Mohandis zegt dat dat aan de minister is, maar wil hij dat dan ook meegeven aan de minister?
De heer Mohandis (PRO):
We kunnen daar heel veel criteria aan ophangen. In de laatste versie van het amendement zit volgens mij — ik kijk even naar de heer Ceder — een nahang, als ik het goed heb. Dan heb ik de mogelijkheid, en u ook, meneer Van der Maas, om daar als Kamer nog een keer naar te kijken als dat komt. Dat hoeft geen debat te zijn, maar dat kun je bespreekbaar maken met elkaar. Je kunt vragen: is dit het nou en geeft dit voldoende ruimte om aan de ene kant de doelstelling van de wet te halen en aan de andere kant ook met elkaar te kijken of we iedereen zo veel mogelijk meekrijgen in het proces? Volgens mij zijn dat de twee dingen die samen moeten komen.
De voorzitter:
U vervolgt.
De heer Mohandis (PRO):
Voorzitter. Ik was bij het amendement op stuk nr. 20, met ene heer Ceder, die hier ook in de zaal aanwezig is. Voor dit amendement hebben we best wel lang alle wetsartikelen moeten doorakkeren, maar het komt in de kern op neer dat als we willen dat het doel van dit wetsvoorstel is dat we de lokale journalistieke taak echt versterken, dat wel concreter in de wet moet. Dan geldt ook dat als we een verzorgingsgebied hebben met meerdere gemeenten, alle gemeenten zichzelf ook moeten herkennen. Ik noemde het voorbeeld van de streekomroep WOS, in onder andere Westland en Maassluis. Die hebben, doordat ze de krachten hebben gebundeld, een heel mooie app ontwikkeld waarin je het lokale nieuws ook kunt uitsplitsen naar de gemeente waarin je woont: een soort NU.nl, maar dan NUGouda, waar ik zelf vandaan kom. Dat heeft geen app met het harde nieuws erop, en dat geldt denk ik voor heel veel gemeenten, waar je, als er iets gebeurt, vaak naar een betaalde krant moet om te kijken wat er is gebeurd in je straat of wat er is gebeurd in de wijk. Maar dat moet dan wel explicieter in de wet, via het amendement op stuk nr. 20.
Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 18 gaat over het Programmabeleid bepalend orgaan; dat sluit hierop aan. Laat dan ook alle gemeenten onderdeel zijn van degenen die het plan maken voor de vergunningaanvraag, om het zo maar even te zeggen. Op het moment dat er een vergunning wordt aangevraagd door een groep die zegt "wij willen de omroeplicentie hebben in deze streek", moet zo'n Programmabeleid bepalend orgaan — ik had ook een andere term kunnen bedenken, maar zo heet dat gewoon, pbo — ook een brede vertegenwoordiging kennen; alle gemeenten moeten dus een stem hebben in dat orgaan.
Voorzitter. Dat was het amendement op stuk nr. 18. Dan kom ik bij de zorgen over het potentieel aan vrijwilligers dat nu jaarlijks betrokken is, en over hoe we dat meenemen. Ook dat valt onder de eerdere vraag over het borgen van wat er nu al is opgebouwd. Graag een reflectie.
Voorzitter. Dan kom ik bij het versterken van het toezicht. Dat is het amendement op stuk nr. 12. Dat heeft te maken met het echt tanden geven aan het Commissariaat voor de Media. Ik heb een paar jaar geleden in deze Kamer al wat gezegd over de kan-bepaling, dus dat het commissariaat kán optreden als een omroep over de schreef gaat; dat ging over de landelijke publieke omroep. Die kan-bepaling zie ik nu weer terug. Dan denk ik: je kunt niet alleen maar aan kan-bepalingen doen. Als de minister het ook lastig vindt om in te grijpen — zo hebben we de wet opgesteld, hè; we kunnen het ook anders organiseren — dan denk ik: dan laten we de politiek een beetje op afstand. Dan kán je na twee overtredingen een omroeplicentie intrekken, de kan-bepaling, maar waarom niet gewoon de "three strikes out"-benadering? Dat is het voorstel hier. Het amendement ligt er; het is het amendement op stuk nr. 12.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik heb een vraag over het al dan niet kunnen ingrijpen door het Commissariaat voor de Media. Is de heer Mohandis het niet met ons eens dat de ingrijpbevoegdheid idealiter moet liggen bij de minister en niet bij een of ander commissariaat?
De heer Mohandis (PRO):
Daar denk ik principieel echt anders over. Dat is niet nu alleen; dit roep ik al best wel lang. We hebben hier in 2022 een uitgebreid debat gehad over hoe je omgaat met het hele sanctiebeleid, ook binnen de publieke omroep. Dan moet je denken aan de rol van de NPO-Ombudsman, het Commissariaat voor de Media, de NPO en de minister. Wij vinden het juist gezond als de minister niet gaat over het toelaten of ontslaan van een omroep. Dat is wel hoe het nu in de wet is geregeld. Wij zouden dat bij een onafhankelijk toezichthouder willen houden. Ik ben best bereid om te praten over een ander soort commissariaat of een ander soort waakhond, maar die bevoegdheid bij de politiek laten, vind ik gewoon kwetsbaar, omdat je heel snel terechtkomt in een discussie over politieke bemoeienis et cetera, et cetera.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Natuurlijk waardeer en respecteer ik een meningsverschil tussen onze fracties, maar het fijne van een minister is dat hij politiek afrekenbaar is op beslissingen en daden, en een commissariaat niet. De crux zit 'm in het woordje "onafhankelijk", dat de heer Mohandis hier noemt. De vraag is natuurlijk of dat Commissariaat voor de Media wel zo onafhankelijk is. Met een extreemlinkse activist als bestuurder heb ik daar m'n twijfels bij, maar díé wordt nergens op afgerekend bij verkiezingen en in de politiek, en een minister wel.
De heer Mohandis (PRO):
U mag alles vinden van iedereen en u gebruikt daarvoor uw eigen woorden, maar ik vind dat we instituten, ook al vinden we de voorzitter of de directeur niet de juiste persoon, niet te makkelijk moeten wegsabelen als links of rechts. Ik vind dat ik daar altijd terughoudend in moet zijn. Ik vind het dus juist in politieke handen heel kwetsbaar, maar goed, volgens mij komen we niet tot een ander inzicht. Om even bij het punt te blijven: ik vind dat het toezicht op de media in ieder geval niet in handen moet zijn van de minister, welke minister dan ook. Het gaat mij om het instituut minister, want dat is nu degene die een omroep toelaat of ontslaat. Ik vind het zuiver om dat niet bij de politiek te leggen.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik deel de constatering dat PRO en JA21 het hierover niet eens worden. Dat zit vooral in het verschil van inzicht over of iets wel of niet neutraal is en derhalve politiek afrekenbaar zou moeten zijn.
De heer Mohandis (PRO):
Ik weet zeker dat mevrouw Nanninga en ik hierover nog komen te spreken, niet nu maar straks, als we het gaan hebben over de landelijke hervorming van de publieke omroep. Of je het er nu mee oneens bent of niet: het sanctiebeleid zoals het nu is geregeld, werkt in ieder geval niet in de praktijk. Ik noem het voorbeeld van Ongehoord Nederland, zonder af te wijken van het debat. Als er dan sancties liggen, wat je ook van die sancties vindt, is het op een gegeven moment aan de NPO of aan het commissariaat en uiteindelijk aan de minister. In de praktijk zie je dat ze naar elkaar wijzen. Even los van waar je staat, wijst iedereen in the end naar elkaar en gebeurt er niks. Maar goed, dat debat gaan we met elkaar hebben. Daar ben ik van overtuigd.
Voorzitter. Ik kom bij het amendement op stuk nr. 17 met de ChristenUnie, dat erover gaat dat het Commissariaat voor de Media in een eerdere fase in het ontwikkelen van het concessiebeleid moet adviseren. Hierover is een vraag gesteld door de heer Ceder en ik sluit mij daarbij aan.
Voorzitter. Tot slot — ik kom richting het einde — nog over governance en integer bestuur. Ik had al eerder mijn zorgen geuit over de toch beperkte financiële middelen in relatie tot de transitie en of die ten goede komen aan de journalistiek. Daar zijn ze uiteindelijk wel voor bedoeld. We willen uiteindelijk zien dat er bij veel meer gemeenteraden in Nederland, het liefst allemaal, een betaalde journalist rondloopt die de lokale democratie controleert. Naast vrijwilligers moeten betaalde krachten ervoor zorgen dat het nieuws wordt gebracht aan mensen, omdat dat verbindt en omdat het mensen ontroert. Gezien de beperkte middelen maken wij ons er zorgen over dat het salarisgebouw van toekomstige bestuurders nog moet worden uitgewerkt. Wij zouden een veel lagere normering willen hanteren dan de WNT-grens. Ik ben heel erg benieuwd hoe de minister dat ziet en maak daarbij de simpele opmerking dat de beperkte middelen naar journalistiek moeten gaan en niet naar hoge salarissen. We hebben hierover een motie voorbereid, maar ik hoor graag eerst een reflectie.
Dan het amendement van de ChristenUnie over integer bestuur. Het is terecht dat het zijn van bestuurder onverenigbaar is met het lidmaatschap van de Tweede Kamer, een gemeentebestuur of een provinciebestuur. Wij denken dat hier sprake is van een technische fout en hebben toegevoegd dat het waterschapsbestuur ook een politiek orgaan is. Soms vergeten we dat weleens. Het is een vierde politiek orgaan binnen het land. Ik zou het ook onwenselijk vinden als dijkgraven bestuurders worden van een streekomroep. U kunt zich daar iets bij voorstellen.
Het amendement op stuk nr. 19 met de ChristenUnie gaat over het breder organiseren van het College van Omroepen. De heer Ceder heeft daar al het nodige over gezegd. Ik zal niet in herhaling vallen.
Voorzitter. Tot slot heb ik de vraag hoe het straks gaat met het redactiestatuut van een streekomroep. Wij vinden dit wel belangrijk. We hebben het opgezocht en niet alle lokale omroepen hebben een professioneel … Ik zeg het even anders, want het is maar wat je "professioneel" noemt. Sommige omroepen hebben geen redactiestatuut dat voldoet aan de gewenste normen van de NVJ; laat ik het zo zeggen, zonder een lokale omroep tekort te doen. Hoe gaat dat straks? Voor ons is dit een must om te starten. Graag een reactie.
Tot slot, voorzitter. Mijn fractie ziet dus de noodzaak om de lokale omroepen verder te versterken, maar vindt het wetsvoorstel nog niet compleet. Vandaar dat we al die amendementen hebben ingediend. We vinden het ook niet scherp genoeg om de beoogde doelen te bereiken. Daarom heb ik alle voorstellen gedaan die ik heb gedaan. Ik zie uit naar de beantwoording van de minister, die eerder is dan gepland.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Mohandis. Het woord is aan de heer Krul voor zijn inbreng namens het CDA.
De heer Krul (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal eerst iets vertellen over de achtergrond, dan over de governance, daarna over de financiering en dan licht ik de 42 amendementen toe die ik met de heer Mohandis in voorbereiding heb. Nee, zonder gekheid: credit where credit is due. De heer Mohandis heeft meer dan zijn tanden in dit wetsvoorstel gezet. Dat blijkt wel uit de amendementen die hij heeft ingediend.
Voorzitter. Lokale media zijn van groot belang voor onze democratie, want het zijn lokale omroepen die verslag doen van gemeenteraadsvergaderingen en misstanden, die inwoners informeren en die lokale bestuurders controleren. Juist nu gemeenten steeds meer verantwoordelijkheden hebben gekregen, neemt het belang van een sterke lokale nieuwsvoorziening toe. Mijn eerste ervaring met een lokale omroep was al in groep 7. De radio van de lokale omroep, de Lokale Omroep Stichting Den Helder, kwam verslag doen van de voorleeswedstrijden bij ons in de klas, en even waanden wij ons wereldberoemd, want de radio ging ons volgen terwijl wij gingen voorlezen. Dat is precies de kracht van de lokale omroep: midden in de samenleving, letterlijk vanaf de straat, dicht bij de leefwereld van mensen.
Tegelijkertijd moeten we ook concluderen dat de lokale omroep, de lokale media en de lokale journalistiek onder druk staan. De zorgen zijn niet nieuw. De Raad voor Cultuur, de Raad voor het Openbaar Bestuur, het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek en de WRR hebben de afgelopen jaren meermaals aan de bel getrokken. De WRR schrijft zelfs: "Het is slecht voor de lokale democratie als de lokale journalistiek in kwaliteit achteruitgaat. Bewoners blijven dan achter in hun informatiepositie en de lokale macht krijgt vrij spel." Het CDA deelt die analyse. De huidige situatie kent namelijk knelpunten. Lokale omroepen hebben moeite om voldoende journalistieke capaciteit op te bouwen. De financiering verschilt sterk per gemeente en gemeenten financieren soms de journalistiek, die hen tegelijkertijd moet controleren.
Voorzitter. De wet die wij vandaag behandelen, komt dus niet uit de lucht vallen. Er wordt al jarenlang gezocht naar manieren om de lokale omroep, de lokale journalistiek te versterken. In 2019 adviseerden de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur al om te komen tot een toekomstbestendig lokaal mediabestel. Hun analyse was helder: de democratische betekenis van lokale media neemt toe, terwijl de organisatorische en financiële basis juist onder druk staat. Daarna volgden nog meerdere onderzoeken, adviezen en pilots rondom streekomroepvorming. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid wees in zijn rapport Aandacht voor media op het belang van sterke lokale nieuwsvoorziening voor het functioneren van de democratische rechtsstaat. De rode draad in al die adviezen was steeds dezelfde: meer samenwerken, meer professionaliteit, meer journalistieke capaciteit en stabiele financiering.
Met dit wetsvoorstel kiest het kabinet ervoor om die adviezen grotendeels te vertalen naar wetgeving. De financiering verschuift van gemeenten naar het Rijk, en dat is goed nieuws. Lokale omroepen worden samengebracht in een groter verzorgingsgebied en de NLPO krijgt een centrale rol binnen het nieuwe bestel. Dat zijn wel ingrijpende keuzes. Dat zijn keuzes die grote gevolgen hebben voor honderden lokale omroepen, duizenden vrijwilligers en uiteindelijk dus ook voor miljoenen Nederlanders, die afhankelijk zijn van een goed functionerende lokale nieuwsvoorziening.
Voorzitter. Juist daarom is het van belang dat wij niet alleen maar kijken naar de ambities van deze wet, maar ook kritisch toetsen of de gekozen instrumenten daadwerkelijk leiden tot het beoogde resultaat. Dat er iets moet gebeuren, staat voor het CDA daarbij echt niet ter discussie, maar de vraag die vandaag voorligt, is of de keuzes die in dit wetsvoorstel worden gemaakt, ook altijd leiden tot sterkere lokale nieuwsvergaring.
Voorzitter. Het kabinet kiest voor schaalvergroting. Het aantal lokale publieke omroepen wordt teruggebracht tot maximaal 80 verzorgingsgebieden en de gedachte daarachter is best begrijpelijk: grotere organisaties kunnen professioneler werken, kunnen journalisten in dienst nemen, kunnen een stabiele organisatie opbouwen. Professionalisering mag echter niet ten koste gaan van lokale binding.
Dat is niet alleen de zorg van het CDA, maar ook van de Raad van State, die waarschuwt dat grotere omroepen verder van de lokale gemeenschap kunnen komen te staan en dat dit risico's met zich meebrengt voor het vervullen van hun publieke functie. Ik vraag de minister hoe zij de lokale verankering van deze nieuwe streekomroepen gaat bewaken. Welke concrete eisen worden bijvoorbeeld gesteld aan de aanwezigheid in afzonderlijke gemeenten binnen een verzorgingsgebied? Hoe wordt voorkomen dat kleinere gemeenten en dorpskernen structureel minder aandacht krijgen dan grotere centrumgemeenten? Hoe wordt straks gemeten of de lokale binding daadwerkelijk behouden blijft?
Voorzitter. In dat kader wil ik specifiek stilstaan bij vrijwilligers. Wie een lokale omroep bezoekt, ziet dat veel organisaties draaien op betrokken inwoners die zich vrijwillig inzetten voor hun gemeenschap en hun omroep. Vrijwilligers verzorgen uitzendingen, maken reportages, doen verslag van sportwedstrijden en brengen het lokale nieuws. Ze vormen niet alleen een aanvulling op de lokale omroep; ze zijn het fundament ervan. Het CDA onderschrijft de wens om de journalistieke kwaliteit te versterken, maar hoe voorkomt de minister dat de professionalisering van het bestel gaat leiden tot het verlies van die lokale vrijwillige betrokkenheid? Welke verwachting heeft de minister ten aanzien van de ontwikkeling van het aantal vrijwilligers na invoering van de wet? Wordt in de evaluatie expliciet meegenomen hoe het met de vrijwilligers gaat? Wanneer zou de minister zelf concluderen dat de hervorming op dit punt voldoende of onvoldoende succesvol is geweest?
Voorzitter. Dan wil ik ingaan op de verhouding tussen lokale en regionale omroepen. Het CDA ziet kansen, kansen in samenwerking, zeker waar het gaat om onderzoeksjournalistiek, kennisdeling en ondersteuning. Maar samenwerking is iets anders dan vervaging. Lokale journalistiek heeft een eigen functie binnen ons bestel. Kan de minister schetsen hoe zij de verhouding tussen lokale en regionale publieke media over vijf of pak 'm beet tien jaar ziet? Hoe wordt voorkomen dat lokale identiteiten van streekomroepen bijvoorbeeld langzaam verdwijnen in de grotere regionale structuren?
Voorzitter. Dan de verzorgingsgebieden. De wet legt vast dat Nederland wordt verdeeld in maximaal 80 lokale gebieden. Op dit punt plaatst de Raad van State wel een fundamentele kanttekening. De Raad van State adviseert expliciet om dat maximum niet zo in de wet vast te leggen, omdat dit toekomstige aanpassingen bemoeilijkt wanneer blijkt dat gebieden te groot zijn of onvoldoende samenhang kennen. We begrijpen die kritiek, maar het is ook een worsteling. Ik heb dat net ook gehoord in een interruptiedebatje met de heer Mohandis. Hoe gaan we hier nou mee om? Ik ben heel benieuwd hoe de minister daar zelf naar kijkt. Wat gebeurt er bijvoorbeeld over enkele jaren als blijkt dat een bepaald verzorgingsgebied simpelweg niet logisch functioneert? Dat kan. Dat kan je nu ook nog niet weten. Moet dan de wet opnieuw worden gewijzigd of zijn er toch mogelijkheden om het bijvoorbeeld via een AMvB te doen?
Voorzitter. Daarmee samenhangend wil ik aandacht vragen voor de gebieden die achterblijven. Ze zullen vast ook in uw mailbox terechtgekomen zijn. Op papier lijkt de vorming overzichtelijk. We weten eigenlijk al dat die samenwerking in de praktijk niet overal vanzelfsprekend tot stand komt. Het laaghangend fruit was eigenlijk vrij snel op. De hele ingewikkelde kwesties liggen nog steeds op tafel. Het zijn er nog maar een paar. De minister heeft zelf aangegeven dat uitstel van deze wet leidt tot grote onzekerheid en dat dat echt niet kan. Tegelijkertijd stel ik dan de vraag wat er nu gaat gebeuren met die gebieden. Wat gebeurt er wanneer er meerdere kandidaten zijn voor één verzorgingsgebied of als een samenwerkingsproces toch nog vastloopt? En hoe wordt voorkomen dat inwoners in dergelijke gebieden uiteindelijk de dupe worden van die vertraging?
Voorzitter. Tot slot iets over de financiën, uiteraard. Het CDA steunt de keuze om de financiering van lokale publieke omroepen weg te halen bij gemeenten en onder te brengen bij het Rijk. Dat versterkt de lokale onafhankelijkheid van de lokale journalistiek. Tegelijkertijd is hier wel pittige kritiek op geleverd door de Raad van State, die stelt dat onvoldoende inzichtelijk is of de voorgestelde financiering toereikend is om de doelstellingen in de wet te realiseren. Ook is onvoldoende duidelijk welk deel van de middelen terechtkomt bij de journalistieke praktijk. Kan de minister aangeven hoe zij daarop reflecteert? Kan zij aangeven hoeveel middelen er bijvoorbeeld precies beschikbaar moeten komen voor journalistiek?
Voorzitter. Tot slot een vraag van de Raad van State als het gaat om de financiële onderbouwing. De VNG heeft aangegeven dat veel gemeenten waarschijnlijk geen gebruik zullen maken van het middel om een aanvullende bijdrage te leveren. Ik ben benieuwd waar de minister eigenlijk op baseert dat gemeenten dat wél zouden gaan doen. Wat betekent het voor de doelstelling van deze wet als die aanvullende bijdragen achterblijven?
De NLPO krijgt in dat nieuwe stelsel een belangrijke positie. Dat is goed. De organisatie krijgt taken op het gebied van samenwerking, coördinatie, financiering en advisering. Dat is ook goed. We begrijpen de wens om het lokale bestel beter te organiseren, maar een sterk lokaal bestel vraagt ook om gespreide verantwoordelijkheid. Kan de minister toelichten welke waarborgen zijn ingebouwd om te voorkomen dat te veel invloed bij één organisatie terechtkomt? Waarom is er gekozen voor de combinatie van taken bij de NLPO? Hoe wordt voorkomen dat de NLPO speler, adviseur en stelselbewaker wordt? Welke ruimte blijft bestaan voor zelfstandige keuzes van lokale publieke omroepen?
