Stenogram : Vragenuur: Vragen van het lid Michon-Derkzen aan de minister van Werk en Participatie over het bericht "Helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd".
4 Vragenuur
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 85
Te raadplegen sinds
2026-09-18Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 85
Vragenuur
Vragen Michon-Derkzen
Vragen van het lid Michon-Derkzen aan de minister van Werk en Participatie over het bericht "Helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Michon-Derkzen voor haar mondelinge vragen aan de minister van Werk en Participatie, die ik van harte welkom heet in het parlement. Zij stelt haar vraag namens de fractie van de VVD.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Eind vorige week publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek zeer zorgelijke resultaten over onze inburgeraars. Slechts de helft van de inburgeraars spreekt na drie jaar Nederlands op het meest basale niveau. Van deze groep werkt nog niet een derde. Dat is echt onvoldoende. Het kan niet zo zijn dat je hier al jaren bent, maar de taal niet spreekt en niet werkt, want dan sta je aan de zijlijn, in plaats van dat je vol meedoet met de samenleving. Dat druist precies in tegen de doelstellingen van deze nog relatief nieuwe inburgeringswet. We hebben namelijk afgesproken dat werk hoort bij inburgeren en dat een taaleis wordt nageleefd. De hamvraag van vandaag is dus: hoe beoordeelt de minister deze cijfers?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank ook aan het lid Michon voor de gestelde vragen. Het kabinet werkt met man en macht aan meer grip op migratie. Dat behelst de instroom naar beneden brengen. Dat behelst de opvang in orde brengen. Het behelst ook zeker — en daar ligt mijn verantwoordelijkheid — ervoor zorgen dat iedereen die in Nederland mag blijven, volwaardig meedoet in Nederland. Om volwaardig mee te doen in Nederland moet je volgens het kabinet twee dingen doen: de Nederlandse taal leren en zo snel mogelijk Nederlands spreken, en zo snel mogelijk meedoen in de samenleving door middel van betaald werk. Dat is uiteindelijk de norm.
Mevrouw Michon vroeg mij wat deze cijfers zeggen en hoe het kabinet de cijfers beoordeelt. Voor mij zeggen deze cijfers een drietal dingen. Laat ik optimistisch beginnen. Hoewel ik de mening deel van mevrouw Michon dat de cijfers zorgelijk zijn, zijn die wel een stuk beter dan in het systeem dat we daarvoor hadden. Onder de oude wet zagen we dat slechts 2% het taalniveau B1 of zelfs B2 haalde. Inmiddels zien we dat bijna de helft van de inburgeraars het hogere niveau B1 haalt. Tot zover de positieve punten. De cijfers zeggen ook dat 2022 een opstartjaar was. We weten dat er in het eerste jaar problemen waren bij de gemeenten met het opstarten van bijvoorbeeld de PIP's en het snel kunnen verwerken van een groep mensen. Dat toont dit aan. Het toont ook aan dat er werk aan de winkel is. We zien een aantal positieve dingen, maar we zien ook dat te weinig mensen binnen die drie jaar op het juiste niveau de inburgering afronden.
We zien ook dat te weinig statushouders aan het werk gaan, terwijl dit een belangrijke prioriteit is voor het kabinet. Het aantal mensen dat niet werkt, is veel en veel te hoog. Dit zijn mensen die kunnen werken. Werken is ook belangrijk om mee te doen in de samenleving. De Nederlandse arbeidsmarkt en de Nederlandse samenleving staan ook te springen om deze mensen. Ik geloof er ook heilig in dat niemand een beter mens wordt van jarenlang in een asielzoekerscentrum zitten of jarenlang een asielstatus hebben en niets doen, niet meedoen in de samenleving met betaald werk. Om die redenen vinden wij het dus belangrijk dat deze mensen sneller aan het werk gaan. Daarom heeft het kabinet in zijn eerste drie maanden ook een groot en stevig plan gepresenteerd rondom "nieuwkomers aan het werk", om een extra tandje bij te zetten op de verbetering in het inburgeringsstelsel.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik focus me bij mijn vraag op de statushouders. Dat zijn mensen die hier mogen blijven en een status hebben, en dus door de asielprocedure heen zijn. In de publicatie valt op dat er in 2022 ruim 17.000 statushouders waren, mensen die hier mogen blijven en dus inburgeringsplichtig zijn, maar dat er voor slechts 5.000 van deze groep een plan is waardoor ze überhaupt aan de inburgeringsplicht kunnen voldoen. Dat is natuurlijk onbegrijpelijk, want wat gebeurt er dan met die 12.000 mensen die geen plan hebben? Ontlopen zij dan de inburgeringsplicht? Zitten zij te wachten totdat ze wel een keer mogen? Juist omdat ze afhankelijk zijn van het plan, wil ik aan de minister vragen: dat kan toch niet de bedoeling zijn? Hoe spreekt hij hier nu over met gemeenten, die hiervoor aan de lat staan zoals hij terecht zei? Het kan niet zo zijn dat mensen geen plan krijgen en dus niet eens kúnnen inburgeren. Graag een reactie daarop.