Voorzitter. Volgens mij zitten we allemaal … Het gebeurt niet allemaal in de nacht, maar ik probeer af en toe een wedstrijdje van het WK voetbal mee te pakken. Ik was dit debat aan het voorbereiden. Dat moet je niet 's nachts doen, maar dat gaat op zich best goed samen als je naar het WK kijkt. Ik kon de vergelijking eigenlijk vrij snel maken. In de aanval staan de minister en de NLPO. Hun doel is duidelijk: we moeten professionaliseren, we moeten sterkere streekomroepen maken en we moeten meer journalistieke bases leggen. In de verdediging — dat moet gezegd worden — staan de gemeenten en de VNG. Ze willen hun rol behouden, ze willen hun middelen behouden en ze vrezen verlies van hun lokale zeggenschap. Op het middenveld staan de vrijwilligers. Zij vormen al jaren het hart van de lokale omroepen. Zij vragen zich af welke plek zij straks nog hebben in die grotere streekomroepen. De Raad van State was de grensrechter. Die floot voor buitenspel en dwong het kabinet tot aanpassingen.
Wat ons betreft is die wedstrijd na vanavond nog lang niet gewonnen. Dat moment komt pas wanneer de professionele journalistiek en lokale betrokkenheid hand in hand gaan, als er straks sterke streekomroepen zijn én vrijwilligers zich daar thuis voelen. Het succes van deze wet wordt dus niet bepaald door de vraag hoeveel organisaties straks zijn samengevoegd of hoeveel bestuurslagen er zijn ingericht. De echte vraag is of inwoners straks beter geïnformeerd worden over wat er gebeurt in hun gemeente, dorp en wijk. Dat is de lat waarlangs het CDA dit wetsvoorstel beoordeelt. Op die punten zien wij uit naar de beantwoording van de minister.
Tot slot, voorzitter. Ik kan het debat helaas niet afmaken. Dat is wat het is. Het wordt ongetwijfeld heel laat, maar ik meld mij op een bepaald moment bij u af.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van der Maas voor zijn inbreng namens de VVD. Voor het spoorboekje: ik zou willen koersen op een dinerschorsing rond 19.30 uur. Gaat uw gang, meneer Van der Maas.
De heer Van der Maas (VVD):
Hartelijk dank, voorzitter. Wij spreken vandaag over de wijziging van de Mediawet. Veel inwoners hebben niet dagelijks te maken met de landelijke politiek, maar ze hebben wel te maken met de lokale politiek. Juist daar worden besluiten genomen die invloed hebben op hun kern, hun dorp, hun stad en dus op hun dagelijks leven. Maar wanneer inwoners niet weten waarom bepaalde politieke keuzes die hen direct aangaan, worden gemaakt, ontstaat er ruimte voor wantrouwen, voor speculatie en voor polarisatie. Juist dan is het van groot belang dat er journalisten zijn die uitleg geven, verschillende perspectieven laten zien en bestuurders kritisch blijven volgen. Lokaal worden er immers besluiten genomen over woningbouw, veiligheid, opvanglocaties, jeugdzorg en de besteding van belastinggeld. Dan moet er iemand zijn die onafhankelijk en objectief meekijkt, vragen stelt en verantwoording afdwingt. Die rol vervullen lokale publieke omroepen. De lokale journalistiek vervult daarmee een zeer belangrijke publieke taak, die verder gaat dan alleen het brengen van nieuws. Ze draagt bij aan de betrokkenheid van inwoners, aan transparantie en uiteindelijk ook aan het vertrouwen in de democratische rechtsstaat.
Juist omdat die taak zo belangrijk is, moeten we er ook voor zorgen dat het publieke geld dat hiervoor beschikbaar wordt gesteld, zo effectief mogelijk wordt ingezet. De VVD wil daarom een stelsel dat ruimte biedt aan professionele journalistiek, maar tegelijkertijd oog houdt voor doelmatigheid, flexibiliteit en een gezond medialandschap waarin publieke en private partijen naast elkaar kunnen bestaan en elkaar kunnen versterken.
Het is belangrijk te constateren dat lokale journalistiek niet alleen een kwestie van geld is; het is ook een kwestie van vertrouwen, en van onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Lokale journalistiek is dan ook onmisbaar voor een goed functionerende democratie. De VVD hecht daarom veel waarde aan sterke en onafhankelijke lokale omroepen.
De afgelopen jaren hebben de lokale omroepen stappen gezet. Er is geïnvesteerd in professionalisering, samenwerking en streekvorming. Maar tegelijkertijd zien we dat veel omroepen toch financieel kwetsbaar zijn. Te veel hangt nog af van tijdelijke middelen en van verschillen tussen gemeenten. De VVD begrijpt daarom de keuze om de basisbekostiging landelijk te regelen. Onafhankelijke journalistiek moet immers niet afhankelijk zijn van de lokale overheid die zij kritisch moet volgen.
Voorzitter. De VVD ziet dus goede dingen in deze wetswijziging. Wij hebben nog wel een aantal vragen. Publiek geld is bedoeld voor journalistiek, niet voor extra bestuurslagen, niet voor bureaucratie en niet voor groeiende overhead. De VVD wil daarom van de minister weten hoe wordt geborgd dat extra middelen daadwerkelijk terechtkomen bij verslaggevers, redacties en journalistieke kwaliteit. Hoe gaat het Commissariaat voor de Media hierop toezien? Een onderliggende vraag hierbij is welke normen straks worden opgenomen in het Handboek Financiële Verantwoording.
De VVD kijkt ook kritisch naar de mogelijkheid voor reclame-inkomsten. Lokale commerciële media hebben het al moeilijk genoeg; we moeten voorkomen dat publiek gefinancierde omroepen ook nog eens een keer concurreren om dezelfde advertentie-euro's. De minister zegt dat reclame niet wordt aangemoedigd, maar als dat zo is, waarom wordt er dan niet gekozen voor het opnemen in de wet van een expliciet verbod?
Dan schaalvergroting. Schaalvergroting is begrijpelijk; sterkere streekomroepen kunnen zorgen voor meer kwaliteit en meer continuïteit. Maar laten we vooral oppassen dat we geen stelsel bouwen dat meteen in beton wordt gegoten. De regering kiest voor een maximum van 80 verzorgingsgebieden; we hebben er anderen ook over gehoord. De VVD vraagt zich af of dat niet iets te star is. Nederland verandert; gemeenten groeien, fuseren, ontwikkelen zich. Het bestel moet daarin mee kunnen bewegen. Zo ontvingen wij al een beroep van een streek genaamd de Langstraat, die zich buitengesloten voelt en zich als 81ste verzorgingsgebied ziet. Waarom kiest de regering voor een harde grens? Wat gebeurt er als er een stad bij komt of wanneer er tussentijds grote herindelingen plaatsvinden?
Hetzelfde geldt voor de vijfjaarlijkse verdeling van de middelen. Is er voldoende ruimte om binnen die vijf jaar bij te sturen, om te evalueren of een omroep wel voldoet?
De VVD heeft ook vragen over de rol van NLPO. De wet legt belangrijke taken op het gebied van techniek en infrastructuur bij deze organisatie neer, maar veel voorzieningen worden nu al naar tevredenheid door marktpartijen geleverd. Waarom kiest de regering voor zo'n sterke concentratie van taken? Is het niet beter om ruimte te bieden voor samenwerking met private partijen? De VVD gelooft namelijk dat publieke middelen doelmatig worden besteed en dat we gebruik moeten maken van kennis en innovatie als die beschikbaar zijn, juist ook bij private partijen.
Dan kom ik bij de aanvullende financiering door gemeenten. Een belangrijk argument voor dit wetsvoorstel is juist dat het de afhankelijkheid van gemeenten verkleint. Indachtig het bekende gezegde "wie betaalt, bepaalt", vraag ik me af hoe we voorkomen dat vrijwillige bijdragen alsnog leiden tot een nieuwe afhankelijkheidsrelatie of een andere invloedsrelatie.
Voorzitter. In een tijd waarin desinformatie zich razendsnel verspreidt en het vertrouwen in instituties onder druk staat, is betrouwbare, lokale journalistiek belangrijker dan ooit. Mensen moeten kunnen vertrouwen op een herkenbare bron van feiten en duiding. Sterke journalistiek vraagt echter niet alleen om geld, maar ook om onafhankelijkheid, doelmatigheid en de ruimte om mee te bewegen. Dat is precies de balans waar de VVD in dit wetsvoorstel naar zoekt. Sterke lokale journalistiek is ook belangrijk voor het vertrouwen van mensen in de overheid en in onze democratische instanties.
Voorzitter. Dan ga ik naar een heel ander belangrijk onderwerp, waar de heer Krul net ook al aan refereerde. Dat is het WK voetbal, waarop het Nederlands elftal zulk mooi spel liet zien tegen Zweden. Wat een goals van Brobbey, Gakpo en Summerville! Het was echt een feestje. Omdat bijna deze hele Kamer wil dat voetbalwedstrijden van het Nederlands elftal een feestje blijven en dat we dat met zijn allen samen kunnen beleven, het liefst op grote pleinen in dorpen met veel bezoekers, werd de motie van mijn collega Kisteman door een grote meerderheid van onze Kamer aangenomen. In die motie wordt de regering verzocht om in samenwerking met de NOS het uitzenden van een groot sportevenement zoals het WK voetbal gratis te maken voor evenementen met maximaal 5.000 bezoekers, en om dit nog voor aanvang van dit WK voetbal te regelen. Maar helaas, dat is de regering niet gelukt.
De voorzitter:
Meneer Mohandis, denk ik. Of wordt het meneer Krul? Het ging zo snel.
De heer Mohandis (PRO):
Het is geen wedstrijdje, absoluut niet, al vraag ik me wel af wie er beter kan voetballen, want ik begreep dat u ook een voetbalverleden hebt. Ik heb dat ook, maar dat terzijde.
Voorzitter. Ik heb het amendement gelezen. Wij hebben de motie van de heer Kisteman gesteund. Die oproep is helder. Dat moet je ook goed willen regelen en dat zul je ook goed moeten uitzoeken. Maar het amendement vraagt om een uitzondering op het dienstbaarheidsverbod. Dat is nogal wat. Dat is echt een groot voorstel. Ik kijk ook even naar de collega's. Ik vind het ook buiten de orde van dit debat. Ik had namelijk ook nog wel andere amendementen willen indienen over de hervorming van de landelijke omroep. Dit gaat over de lokale omroepen, dus ik was even benieuwd of dit wel een geëigend moment was. U kunt dit helemaal niet regelen vóór dit WK. Dit zou mogelijk, als het snel kan, voor het volgende EK kunnen. Waar komt dit dus vandaan? Ik had andere amendementen verwacht, over de kern van dit wetsvoorstel.
De voorzitter:
Meneer Van der Maas.
De heer Van der Maas (VVD):
Deze hele sessie gaat over de wijziging van de Mediawet in verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau. Dit amendement gaat over de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht, want het gaat over het WK en het uitzenden daarvan. Dat is een "publieke mediaopdracht". We kunnen het "lokaal niveau" er ook aan vastplakken. Het gebeurt op pleinen en in kroegen, dus ook op dat gebied klopt het. Wat dat betreft past het perfect in dit debat.
De heer Krul (CDA):
Ik ga toch naar de inhoud. Ik stond onder de motie. Ik vond het ook belangrijk. Ik heb de uitleg van de minister gehoord en nog een keer gehoord. Die was eigenlijk vrij duidelijk. We komen elke keer op hetzelfde punt uit, namelijk dat het gewoon niet mag volgens de Europese staatssteunregels. Hoe gaan we daar dan mee om?
De heer Van der Maas (VVD):
Het verbaast mij inderdaad dat dat argument op tafel komt. In België kan het wel. Daar is men onderworpen aan dezelfde regels. Dat verbaast mij. Ik denk dat we het hier ook mogelijk moeten kunnen maken, als we de Belgische redenering volgen.
De heer Krul (CDA):
We vermoeden dat België zich niet houdt aan de Europese staatssteunregels, maar goed. Ik ben heel benieuwd naar de appreciatie van de minister hierop, maar ik geef alvast een winstwaarschuwing. Het moet wel kúnnen. Ik vind het sympathiek, maar het moet wel kúnnen.
De heer Van der Maas (VVD):
Weet u wat zo mooi is aan het Nederlands elftal? Dat is dat het aanvallend speelt, dat het agressief speelt, dat het niet het braafste team van het wereldkampioenschap is. Nederland moet hier niet het braafste jongetje van de klas zijn. We moeten aanvallend zijn. We moeten niet zeggen dat het niet kan en dat het niet mag en al dat soort dingen. Het kan wel, want in België kan het ook.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Sorry hoor, maar ik krijg hier echt gewoon een beetje buikkrampen van. Ik krijg helemaal de kriebels hiervan. Omdat er nu een WK is, wordt Brobbey genoemd en is het ineens zo van: "O ja, dan gaan we ervoor zorgen dat dat gratis uitgezonden mag worden en daar gaan we dan even deze wet voor gebruiken, want ja, een plein ís lokaal, dus daar kan een lokale omroep ook naartoe. Zo gaan we even een haakje vinden." Het is gewoon meeliften op het WK, op de 5-1 tegen Zweden, op de wedstrijd van donderdagnacht. Is de heer Van der Maas het niet met me eens dat dit echt om kriebelig van te worden is? Dit past hier toch gewoon helemaal niet? Dit is gewoon effe leuk populair doen en dan maar hopen dat heel Nederland dat superleuk vindt. Ik kan u vertellen dat de helft van Nederland hier ook met pijn in de buik naar zit te kijken.
De heer Van der Maas (VVD):
Ik vind het heel vervelend dat u hier pijn in de buik van krijgt.
De voorzitter:
Ik niet hoor, maar mevrouw Van der Plas wel.
De heer Van der Maas (VVD):
O ja, "dat mevrouw Van der Plas hier kriebels van krijgt". Ik krijg die kriebels ook, maar dan vooral van het mooie spel van het Nederlands elftal! Maar ik wil er wel op wijzen dat mijn collega Kisteman hier al maandenlang mee bezig is. Dit is dus niet een toevallige eendagsvlieg. Het is niet zo dat we dit ineens nu geregeld willen hebben. Nee. Hij is er al maanden mee bezig. Maar het ijzer is nu heet, en als het ijzer heet is, dan moeten we het smeden.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Echt, ik voel Nederland gewoon meekriebelen! Echt, hou op hiermee. Hou op hiermee en doe gewoon een serieus voorstel. Zeg niet: waar ik de kriebels van krijg, is het mooie spel van het Nederlands elftal. Bleh, zeg ik daarvan. Sorry, maar dat moet me echt van het hart. Puntje bij paaltje: dit amendement past niet in zo'n debat over lokale omroepen, over bestaansrecht, over financiering en over de binding met de lokale bevolking. Dit is echt een heel goedkoop amendement.
De heer Van der Maas (VVD):
Natuurlijk heeft mevrouw Van der Plas recht op haar eigen mening, maar we hebben het hier — dat heb ik net ook al voorgelezen — over de wijziging van de Mediawet. Dit past daar perfect in. Het zou dus eigenlijk niemand moeten verbazen dat ik heb besloten om dit nu in te brengen, zeker niet gegeven het verleden.
De heer Mohandis (PRO):
Het zou wel moeten verbazen, want er zijn ook mede-indieners van de motie, waaronder ondergetekende. Als u dit echt wilt regelen, dan had u dit niet zo gedaan en zou u niet dit contrast hier gemaakt hebben, alsof wij minder zouden hebben met het Nederlandse elftal of dat niet leuk vinden. Dat is gewoon nonsens. Dit wetsvoorstel gaat over de hervorming van de lokale omroepen. Als u het echt wil regelen, doe ik een handreiking. Laten we dat samen regelen bij de hervorming van de landelijke omroep. Dat gaat ook nog eind dit jaar of begin volgend jaar plaatsvinden. Dan hebben we het geregeld voor het komende EK en WK. Dan hebben we het ook serieus geregeld. Maar dit amendement heeft zo veel complicaties … Ik ga nu niet in op de techniek, dienstbaarheidsverbod moderniseren, noem maar op. Niet doen op deze manier. Laten we het zorgvuldig doen. Laten we het echt doen. Dit is toch geen samenwerken, meneer Van der Maas? Dit is toch niet de manier waarop je dit doet?
De heer Van der Maas (VVD):
Dit is een heel zorgvuldig amendement. Dat heeft u ook kunnen lezen. Het zit goed in elkaar. Meneer Mohandis heeft heel veel tijd besteed aan verschillende andere aspecten van de Mediawet in verband met de versterking van de uitvoering op lokaal niveau. Ik en de collega de heer Kisteman hebben ons op iets anders gericht. Het is een beetje jammer dat daar nu geen ruimte voor is. Het is een serieus voorstel, dat we heel graag erdoorheen zien komen, waarbij we het meteen hebben geregeld voor de toekomst. Dat is het allerbelangrijkste.
De heer Martin Bosma (PVV):
Dit gratisbiervoorstel … Is dit nou wat ze "populisme" noemen, waar ik wel vaker over hoor?
De heer Van der Maas (VVD):
Ik denk dat ieder zijn eigen definitie heeft van populisme. De heer Bosma weet dat ongetwijfeld als beste. Als dit dus in zijn definitie van populisme past, dan mag dat zijn opvatting zijn, maar dat is wat ons betreft niet het geval. Dit is een serieus voorstel, waar we al maanden mee bezig zijn, dat er niet doorheen is gekomen en dat we nu gewoon willen regelen. Zo simpel is het niet. Het is niet populisme; het is gewoon doorzettingskracht.
De heer Mohandis (PRO):
De VVD beweert dat ze het nu kan regelen. Hoe ziet de VVD dat? U dient een vergaand amendement in. Ik doe de handreiking om samen te kijken hoe we het voor het komende EK en WK kunnen regelen. Dan doen we het zorgvuldig. Dan kan ook de Raad van State ernaar kijken. Dan doen we dit ook op een goede manier. Het vraagt nogal wat. Dit is gewoon goedkoop. Dit is gewoon gratis b… Op deze manier gaan we het niet fixen en is het gewoon een verworpen amendement. Dit dient u alleen maar in omdat het WK nu is, terwijl u donders goed weet … Via u, voorzitter. De VVD weet donders goed dat dit nu geen enkel effect heeft, als dit amendement al aangenomen zou worden. Ik vind het dus gewoon heel goedkoop om dit op deze manier hier neer te leggen. En mij dan verwijten, via u, voorzitter, dat ik me heb verdiept in de wet zoals die nu voorligt, vind ik eigenlijk ook gewoon niet kies, gezien de tijd die we hier met elkaar te besteden hebben om de regering te controleren op een wetsvoorstel dat voorligt, dat al zes jaar wordt aangekondigd en dat best wel wat implicaties heeft. Daar gaat de heer Van der Maas niet op in, wij wel. Maar goed, u bepaalt zelf … Via u, voorzitter. De heer Van der Maas bepaalt zelf hoe hij zijn werk doet.
De heer Van der Maas (VVD):
Nou, ik heb net zo'n zeven minuten lang gepraat over het wetsvoorstel zelf. Dit is het laatste staartje van mijn betoog. Ik ben hierna dan ook klaar. Ik neem dus afstand van de indruk die hier nu ontstaat dat ik dit wetsvoorstel helemaal niet serieus neem. Ik koppel er nog iets anders aan. Daar zijn we al heel lang mee bezig. En als we er al lang mee bezig zijn, dan is het helemaal niet zo gek dat we dat nu hier proberen te regelen op een manier die goed is en ook gedegen in elkaar zit.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik geef persoonlijk niet zo heel veel om voetbal, dus daar ga ik niet populair over doen. Ik vind het wel heel leuk voor andere mensen. Ik vind het ook eigenlijk best wel een leuk amendement. Ik weet alleen nog niet helemaal of we het gaan steunen. Ik wil de heer Van der Maas wel het volgende meegeven. Wat ik even ga onthouden, is een VVD die zegt: "Het kan in andere landen wel. Je moet een beetje assertief spelen met de Europese regels. Daarin hoeven we niet altijd het braafste jongetje van de klas te zijn." Ik ga meneer Van der Maas meegeven dat ik die even ga onthouden, want op heel veel portefeuilles is het punt van de VVD altijd: braafste jongetje van de klas; mag niet van Europa. Die neem ik dus mee. Het amendement ga ik even overwegen.
De heer Van der Maas (VVD):
Daar waar ik zeg dat we niet altijd het braafste jongetje van de klas hoeven te zijn, bedoel ik natuurlijk wel dat we dat binnen Europese regelgeving moeten doen, uiteraard. Dat het in België wel kan, is volgens mij een indicatie dat het ook binnen de Europese regels kan. Dat geeft ons de mogelijkheid om dat nu te doen.
De voorzitter:
Was u aan het einde van uw termijn?
De heer Van der Maas (VVD):
Daarmee ben ik inderdaad aan het einde van mijn termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Van der Plas voor haar inbreng namens de BBB. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Als we het hebben over lokale omroepen, hebben we het niet alleen over journalistiek. We hebben het namelijk over identiteit, gemeenschap en herkenning. We hebben het over het dorpsfeest waar de lokale omroep verslag van doet en over de vrijwilliger die al twintig jaar een programma maakt. We hebben het over streektalen, dialecten, lokale muziek, verenigingen, evenementen en tradities, die nergens anders aandacht krijgen. Voor sommige mensen is de lokale omroep dé verbinding met de buitenwereld, niet met Den Haag of met Hilversum, maar met hun eigen wereld. Juist daarom moeten we voorzichtig zijn met een stelselwijziging die op papier logisch klinkt, maar in de praktijk iets kan afbreken wat we later niet meer terugkrijgen. Dat is precies de zorg die de BBB bij dit wetsvoorstel heeft.
Laat ik vooropstellen dat wij het doel van het wetsvoorstel onderschrijven, want lokale journalistiek verdient versterking, professionalisering is soms nodig en samenwerking kan verstandig zijn. Maar dat betekent nog niet dat schaalvergroting de oplossing is. Toch kiest dit wetsvoorstel voor een harde structuurwijziging, waarbij het aantal lokale omroepen wordt teruggebracht naar maximaal 80 verzorgingsgebieden. Waarom precies 80? Ik heb nog steeds geen overtuigend antwoord gehoord op de vraag waarom dit aantal noodzakelijk is om het doel van het wetsvoorstel te bereiken. De regering zegt dat er binnen dat maximum nog steeds flexibiliteit mogelijk is, maar dat is geen antwoord op de vraag waarom dat maximum überhaupt nodig is. Waarom zouden we een uitkomst wettelijk vastleggen voordat bewezen is dat die uitkomst noodzakelijk is?
Wat mij misschien nog wel de meeste zorgen baart, is dat we hier bezig zijn met een traject dat onomkeerbaar is. Als lokale omroepen verdwijnen, redacties worden samengevoegd, vrijwilligers afhaken en vertrouwde namen uit het lokale medialandschap verdwijnen, krijg je die niet zomaar terug. Dat gaat niet alleen over gebouwen of organisaties; dat gaat over mensen. Het gaat over kennis. Het gaat over betrokkenheid. Het gaat over gemeenschapsgevoel. Als we over zeven jaar concluderen dat dit systeem toch niet werkt zoals gehoopt, hoe bouwen we dan opnieuw op wat inmiddels verdwenen is? Hoe brengen we dan de vrijwilligers terug die zijn afgehaakt? Hoe herstellen we lokale netwerken die zijn weggevallen? Sommige veranderingen kun je terugdraaien, maar deze verandering voelt echt als een eenrichtingsweg.
Voorzitter. De regering wijst erop dat grotere omroepen beter in staat zijn om hun democratische functie te vervullen. Dat kan allemaal best zo zijn, want een grotere organisatie heeft meer capaciteit om bestuurders kritisch te volgen en onderzoek te doen, maar lokale omroepen hebben meer functies dan alleen de controlerende functie. Zij zijn namelijk ook de cultuurdragers. Zij houden de streekidentiteit levend. Zij geven ruimte aan dialecten. Zij brengen tradities, muziek, verenigingen en het gemeenschapsleven in beeld. Dat zijn geen bijzaken; het is juist een belangrijk onderdeel van hun maatschappelijke waarde. Zij helpen onze oer-Hollandse cultuur levend te houden.
Juist daar zit een fundamentele vraag: wat gebeurt er met al die culturele en sociale functies als steeds grotere gebieden vanuit steeds centralere redacties worden bediend? Houden we dan nog wel ruimte voor alle lokale kleuren en smaken of bewegen we langzaam richting een eenheidsworst? We zijn de afgelopen jaren al veel kwijtgeraakt: lokale krantjes verdwijnen, huis-aan-huisbladen verdwijnen, snuffelkranten verdwijnen, lokale redacties verdwijnen. Moeten we nu dan ook nog eens wettelijk vastleggen dat het aantal lokale omroepen fors wordt teruggebracht?
Toen ik in de jaren tachtig begon als lokale journalist was juist de veelheid van lokale media een bron van nieuws voor mensen in steden en dorpen. Ze zaten vaak met hun redacties midden in de binnenstad. De journalisten kwamen overal, van het gemeentehuis tot het café tot op het veld van de plaatselijke derde klasse van de KNVB tot aan de pluimveetentoonstelling in het plaatselijke buurthuis. Mensen voelden zich door de berichtgeving juist veel meer verbonden met hun stad of dorp. We hebben kunnen zien dat schaalvergroting bij kranten niet bepaald heeft gezorgd voor betere verslaggeving. Ik vrees dat dit ook gaat gebeuren met lokale omroepen als de gebieden te groot worden.
Voorzitter. Juist omdat de culturele en maatschappelijke functie van lokale omroepen zo belangrijk is, verbaast het BBB dat dit aspect nauwelijks terugkomt in de voorgestelde evaluatie van het nieuwe stelsel. De regering noemt de financiële gezondheid van omroepen, het bereik, de waardering en de hoeveelheid lokaal nieuws. Dat zijn belangrijke indicatoren, maar die vertellen niet het hele verhaal. Want wat gebeurt er dan als het bereik op orde is, maar de lokale omroep haar rol als drager van streekidentiteit, tradities, verenigingsleven en gemeenschapsgevoel langzaam verliest? Is de minister bereid periodiek, bijvoorbeeld jaarlijks of tweejaarlijks, inzichtelijk te maken hoe het staat met de culturele en maatschappelijke functies van lokale omroepen? Daarbij kan worden gekeken naar zaken als de zichtbaarheid van kleinere kernen, aandacht voor de streekcultuur en de dialecten, de betrokkenheid van vrijwilligers en de mate waarin inwoners zich ook echt herkennen in het media-aanbod. Ik ga daarvoor ook een amendement indienen, als dat niet al is ingediend.
Daarnaast vraagt de BBB of de minister bereid is om bij duidelijke signalen van verschraling of verlies van lokale verankering niet te wachten op een evaluatie na zeven jaar, maar tussentijds in te grijpen. Wat BBB betreft moet monitoring niet alleen dienen om achteraf vast te stellen of het stelsel heeft gewerkt, maar juist ook om op tijd te kunnen voorkomen dat er onherstelbare schade ontstaat.
Voorzitter. De regering wijst voor de borging van lokale verankering nadrukkelijk op het Programmabeleid bepalend orgaan, het pbo. Dat orgaan moet een afspiegeling vormen van de gemeenschap en ervoor zorgen dat de omroep geworteld blijft in de samenleving. Daar hebben wij wel vragen bij, want waarvan moet het precies een afspiegeling zijn? Een afspiegeling is namelijk niet hetzelfde als een vertegenwoordiging. Dat zijn twee totaal verschillende dingen. Je kunt vertegenwoordigers van allerlei stromingen aan tafel zetten, zonder dat je echt een goed beeld hebt van wat er leeft onder mensen.
Neem een streek waarin verschillende geloofsgemeenschappen voorkomen. Wanneer is een pbo dan representatief? Is dat als iedere geloofsovertuiging één zetel krijgt? Dat lijkt misschien netjes verdeeld, maar zegt dat ook iets over de werkelijke verhoudingen die er zijn binnen een gemeenschap? Hoe zit het met de groepen die niet georganiseerd zijn, met ouderen van 90 jaar, met laaggeletterden, met mensen die niet in besturen zitten, met ondernemers die zes dagen per week werken en met jonge gezinnen, die nauwelijks tijd hebben om zich bestuurlijk te organiseren? De praktijk leert dat in dit soort organen vaak mensen terechtkomen die maatschappelijk actief zijn, organisaties vertegenwoordigen en gewend zijn om te vergaderen. Daar is niks mis mee, maar dat is niet automatisch hetzelfde als een afspiegeling van de samenleving, en al helemaal geen vertegenwoordiging van de samenleving.
Voorzitter. Daar komt nog iets bij. Hoe groter het verzorgingsgebied wordt, hoe moeilijker het wordt om daadwerkelijk voeling te houden met alle dorpen, wijken en gemeenschappen binnen dat gebied. Juist daarom vraag ik de minister opnieuw of zij niet te veel vertrouwen legt bij een instrument waarvan nog maar moet blijken of het in de praktijk kan waarmaken wat er nu van wordt verwacht.
Ook het onderscheid tussen lokale en regionale omroepen blijft voor de BBB een punt van zorg. De regering stelt dat beide lagen voldoende van elkaar verschillen, omdat zij een andere wettelijke taak hebben. Daarbij is nog niet aangetoond dat zij in de praktijk voldoende van elkaar blijven verschillen. Als streekomroepen steeds groter worden, steeds professioneler worden georganiseerd en steeds grotere gebieden bedienen, dan ontstaat vanzelf de vraag waar "lokaal" ophoudt en "regionaal" begint. Dat onderscheid borg je niet alleen door verschillende taakomschrijvingen in de wet op te nemen. Uiteindelijk gaat het ook om schaal, identiteit, herkenbaarheid en de rol die een omroep in de gemeenschap vervult.
Tot slot ga ik naar de financiën, want ook daarover blijven vragen staan. Op papier lijkt er meer geld beschikbaar te komen, maar verschillende partijen uit het veld wijzen erop dat die vergelijking geen volledig beeld geeft. Wanneer ook bestaande versterkingsmiddelen worden meegenomen, ontstaat een ander beeld. Dan rijst de vraag of een groot deel van de streken er uiteindelijk juist niet op achteruitgaat. Als dat zo is, ontstaat er een ongemakkelijke combinatie van minder omroepen, grote gebieden en mogelijk minder geld per streek. Dat klinkt niet vanzelfsprekend als een versterking van de lokale journalistiek.
BBB wil sterke lokale journalistiek. BBB wil professionele lokale journalistiek. BBB wil onafhankelijke lokale journalistiek. BBB wil echter ook lokale binding behouden, lokale identiteit behouden en lokale gemeenschappen behouden. Als we die kwijtraken, raken we namelijk iets kwijt wat veel moeilijker terug te brengen is dan een organisatiestructuur of een financieringsmodel. Dan raken we een stukje van Nederland kwijt. Daar moeten we heel voorzichtig mee zijn.
Dank u wel.
De heer Krul (CDA):
Dit is een mooi betoog van mevrouw Van der Plas. Heel veel zorgen die zij schetst, deelt het CDA. Ik ben benieuwd hoe mevrouw Van der Plas kijkt naar de financiering. Ik heb veel omroepen gesproken die zeggen: we zijn zelf misschien niet zo gelukkig met deze ontwikkeling, maar we zijn het wel over één ding eens, namelijk dat wel blij zijn dat we wat meer financiering krijgen. Stel dat we het niet doen zoals nu wordt geschetst in het wetsvoorstel. Heeft mevrouw Van der Plas dan ideeën voor hoe we de financiering structureler kunnen borgen? Moet het dan alsnog via de gemeenten of het Rijk? Hoe gaan we het dan doen?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is op zich een goed punt van de heer Krul. Ik wacht liever even de antwoorden van de minister af, voordat ik hier direct met pasklare oplossingen kom. Daar is ook al het een en ander over gezegd. Laten we dat eerst even afwachten.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Oualhadj namens D66. Daarna hebben we nog twee sprekers van de zijde van de Kamer. Ik stel voor dat we de eerste termijn afmaken voor de dinerschorsing. Het woord is aan mevrouw Oualhadj namens D66.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. Jaren geleden liep ik als vrijwilliger rond bij de lokale FunX-studio in mijn geboortestad Den Haag. Toen ik daar later ook een baan aangeboden kreeg en mijn eigen radioshow mocht presenteren, kon de luisteraar rekenen op een simpel concept. Ik gaf alles wat er voor leeftijdsgenoten in Den Haag speelde en het talent uit de stad een podium om zo de wereld van met name de politiek dichter bij de jongeren te brengen. Dat was niet alleen ontzettend leuk om te doen, maar nog belangrijker: ik kon onderwerpen agenderen waarvan ik wist dat die voor leeftijdsgenoten speelden, van het vinden van een stageplek tot het uitgaansbeleid. Ik kon ervoor zorgen dat dit soort belangrijke onderwerpen op de agenda van de gemeenteraad kwamen te staan. Althans, dat hoopte ik natuurlijk.
Voorzitter. De vraag of mensen toegang hebben tot onafhankelijke en betrouwbare informatie over de plek waar ze wonen is een belangrijk thema. Ik ben dan ook blij dat we deze wetswijziging vandaag bespreken, want democratie begint niet alleen hier in deze zaal. Democratie begint op de inspraakavond waar het plan wordt gevormd voor de herinrichting van de wijk of bij de gemeenteraad, die besluit over de opening van een nieuwe bibliotheek. Precies daar speelt de lokale omroep een cruciale rol, door de bewoners te informeren, door het bestuur te controleren en door belangrijke zaken actief onder de aandacht te brengen. Dat is cruciaal voor ons allemaal.
Daarom is het ontzettend goed dat we hier vandaag staan om de lokale omroepen te versterken, want dat is nodig. Steeds meer Nederlanders, en zeker jongeren, zien het nieuws op hun telefoon binnenkomen, met name via sociale media. Maar uit het onderzoek dat vorige week naar buiten kwam, bleek dat Nederlanders heel goed aanvoelen dat een bericht op sociale media niet per se hetzelfde is als betrouwbare journalistiek. Dat biedt een kans. Deze wet biedt een kans, want het laat zien: mensen zoeken nieuws en mensen willen weten wat er speelt, maar ze willen ook kunnen vertrouwen op de bron. Dat vertrouwen is harder nodig dan ooit, ook omdat nepnieuws steeds vaker voorkomt. Denk aan een bericht in een buurtapp dat nergens op is gebaseerd, maar wel razendsnel verspreid wordt en tot, achteraf onterechte, paniek heeft geleid. Het is dus heel belangrijk dat er ook op lokaal niveau sterke, betrouwbare informatievoorziening is, die ook wordt doorvertaald naar moderne, innovatieve vormen, want bij gebrek aan factchecking blijft dat gerucht misschien wel in de lucht hangen. Dat vraagt dus om omroepen die durven te vernieuwen, bijvoorbeeld door nieuws ook in korte video's te brengen en andere nieuwe onlinevormen uit te proberen, zodat het lokale nieuws zichtbaarder wordt op de plekken waar inwoners, en zeker ook jongeren, hun nieuws tegenkomen.
D66 steunt deze wetswijziging van harte. We juichen toe dat lokale publieke omroepen eindelijk steviger worden neergezet, want in veel delen van Nederland is lokale journalistiek kwetsbaar geworden. Uit de voorbeelden waarbij het wél lukt, kunnen we leren wat het oplevert voor bewoners. Denk aan 1Twente, dat jarenlang onderzoek deed naar een dubieuze gemeentelijke vastgoedtransactie. Dat leidde tot tientallen publicaties, tot raadsdebatten, tot excuusbrieven van het college van burgemeester en wetshouders en tot een extern raadsonderzoek naar het functioneren van het lokale bestuur. Je gunt toch elke gemeente in Nederland journalisten die op deze manier lokaal misstanden aan de kaak stellen en onderwerpen agenderen? Waar je woont, zou niet mogen bepalen wat je weet. Of je nu in een grote stad woont of in het kleinste dorp, je wil kunnen horen dat jouw school dreigt te sluiten of dat de raad besluit over de vergroening in jouw straat. Als niemand dat meer actief naar buiten brengt, weet je het niet, en wie niets weet, kan niet meedoen aan de democratie. Daaruit ontstaat vaak een gevoel van machteloosheid. Dat is wat D66 betreft een onwenselijke situatie, omdat burgerparticipatie vaak leidt tot beter beleid.
Voorzitter. D66 is optimistisch over wat deze wet kan opleveren, want als we de basis goed organiseren, kunnen lokale omroepen uitgroeien tot sterke, zichtbare en professionele journalistieke organisaties, namelijk omroepen die ruimte geven aan verschillende stemmen, mensen verbinden, lokale verhalen vertellen en vrijwilligers betrekken, maar die ook bestuurders kritisch volgen.
Voorzitter. Het huidige stelsel schiet op een aantal plekken tekort en daarom zijn die voorgestelde wijzigingen een verbetering, te starten met die financiering. Deze is, zoals nu georganiseerd, soms onzeker, versnipperd en te afhankelijk van gemeenten. Ik vind dat punt van afhankelijkheid echt een belangrijke. Lokale omroepen moeten kritisch kunnen berichten over dezelfde gemeente waarvan zij financieel afhankelijk zijn. Ook als een gemeente zich nergens mee bemoeit, ondermijnt alleen al de schijn van afhankelijkheid hun onafhankelijke positie. Journalisten moeten vrij kunnen werken, niet voorzichtig en niet met ingehouden adem, maar met een rechte rug. Daarom vindt D66 het goed dat die bekostiging wordt overgebracht van het gemeentefonds naar de Mediabegroting. Juist omdat lokale journalisten misstanden blootleggen, lopen ze een risico. Lokale makers wonen vaak zelf in de gemeenschap waarover ze berichten en komen onderwerpen bij wijze van spreken tegen in de supermarkt. Mijn vraag aan de minister is hoe zij borgt dat in dit nieuwe stelsel ook de veiligheid van lokale journalisten en vrijwilligers wordt meegenomen en hoe dat aansluit op de inzet van PersVeilig.
We zijn ook erg blij dat er extra geld voor uitgetrokken wordt. Daarmee wordt de financiering meer voorspelbaar, stabieler en onafhankelijker. Dat is nodig, want goede journalistiek ontstaat niet vanzelf. Het vraagt tijd, opleiding, techniek, bereik, goede mensen en continuïteit. Die fantastische inzet van vrijwilligers op vele plekken binnen die lokale omroepen blijft daarbij onmisbaar. Zij kennen de gemeenschap, de verhalen en de mensen, maar ook zij verdienen ondersteuning van een professionele basis, juist zodat er nog beter gebruik kan worden gemaakt van hun inzet.
Voorzitter. Schaalvergroting. Het allerbelangrijkste is volgens mij dat het geld terecht moet komen bij de mensen die het nieuws ook daadwerkelijk maken, bij degene die verslag doet, content maakt of filmpjes monteert. Maar doordat er zo veel losse omroepen zijn, gaat te veel geld naar de techniek, de huisvesting en de organisatie in plaats van naar de makers zelf. Overal zijn omroepen in hun eentje bezig met dezelfde uitdagingen: Hoe gaan we online? Hoe bereiken we jongeren? Ze moeten uitvinden hoe je goed scoort op de algoritmes. In al die redacties zit kennis over wat er werkt. Die kunnen we veel meer met elkaar delen en bundelen. Daar pakken we wat mij betreft de winst en houden we meer over voor de journalistiek zelf. Daarom kiest deze wet voor schaalvergroting. Dat deel ik volledig.
Voorzitter. Maar schaalvergroting mag nooit een doel op zich worden. Hoe groter de schaal, hoe groter het risico dat de herkenbaarheid voor inwoners verdwijnt. De lokale gemeenschap en de lokale cultuur moeten wel zichtbaar blijven. Juist daarin zit de kracht van lokale media. Daarom vraag ook ik de minister hoe wordt geborgd dat grote verzorgingsgebieden niet leiden tot meer afstand tot de inwoners. Hoe wordt gemonitord of alle kernen, gemeenschappen en wijken voldoende worden bediend?
Voorzitter. Dan over de samenwerking. In de afgelopen jaren zijn er ontzettend mooie vormen van samenwerking ontstaan tussen lokale omroepen onderling, met regionale en landelijke omroepen en met lokale voorzieningen zoals bibliotheken en cultuurinstellingen. Denk aan de NOS, die het NOS Journaal Regio uitzendt, of aan de omroepen die gevestigd zijn in lokale bibliotheken. Dat is wat de D66-fractie betreft ook precies de energie die we moeten aanmoedigen. Daarom moet samenwerking hoog op de agenda blijven staan en wat ons betreft actief aangejaagd worden. Samenwerking versterkt de band tussen organisaties. Ook is het doelmatig: elke euro die niet dubbel uitgegeven wordt aan techniek, organisatie of licenties kan naar de journalistieke inhoud en verhalen uit de gemeenschap. Het wetsvoorstel geeft de NLPO een taak in samenwerking en coördinatie. Dat is goed, maar de samenwerking zelf is nog maar beperkt wettelijk verankerd, terwijl juist daar grote kansen liggen.
Daarom vraag ik de minister een aantal zaken. Is zij het met ons eens dat de bestaande samenwerkingsverbanden benut moeten blijven, maar dat ook nieuwe samenwerkingsverbanden maximaal benut moeten worden? Zo worden dubbel werk en inefficiënt gebruik van publieke middelen voorkomen. Ziet de minister een rol voor de NLPO om kennis over wat er nou wel werkt — ik noemde net onlinebereik, jongeren en algoritmes — actief tussen de omroepen te delen en innovatie structureel aan te jagen? Zo gaat niet elke omroep in z'n eentje het wiel opnieuw uitvinden. Is ze bereid om innovatie en digitalisering een duidelijke plek te geven in het concessiebeleidsplan, zodat vernieuwing niet vrijblijvend is? Dat willen we ook voor de landelijke omroep. Ziet de minister mogelijkheden om die samenwerking ook te monitoren? Welke middelen heeft de minister als blijkt dat de samenwerking onvoldoende in stand blijft of tot stand komt? Zo zijn omroepen essentiële middelen niet kwijt aan technische zaken die ze ook samen kunnen regelen.