Minister Aartsen:
Ik kan mevrouw Michon geruststellen: deze mensen zijn niet uit de systemen verdwenen. We weten dat de mensen die in 2022 geen PIP hebben ontvangen, dat in 2023 wel hebben gehad. Je ziet dus dat 2022, nu drie jaar geleden vanaf de eerste metingen, een opstartjaar was. We wisten dat het de gemeenten de eerste vier maanden niet lukte om dit goed in hun systemen te krijgen. Ook de instroom was fors in 2022, fors hoger dan verwacht. Vandaar dat het niet is gelukt om deze mensen in 2022 een plan te geven, maar ze hebben in 2023 wel degelijk een plan gekregen. Er hebben in de tussentijd ook een aantal acties plaatsgevonden om dat te versnellen, maar ik gaf al aan dat dit volgens het kabinet onvoldoende is. We zien namelijk twee dingen. We zien dat het onvoldoende lukt om mensen binnen drie jaar de inburgeringsplicht te laten afhandelen en we zien dat het aantal mensen dat werkt echt substantieel lager ligt. Daar wil het kabinet iets aan gaan doen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Daar ziet eigenlijk mijn volgende vraag op. Ik hoor de minister zeggen dat we al blij mogen zijn dat de helft van de groep die in 2022 is gestart met inburgeren, na drie jaar dat basale Nederlands beheerst. Ik vind dat echt de ondergrens. Dat is een succes volgens de minister, maar ik vind die 50% echt nog te weinig. Het is nog belangrijker dat ze werken. Nu hoor ik heel veel uit de verhalen die ik terugkrijg op dit dossier dat het onmogelijk is om zowel taallessen te volgen als te werken. Die opleiding past dus gewoon niet in een programma waarin gewerkt wordt. Wat doet de minister daaraan? Het volgende is belangrijker, en daarom vraag ik dit ook. We hebben een recente publicatie van het CBS, ik meen van vorig jaar, over 2024. Daarin zie je dat van die hele groep die wij hier in Nederland in de bijstand hebben zitten — dat zijn er ruim 400.000 — er 55% geboren is in het buitenland. Dat bevestigt eigenlijk ook het beeld dat er te weinig gewerkt wordt door statushouders. Wat gaat de minister hieraan doen? Hoe krijgen we statushouders aan het werk en hoe zorgen we ervoor dat de combinatie van taal en werk gewoon beter gaat, dat het beter op elkaar aansluit?
Minister Aartsen:
Ik deel inderdaad de urgentie die mevrouw Michon hier neerzet. Als je ernaar kijkt, dan zie je dat na drie jaar slechts 25% van de statushouders werkt. Na vijf jaar — dan meten we vanaf het moment van statusverlening; vaak zitten mensen daarvoor nog twee, tweeënhalf of drie jaar in een asielzoekerscentrum — werkt nog slechts 40%. Dat is gewoon te weinig. Als na acht jaar nog maar 40% van de mensen hier werken, dan is dat gewoon veel en veel te weinig. Vandaar dat wij, zeg ik nogmaals, in de eerste drie maanden van het kabinet een groot en stevig plan van aanpak hebben gepresenteerd met een drietal doorbraken. Allereerst komt werk centraal te staan in de inburgering maar ook in de Participatiewet. We zien dat ons hele stelsel gericht is op taal. De uitkomst van dat stelsel is eigenlijk: niet werken. We hebben gezegd dat we op al die onderdelen gaan kijken of de prikkels nou op de juiste plek staan. Hoe zorg je er nou voor dat mensen bijvoorbeeld vier dagen kunnen werken en één dag les krijgen? Ik hoor te vaak terug dat mensen zeggen: ik heb een baan gevonden, maar ik moet op dinsdag van 13.00 uur tot 15.00 uur mijn taallessen volgen en daardoor kan ik niet werken. Daar willen we een einde aan maken. Het tweede is een werkgeversaanpak. Ik spreek daar morgen over met een groot aantal branches, om te kijken hoe we mensen aan het werk kunnen krijgen. Drie: we zorgen dat we mensen, kansrijke asielzoekers, al in de opvang — vaak zitten mensen drie jaar in een opvang — sneller aan het werk kunnen helpen en al vanaf dag één mee laten doen met taal en werk.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Tot slot, voorzitter. Ik steun de minister ook in deze aanpak om werk meer centraal te zetten. Tegelijkertijd zijn de gemeenten aan zet om te voldoen aan de eisen uit de inburgeringswet. Je ziet gewoon hele grote verschillen tussen gemeenten. Hoe gaat de minister er nou voor zorgen dat elke gemeente ook echt doet wat die moet doen en dat ook maximaal doet, zodat zowel taal als werk, de belangrijke eisen uit de inburgeringswet, voldoende worden nageleefd? En wat als ze het niet doen? Die verhalen kennen we namelijk, die voorbeelden zijn er. Als je statushouders niet laat inburgeren, dan betekent dat gewoon op termijn: extra mensen in de bijstand. Daar geldt trouwens ook een taaleis voor. Is de minister bereid om gemeenten te sanctioneren als ze niet handhaven op die wettelijke taken, zowel die van de inburgeringswet als — later — die van de Participatiewet?
Minister Aartsen:
We hebben in Nederland de afspraak dat wetten worden uitgevoerd als ze door het parlement worden aangenomen. Daar heeft het kabinet dus van gezegd dat het dat gaat doen. Daar zullen we vervolgens gemeenten op aanspreken. Ik probeer er vooral voor te zorgen dat we dat in goed overleg met gemeenten voor elkaar weten te krijgen. Gemeenten hebben positief gereageerd op ons plan van aanpak als het gaat om nieuwkomers aan het werk helpen. Gemeenten zitten ook aan tafel bij de taskforce waarin we dat ministerieel bespreken. We zijn op dit moment bezig om te kijken of we met de gemeenten tot een akkoord kunnen komen over hoe je ook daar werk centraal kunt stellen. Ik krijg namelijk juist van heel veel gemeenten terug dat ze niks liever willen dan deze mensen aan het werk helpen. Je ziet dat bijvoorbeeld in de asielzoekersfase. Nogmaals, van drie jaar lang niks doen wordt niemand een beter mens. Je kunt mensen beter aan het werk hebben dan hangend en wachtend. De VNG heeft zelf al gezegd dus met een eigen plan te komen. Dat hebben we omarmd en samen met de gemeenten gaan we daarmee aan de slag om het voor elkaar te krijgen.
De heer Boon (PVV):
Statushouders krijgen een uitkering, voorrang op een woning en vaak nog veel meer: alles krijgen ze cadeau, betaald door de Nederlandse belastingbetaler. En wat krijgen wij ervoor terug? De helft is na drie jaar nog niet eens ingeburgerd. Dan is mijn vraag aan deze minister: wanneer stopt dit kabinet met het verzinnen van excuses en begint het met het trekken van conclusies? Deelt deze minister de mening van de PVV, namelijk dat wie na jaren in Nederland zich nog steeds niet ingeburgerd heeft, niet verder hoeft in te burgeren, maar juist moet uitburgeren en moet gaan vertrekken?
Minister Aartsen:
Wij hebben spelregels met elkaar afgesproken en die spelregels houden in dat je binnen drie jaar inburgert. Daar is ook een hoge exameneis aan verbonden. Die spelregels gelden voor iedereen en dus ook zeker voor de inburgeraars van dit moment. We werken er hard aan om ervoor te zorgen dat de mensen die in Nederland mogen blijven, meedoen in de samenleving, dat die mensen de Nederlandse taal leren en dat die mensen werken.