Dan over de aanwijzingen van lokale en regionale omroepen. Die aanbestedingen zijn nu telkens voor vijf jaar. Het is daarmee een open bestel. Dat is volgens mij heel belangrijk. Deze termijn leidt er tot nu toe echter toe dat iedere keer dat de omroepen net weer op stoom zijn, ze weer moeten starten met het schrijven van nieuwe beleidsplannen voor een nieuwe aanwijzing. Dat kost best veel geld, tijd en mankracht. Dat gaat ten koste van de tijd en mankracht die aan de journalistieke inhoud besteed kunnen worden. Ik overweeg dan ook een motie hierover in te dienen in de tweede termijn, zeg ik even ter aankondiging.
D66 is blij dat de minister nu vaart maakt. Al meer dan twintig jaar praten we over lokale omroepen die onder druk staan, over versnippering, over de kwetsbare financiering en over de druk op journalistieke professionaliteit. Het is goed dat er nu een doorbraak komt. Maar juist omdat deze doorbraak echt nodig is, moeten we eerlijk zijn over het tijdspad. Daar maak ik me een klein beetje zorgen om. We krijgen van allerlei organisaties uit het veld signalen dat de planning wel erg krap is. De sector moet zich voorbereiden, de verzorgingsgebieden moeten helder zijn, gemeenteraden moeten nog advies kunnen uitbrengen, het commissariaat moet de aanvragen kunnen voorbereiden, de NLPO krijgt een grotere rol en lokale omroepen moeten weten waar ze aan toe zijn. Daarom vraag ik de minister of deze wetswijziging nog op tijd komt om de overgang zorgvuldig te laten verlopen. Wat gebeurt er als onderdelen vertragen? Hoe voorkomt de minister dat lokale omroepen in de overgang onzekerheid ervaren, terwijl deze wet juist bedoeld is om op lange termijn meer stabiliteit te geven?
Voorzitter, ik rond af. De lokale omroep is van ons allemaal. Na jaren van praten kunnen we eindelijk stappen zetten. Lokale omroepen verdienen ook een steviger fundament. Inwoners verdienen betrouwbare informatie over hun eigen omgeving. Onze democratie verdient media die onafhankelijk en dichtbij zijn. Laten we de lokale makers en journalisten de ruimte en de kracht geven die ze verdienen, zodat zij dicht bij de mensen het verhaal van elke gemeente kunnen blijven vertellen. Want kiezen we vandaag voor sterke lokale omroepen, dan kiezen we voor een democratie die overal in Nederland dichtbij blijft. Nederland heeft alles in huis om ook lokaal een rijk en betrouwbaar nieuwslandschap te hebben, als we daarvoor kiezen. Ik kijk uit naar de beantwoording van de minister.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Bosma voor zijn inbreng namens de PVV in eerste termijn. Gaat uw gang.
De heer Martin Bosma (PVV):
De heer Krul is verdwenen, zie ik, maar ik had dolgraag willen weten of hij die voorleeswedstrijd in groep 7 nou heeft gewonnen of niet. Hij vlucht meteen de zaal uit.
Voorzitter, dank u wel. Het doel van dit wetsvoorstel, namelijk de versterking van de lokale journalistiek, ondersteunt mijn fractie natuurlijk van harte, maar wie niet? De PVV is gehecht aan de veelkleurigheid en het lokale karakter van al die prachtige lokale omroepen die wij kennen. Lokaal is lokaal, dicht bij huis. Dat is de kracht: het vergrootglas op de eigen straat, de eigen wijk. Zo moet het zijn.
De praktijk is niet altijd volmaakt, maar die is wel vaak een reflectie van plaatselijke verhoudingen. Het zijn soms vrijwilligers, ze staan dicht bij de mensen en ze zijn niet altijd gelikt en perfect, maar altijd vol passie en gedrevenheid, soms op de zolderkamer en soms op een verdieping van de bibliotheek, maar altijd dichtbij. En inderdaad, vaak is het houtje-touwtje. Soms is het gebrekkig en ook een tikje kneuterig. Ze zijn soms amateuristisch en financieel verre van perfect, en op die manier ook kwetsbaar en inderdaad afhankelijk van de lokale overheid. Dat moeten we eigenlijk ook niet willen met z'n allen, maar het is wel wat het is. En de lokale omroep draagt bij aan gemeenschapsgevoel, aan betrokkenheid. Die maakt onderdeel uit van de streekcultuur, van hoe mensen leven en van hoe mensen zich gedragen. Het zijn ook cultuurdragers. Dat moeten we niet vergeten.
Net als Het dorp van Wim Sonneveld wordt ook dit dorp gemoderniseerd. Die 224 omroepen die we nu hebben, gaan opgewaardeerd worden tot 80 streekomroepen. Dit debat doet mij heel erg denken aan gemeentelijke herindelingen. Ik ben woordvoerder Binnenlandse Zaken sinds 2010 en ik heb heel veel van die gemeentelijke herindelingen zien langskomen. De argumenten zijn altijd hetzelfde, onder andere samenwerken. De managers worden altijd beter en er is dan eindelijk ruim geld om allerlei projecten aan te pakken. Maar het nadeel is ook altijd hetzelfde, namelijk dat het bestuur weggaat bij de mensen. Dat zie je hier eigenlijk ook een beetje gebeuren.
Waarom 80? Waar komt dat getal toch vandaan? Ik heb het ook gezien bij al die debatten die ik heb gehad over Binnenlandse Zaken. Hans Wiegel wilde 24 provincies. De Wet gemeenschappelijke regelingen had indertijd 40 gebieden. Waar komt die 80 toch precies vandaan? Waarom moeten we er 80 hebben? Waarom niet 85? Waarom niet 70? En wat is nou eigenlijk precies het probleem dat vandaag opgelost moet worden? Hoezo is groter altijd beter? Is schaalvergroting altijd uitstekend? We krijgen nu allemaal managers. We krijgen allemaal pbo's. Daar gaan allemaal vergaderbobo's zitten. Die managers gaan allemaal cursussen doen en die gaan daar allemaal met stropdassen en managementtaal zitten. Gaat dat beter worden dan tante Mien die nu vanuit de zolderkamer — ik zeg het licht gechargeerd — de streekomroep verzorgt? Hoe staat het met die veelkleurigheid? Want of ze het willen of niet, die streekomroepen die nu dichtbij staan, gaan verdwijnen en gaan omgevormd worden tot die mediakolchozen die we nu gaan zien. Een gevolg is dat dorpen en steden die niets met elkaar te maken willen hebben, ineens naar dezelfde omroep moeten luisteren. Gaan ze daar blij mee zijn en is dat zo veel beter dan wat we nu zien?
We krijgen er een nieuwe landelijke bureaucratie bij, de NLPO. Die fusiegolf gaat betekenen dat we grote entiteiten krijgen, maar veel minder journalistiek bij de mensen zelf. Hoe staat het precies met al het geld dat daarnaartoe gaat? Is dat geoormerkt zodat het niet naar allerlei mooie gebouwen gaat, zoals je bijvoorbeeld bij die gemeentelijke herindelingen altijd maar ziet? Hoezo gaat het bij de journalisten vandaan komen? Hoezo gaat het effectief worden uitgegeven? Hoezo gaat al dat geld niet gewoon naar de overhead?
Nog een vraag die nog niet gesteld is: wat betekent dit op de advertentiemarkt? Het gaat om een overheidsactiviteit die concurreert met de markt. Dat is in principe heel gevaarlijk, want deze omroepen worden gefinancierd door de overheid en hoeven zich minder zorgen te maken over hun financiering dan de commercie, maar er wordt wel degelijk geld weggehaald op de commerciële advertentiemarkt, wat nu dus naar dit overheidsproject gaat. Verwacht de minister dat er door de professionalisering waarover gesproken wordt, meer geld weggetrokken wordt bij de commercie?
Wat betekent dit voor vrijwilligers? Ik kan me voorstellen dat als straks al die managers daar zitten, de vrijwilligers zeggen: bekijk het maar, daar heb ik helemaal geen zin in. Heeft de minister daar enig zicht op? Gaat die NLPO net zo'n links-liberaal bolwerk worden als de NPO, door mij in het verleden weleens aangeduid als "NPO66"? Krijgen we daar mensen als die D66-voorzitter van de NPO indertijd die de NPO omvormde tot een woke-agenda en alle idealen van D66 voor het voetlicht bracht?
Er is een nog groter gevaar, namelijk een sterkere rol van het commissariaat. Het commissariaat wordt tegenwoordig geleid door een voormalig Kamerlid van de Partij van de Arbeid dat zich nu heeft bekeerd tot BIJ1. Zij is geen jurist. Dus je wordt voorzitter van het Commissariaat voor de Media, maar je bent geen jurist. Hoe is het mogelijk? Zij is openlijk fan van Black Lives Matter en George Floyd. Zij behoort dus tot BIJ1. Recentelijk heeft BIJ1 uitgesproken dat ze blij zijn met de bekladding van het monument op de Dam. Ze vinden de Dodenherdenking racistisch. Ze vergelijken een verbod op fatbikes met het bord "verboden voor Joden". Ten tijde van de Macabbi-jacht bedankten zij de Amsterdamse taxichauffeurs. Deze mevrouw van het commissariaat brengt al die ideeën ook gewoon in de praktijk. Kijk naar de manier waarop Ongehoord Nederland wordt becommentarieerd, terwijl men daar zwijgt over Omroep ZWART. Het is allemaal heel gevaarlijk. Wat gaat er nu gebeuren? Nou, we lezen het: de kan-bepaling waarover eerder gesproken wordt, artikel 2.87r. Het Commissariaat voor de Media geeft die aanwijzing en baseert zich bijvoorbeeld op de kreten in 2.87n als "culturele verscheidenheid". Hoe gaat dat worden uitgelegd door de mevrouw van het Commissariaat voor de Media? Betekent dat dat al die omroepen gedwongen worden tot allerlei diversiteitsbenoemingen? Gaat straks het aantal iftarvieringen dat rechtstreeks moet worden uitgezonden of de hoeveelheid ramadanreclame meewegen bij de vraag of die omroep mag doorgaan?
We hebben zoiets gezien — het is verre van academisch wat ik hier zeg — in Amsterdam. Daar bestaat sinds 1992 AT5, een redelijk professionele zender. Op een gegeven moment bestond de mogelijkheid dat er een variant van Omroep ZWART de plaats zou overnemen van het professionele AT5. Dat is toen verhinderd door de Amsterdamse gemeenteraad. Mevrouw Nanninga speelde daar nog een kleine, doch beslissende rol in. Misschien — ik ben vandaag de opwarmer van mevrouw Nanninga — wil zij nog even vertellen hoe dat gegaan is. Maar het heeft maar een haartje gescheeld of deze Omroep ZWART-variant had de plaats ingenomen van AT5. Wat gebeurt er nu als deze Black Lives Matter-mevrouw van het commissariaat daar zit en straks vaststelt dat omroep x of y of z het niet naar haar zin doet en dat er meerdere kandidaten zijn? Gaat dan de duim omhoog bij een lokale Omroep ZWART en gaat men daar afmeten aan de iftar en de ramadanreclame hoe succesvol die omroep is? Het is verre van academisch. Ik maak me daar zorgen om.
Voorzitter. Die gezellige, misschien soms kneuterige lokale omroep dreigt te worden omgezet in een nieuwe bureaucratie, een landelijke organisatie, ver weg van de burger. De kans is groot dat D66-managers daar de lakens gaan uitdelen en wellicht gecontroleerd worden door een rassenactivistische voorzitter van het Commissariaat voor de Media die zich ongetwijfeld gaat baseren op het kopje "culturele verscheidenheid". We krijgen mediakolchozen die dit allemaal gaan veranderen zoals het ooit was en dat is een groot gevaar. De vraag is of wij onze lokale omroepen daaraan moeten overleveren.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Nanninga namens JA21 in de eerste termijn. Dat was al aangekondigd. Gaat uw gang.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Ik kan me grotendeels ook vinden in het betoog van de heer Bosma, afgezien van het gebruik van het woord "stropdas". Ik heb echt liever dat mensen dat gewoon een "das" noemen, zoals het de Kamer betaamd.
Trouwens, over die anekdote over die lokale Omroep ZWART in Amsterdam: het klopt inderdaad wat de heer Bosma zegt. Dat was een interessant verhaal. Dat is een heel activistisch, extreemlinks verhaal. Die moesten en zouden die concessie krijgen. Het scheelde ook maar heel weinig stemmen, totdat ik bij dat verhoor in de gemeenteraad de vraag stelde aan die mevrouw: wat is dan uw voordeel tegenover AT5, die al bestaat? Toen zei ze: "Ja, AT5 is veel te wit" — zoals die mensen dat dan noemen — "en heeft geen toegang tot bepaalde wijken." Toen zei ik: "Bedoelt mevrouw nou echt te zeggen dat blanke verslaggevers in Amsterdam no-goarea's kennen?" Toen zei ze: ja. Toen was het pleit beslecht en kon zelfs de extreemlinkse Amsterdamse gemeenteraad niet meer instemmen met dat gekke plan. Maar het scheelde maar een haar.
JA21 kijkt naar dit wetsvoorstel, want daar gaat het vandaag over, vanuit een bredere visie op de verhouding tussen markt, Staat en gemeenschap. In een vrije samenleving komen informatievoorziening en maatschappelijke verbinding in de eerste plaats uit mensen zelf, uit ondernemers, redacties, verenigingen, vrijwilligers, lokale gemeenschappen en commerciële media. De Staat heeft in de eerste plaats een faciliterende rol en pas in de tweede plaats een aanvullende rol. Staatsoptreden of staatscontrole vraagt altijd een duidelijke rechtvaardiging. Waar markt en gemeenschap een publieke behoefte onvoldoende kunnen dragen, kan de overheid gericht bijspringen, beperkt, sober en met een scherpe taakafbakening.
Voorzitter. Dat is ook onze benadering van de publieke omroep. Die moet zich richten op functies die door commercieel of maatschappelijk initiatief onvoldoende worden opgepakt. Op landelijk niveau is dat niet snel nodig, wat ons betreft. Daar bestaat een grote commerciële markt, met veel aanbieders, veel bereik en veel alternatieven. De NPO kan wat JA21 betreft dan ook nagenoeg verdwijnen. Op lokaal niveau ligt dat wat genuanceerder. Daar zijn gebieden waar de lokale journalistiek kwetsbaar is, waar gemeenteraadsverslaglegging verdwijnt, waar commerciële media onder druk staan vanwege een te kleine markt en waar vrijwilligersorganisaties alleen het niet kunnen dragen. Daar kan wat JA21 betreft een publieke rol best verdedigbaar zijn.
Voorzitter. Vanuit die gedachte beoordelen wij deze Wijziging van de Mediawet. JA21 erkent het belang van lokale journalistiek. Inwoners moeten weten wat er speelt in hun gemeente, in hun wijk, in hun dorp. Gemeenteraden, colleges, woningbouwcorporaties, veiligheidsregio's en lokale instellingen verdienen journalistieke controle. Een lokale publieke omroep kan daarin een rol spelen zolang de publieke taak scherp blijft en de organisatie dienstbaar blijft aan de journalistiek. Dit wetsvoorstel brengt een grote stelselwijziging. De bestaande lokale omroepen worden omgeschaald naar maximaal 80 verzorgingsgebieden. De financiering verschuift naar het Rijk. De NLPO krijgt een wettelijke positie als samenwerkings- en coördinatieorgaan. Gemeenteraden krijgen een formele adviesrol bij de aanwijzing. En het Commissariaat voor de Media beslist uiteindelijk.
Voorzitter. Wij zien daarbij wel een aantal risico's. De opschaling zorgt niet vanzelf voor lokale binding. De praktijk laat nu al zien dat nieuwe verzorgingsgebieden tot spanningen kunnen leiden. In Maastricht-Heuvelland is bijvoorbeeld een discussie ontstaan tussen verschillende lokale partijen over de toekomstige streekomroep. Die aanwijzingsprocedures kunnen dus lokaal heel gevoelig worden. Daarom vraag ik de minister hoe zij voorkomt dat de aanwijzingsprocedure leidt tot lokale politieke druk, strategische blokvorming tussen gemeenten of langdurige ruzies tussen bestaande omroepen. Gemeenteraden adviseren straks over lokale verankering, vrijwilligers, partners en het Programmabeleid bepalend orgaan. In het geval van meerdere gemeenten worden die adviezen gewogen aan de hand van het aantal raadsleden. Hoe blijft de journalistieke onafhankelijkheid overeind wanneer de omroep later verslag moet doen over dezelfde lokale politiek die eerder over haar aanvraag heeft geadviseerd? Het Commissariaat voor de Media, dat uiteindelijk moet beslissen, heeft — de heer Bosma noemde het al — een radicale extreemlinkse activist aan het roer. Hoe denkt de minister dat dit tot een eerlijk en ongekleurd proces kan leiden, zonder de in onze staatsmedia toch al alomtegenwoordige ideologische vooringenomenheid?
Voorzitter. Dan de financiering. Voor JA21 is de verhoging van 31 miljoen de absolute bovengrens; daar mag niet nog meer geld bij. Als er tekorten ontstaan, moeten oplossingen eerst worden gezocht in samenwerking: gedeelde techniek, gezamenlijke huisvesting, een gezamenlijke backoffice, samenwerking met regionale en commerciële media, en het schrappen van overhead. Elke euro die in bestuurslagen en overlegstructuren verdwijnt, komt niet terecht bij lokale journalistiek. Daarom zijn wij ook kritisch op het risico van bureaucratisering: omdat de financiering via het Rijk gaat lopen, ontstaat al snel een zwaardere laag van aanvragen, concessies, beleidsplannen, evaluaties et cetera. Wij willen voorkomen dat lokale omroepen vooral bezig raken met systeemvereisten en dezelfde fouten gaan maken als de landelijke NPO.
Voorzitter. Een ander punt is reclame. Dit wetsvoorstel versterkt de positie van lokale publieke omroepen; er komen minder omroepen, grotere verzorgingsgebieden, meer professionaliteit en hogere inkomsten. Daardoor wordt hun concurrentiepositie richting lokale commerciële media sterker dan in de oude situatie met honderden kleine omroepjes. Daarmee kan ook het marktverstorende effect toenemen. Lokale kranten, huis-aan-huisbladen en nieuwswebsites zijn vaak afhankelijk van advertentie-inkomsten. Was dit wetsvoorstel daarom niet het aangewezen moment om reclame bij lokale publieke omroepen scherper te begrenzen? Is de minister bereid een plafond, een aangescherpte reclamebeperking of een markttoets uit te werken? Kan zij garanderen dat publieke bekostiging niet leidt tot verdringing van commerciële lokale media? Wij overwegen op dit punt een motie.
Voorts kijken wij uit naar de beantwoording van onze vragen door de minister. Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors tot 20.35 uur voor de dinerpauze.
De vergadering wordt van 19.49 uur tot 20.36 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de eerste termijn van de zijde van het kabinet, bij monde van de minister, bij de behandeling van de Wijziging van de Mediawet. Ik geef haar daarvoor het woord. Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik hoop dat u allen lekker gegeten hebt.
De voorzitter:
Heerlijk!
Minister Letschert:
Nou, dat is fijn.
De voorzitter:
U ook?
Minister Letschert:
Nou, dat viel tegen. Ik had veel vragen, dus het eten komt hierna.
De voorzitter:
Een late-night dinner.
Minister Letschert:
Ja, een late-night dinner. Dat is helemaal goed.
Meneer de voorzitter. Ik heb een volgorde voor u. Die wilt u altijd graag horen van mij, ...
De voorzitter:
Kom maar op.
Minister Letschert:
… zo weet ik inmiddels uit ervaring. Ik dacht te beginnen met de discussie rondom de aantallen, de 80, dus het verzorgingsgebied en de lokale binding, waar vanavond veel over gesproken is. Dan ga ik door met het tweede blokje; dat gaat over de financiering, de staatssteun en de WNT, dus dat is eigenlijk alles wat met geld te maken heeft. Dan heb ik een derde blokje en dat gaat over de rol van de NLPO, de samenwerking, regio, lokaal, innovatiemogelijkheden, zbo en alles wat daarmee te maken heeft. Dan ga ik nog naar governance en toezicht. Dan heb ik nog een mapje overig. Daar zit onder andere het redactiestatuut in en vragen die zich lenen voor het deel "overig". Ik heb uiteraard ook nog heel veel amendementen, die ik meteen zou willen appreciëren. In met name het onderdeel over de aantallen en de financiering ga ik al twee amendementen meenemen, omdat ze een relatie hebben met die onderwerpen. Alle andere amendementen doe ik dan aan het einde.
De voorzitter:
Uitstekend. Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Is dat een helder overzicht? Oké.
Goed, dan gaan wij beginnen, beste mensen. Ik heb tot 01.00 uur, dus dat is fijn.
De voorzitter:
De Kamer heeft nog langer, hoor, excellentie, en als het moet, u ook!
Minister Letschert:
Ik vind het allemaal prima. Het is hier lekker koel, dus ik sta hier goed.
De voorzitter:
Gaat uw gang
Minister Letschert:
Ik ga allereerst toelichten — die vraag werd namelijk een paar keer gesteld — hoe we aan die 80 zijn gekomen. Dat getal is natuurlijk niet uit de lucht komen vallen. Dat is ook niet door het ministerie verzonnen, maar dat is vanuit de sector zelf op tafel gekomen. Er is een heel proces geweest vanuit de lokale omroepen, onder begeleiding van de NLPO. Zij hebben dat uiteindelijk met elkaar op tafel gelegd. Op enig moment in dat proces is ook een procedure rondom zienswijzen ingericht. Dat betekende dat omroepen die het niet eens waren met die indeling in die 80 gebieden, via een zienswijze kenbaar konden maken dat zij zich daar niet in herkenden en waarom. Dat ging via een zogeheten veranderbestuur, een change board, met een mooi Engels woord. Wat ik heb gedaan toen ik met dit wetsvoorstel verder mocht toen ik binnenkwam, is het volgende. Ik heb met name zowel bij de VNG als bij de NLPO gecheckt hoe dat proces nou is gegaan en of dat inclusief genoeg geweest is. Zij hebben mij verzekerd dat die 80, juist omdat die van bottom-up is gekomen, toch wel een heel belangrijk aantal is om aan vast te houden, ook, nogmaals, omdat wij het niet besloten hebben.
Dat geeft ook meteen de complexiteit van die 80 aan. Op het moment dat je daar 85 of 90 van wilt maken, zeg je eigenlijk dat iemand moet gaan bepalen hoe je dan uiteindelijk vanuit dat bottom-upproces dat tot die 80 heeft geleid, opnieuw gaat kijken omdat er misschien 5 of 10 extra bij komen. Dat gaat natuurlijk ook gevolgen hebben voor de financiering, want die moet dan ook verder verdeeld worden over de hoeveelheid, het aantal méér dat dan op tafel komt. Als je er vijf bij doet, dan gaan er misschien veel meer groepen zienswijzen indienen, en dan ga je daarmee eigenlijk het hele proces, dat al in begin 2020 gestart is, voor een heel groot deel op de schop gooien. Daar zou ik absoluut niet voor zijn.
Tegelijkertijd hoor ik ook heel goed dat uw Kamer zegt: "Dat is wel een heel mooi proces zoals dat nu …" Dat hoor ik u trouwens niet zeggen; dat is wat ik u vertel. Het is een proces dat vanuit de sector zelf is gekomen. "Als je over tien jaar een situatie hebt waardoor die werkelijkheid als het gaat over de aantallen in die verzorgingsgebieden toch zou zijn veranderd, heb je het dan niet te strak dichtgetimmerd in een wettelijke regeling?" Daarover is ook een amendement voorgesteld. Dat geeft eigenlijk het volgende weer. Wat als je het nou in een AMvB regelt, het mogelijk maakt om over tien jaar opnieuw naar die aantallen te kijken, en dan nu bij deze eerste aanwijzing wel vasthoudt aan die 80? Dat is wat het amendement zegt. Ik ga dat amendement dan oordeel Kamer geven, maar ik ga — nogmaals — niet nu de 80 overboord gooien. Ik zou namelijk niet weten hoe we dan in die verzorgingsgebieden opnieuw tot een proces zouden kunnen komen. Dan gaan ze namelijk eigenlijk weer opnieuw doen wat ze de afgelopen bijna zeven jaar met elkaar gedaan hebben, inclusief alle zienswijzen en processen die daarbij horen.
De voorzitter:
Daarmee heeft u welk amendement, met welk nummer, geapprecieerd?
Minister Letschert:
Dat is het amendement op stuk nr. 21
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 21.
Minister Letschert:
Ik geef het dus oordeel Kamer, maar dan lees ik het zoals de tekst ook is verwoord.
De voorzitter:
Dat is het amendement-Ceder/Mohandis, op stuk nr. 21 (36917).
Minister Letschert:
Waarom is dit aantal ook heel belangrijk? Dat is het omdat dit ook in die eerste fase van die tien jaar de voorspelbaarheid en de continuïteit met betrekking tot die financiering wel heel goed vastlegt. Dat is waar de streekomroepen in de toekomst ook op rekenen. Ik kom straks op de financiële kant, bij het amendement daarover.
Nou vroeg u ook aan mij: wat gaat er dan gebeuren met achterblijvende gebieden of met omroepen die in gebieden gehuisvest zijn die zich niet herkennen in die onderverdeling van 80, of met omroepen die zich niet willen aansluiten bij een coalitie van partijen die met elkaar samen willen? Nogmaals, tot aan januari is er nog volop inzet vanuit de NLPO om in elk verzorgingsgebied omroepen te ondersteunen. Uiteindelijk geven de gemeenten en de NLPO binnen die aanwijzingsprocedure een advies over het beleidsplan van de kandidaat-omroepen in dat verzorgingsgebied. Dat ligt vrij, dus er is er voor omroepen die zich daarin willen voegen, een mogelijkheid om dat te doen. Gemeenten en NLPO geven advies, en uiteindelijk gaat de aanwijzing door het Commissariaat voor de Media bekrachtigd worden.
Ik wil uiteraard in de aanloop naar 2028 door de NLPO op de hoogte worden gehouden van de ontwikkeling in die verzorgingsgebieden. Nogmaals, het zijn wel die 80, maar over wat daarbinnen gebeurt is er voor een heel groot deel overeenstemming over wie met wie wil. In de gebieden waar dat niet zo is, zal dat proces nog tot januari 2028 kunnen lopen.
Dan had u ook de vraag hoe we voorkomen dat kleinere gemeenten en dorpskernen structureel minder aandacht krijgen dan de grotere centrumgemeenten. Ik ben zelf op werkbezoek gegaan naar Twente, waar die zorg ook leefde. Een aantal van de kleinere gemeenten maakten zich zorgen dat dan bijvoorbeeld alle aandacht naar Enschede zou gaan. Ik heb ook met de vrijwilligers daar gesproken over hoe zij die ontwikkeling zien. Daar kom ik straks nog op terug. Ik zeg ook hier dat ik harde eisen zal stellen aan de beleidsplannen die lokale omroepen moeten maken om die aanwijzing te krijgen. Ze moeten daarin ook echt laten zien dat ze het volledige gebied bedienen en niet alleen in het geval van mijn voorbeeld Enschede.
Ook over deze vereiste — en dat is wel heel belangrijk — adviseert de gemeenteraad of de gemeenteraden in dat verzorgingsgebied. Die hebben daar dus een heel duidelijke stem in. Ook de kleinste gemeenteraad heeft die positie en ook dat advies wordt dan betrokken bij die aanwijzing. Gedurende die aanwijzingsprocedure wordt het beleidsplan, inclusief de voornemens over de lokale binding, geëvalueerd. Ik kom straks nog terug op die hele evaluatie, niet zozeer van de wet, maar van hoe dit tussentijds kan worden bijgehouden, ook om verschraling en het verdwijnen van lokale identiteiten te blijven monitoren. Maar dat doe ik in het mapje governance en evaluatie.
Ik deel dat de band met de directe leefomgeving nou echt de kracht van de lokale omroep is. Dat wil ik ook uitspreken hier. Dat is ook de zorg die we hebben als we dit niet doen. Want we vergeten af en toe dat als we nu niets doen, stel uw Kamer zou zeggen — dat hoor ik u trouwens helemaal niet zeggen — "we houden wat we hebben en we doen wat we deden", dan heb ik heel erg veel zorgen over heel veel van die lokale omroepen. Je ziet namelijk nu dat een derde van die omroepen te maken heeft met een enorm tekort op de begroting. We zien dat een derde van de gemeenten niet het richtsnoerbedrag betaalt dat ze vanuit de VNG zouden moeten betalen; die betalen dus minder. Met die situatie hebben we nu dus sowieso al te maken. Als wij allemaal hechten aan het behoud van onze lokale omroepen, dan is dit wel echt een manier om deze stap te gaan zetten.
Maar nogmaals, ik hoor u hier allen zeggen en mevrouw Van der Plas heel direct: de band met die directe leefomgeving is de kracht, maar dan moet die lokale omroep ook de slagkracht hebben om die functie te vervullen. Ik neem dan ook meerdere maatregelen om die binding te verzekeren. Het zijn hier namelijk allemaal mooie woorden, maar dat zal ook voor u niet voldoende zijn. We zullen de positie van het pbo, met de geweldige naam Programmabeleid bepalend orgaan ... Ik had echt liever een andere naam gehad. Ik vind dit ook niet echt een heel sexy naam, maar in ieder geval is dat nu wel de naam, Programmabeleid bepalend orgaan, want dat vertegenwoordigt in die streek een heel belangrijke rol en speelt ook een belangrijke rol in het beleid van een omroep. Nogmaals, ik stel harde eisen aan de beleidsplannen die de lokale omroepen moeten maken om die aanwijzing te krijgen. Ze moeten laten zien hoe ze dat hele gebied bedienen, hoe ze gaan samenwerken met vrijwilligers en lokale organisaties, en gemeenten krijgen wederom een echt stevige rol in die procedure.
Meneer de voorzitter. Nu is in het debat ook aangegeven dat het pbo niet alle gemeentes vertegenwoordigt en dat u eigenlijk vindt dat het pbo daardoor te smal is. Ook naar dat amendement zal ik positief kijken, in de zin dat het oordeel Kamer kan krijgen.
De voorzitter:
Welk nummer heeft dat amendement?
Minister Letschert:
Dat heeft nummer ... Dat zit waarschijnlijk net in mijn andere mapje, maar de heer Mohandis weet het.
De voorzitter:
Naast mij hoor ik 18.
Minister Letschert:
18?
De voorzitter:
Vertegenwoordiging van iedere gemeente in het pbo.
Minister Letschert:
Pbo.
De voorzitter:
Ja, pbo.
Minister Letschert:
O, ik dacht dat u "pwo" zei.
De voorzitter:
Nee, nee, nee, ik zei pbo.
Minister Letschert:
Ja, pbo. Dan vroeg mevrouw Van der Plas: hoe zorg je nou dat de verschillende stromingen die in dat pbo vertegenwoordigd zijn, voldoende verankerd zijn? Ook hier hebben de gemeentes een adviserende rol en uiteindelijk ook de omroep. De lokale omroep moet laten zien dat die verschillende stromingen vertegenwoordigd worden, ook in dat pbo, en dit vind ik ook echt iets wat we in die evaluatie goed mee moeten nemen. Nogmaals, uiteindelijk is de kracht om de lokale identiteiten, die niet homogeen zijn in één verzorgingsgebied … Daarom hebben sommige verzorgingsgebieden een dusdanige omvang dat je dat echt moet borgen. Dat is de manier waarop we dat voor ogen hebben.
Voorzitter. Ik ga daar meteen op door. Mevrouw Van der Plas vroeg: hoe ga je dat dan concreet maken? In het tweede jaar van de aanwijzing moeten de lokale omroepen een zelfevaluatie doen, waarbij ik expliciet ga vragen naar dit specifieke punt. Hoe borg je nou dat de lokale identiteiten voldoende tot uiting komen in wat mensen zien en horen vanuit de verschillende kanalen die zij tot zich kunnen nemen? De omroepen moeten in die zelfevaluatie dus toetsen hoe zij uitvoering hebben gegeven aan de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, zoals omschreven in de beleidsplannen.
De heer Mohandis (PRO):
Ik ga nog even terug naar de huidige situatie bij lokale omroepen. Er is vooral sprake van een zwaar adviesrecht van gemeenteraden. Vaak is de praktijk dat het Commissariaat voor de Media dat overneemt. Nu gaan meerdere gemeenteraden adviseren over een of twee voorstellen. Daarom hebben wij geprobeerd om de wet sterker te maken, zodat alle gemeenten binnen zo'n verzorgingsgebied worden bediend. De minister heeft het over het adviesrecht alleen, maar wij vinden dat net niet voldoende om dat te garanderen, dus vandaar al die amendementen.
Minister Letschert:
Wat ik in uw amendement lees …
De voorzitter:
In het amendement van de heer Mohandis.
Minister Letschert:
Sorry. Ik lees in het amendement van meneer Mohandis dat het pbo uitgebreid moet worden. Dat is waarom ik het amendement motie Kamer ga geven.
De voorzitter:
Oordeel Kamer.
Minister Letschert:
Ja, sorry.
De voorzitter:
Dat gaat om het amendement op stuk nr. 18.
Minister Letschert:
Yes. We komen er wel! Het is al laat, hè?
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Ik kom op de verhouding lokaal-regionaal. Ik kreeg een prachtige vraag van het CDA over hoe ik dan de verhouding tussen de lokale en de regionale publieke media zie over vijf tot tien jaar. Er werd gevraagd: hoe wordt voorkomen dat de lokale identiteit uiteindelijk helemaal verdwijnt en je uiteindelijk opgaat in de regionale structuren? Dat is nou net wat we niet willen. Dat is waarom we deze wet voorstellen. In mijn toekomstbeeld hebben we over vijf tot tien jaar een professionele laag van lokale publieke media. Waar de regionale omroepen zich echt richten op de provincie, zijn de lokale omroepen de nieuwsbron in alle lokale gebieden. Het is complementair en werkt vice versa. We weten dat de NLPO en de RPO al langer een journalistieke alliantie met elkaar hebben gesloten. Die alliantie is bedoeld om de lokale en de regionale samenwerking te versterken, maar ook om vast te stellen wie van wat is. Het is de bedoeling om elkaar daarbij niet te overschaduwen. Ik hoor terug dat de samenwerking binnen die alliantie heel goed loopt. Gelet op innovatie en samenwerking, die nodig is, weten lokale en regionale publieke media elkaar heel goed te vinden. Ze werken vooral samen via het project Bureaus Lokaal, waarin verschillende samenwerkingsvormen rondom content, afstemming en techniek op dit moment al plaatsvinden. Ik vind het fijn dat met dit wetsvoorstel nu ook de lokale omroepen nog meer versterkt worden om een stevige partner te zijn in die alliantie.
Dan ga ik naar de vrijwilligers, meneer de voorzitter. Dat is een onderwerp waar ik alle Kamerleden vol passie over heb horen spreken. De lokale omroep gaat niet alleen maar journalistiek verzorgen. We hebben gezegd: de lokale journalistiek staat onder de druk; dat is een bedreiging van onze democratie. Alle rapporten waar ook deze Kamer naar verwijst, geven dat aan. Daar is dit wetsvoorstel enorm belangrijk voor. Tegelijkertijd zijn de lokale omroepen ook heel belangrijk om allerlei cultureel aanbod, verenigingsaanbod ook te laten zien via hun televisie, radio en onlinekanalen. Dat doen ze voor een heel groot deel met vrijwilligers. De vrijwilligers die ik gesproken heb, doen dat met zo veel passie dat het bijna een 24/7-levensinvulling is.
Die vrijwilligers blijven dus enorm belangrijk. Wat mij betreft zijn zij de ogen en de oren van de buurten, dorpen en steden. Het voordeel van dit wetsvoorstel is dat die vrijwilligers in een meer professioneel aangestuurde organisatie beter aan bod kunnen komen, bijvoorbeeld met trainingen en betere faciliteiten bij die omroepen. De omroepen weten ook dat zij de vrijwilligers keihard nodig hebben.
Ik wil benadrukken dat de gemeenteraden ook gaan adviseren over de inzet van de vrijwilligers. Dat is dus niet iets waar we niet naar gaan kijken. Ook die gemeenteraden zullen dat doen. In de aanwijzingsprocedure is dit een heel belangrijk punt.
Verder ga ik ook met de NLPO praten, in het kader van hun concessiebeleidsplan, over de inzet van de vrijwilligers en over het punt dat we die terug willen zien. Dat is, denk ik, heel belangrijk, anders denkt u: die vrouw praat veel. Maar er komt ook een prestatieovereenkomst met de NLPO en het ministerie, waarin ik terug wil zien hoe die vrijwilligers geborgd zijn in het concessiebeleid. De rol van de vrijwilligers is dus niet zomaar een vrijblijvendheid. De omroepen moeten ook in hun eigen beleidsplannen duidelijk maken hoe zij de vrijwilligers uit het hele verzorgingsgebied willen inzetten en hoe zij actief willen samenwerken met de lokale partners. Via de periodieke omroepevaluaties volg ik of de lokale verankering en de betrokkenheid van de vrijwilligers daadwerkelijk behouden blijven, om ook hiermee te zorgen dat we bepaalde waardevolle culturele vormen die we willen blijven zien, inderdaad nog zien en dat de betrokkenheid van de vrijwilligers daadwerkelijk behouden blijft.
Meneer de voorzitter, ik heb alle vragen over het aantal verzorgingsgebieden, de binding en de vrijwilligers naar mijn smaak beantwoord.
De voorzitter:
Vervolgt u met de financiering.
Minister Letschert:
Ja, de financiering. Uiteindelijk is dat ook een heel belangrijk onderwerp. Ik merk, ook in de brieven die ik krijg, dat er heel veel discussie is over de vraag of het nou meer of minder geld is. U kent inmiddels mijn visie daarop, want die staat ook in de voorstellen. Ik zal die toch nog kort schetsen. Er is straks ruim 31 miljoen beschikbaar voor lokale omroepen. Daarnaast is er 3,5 miljoen beschikbaar voor uitvoeringskosten. Dat bedrag is geoormerkt en dus niet van die 31 miljoen. Bij uitvoeringskosten moet u denken aan de kosten voor NLPO en het Commissariaat voor de Media. Dat bedrag is geoormerkt en gelabeld. Ik vind het heel belangrijk om dat te benoemen; het is dus niet zo dat er vanuit de 31 miljoen die we willen zien bij de lokale omroepen, een bedrag gaat naar de uitvoeringskosten bij wat u de "managementlagen" noemde. Dit is ruim 5 miljoen meer dan er in 2024 in totaal naar de lokale omroepen ging vanuit de gemeenten. Dat bedrag gaan we dus verdelen over minder omroepen, die met elkaar de schaalvergroting en de versterking kunnen realiseren. Het geldt voor een looptijd van vijf jaar. We hebben dus continuïteit en stabiliteit. Nu geldt het vaak voor één jaar. Ik denk dat die zekerheid en continuïteit heel belangrijk zijn.
Het verschil van inzicht zit erin dat partijen de tijdelijke middelen die vanuit het Stimuleringsfonds zijn gekomen, erbij optelden als zijnde structurele middelen, maar dat waren tijdelijke middelen die bedoeld waren ter ondersteuning van het proces naar deze stelselwijziging toe. Het was echt bedoeld als transitiegeld. Net zoals we in de covidtijd in het onderwijs NPO-middelen gaven, hebben we deze omroepen transitiemiddelen gegeven om deze slag te maken inclusief de discussie over in de richting van die 80 gaan. Nogmaals, dat hebben ze zelf gedaan en dat konden ze al in de samenwerking gaan verkennen. Het was dus tijdelijk geld. Ik blijf daarom staan voor het feit dat er nu meer structureel geld naar de omroepen gaat op rijksniveau om die journalistieke onafhankelijkheid nog meer te borgen dan als we het op lokaal niveau houden.
U heeft mij de vraag gesteld hoe ik voorkom dat gemeenten in de toekomst afhaken bij het steunen van lokale omroepen. Even voor de cijfers: er zijn op dit moment negen gemeenten die in 2024 zorgden voor 76% van de additionele bekostiging. Het ging daarbij om een totaalbedrag van 3,7 miljoen. Dus nogmaals: negen gemeenten zorgden in 2024 voor die additionele bekostiging. Dat is hartstikke fijn. Ik hoop ook echt dat ze dat in de toekomst continueren. Ik wilde dat toch even schetsen, zodat we allemaal weten waar we het over hebben.
Ik wil ook in deze wet mogelijk maken dat gemeenten vanaf 2028 kunnen blijven bekostigen naast de rijksbegroting. Ik ben continu met de VNG in contact om die erop te wijzen dat dit kan en om gemeenten te helpen om deze optie te benutten. Nou zegt u in een van uw amendementen — ik kom dadelijk op het nummer — dat u het eigenlijk wel heel vervelend vindt dat een gemeente dat al geregeld moet hebben vóór de aanwijsperiode, die vijf jaar geldt. U vraagt in het amendement of er niet meer flexibiliteit kan zijn door een gemeente in staat te stellen per jaar wat additionele financiering toe te voegen. Dat is eigenlijk wat u met uw amendement vraagt. Mijn inzet is altijd geweest om het op een laagdrempelige manier mogelijk te maken dat gemeenten kunnen blijven financieren, maar het moet helaas wel — sorry, "helaas" mag ik niet zeggen — binnen de staatssteunregels passen. Daar hebben we uiteraard met een team van juristen naar gekeken. Maar ik hoor ook echt uw zorgen. Ik zie er ook het belang van in dat gemeenten tijdens die vijf jaar een bijdrage kunnen leveren. Als de Kamer mij daartoe een voorstel doet, dan zal ik dus goed naar dat amendement kijken. Dat doe ik dan waarschijnlijk … Is het een motie? Volgens mij was het een amendement.
De voorzitter:
"Het amendement op stuk nr. 15, van de leden Ceder en Mohandis, ziet toe op de mogelijkheid gedurende de eerste aanwijzingsperiode aanvullende middelen beschikbaar te stellen."