De heer Boon (PVV):
Slappe hap. Er gaat dus niemand teruggestuurd worden. Dan heb ik een andere vraag. In de inburgering zitten ook heel veel Syriërs. Syrië is nu veilig. Gaat deze minister zeggen: stoppen jullie maar met de inburgering en gaan jullie terug naar Syrië, waar het veilig is?
Minister Aartsen:
Dat is een ander debat, volgens mij. Dat moet u met mijn collega van Asiel en Migratie voeren. Die gaat over het migratiebeleid. Wij hebben tot doel dat mensen die op basis van de spelregels die we nu hebben, in Nederland mogen blijven, inburgeren en dat niet het overgrote deel van die mensen wachtend niets zit te doen en langs de kant van de maatschappij staat, maar dat zij erbij worden getrokken, dat zij de Nederlandse taal leren en dat zij meedoen en werken.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoor allemaal taskforces, gesprekken met gemeentes en overlegtafels. Iemand die naar Nederland komt ... Laat ik het voorbeeld noemen van mijn eigen moeder, God hebbe haar ziel. Zij komt in 1961 in Nederland. Ze maakt zich de taal helemaal zelf machtig, door schapkaartjes te lezen, stripboekjes te lezen, met buren te praten. Ze heeft vervolgens een carrière, gaat aan het werk en is na een aantal jaren volledig ingeburgerd. In 1961. Geen Google Translate, geen cursussen, geen taskforces.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Helemaal zelf. Het is toch een intrinsieke motivatie van iemand die hier in Nederland komt, of die nou uit Ierland komt of dat die uit Syrië komt, om hier gewoon zo snel mogelijk mee te kunnen doen? Dat moet de minister toch erkennen? Dan moeten we toch gaan stoppen met al die taskforces en zo en tegen de mensen die hiernaartoe komen, gewoon zeggen: je gaat de taal leren en anders word je gekort op bijvoorbeeld de bijstand? Ik noem maar wat.
Minister Aartsen:
Dat doen we door plannen te maken. Het is fantastisch als mensen op basis van de eigen, intrinsieke motivatie inburgeren, de Nederlandse taal leren en werken. Als we één ding hebben geleerd uit de jaren negentig, Pim Fortuyn voorop, dan is het dat een laat-maar-lopenbeleid — "iedereen doet het vanuit zichzelf wel" — niet werkt. Vandaar dat wij sinds die periode hebben gezegd: we moeten een inburgeringsbeleid voeren, we moeten mensen verplichten om de Nederlandse taal te leren, want die doen dat niet vanzelf. Die trekken naar elkaar toe. We moeten mensen verplichten om te gaan inburgeren, om de Nederlandse taal te leren en dus ook om te gaan werken, en voor die verplichting staat dit kabinet. Mensen die hier komen, leren de Nederlandse taal, doen mee in de samenleving en werken in Nederland.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik vind het echt een gotspe dat hier gezegd wordt dat het Pim Fortuynbeleid niet werkte. Zoals we weten is Pim Fortuyn ... Het laat-maar-lopenbeleid, hoor ik u zeggen.
Minister Aartsen:
Dat was daarvoor.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nou ja, mijn concrete vraag aan de staatssecretaris ...
De voorzitter:
De minister.
Minister Aartsen:
De staatssecretaris heeft promotie gemaakt.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
... of aan de minister — sorry, ik haal alles door elkaar. Mijn concrete vraag aan de minister is eigenlijk heel simpel. Welke partij heeft hier de afgelopen twintig jaar zo'n beetje aan het roer gestaan en waardoor is wat de VVD nu zegt te willen, dan allemaal mislukt?