Minister Letschert:
Precies. Dat zou betekenen dat gemeenten per jaar die mogelijkheid zouden moeten krijgen. Dan zou ik het aanwijzingsbesluit in dat jaar ook moeten aanpassen, omdat het wel moet passen binnen die publieke mediaopdracht waarvoor ze dat geld krijgen, want anders wordt het gezien als overcompensatie. Ik denk dat ik een mogelijkheid heb om dat te honoreren. Als u mij dit straks bij het doorgeven van de amendementen verzoekt, ga ik daar in de tweede termijn de volledige appreciatie op geven.
De voorzitter:
Ik verzoek u niks, maar het is, denk ik, een verzoek van de heren Mohandis en Ceder. Zij zijn de indieners van het betreffende amendement. Meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik probeer de minister goed te begrijpen. Er ligt natuurlijk al een amendement. Volgens mij delen we de wens om gemeenteraden in staat te kunnen stellen om bij te kunnen dragen zonder dat dit leidt tot overcompensatie. Begrijp ik goed dat de minister zegt dat ze niet met dit amendement uit de voeten kan maar wel graag een opdracht zou willen vanuit de Kamer? Zo ja, wil ze dan dat we het amendement aanpassen, of vraagt ze om een motie?
Minister Letschert:
Nee, ik vraag …
De voorzitter:
Ho. Meneer Ceder was nog aan het woord.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben gewoon benieuwd wat u van de Kamer vraagt.
Minister Letschert:
Ik vraag aan de Kamer of ik in de tweede termijn nog een keer kan kijken naar die tekst die u heeft ingediend, zodat ik het amendement dan volledig oordeel Kamer kan geven. Het moet dan wel passen binnen de staatssteunregels en de mogelijkheden daarbinnen. Maar dan kunnen we het meteen vandaag doen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat vind ik goed. Ik begrijp dus dat op het ministerie van OCW momenteel twintig wetgevingsjuristen bezig zijn om tussen nu en een uur het antwoord in tweede termijn af te hebben?
Minister Letschert:
Ja.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Nou, prima. Dan wachten we dat af.
Minister Letschert:
Daar komt het eigenlijk op neer.
De voorzitter:
Dan horen we dat in de tweede termijn.
De heer Mohandis (PRO):
Ik moet niet gaan interpreteren wat de minister zou willen zeggen — dat zou ik nooit durven — maar ik raakte in de veronderstelling dat de minister vroeg of het dan niet met een motie kon.
Minister Letschert:
O, nee, nee.
De heer Mohandis (PRO):
Maar zo heb ik het dan niet gehoord. Het amendement is namelijk al ingediend. De appreciatie is dat er nog dingen moeten worden uitgezocht om goed te kunnen appreciëren. Zo heb ik het nu begrepen. Er ligt dus nu nog geen oordeel over het amendement op stuk nr. 17. Maar dat gaat nog komen. Klopt dat?
Minister Letschert:
Ja.
De voorzitter:
U bedoelt 15.
De heer Mohandis (PRO):
Excuus. 15.
De voorzitter:
Dus de minister zegt hiermee toe met een definitieve appreciatie te komen in de tweede termijn.
Minister Letschert:
Ja, dan kom ik met een appreciatie op het amendement op stuk nr. 15. Ik ga die er ook even uithalen. Ik vind het nog best knap in een halfuur.
De voorzitter:
Als het maar in twee termijnen gebeurt, dan komt het allemaal goed.
Minister Letschert:
Goed, voorzitter. De heer Van der Maas vroeg hoe we kunnen voorkomen dat additionele bijdragen alsnog leiden tot een nieuwe afhankelijkheidsrelatie of een nieuwe invloedsrelatie, want dat is niet wat je wil. We hebben de onafhankelijkheid juist op meerdere manieren geborgd in dit wetsvoorstel. De aanvullende bekostiging die gemeentes dan mogelijkerwijs per jaar zouden kunnen toekennen ter uitoefening van die lokale publieke mediaopdracht voor dat gehele verzorgingsgebied, mag niet in strijd zijn met de Mediawet. De gemeenten mogen tijdens die aanwijzingsprocedure of tijdens de herziening van dat besluit — maar daar kom ik in de tweede termijn nog per jaar op terug — niet iets doen dat betrekking heeft op media-inhoud. Die onafhankelijkheid blijft daarmee dus geborgd.
Meneer de voorzitter. Ik ga door met de vraag van de heer Ceder waarom er bij de regionale publieke omroepen geen risico is op overcompensatie of strijd met de staatssteunregels. Dat zit 'm in het feit dat er geen cofinanciering door de provincie is voorzien in de Mediawet, noch in het Mediabesluit. De specifieke staatssteunproblematiek van dit wetsvoorstel doet zich op het regionale niveau dus niet voor. We wilden de gemeenten in dit voorstel juist de mogelijkheid bieden om, als iets past bij de publieke mediaopdracht, de financiering lokaal te kunnen continueren. Vandaar dat dat het verschil is.
Voorzitter. Dan ga ik door met de vraag of er niet een onafhankelijk advies moet komen over hoeveel geld er nodig is voor de lokale publieke omroep om uitvoering te kunnen geven aan de mediaopdracht op lokaal niveau. We hebben natuurlijk al heel veel adviezen gehad. Er is een pakket aan maatregelen rondom kwaliteit en professionaliteit, die ook is gebaseerd op adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur en de Raad voor Cultuur. Ik heb net uitgelegd dat dit een hoger bedrag is dan wat de omroepen nu krijgen. Nogmaals, dat geldt niet voor die tijdelijke transitieperiode. Wat ons betreft is dat bedrag toereikend om de journalistieke basisfuncties te bekostigen. Maar ik ga uiteraard via monitoring de komende jaren de vinger aan de pols houden als het gaat over de hoogte van de financiering inclusief de rol van gemeenten daarin. Ik zie nu dus eerlijk gezegd geen reden om onafhankelijk advies te vragen over hoeveel geld er nodig is voor lokale publieke omroepen.
De heer Mohandis (PRO):
Even terug naar het punt van incidentele middelen die nu gaan aflopen. Anders krijgen we een soort welles-nietes over wat het vaste budget is, wat het vaste budget vanuit gemeenten was en of het vaste budget nu hoger of lager wordt. Het belangrijke is dat er een feitelijke situatie is bij veel lokale omroepen. Zij zeggen: als wij straks gaan starten, willen we voorkomen dat we nu heel veel mensen hebben aangenomen, ook met incidentele middelen, die we dan weer moeten ontslaan. Daar zit de zorg. Is de minister bereid om dat richting 2028 heel goed in de gaten te houden en niet met een soort achterstand te starten, terwijl er een andere bedoeling was?
Minister Letschert:
Zeker. Daar heb ik ook een antwoord op. Dat zit ergens later in het mapje. Daar is de situatie dat de incidentele middelen vanuit het Stimuleringsfonds nog lopen tot eind '27 om dat gat op te vangen.
De heer Mohandis (PRO):
Dat weet ik. Dat is het punt niet. Het punt is, en dat blijft een zorg … Het is niet alleen onze zorg, maar ook van de VNG, de NLPO — ik kan ze allemaal gaan opnoemen. Het belangrijkste punt dat zij maken is het volgende. Ze zijn er op zich tevreden mee dat er een basisbudget wordt vastgesteld in het wetsvoorstel, maar er zijn incidentele middelen die jaren zijn doorgelopen. Dat zijn mensen. Dat geld zit niet in een boom; dat zijn gewoon mensen die in dienst zijn van een lokale omroep. Als dat afloopt, hoop je niet dat het doel was om journalistiek te versterken en dat die mensen dan moeten worden ontslagen, omdat het incidenteel geld was. Dat is het zorgpunt. Ik zeg niet dat de minister het helemaal moet oplossen. Ik zeg wel richting de minister, via u, voorzitter: heb nou scherp dat dit tot problemen kan leiden en ga dan gericht, wat mij betreft heel chirurgisch, kijken wat u kan betekenen voor deze situaties.
Minister Letschert:
Ik moet daar echt even in de tweede termijn op terugkomen, ook om goed te kunnen checken welk probleem dit zou kunnen opleveren in het licht van het feit dat de incidentele financiering doorgaat tot het einde van de fase en dat snel daarna die nieuwe fase gaat beginnen. Ik ga daar in de tweede termijn dus echt op terugkomen, voordat ik hier wartaal ga uitslaan. Dan kan ik iets meer zeggen dan "jammer van het probleem".
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Mohandis (PRO):
Prima. Ik geef ook toe dat incidentele en vaste geldstromen door elkaar lopen in de sommetjes van wat het was en wat het wordt. Mijn punt is: laten we feitelijk kijken hoe die situatie is, ook eind '27, om te voorkomen dat er door die incidentele middelen onnodig hele goede journalisten, die aangenomen zijn om dit wetsvoorstel uit te voeren, om het maar even zo te zeggen, weer worden ontslagen. Dat is ons zorgpunt. Het is goed om daar in de tweede termijn op terug te komen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Aanvullend daarop denk ik dat omroepen ook wel wat duidelijkheid willen hebben over welke ruimte er dan eventueel na 2027 nog is. Stel dat er dan bijvoorbeeld meer geld nodig is; is dat er dan, of kunnen ze daar dan aanspraak op maken? Het is nu namelijk toch wel een beetje vaag, denk ik. Er wordt gezegd "we gaan ernaar kijken", maar de vraag is of er dan wel geld beschikbaar is. Wij hebben kort in het kabinet gezeten. Ik weet dat de minister van Financiën een hele strenge boekhouder is en dat het heel moeilijk is om daar geld los te peuteren, om het maar even plastisch te zeggen. De behoefte bij de lokale omroepen is natuurlijk wel … Wat dan? Wat als er meer geld nodig is? Dat blijft nu toch een beetje in het luchtledige hangen, vind ik.
Minister Letschert:
Dat begrijp ik. Ik heb wat additioneel budget vanuit de middelen in het coalitieakkoord, toegevoegd aan de lokale omroepen in het voorstel dat ik aan uw Kamer doe. Dat is waarom ik ben uitgekomen op een bedrag van 31 miljoen. Ik heb nu niet meer geld in mijn achterzak. Dat betekent dat, op het moment dat de analyse waar u mij om vraagt, waar ik dadelijk in de tweede termijn op terugkom … Dan zal ik niet de hele doorwrochte analyse hebben, hoor, maar wel een beter antwoord dan net. Dan ga ik kijken: wat zou dat betekenen? Maar nu een verwachting creëren dat ik additioneel geld heb voor de lokale omroepen, bovenop wat ik extra heb toegevoegd, kan ik nu niet toezeggen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is wel een beetje het zorgpunt, natuurlijk. Ik snap dat de minister niet kan zeggen: ik heb nog 30 miljoen extra op de plank liggen en als het nodig is ga ik dat geven. Dit is nou juist waar onze zorgen een beetje liggen. Het is best wel onzeker. De heer Mohandis geeft heel terecht aan: het gaat wel over mensen die worden aangenomen en straks misschien wel moeten worden ontslagen. Dus als daar op de een of andere manier toch wat meer duidelijkheid over kan komen, dan geeft dat lokale omroepen en gemeenten toch wat meer zekerheid. "Nee" is ook een antwoord. Als het antwoord "nee" is, kunnen zij daar in ieder geval de komende anderhalf jaar op anticiperen en kijken hoe het dan eventueel wel kan. Maar nu blijft het toch een beetje te vaag wat mij betreft.
Minister Letschert:
Precies. Daarom kom ik er in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van het onderdeel over financiering?
Minister Letschert:
Nee, nog net niet, meneer de voorzitter.
De voorzitter:
O, nou …
Minister Letschert:
Want er waren nog vragen over de reclame-inkomsten. Waarom is er geen expliciet verbod op reclame in de wet? Misschien is het ook hier goed om te zeggen: er gelden al beperkende maatregelen voor reclame op de lokale publieke omroepen. Die maatregelen hebben als doel om de positie van de omroepen op de reclamemarkt niet te groot te laten zijn, zodat er ruimte blijft voor onze private mediapartijen, ook op die lokale markten. Tegelijkertijd is deze stelselherziening bedoeld om de lokale publieke omroepen te versterken. Daardoor vergroten we dus ook de financiering vanuit de overheid. Als ik op dit moment de reclameruimte weer ga inperken, staat dat haaks op het uitgangspunt van de versterking. Op dit moment komt ongeveer 10% van de middelen van de lokale omroepen uit reclame. Dat zit as we speak in hun financiering. Op dit moment ben ik dus niet voornemens om met dit wetsvoorstel de mogelijkheden van de lokale publieke omroepen te beperken.
Dan was er ook een vraag over wat nou de precieze impact is op de advertentiemarkt. Dat is moeilijk te voorspellen. Dat is namelijk ook afhankelijk van verschillende factoren, zoals de mate van bereik van de lokale omroep en de mate waarin adverteerders denken via de omroep hun doelgroep te kunnen bereiken. Zoals ik net zei: de mogelijkheden voor reclame op de lokale publieke omroep zijn ten opzichte van de commerciële mediapartijen sowieso beperkt door de bestaande bepalingen in de Mediawet, met name vanwege het doel om de concurrentie met de private partijen te beperken.
Dan was er nog een laatste vraag die over geld gaat: gaat het geld niet naar overhead, in plaats van naar journalistiek? Nogmaals, de geoormerkte gelden voor de additionele uitvoeringslasten zitten niet in de 31 miljoen. Wat betreft overhead op het lokale niveau is het uiteindelijk ook aan het pbo om de vinger aan de pols te houden. Bovendien wordt iedere lokale omroep verplicht een zelfevaluatie te doen na twee jaar. Indien nodig kan ook de NLPO een onafhankelijke evaluatie laten uitvoeren als er zorgen zouden zijn dat er heel veel geld naar allerlei tussenlaagjes zou gaan. Uiteraard houdt het commissariaat weer toezicht op de doelmatigheid bij de NLPO.
Meneer de voorzitter. Als laatste kom ik bij een vraag die ook over geld ging. Ik zeg dit ook richting meneer Mohandis. Ik ben voornemens om te regelen dat er voor de lokale omroepen een lager WNT-maximum gaat gelden. Die zorg is er ook bij mij. Er lopen al verkenningen wat betreft verschillende rangschikkingen in de WNT-schaal, specifiek voor de lokale omroepen. Daar kom ik op terug, maar dat proces loopt dus al.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik hoor de minister zeggen dat het onoverzichtelijk en lastig te duiden is in hoeverre de reclamemogelijkheden van de lokale omroepen invloed hebben op de commerciële markt. Dat is nou precies mijn zorg. Dat vind ik ook een groot vaag punt in dit wetsvoorstel, eerlijk gezegd. Ik zou toch graag iets scherper willen hebben hoe de minister denkt verdringing en concurrentievervalsing ten opzichte van commerciële media-aanbieders te voorkomen of in kaart te brengen.
Minister Letschert:
Zoals ik net zei: het is echt moeilijk om dat te gaan verkennen vanaf deze positie, terwijl ze nog moeten starten. De mediaregels blijven gelden zoals ze zijn. Die gaan ook over de hoeveelheid tijd en het type content. Dat blijft allemaal bestaan. Dat is al mede ingericht met als doel om de concurrentie met de private partijen te beperken.
Ik zou wel willen voorstellen om de discussie te voeren als we het over het hele omroepbestel gaan hebben. Wij gaan namelijk een gesprek met elkaar hebben over het landelijke omroepenstelsel en de Mediawet, waarin we ook moties hebben liggen rondom reclame. Het zou het hele stelsel rondom de financiering zoals we het nu in kaart hebben gebracht, op zijn kop gooien als ik nu ten aanzien van de lokale omroepen zeg: we gaan nu een beperkende maatregel opleggen. Maar ik begrijp ook dat de Kamer behoefte heeft aan een gesprek over reclame bij publieke omroepen in relatie tot mogelijkheden bij de commerciële partijen.
Overigens ben ik gisteren bij een deel van de nationale private commerciële media-omroepen op gesprek geweest. Die zien überhaupt steeds meer dat de markt wat betreft advertentie- en reclame-inkomsten voor 80% naar Amerikaanse aanbieders gaat en dus niet naar de Nederlandse publieke en private partijen. Dit vergt dus sowieso een gesprek, denk ik, maar dat zou ik heel graag willen doen op het moment dat we het over de landelijke stelselherziening hebben.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Met dat laatste punt ben ik bekend. Ik geloof ook dat er van de landelijke media, zowel commercieel als publiek, wordt gevraagd om daar onderling een soort convenant over te sluiten, maar dat is een andere discussie. Ik zoek even naar een manier om een motie misschien niet te hoeven indienen, want dat is allemaal weer gedoe. Als deze wet wordt aangenomen, is het dan een optie om de concrete toezegging te doen dat hier op korte termijn een goede analyse van wordt gemaakt en dat er wordt bijgestuurd als blijkt dat de commerciële markt er heel erg onder te lijden heeft? Ik wil dat echt voorkomen.
Minister Letschert:
Ook hier ga ik in de tweede termijn op terugkomen. Ik moet goed weten of ik dat soort type gegevens op korte termijn kan analyseren en op tafel kan krijgen, zodat ik u daar informatie over kan geven. Die checkvraag doe ik even en dan kom ik daar in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
U vervolgt met de rol van de NLPO, samenwerking en innovatie.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. Ik kreeg een vrij technische vraag: waarom is ervoor gekozen om van de NLPO geen zelfstandig bestuursorgaan te maken, maar een rechtspersoon met een wettelijke taak? Dat is anders bij de NPO. Zij krijgen openbaar gezag. Deze keuze is gemaakt omdat wij vinden dat datgene wat nodig is in het domein van de lokale publieke omroepen, ook via deze constructie gaat werken. Aan de ene kant is er het belang van de gezamenlijkheid en de rol van de NLPO ten behoeve van de gezamenlijke koers. Aan de andere kant is er ook het belang van de autonomie voor onze lokale omroepen, dus de eigenheid van de lokale omroepen die de publieke mediaopdracht uitvoeren, op een manier die echt past bij dat specifieke, lokale verzorgingsgebied, vanuit de binding, nogmaals, met de directe leefomgeving van mensen. Wij menen dat de juiste balans tussen autonomie en gezamenlijkheid is gevonden met de keuze voor de NLPO als rechtspersoon met de wettelijke taak, maar niet met openbaar gezag. De NPO heeft veel meer coördinerende kanalen, waardoor ze ook veel meer bevoegdheden daarin moeten hebben dan we eigenlijk vinden dat de NLPO moet hebben. Die willen we liever wat zachte invloed geven dan die hardere kant. Daar zit echt wel een gedachte achter.
Dan kwam de volgende vraag. Waarom is er gekozen voor de combinatie van taken bij de NLPO? Wordt dat niet een te rigide construct? Welke ruimte blijft er bestaan voor de lokale omroepen? Dat willen we namelijk allemaal, denk ik. De NLPO kan een gezamenlijke koers uitzetten en kan bepaalde aspecten optuigen om het collectief beter of doelmatiger te maken. Dan moet u denken aan trainingen en opleidingen voor journalisten, maar misschien ook wel voor de vrijwilligers, op het gebied van innovatie, aan modelreglementen voor zo'n pbo, aan de gezamenlijke accountant, of aan hoe je makkelijk bij de kabelaar komt; ik noem echt even wat voorbeelden. Daarbij kan NLPO een coördinerende rol spelen. Tegelijkertijd willen we dat de koers die omroepen binnen hun eigen organisatie kiezen, ook voldoende ruimte voor die organisaties maakt. We weten echter ook uit de rapporten die er liggen dat er nu te veel versnippering is en te weinig samenwerking, en dat de NLPO hier een heel mooie rol in kan spelen; vandaar hebben we voor die NLPO-constructie gekozen.
Dan ga ik door, meneer de voorzitter. Waarom gaan we niet meer inzetten op samenwerking met private partijen? Dat is met name een vraag vanuit de VVD. Nu werken partijen al regelmatig met marktpartijen samen om bijvoorbeeld tot een collectief dienstenaanbod te komen voor infrastructuur en digitalisering. Dat kan nog steeds. Dat moet allemaal ook marktconform, gezien alle mediawetten, maar die samenwerking gaat niet veranderen vanuit de rol die NLPO heeft in het geheel, zoals ik die net heb geschetst. Het is belangrijk dat tijdens die aanwijzingsperiode … Wij gaan natuurlijk ook die evaluaties blijven doen. Ook wij gaan dus blijven monitoren hoe dit zich ontwikkelt.
Meneer de voorzitter. Er was ook nog de vraag: er zijn wat verbeteringen genoemd, zoals meer betaalde krachten, 24/7 bereikbaarheid en medewerkers in de cao; gaan wij sturen op dat soort verbeteringen, zodat die daadwerkelijk gaan gebeuren, en hoe doen we dat dan? Ik denk dat ik hier kan zeggen dat we echt wel zien dat er door die transitiefase met de stimuleringsmiddelen uit het Stimuleringsfonds al professionalisering plaatsvindt. Daar hebben kwartiermakers aan gewerkt. We zien dus al effect voordat het wetsvoorstel überhaupt al is gestart. Tijdens de aanwijzingsperiode zullen de lokale omroepen een zelfevaluatie gaan uitvoeren. Ook de NLPO kan een onafhankelijke evaluatie uitvoeren om te zien of die verbeteringen plaatsvinden. De signalen uit de evaluaties zullen ook kunnen worden vertaald in concrete verbeterpunten en maatregelen voor de omroepen.
Meneer de voorzitter. Dan ga ik door met de vragen die erover gingen of er dan toch niet allerlei ingewikkeldheden komen met samenwerking, bijvoorbeeld met de G4-gemeenten. Denk bijvoorbeeld aan extra frequentieruimte voor het uitzenden van FunX. Er zijn geen wijzigingen opgenomen in dit voorstel die impact hebben op die samenwerking. Er blijft in de G4-gemeenten dus extra frequentieruimte beschikbaar voor het uitzenden van dit kanaal, ook omdat we het natuurlijk belangrijk vinden dat deze grootstedelijke jonge doelgroep wordt bereikt. De wet verandert daar dus verder helemaal niks aan.
Dan was er de vraag of er een rol voor de NLPO is om kennis over wat werkt — het ging over onlinebereik, jongeren en algoritmes — actief in te zetten en op die manier innovatie structureel aan te jagen, zodat niet elke omroep in z'n eentje het wiel uitvindt. Ja, dat is nou precies een rol voor NLPO. Daar kan zij ook haar meerwaarde laten zien. Zo wordt de versnippering van kennis en ervaring voorkomen. Ik zou het ook mooi vinden als dat in afstemming met de andere lagen binnen het publieke bestel tot meerwaarde kan groeien, zowel bij de regionale laag als landelijk.
Hoe ga ik dat monitoren? Want het klinkt natuurlijk allemaal weer heel mooi. Daar hebben we het concessiebeleidsplan voor. Daarin moet je opnemen hoe je samenwerkt, ook met regionale en landelijke oproepen, trouwens. Ook de lokale omroepen moeten in hun beleidsplannen opnemen hoe ze samenwerken binnen het publieke bestel. Dat kan ook met een andere lokale omroep zijn. Dat doen ze nu ook al. Het kan ook met een regionale omroep of met de NOS. De NLPO gaat hier ook over adviseren in de aanwijzingsprocedure.
Meneer de voorzitter. Wat kan ik doen als de samenwerking onvoldoende blijft? Ik kan de optimale voorwaarden voor de samenwerking scheppen. Ik ga het niet afdwingen. Dat is ook niet de rol die ik daarin moet nemen. We nemen echter wel in de wet op dat het onderdeel wordt van de beleidsplannen. Op die manier komt het natuurlijk toch terug in de gesprekken die we daarover hebben. Maar ik ga niet zeggen: omroep x moet regionaal samenwerken met y, omdat ik dat vind. Dat moeten ze echt met elkaar doen. Ik noem de RPO en de NLPO.
Dan ga ik naar het volgende blokje, governance en toezicht. Daarna heb ik nog overig. Ik kreeg een vraag over de aanwijzingsprocedure. "Hoe blijft de journalistieke onafhankelijkheid overeind als een omroep later verslag moet doen over de lokale politiek, die eerder over de aanvraag heeft geadviseerd?" Dat was specifiek de vraag van mevrouw Nanninga. Ik denk dat we met elkaar delen dat het voorkomen van politieke druk een van de belangrijke gedachtegangen is achter dit wetsvoorstel. Een onderzoek liet zien dat een op de zeven lokale omroepen door gemeentebestuurders gevraagd is om bepaald nieuws aan te passen. Dat is precies de reden dat we dit wetsvoorstel willen. Dat is dus ook waarom we de bekostiging nu naar het Rijk halen. Tegelijkertijd vinden we het advies van de gemeenteraden, en ook van NLPO, wel heel belangrijk, ook wat betreft de pluriformiteit en het borgen van de lokale identiteiten. Daarbij wil je de gemeenten niet buitenspel zetten. Uiteindelijk neemt het commissariaat echter de beslissing. Daar gaan we dadelijk ook nog over spreken. Het let daarbij op de advisering, maar niet op de media-inhoud. Daar gaat het uiteraard niet over. Op die manier is het in dit wetsvoorstel voorzien.
Meneer de voorzitter. U heeft me ook de vraag gesteld hoe het Commissariaat van de Media dit tot een eerlijk en ongekleurd proces gaat leiden. Zo was de vraag. Ik sta voor mijn onafhankelijke toezichthouder, met professionele medewerkers en een professioneel college. Dat is voor mij de borging. Het gaat om eigenlijk vrij strikte afwegingscriteria, die ook allemaal in de wet zijn uitgewerkt. Dat is best wel op detailniveau: het gaat ook over de weging van verschillende criteria. Dat is wat mij betreft een heel zorgvuldig kader aan de hand waarvan het commissariaat de finale aanwijzing, met die adviezen, beoordeelt.
Er was ook de vraag waarom de rol van het Commissariaat van de Media beperkt is bij het concessiebeleidsplan. Waarom is het niet daarvóór? Daarvan vind ik het volgende. Het is een beleidsdocument van de NLPO met medewerking van de lokale publieke omroepen. Daar ligt hun autonomie. Aan de voorkant wil ik het Commissariaat van de Media of de Raad voor Cultuur daar geen advies op laten geven. Zij kunnen daarna, als het concessiebeleidsplan er is vanuit de NLPO, een advies geven. Dan kan ik dat meewegen in de prestatieovereenkomst, maar ik wil die autonomie wel echt daar houden waar die hoort en ik wil niet dat zij als adviseurs een rol spelen bij de totstandkoming van een document dat het product is van die lokale omroepen. Daar is dus echt wel goed over nagedacht. Dit doen we overigens ook zo bij de regionale omroepen.
Meneer de voorzitter. Dan gaan we naar de discussie rondom het risico van het gesloten systeem bij het aandragen van leden voor het College van Omroepen. Daarvan regelt het wetsvoorstel dat de lokale omroepen in al hun diversiteit vertegenwoordigd worden. Die moeten ook representatief worden samengesteld, waarbij ook wordt gelet op de verscheidenheid bij al die lokale omroepen. Dat kan dus betekenen dat er een aantal leden namens de kleine omroepen in zitten en er ook leden namens de grotere omroepen in zitten. Ook dit is iets wat ze in de sector vooral ook met elkaar moeten organiseren. Als de heer Ceder een voorstel heeft om dit verder te verstevigen, bijvoorbeeld zodanig dat lokale omroepen ook voordrachten zouden kunnen doen, zou ik me daarin kunnen vinden.
De voorzitter:
Is dat een subtiele verwijzing naar een amendement waarvan het handiger is als we dat ook gewoon concreet met elkaar …
Minister Letschert:
Ik ga ze dadelijk gewoon even doornemen, want ik krijg moties en amendementen dadelijk allemaal door elkaar.
De voorzitter:
Oké.
Minister Letschert:
Dat lijkt me verstandiger, meneer de voorzitter.
De voorzitter:
Want moties volgen natuurlijk pas in de tweede termijn …
Minister Letschert:
Precies.
De voorzitter:
… dus alles waar we het nu nog over hebben, dat zijn de amendementen.
Minister Letschert:
Precies, precies.
De voorzitter:
We bewaren het voor de tweede termijn.
Minister Letschert:
We bewaren het.
Dan was er de vraag: wat als er een conflict is tijdens een aanwijzingsprocedure? Hoe voorkom je dat dat leidt tot politieke druk, strategische blokvorming tussen gemeentes en langdurige ruzies? Met dit wetsvoorstel regelen we op een vrij concrete manier hoe die aanwijzingsprocedure werkt, ook wanneer er meerdere aanvragers in een gebied zijn. Wat ik net aangaf, is eigenlijk dat er een vrij behoorlijk dichtgetimmerd kader is waarbinnen het commissariaat uiteindelijk die weging gaat doen om die procedure met al die aanvragers zorgvuldig te doorlopen.
Dan ga ik naar het blokje overig. Dan wordt het spannend.
We gaan naar het redactiestatuut. Er is gevraagd of ik redactiestatuten niet eigenlijk al verplicht ga stellen voordat we beginnen; zo druk ik het even uit. Laten we zeggen: iedere lokale omroep moet een redactiestatuut hebben. Dat is nu overigens al een wettelijke verplichting. Het commissariaat houdt daar ook toezicht op. De wet stelt ook dat je het met werknemers moet opstellen. Dat kan je eigenlijk niet nu vragen van een omroep die nog niet begonnen is. Dat vond ik dus een ingewikkeld punt bij die vraag.
Hoe borg ik dat in het nieuwe stelsel ook de veiligheid van lokale journalisten en vrijwilligers wordt meegenomen en hoe sluit dat aan op de inzet rondom PersVeilig? Ook hier geldt: de veiligheid …
U maakt een gebaar, voorzitter. Moet ik stoppen?
De voorzitter:
Nee, hoor, maakt u gerust uw zin af.
Minister Letschert:
De veiligheid van journalisten is superbelangrijk. Ik heb laatst nog met PersVeilig gesproken over wat we nog meer kunnen doen om te zorgen dat onze journalisten niet worden geïntimideerd of aangevallen. Ik was gisteren bij de redactie van RTL en dan hoor je van een journalist hoe die echt belaagd wordt bij bepaalde typen van momenten die zij proberen te verslaan. Echt vreselijk. PersVeilig is er dus voor alle journalisten, ook voor onze lokale journalisten. Ook zij kunnen zich melden bij het meldpunt als ze te maken hebben met agressie en intimidatie, maar ik ben ook met PersVeilig in gesprek over wat we nog meer moeten doen aan preventie.
De heer Mohandis (PRO):
Het is heel goed dat de minister de mogelijkheden van PersVeilig uiteenzet, maar mijn vraag gaat over het punt hiervoor, het redactiestatuut. Dit kan gewoon een motie schelen. Kijk, onze zorg zit 'm erin dat niet alle lokale omroepen op dit moment een goed functionerend redactiestatuut hebben. Het zijn namelijk vaak vrijwilligers en het is ook niet makkelijk om dat goed te borgen. De minister zegt zelf dat zij het ook lastig vindt om te kijken hoe we dat in het nieuwe stelsel kunnen doen, omdat medewerkers daarbij moeten worden betrokken, maar mijn politieke vraag blijft overeind. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat in die streekvorming per 2028 alle streekomroepen zonder twijfel een redactiestatuut hebben?
Minister Letschert:
Doordat in de wet al staat dat er een redactiestatuut moet zijn. Op het moment dat er een aanwijzingsprocedure loopt en een omroep geen redactiestatuut heeft, heeft die omroep dus een probleem. Zo heb ik het begrepen.
De heer Mohandis (PRO):
Ja, klopt. Dat is de wet; dat klopt ook. De praktijk is alleen dat we zien dat het best lastig is om het goed te doen. Omdat we overgaan naar een nieuw systeem kunnen er lokale omroepen tussen zitten die dat nog niet goed hadden geregeld. Mijn simpele vraag is: gaat u ervoor zorgen dat ze er straks alle 80, of hoeveel dan ook, aan gaan voldoen?
Minister Letschert:
Daar moeten ze aan voldoen. Dat vraagt de wet. En wat is nou het mooie? Omdat ze meer samenwerken met elkaar en we ook een NLPO hebben, verwacht ik ook dat die daar een rol in pakt om te zorgen dat de redactiestatuten er komen. Maar nogmaals, dat moet wel gebeuren met betrokkenheid van de werknemers, want dan wordt het ook een levend, echt en ervaren document.
De voorzitter:
Ik stel voor dat de minister het resterende deel van de beantwoording nu even helemaal afmaakt. Daarna is er ruimte voor interrupties en gaan we meteen door met de tweede termijn van de zijde van de Kamer.
Minister Letschert:
Dan was er de vraag of het wetsvoorstel op tijd komt om de overgang zorgvuldig te laten verlopen. Dat is een heel belangrijke vraag. Met de sector is afgestemd dat het nieuwe bestel zal ingaan per 2028. Daar hebben ze dus ook de afgelopen jaren hard aan gewerkt. Zij hebben aangegeven dat 1 november 2026 de uiterste datum is om de overgangstermijn soepel te laten verlopen. Als we later zijn, dan wordt dat echt een ingewikkelde. Dat is ook waarom ik u heel dankbaar ben dat u voor de zomer dit wetsvoorstel wilde behandelen. Uiteraard moet ik ook nog naar de Eerste Kamer als we verder komen in deze Kamer, en dan is ook daar spoedige behandeling nodig om die datum van 1 november te halen. Als we die niet halen, ga je bijna een heel jaar moeten vertragen om in de logische volgorde van begrotingen het stelsel te laten ingaan. Maar met de sector is dus afgestemd dat dit haalbaar zou moeten zijn.
Dan was de vraag hoe ik onzekerheid voorkom. Nou, door heel hard mijn best te doen om ervoor te zorgen dat we dit halen. De NLPO doet veel werk als het gaat om het geven van duidelijkheid, via informatie op de website en de organisatie van informatieavonden. Ook de VNG heeft hier uiteraard een heel belangrijke rol in. Nogmaals, ik doe mijn best om zowel met u als met de Eerste Kamer snel duidelijkheid te kunnen bieden.
Dan ga ik de amendementen appreciëren. Waarschijnlijk ga ik ook een wijziging aangeven op wat ik net zei, want ik heb hier nu allemaal briefjes.
Ik begin gewoon met …
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 12.
Minister Letschert:
Het amendement op stuk nr. 12. Dat amendement ging over het feit dat het commissariaat het moet intrekken, en wel bij de derde bestuurlijke sanctie. Dat moet ik ontraden omdat ik het echt belangrijk vind dat het commissariaat als toezichthouder die beoordelingsruimte houdt bij een zware beslissing als een aanwijzing en niet bij een derde ineens moet zeggen "ik móét het doen", terwijl die twee daarvoor wellicht helemaal niet van een dusdanige zwaarte waren om de moet-bepaling te moeten inroepen. Ik vind het amendement zoals het er nu ligt die ruimte veel te veel beperken. Vandaar dat ik het amendement ontraad.
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 13.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 13.
Minister Letschert:
Sorry, amendement. Waterschap. Oordeel Kamer.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. ...
De voorzitter:
Op stuk nr. 15. Daarvan had u gezegd dat het in tweede termijn komt.
Minister Letschert:
Precies.
De voorzitter:
Maar wellicht wilt u een soort boodschap geven?
Minister Letschert:
Ik heb een verzoek. Dat zouden we liever in een motie willen, zodat we morgen een nota van wijziging kunnen indienen, die meteen dit amendement, met de check die daarbij hoort, namelijk of het past binnen wat er in de staatssteunregels mag …
De voorzitter:
Want wat is uw standpunt over het amendement?
Minister Letschert:
Dat is dan eigenlijk … Dat is een goeie.
De voorzitter:
Ik zou me kunnen voorstellen …
Minister Letschert:
Ontraden. Maar dan zou ik dus met een motie willen werken naar een nota van wijziging die we morgen indienen.
De voorzitter:
U vindt een amendement te strak geformuleerd, dus dat moet u ontraden.
Minister Letschert:
Ja, want het moet wel echt kloppen.
De voorzitter:
Maar een motie van gelijke strekking zou u wel aan het oordeel van de Kamer over kunnen laten. Ik denk dat u dat zegt in de richting van de heer Ceder.
Minister Letschert:
En dan komt er dus morgen al een nota van wijziging.
De voorzitter:
Ja. Dus het huidige amendement wordt ontraden. In tweede termijn kunnen we dan altijd nog zien of het de Kamer behaagt om u alsnog met een opdracht op pad te sturen.
Minister Letschert:
Ja, perfect.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 17.
Minister Letschert:
Dat ging over dat advies van NLPO, het commissariaat en de Raad voor Cultuur. Ik heb net al uitgelegd waarom ik dit amendement ontraad. Ik wil dat daarna. Dan kan ik het meenemen in een prestatieovereenkomst.
Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 18. Dat gaat over …
De voorzitter:
Die had u oordeel Kamer gegeven.
Minister Letschert:
Ja, die had ik oordeel Kamer gegeven.
De voorzitter:
Dan het amendement op stuk nr. 19 van Ceder en Mohandis.
Minister Letschert:
Dat gaat over het College van Omroepen. Dat amendement wil ik ontraden met de uitleg die ik net gegeven heb tijdens het debat.
Dan heb ik het amendement op stuk nr. 20. Die ga ik oordeel Kamer geven.
Dan heb ik het amendement op stuk nr. 21.
De voorzitter:
Die had u ook al geapprecieerd: oordeel Kamer.
Minister Letschert:
Ja, die krijgt ook oordeel Kamer.
Het amendement op stuk nr. 22 krijgt ook oordeel Kamer. Dan heb ik het amendement op stuk nr. 23. Of heeft u die niet?
De voorzitter:
Jazeker.
Minister Letschert:
Die ga ik ontraden.
Dan heb ik het amendement op stuk nr. 24, mijn favoriete.
De voorzitter:
Wilt u daar een toelichting op geven?
Minister Letschert:
Bij het amendement op stuk nr. 24?
De voorzitter:
Bij het amendement op stuk nr. 23.
Minister Letschert:
Dat amendement ga ik ontraden, omdat daarin staat dat het maximum geheel verdwijnt en ik heb net uitgelegd dat we dan weer helemaal van voren af aan beginnen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 24.
Minister Letschert:
Het amendement op stuk nr. 24 is mijn favoriete. Dat gaat over de evenementmatige vertoningen van de wedstrijden bij het WK. Die ga ik ontraden. Ik verwijs daarbij ook naar de Kamerbrief, de mondelinge vragen en alle andere vragen, waarin ik dat heb uitgelegd. Dan heb ik … Heeft u er nu nóg één?
De voorzitter:
Tot slot. Het amendement op stuk nr. 25 van mevrouw Van der Plas. Die gaat over een jaarlijkse evaluatie door een door de NLPO …
Minister Letschert:
Ja, die ga ik toch ontraden, want er zijn al zo veel evaluaties ingebouwd. Daar voegt deze jaarlijkse evaluatie eigenlijk niks aan toe, alleen nog maar meer overhead. Er is in het tweede jaar al een zelfevaluatie door de omroep en in het derde jaar is er een onafhankelijke evaluatie NLPO. Iedere drie jaar informeren wij het parlement over de doeltreffendheid en het effect daarvan op onze middelen, waarbij we ook naar alle aspecten gaan kijken. Dan gaan we ook nog de wet evalueren na zeven jaar. Volgens mij hebben we wel voldoende evaluaties.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde gekomen van uw eerste termijn?
Minister Letschert:
Yes.
De voorzitter:
Dat is het geval. Ik kijk naar de leden of zij klaar zijn voor een korte schorsing. Nee, geen schorsing? Geen tweede termijn? De heer Bosma ziet af van zijn tweede termijn, mevrouw Van der Plas ook. Ik zie de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mag ik drie minuten om even wat administratieve dingen te verwerken?
De voorzitter:
Ik geef u er vijf.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Vijf mag ook.
De voorzitter:
Ik schors vijf minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en ik verzoek de leden en de minister om hun plaatsen in te nemen. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Daarvoor geef ik als eerste het woord aan de heer Ceder, voor zijn inbreng namens de ChristenUnie in tweede termijn. Wat een gezellige Kamercommissie is dit.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Volgens mij hebben we een goed debat met elkaar gehad. Ik heb een aantal dingen neergelegd, namelijk de financiën en voldoende spreiding. Dat is voor ons belangrijk. Ik ben blij dat de minister ook zegt daar oog voor te hebben. Ik ben blij dat ze heeft toegelicht hoe ze tot het proces is gekomen van de 80 en vervolgens ook hoe ze denkt dat dit gaat lukken.
Ik ben ook blij met de appreciaties. Ik was wat minder gelukkig met de appreciatie van het amendement op stuk nr. 19, over dat ook lokale omroepen kunnen bijdragen. Dus ik hoop … Kijk, de minister erkent schuld, dus dat is weer mooi. Maar dat zal ze zo misschien zelf in de tweede termijn …
De voorzitter:
Dat moeten we echt eerst horen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Zeker, zeker, voorzitter. Ik zal er niet op vooruitlopen.
Ik ga door. Ik heb een paar moties. Op advies van de minister heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het wenselijk is dat gemeenteraden niet alleen voorafgaand aan een aanwijzingsperiode van vijf jaar aan lokale publieke media-instellingen een aanvullende bijdrage kunnen verstrekken voor de publieke taak van lokale publieke media-instellingen, maar ook tijdens deze periode;
verzoekt de regering dit mogelijk te maken door te regelen dat gemeenteraden ook na de start van de aanwijzingsperiode van een lokale publieke media-instelling een budget bekend kunnen maken voor aanvullende bekostiging voor de publieke taak van de lokale publieke media-instelling,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Mohandis, Krul en Oualhadj.
Zij krijgt nr. 27 (36917).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door de schaalvergroting veel toekomstige verzorgingsgebieden bestaan uit meerdere gemeenten met een eigen identiteit, lokale politiek en maatschappelijke kwesties;
overwegende dat inwoners uit elke gemeente binnen een verzorgingsgebied op adequate wijze moeten worden bediend door de streekomroep en dat daarvoor voldoende mogelijkheden voor programmatische differentiatie moeten zijn;
verzoekt de regering om in overleg met de NLPO en de RDI te bevorderen dat lokale publieke omroepen binnen hun verzorgingsgebied maximale ruimte hebben voor programmatische differentiatie, zowel via radio, televisie als internet, zodat recht wordt gedaan aan de verscheidenheid van gemeenten en gemeenschappen binnen een verzorgingsgebied,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Krul.
Zij krijgt nr. 28 (36917).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het concessiebeleidsplan NLPO een centrale plaats inneemt in de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau, maar dat het Commissariaat voor de Media, dat belast is met het toezicht op de uitvoering van de publieke mediaopdracht, géén toezichthoudende taak krijgt bij het concessiebeleidsplan;
constaterende dat het commissariaat stelt dat dit leidt tot rolonduidelijkheid en uiteenlopende verwachtingen van het toezicht en dat daarmee effectief optreden wordt belemmerd;
verzoekt de regering om in samenspraak met het Commissariaat voor de Media duidelijkheid te scheppen over de toezichthoudende taak van het commissariaat en de functie van het in het wetsvoorstel genoemde advies bij het sluiten van de prestatieovereenkomst met de NLPO,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Mohandis.
Zij krijgt nr. 29 (36917).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het nieuwe stelsel een ingrijpende schaalvergroting van lokale publieke omroepen met zich meebrengt, waarbij het nog onzeker is hoe deze uitwerkt voor zaken als de worteling in de gemeenschap, ruimte voor lokale redacties, behoud van bestaande netwerken en de betrokkenheid van vrijwilligers;
verzoekt de regering om bij de evaluatie van het nieuwe stelsel er expliciet aandacht aan te besteden of, en zo ja in welke mate, bovenstaande zaken zijn versterkt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 30 (36917).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik luister nog goed naar de appreciaties en dan ga ik straks hopelijk nog genieten van de wedstrijd Ghana-Engeland. Ik vermoed toch dat in het amendement van de VVD verkapte staatssteun zit verwerkt en dat het misschien ook buiten de orde van dit wetsvoorstel is, dus hoe mooi het ook is, ik denk dat wij het als fractie om juridische redenen niet kunnen steunen. Dat wilde ik er even bij vermelden.
De voorzitter:
Voor welk team gaat u straks juichen?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben voor team Ghana, dit keer.
De voorzitter:
We wensen u een succesvolle wedstrijd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan meneer Mohandis namens PRO.
De heer Mohandis (PRO):
Voorzitter. Ik dank de minister voor haar beantwoording, vooral voor de appreciaties van de amendementen over het versterken van de nieuwe lokale omroepen en de streekomroepen en over hoe we ervoor zorgen dat het hele verzorgingsgebied zo goed mogelijk wordt bediend. Er zijn allerlei amendementen ingediend om dat te versterken. Fijn dat die in ieder geval "oordeel Kamer" hebben gekregen.
Dan kom ik bij het punt van het Commissariaat voor de Media en ons amendement over wat ik noem: bij drie sancties lig je eruit. Ik blijf wel bij dat punt; dat gaan we wat mij betreft ook breder bediscussiëren bij de hervorming van de landelijke publieke omroep. We moeten ook kijken naar het hele sanctiepakket. Ik had het niet over een waarschuwing; de minister zei net dat het gaat om een waarschuwing, en dan zou dit amendement te zwaar zijn. Nee, het gaat echt om opgelegde sancties, dus één, twee, drie; bij twee kun je een omroep eruit gooien, en bij drie zou het moeten. Dat is het voorstel en ik zie uit naar hoe dat verder gaat.
Dan kom ik op het punt van financiën. Daar had ik een discussie over met de minister en daar heb ik nu ook een motie over. Onze zorg blijft hoe het pad na 1 januari 2028 eruitziet als het gaat om het eindigen van de incidentele middelen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de gemeentelijke zorgplicht voor de bekostiging van de lokale publieke mediaopdracht per 1 januari 2028 vervalt en wordt vervangen door rijksbekostiging;
constaterende dat gemeenten die nu aanvullend bijdragen, voor de periode vanaf 2028 opnieuw moeten bepalen of en in welke mate zij middelen beschikbaar stellen voor de lokale publieke mediaopdracht;
constaterende dat de tijdelijke middelen die nu via het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek als gelijk bedrag per verzorgingsgebied worden uitgekeerd, per 1 januari 2028 vervallen;
constaterende dat de extra structurele rijksmiddelen vanaf 2028 via een nieuwe verdeelsystematiek over de verzorgingsgebieden worden verdeeld;
verzoekt de regering per verzorgingsgebied te monitoren hoe de totale publieke bekostiging van de lokale publieke mediaopdracht zich vanaf 2028 ontwikkelt ten opzichte van de huidige situatie en daarbij in ieder geval de rijksbijdrage, de vooraf bekendgemaakte gemeentelijke bijdragen voor de eerste concessieperiode en het vervallen van tijdelijke stimuleringsmiddelen te betrekken;
verzoekt de regering de Kamer te informeren zodra financiële achteruitgang dreigt in plaats van versterking van de journalistieke capaciteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis.
Zij krijgt nr. 31 (36917).
De heer Mohandis (PRO):
Over de Wet normering topinkomens: ik heb de minister gehoord en ik heb van alles gelezen, en toch behoeft het een Kameruitspraak. We moeten te allen tijde voorkomen dat op een ongewenste manier te veel geld, dat bedoeld is voor de publieke mediaopdracht, gaat zitten in de overhead, in salarissen en dergelijke. Vandaar de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering met het wetsvoorstel inzake de lokale publieke mediaopdracht meer professionaliteit, stabiliteit en onafhankelijkheid bij de streekomroepen nastreeft;
overwegende dat deze publieke streekomroepen straks nog altijd moeten werken met heel schaarse middelen;
van oordeel dat hiermee vooral medewerkers en journalisten in staat moeten worden gesteld om goed werk te leveren;
verzoekt de regering om voor bestuurders en leden van de raad van toezicht van deze streekomroepen bezoldigingsmaxima vast te stellen die substantieel lager liggen dan de WNT-norm,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mohandis.
Zij krijgt nr. 32 (36917).
De heer Mohandis (PRO):
Ik dank de minister nogmaals en we zien uit naar de tweede termijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de heer Van der Maas, namens de VVD, in tweede termijn. Heeft hij daar behoefte aan? Dat is het geval. Kwam het als een verrassing? Nee, hoor ik. Gaat uw gang.
De heer Van der Maas (VVD):
Soms ben je een beetje afgeleid tijdens een debat, maar nu sta ik er weer met volle aandacht. Hartelijk dank aan de minister voor de beantwoording van alle vragen en mooie opmerkingen. Ik heb vier punten. Het eerste gaat over de invloedsrelatie van de gemeente en de afhankelijkheidsrelatie. Ik ben blij met de analyse van de minister dat we ons daar geen zorgen over hoeven te maken. Dat is heel prettig.
Dan een punt over het aantal omroepen, 80, en de beweeglijkheid van de minister om te zeggen: oké, het zijn er eigenlijk 80, maar ik ben bereid om daar met die route van de algemene maatregel van bestuur iets mee te gaan doen. Ik maak me daar toch een beetje zorgen over, want als we die route gaan volgen, gaat het dan niet toch weer helemaal stijgen? Misschien kan de minister hier in tweede termijn nog iets over zeggen: hoe wordt er toch voor gezorgd dat het er niet te veel worden en dat het wel enige flexibiliteit oplevert, maar dat het niet weer heel veel omroepen worden?
Dan een punt over de reclame. Ook hartelijk dank voor de beantwoording daarover, maar ik heb toch nog steeds zorgen over de crowding-outeffecten van de lokale omroepen richting de commerciële partijen. Ik ben het eens met mevrouw Nanninga. Zij zal zo meteen nog een motie indienen daarover. Hopelijk staat u daarvoor open.
Dan het WK. Het is natuurlijk superteleurstellend dat dat al zo lang loopt, dat een meerderheid van de Kamer dat heel graag wil, en dat dat amendement toch weer wordt ontraden. Dat vind ik heel jammer. Het zou toch gewoon mogelijk moeten worden gemaakt. Maar goed, er zit dus geen beweging in. Dat is heel jammer. Wij zullen ons beraden op de volgende stappen voor — hoe noemde de minister het? — haar favoriete issue, motie of amendement. Ik weet niet wat het is, maar ik denk niet dat daar het laatste woord al over gezegd is.
Dat was mijn bijdrage in tweede termijn. Hartelijk dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Het woord in tweede termijn is aan mevrouw Oualhadj namens D66.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik de minister bedanken voor haar heldere en uitgebreide beantwoording in de eerste termijn. Als ik voor mezelf spreek: het heeft in ieder geval een aantal zorgen die we over dit wetsvoorstel hebben, echt weggenomen. Dat stemt mij ook positief over de verdere behandeling van dit wetsvoorstel. Maar ik wil toch graag nog een keer benoemen dat die lokale publieke omroepen al lange tijd in onzekerheid verkeren. Juist daarom is het van groot belang dat er snel duidelijkheid voor hen komt. Wij hopen dan ook dat we die snelheid die nodig is, met dit wetsvoorstel kunnen behouden. Ik zou daarom graag het ordevoorstel willen doen om de stemmingen aanstaande dinsdag, dus precies over een week, te laten plaatsvinden, in plaats van pas na het zomerreces. Dat is volgens de regels volgens mij ook nodig. Ik kijk even naar de voorzitter.
De voorzitter:
Dat voorstel doet u nu?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ja, is dat niet …
De voorzitter:
Ja, dat kan. U stelt voor om alle stemmingen dinsdag te laten plaatsvinden?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Yes.
De voorzitter:
Ik kijk even rond. Meneer Mohandis.
De heer Mohandis (PRO):
Graag voor het zomerreces, met een klein tussenvoorstel. Wat ons betreft stemmen we over de amendementen op dinsdag en over de wet op donderdag. Dan kunnen we namelijk gewoon de amendementen behandelen en dan weten we hoe de wet eruitziet. Dan kunnen we donderdag laat — ik kijk naar de voorzitter — of in de middag, als er op die dag meer stemmingen zijn, gewoon over de wet stemmen, voor het zomerreces.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Oualhadj. Kunt u daarmee leven?
Mevrouw Oualhadj (D66):
Ik vermoed zo dat we donderdag nog wel even in dit huis zijn.
De voorzitter:
U bent er allemaal zelf bij, hoor. Ik ben er wel! Het voorstel wordt dan: dinsdag stemmen over de amendementen en donderdag stemmen over het wetsvoorstel en de moties. Zeg ik dat goed? Ja.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Steun voor het geamendeerde ordevoorstel.
De voorzitter:
Ik kijk rond en zie de heer Van der Maas een duim omhoogsteken. Meneer Ceder ook. Dan gaan we dat zo doen.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Heel fijn. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
U vervolgt uw termijn.
Mevrouw Oualhadj (D66):
Zoals ik in mijn spreektekst al eerder aanhaalde, leven er bij D66 nog wel enige zorgen over die aanwijzingstermijn voor de lokale en regionale omroepen. Daarom ook de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de aanbestedingstermijn voor lokale en regionale omroepen momenteel vijf jaar betreft;
overwegende dat het in het kader van voorspelbaarheid en stabiliteit voordelig zou zijn om langere aanbestedingsperioden te verlenen;
verzoekt de regering te verkennen of de aanbesteding van vijf naar tien jaar verlengd zou kunnen worden, de mogelijke gevolgen hiervan in kaart te brengen, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Oualhadj, Ceder, Nanninga en Mohandis.
Zij krijgt nr. 33 (36917).
Mevrouw Oualhadj (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan is tot slot in de tweede termijn het woord aan mevrouw Nanninga van JA21.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank, voorzitter. Heel erg bedankt ook voor de beantwoording door de minister. Ja, publieke omroepen zijn niet de hobby van JA21 en dat blijft zo. We gaan nog even goed nadenken over deze wetswijziging, maar we zien wel dat er iets moet gebeuren. Ik wil graag een motie indienen. Ik heb net een toezegging gevraagd. Die zou al dan niet in de tweede termijn komen. Als die toezegging er komt, trek ik de motie weer in, want we moeten inderdaad — dat is al aangestipt — volgende week al superlang stemmen en dan scheelt dit er weer eentje. Ik dien 'm wel in en als die toezegging dan naar tevredenheid is, dan trek ik 'm in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat lokale publieke omroepen straks grotere verzorgingsgebieden krijgen en structureel publiek worden bekostigd;
overwegende dat zij ook reclame-inkomsten mogen ophalen, terwijl lokale commerciële media vaak afhankelijk zijn van advertentie-inkomsten;
overwegende dat publieke bekostiging niet mag leiden tot oneerlijke concurrentie of verdringing van lokale commerciële media;
verzoekt de regering binnen een jaar na de start van het nieuwe stelsel te inventariseren wat de gevolgen zijn voor de lokale commerciële advertentiemarkt, en indien sprake is van verdringing van lokale commerciële media, met voorstellen te komen om de mogelijkheden voor reclame-inkomsten bij lokale publieke omroepen aanvullend te beperken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nanninga en Van der Maas.
Zij krijgt nr. 34 (36917).
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, tot slot. Ik hoop hoe dan ook dat er een mooie journalistieke infrastructuur blijft bestaan, ook in de lokale omroepen.
Aangaande het voetbalamendement vind ik het wel lollig dat de VVD een keer niet het braafste jongetje in de klas wil zijn, dus als ze 'm niet intrekken, denk ik dat we 'm wel gaan steunen.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 22.10 uur voor de beantwoording in tweede termijn van het kabinet.
De vergadering wordt van 22.01 uur tot 22.09 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef het woord aan de minister.
Minister Letschert:
Meneer de voorzitter. De motie op stuk nr. 27: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 28: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 29: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 30: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 31: oordeel Kamer. Of wilt u er toelichtingen bij?
De voorzitter:
Nee hoor. Ik denk het niet. Kijk, met oordeel Kamer is de buit toch een beetje binnen voor de leden.
Minister Letschert:
Niemand is geïnteresseerd in mijn geweldige beschouwingen, dank u.
De motie op stuk nr. 32: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 33: oordeel Kamer. Dat gaat goed, hè?
De motie op stuk nr. 34 krijgt bijna oordeel Kamer, maar alleen als ik 'm mag interpreteren als "na drie jaar". Want na een jaar is echt te vroeg. Maar dat kan ik nu niet vragen.
De voorzitter:
Nee, want in het dictum staat "binnen een jaar".
Minister Letschert:
Als ik de motie zo mag interpreteren dat die zegt "na drie jaar", dan geef ik 'm oordeel Kamer. Als het binnen een jaar moet, zoals er nu staat, dan is dat gewoon echt te vroeg om met een goede analyse te komen.
De voorzitter:
Mevrouw Nanninga, de minister verzoekt u om het dictum van uw motie op stuk nr. 34 te wijzigen naar "binnen drie jaar" in plaats van "binnen een jaar".
Minister Letschert:
Als u dat doet, geef ik die motie oordeel Kamer. Binnen een jaar is echt te vroeg.
De voorzitter:
Binnen een jaar na de start van het nieuwe stelsel te inventariseren et cetera et cetera. Kunt u leven met drie jaar of zegt u, nee het moet "na een jaar" blijven?
Mevrouw Nanninga (JA21):
Daar kunnen we mee leven, voorzitter. Maar als de minister echt de toezegging doet dat ze die inventarisatie binnen drie jaar doet ...
Minister Letschert:
Ja, die toezegging doe ik.
Mevrouw Nanninga (JA21):
... dan hoeft de motie ook geen oordeel Kamer te krijgen, want ik denk dat we die motie kunnen intrekken als die toezegging er echt is en er dan ook wordt ingegrepen.
Minister Letschert:
Precies. Die toezegging doe ik. Ik doe de toezegging dat ik die analyse ga doen. Of ik 'm dan meteen mag intrekken, daar hebben we het dan wel in het debat over.
De voorzitter:
Nee, mevrouw Nanninga geeft aan dat zij dan haar motie intrekt.
Minister Letschert:
Ja, dat begrijp ik. De reclame beperken, bedoel ik. Dát. Ik zeg dus toe dat te gaan analyseren.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank u wel. Ik overleg even, en mogelijk trek ik de motie voor de stemmingen nog in.
Minister Letschert:
Oké. Dank u. Het amendement op stuk nr. 19 krijgt oordeel Kamer, met excuses.
De voorzitter:
Dat is dus het amendement-Ceder/Mohandis, waarvan u oorspronkelijk had gezegd "ontraden", maar nu wordt dat toch oordeel Kamer.
Minister Letschert:
Ja. En dan heb ik nog de motie op stuk nr. 26: oordeel Kamer.
De voorzitter:
U bedoelt het amendement op stuk nr. 26 ter vervanging van nr. 17, van Ceder en Mohandis.
Minister Letschert:
Ja, sorry, sorry. Ja, die is ook oordeel Kamer. Dan ben ik er. En dan wil ik ook graag de Kamer bedanken voor het geweldige meedenken. We hebben volgens mij een goed debat gehad. Maar er komt nog een vervolgvraag! Het zal toch niet gaan over Ghana tegen ... Tegen wie moeten ze?
De voorzitter:
Engeland, hoorde ik de heer Ceder zeggen.
Minister Letschert:
Ghana-Engeland.
De voorzitter:
Maar ik heb er geen verstand van. Meneer Van der Maas heeft een vraag.
De heer Van der Maas (VVD):
Ja, ik kan het niet laten.
Minister Letschert:
Ik was er al bang voor.
De heer Van der Maas (VVD):
U heeft oranje aan.
Minister Letschert:
Oranje? Het is roze.
De heer Van der Maas (VVD):
Nou, ik noem het oranje. Misschien heb ik een oranje bril op. Het amendement is ontraden. Dan heb ik nog een laatste vraag aan de minister: wat is dan wel de oplossing om het mogelijk te maken?
Minister Letschert:
Dat is een goede vraag. Ik denk dat we dit niet elke twee jaar willen, als er een EK of een WK is. Dat betekent dat wij met elkaar moeten nadenken over hoe we … Voor mij zit de crux in de public viewing rights, die de NOS in het totaalpakket met de FIFA heeft zitten. Dat is het verschil met de Vlaamse situatie. Daar zitten de public viewing rights niet bij de VRT, waardoor gemeentes met de FIFA de public viewing rights regelen. Die vallen nog steeds onder dezelfde juridische structuur, maar daarvoor is het op een andere manier georganiseerd en dus ook gefinancierd. Daarin zit een mogelijkheid naar de toekomst. Het dienstbaarheidsverbod uit de wet halen is echt niet wat we moeten willen, want dat is gewoon enorm belangrijk, ook in het licht van de noodzaak om als publieke partijen marktconform te kunnen opereren. De enige mogelijkheid die ik zie, is nadenken over de vraag of de NOS het totaalpakket moet hebben of dat je daar een gesprek over moet voeren. Maar nu is dat zo aangekocht, dus daar kan je met dit WK helemaal niks meer mee doen. Ik kan nog eens bekijken of daarin een mogelijkheid zit. Ik ben niet bij machte om een dienstbaarheidsverbod met staatssteunregels opzij te zetten, en dat moet u ook niet willen.
De heer Van der Maas (VVD):
Hoor ik nu een toezegging van de minister dat ze gaat onderzoeken hoe het wel mogelijk gemaakt kan worden?
Minister Letschert:
Nee, want u vraagt om een toezegging voor hoe het wel mogelijk is, maar dan moet het wel passen binnen de juridische mogelijkheden. Dat heb ik in een paar Kamerbrieven proberen uit te leggen. Nogmaals, als ik kijk naar … Nee, ik moet nu niet te lang de details in. Ik wil toezeggen om te kijken naar de mogelijkheden voor de public viewing rights die je bij de FIFA kunt aanschaffen, bij welke partijen je die zou moeten beleggen en wat voor mogelijkheden dat partijen biedt om een WK-scherm neer te zetten. Tegelijkertijd weet ik dat de FIFA gaat vragen om commerciële tarieven te betalen als het wordt gedaan op een manier waarop het een heel commercieel evenement wordt. Ik wil toezeggen dat ik ga bekijken wat het betekent voor de NOS rondom de public viewing, want daar ga ik over. Wat betreft de staatssteun kan ik geen toezegging doen om dat opzij te zetten. Dat gaat gewoon niet.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we het hierbij laten, meneer Van der Maas. We hebben het over de Mediawet. Volgens mij heeft u best veel ruimte gekregen om dit punt te maken. Ik dank de minister voor de beantwoording.
Voor het verslag stel ik nog even het volgende vast met betrekking tot de motie op stuk nr. 34 van mevrouw Nanninga. Als die motie in haar huidige vorm in stemming wordt gebracht, namelijk met het verzoek om binnen een jaar te inventariseren wat de gevolgen zijn voor de lokale commerciële advertentiemarkt, is die ontraden. De minister doet een toezegging om te inventariseren binnen drie jaar. Mevrouw Nanninga weegt af of zij de motie alsnog in stemming brengt of intrekt. Dat zien we volgende week.
Ik dank de minister voor de beantwoording en haar aanwezigheid, de leden voor het gevoerde debat en de belangstellenden op de publieke tribune.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Stemmingen over de amendementen vinden plaats op dinsdag 30 juni en over de wet en de moties op donderdag 2 juli. Ik sluit de vergadering van dinsdag 23 juni 2026.