Minister Aartsen:
Volgens mij moeten wij plannen maken die werken. Wat we zagen, is dat we een tijdlang een systeem hebben gehad dat in 2013, onder de oude wet, ervoor zorgde dat slechts 2% van de inburgeraars het B1-taalniveau haalde. Inmiddels hebben we een systeem waarbij de eerste lichting ervoor zorgt dat 50% het B1-taalniveau haalt. Dan kun je wel meer dan alleen maar een brood bestellen bij de bakker. Dan kun je echt meedoen in de samenleving en werken. Op zichzelf is dat dus positief nieuws en we gaan nu een volgende stap zetten door te zeggen: u gaat niet alleen maar de Nederlandse taal leren, maar we verwachten ook dat u gaat werken en een bijdrage levert aan de samenleving.
De heer Ergin (DENK):
Jarenlang zijn statushouders in dit huis weggezet als mensen die niet willen werken, alsof statushouders de hele dag thuis op hun bank zitten en aan het netflixen zijn. Maar als we gewoon kijken naar de cijfers, dan zien we dat heel veel statushouders niet eens de kans hebben gekregen om een inburgeringstraject te starten. Het ligt dus niet aan onwil. Ziet de minister in dat het niet ligt aan de onwil van mensen, maar aan een trage overheid en aan jarenlang falend overheidsbeleid, waarbij mensen niet eens een PIP-plan kregen? Vindt de minister het dan eerlijk dat hier nu collega's opstaan en de volledige verantwoordelijkheid in de schoenen van statushouders schuiven, terwijl de overheid jarenlang te traag was en falend overheidsbeleid heeft gevoerd?
Minister Aartsen:
Het antwoord daarop is "ja" en "nee" tegelijkertijd. Ik vind dat mensen ook als zij geen PIP-plan hebben, een eigen verantwoordelijkheid hebben om zelf de Nederlandse taal te leren; mevrouw Van der Plas noemde al een voorbeeld. Dat moet ook zonder dat de overheid ze ertoe verplicht. Ik vind ook dat mensen zelf, zonder dat de overheid dat verplicht, de verantwoordelijkheid hebben om deel te nemen aan de samenleving en te werken. De heer Ergin heeft zeker een punt als het erom gaat dat we een systeem hebben gebouwd dat op dit moment het combineren van werken en inburgeren heel erg moeilijk maakt. Vandaar dat we hebben gezegd dat we in onze eerste drie maanden een groot plan presenteren met drie doorbraken, om er zo voor te zorgen dat die belemmeringen worden weggehaald en dat werk centraal komt te staan in de inburgering.
De heer Ceulemans (JA21):
Meer dan de helft burgert niet in binnen de termijn van drie jaar. Dat toont volgens mij twee dingen aan, namelijk dat we op heel grote schaal mensen in het land toelaten die ons heel weinig te bieden hebben, maar ook dat in financieel opzicht de teugels strak aangehaald moeten worden bij de mensen die hier zijn. Ik kijk bijvoorbeeld naar België, waar de hoogte van het leefloon, onze bijstand, veel nadrukkelijker gekoppeld gaat worden aan de mate en snelheid van integratie van statushouders. Hoe kijkt de minister daartegen aan? Vindt hij dat iets om ook in Nederland navolging aan te geven?
Minister Aartsen:
Wij zijn aan het kijken naar die doorbraak: werk centraal op alle aspecten die bijdragen aan werk of werk juist tegenwerken. Dat betekent ook dat we naar de Participatiewet kijken en naar de manier waarop wij het hebben georganiseerd. Ik noem als voorbeeld de vergoeding die wij geven aan statushouders om hun huis in te richten. Iemand die niet werkt, krijgt die vergoeding wel, gebaseerd op de individuele bijstand, maar iemand die wel werkt, krijgt die vergoeding niet. Dat is een vraagstuk waarvan je je kunt afvragen of je het eerlijk vindt. Wij zijn dat soort zaken, dat soort knelpunten, dat soort oneerlijkheden, nu allemaal aan het verzamelen en gaan kijken of we plannen kunnen presenteren om ze weg te halen. Nogmaals, de doorbraak moet het centraal stellen van werk zijn.
De heer Ceulemans (JA21):
Dan vraag ik de minister toch om wat concreter in te gaan op wat er nu in België gebeurt. Het leefloon in België is vergelijkbaar met onze bijstand. Het nieuwe beleid daar is dat als je niet snel genoeg integreert en inburgert, je wordt gekort op je leefloon. De minister gaf een aantal concrete kleinere voorbeelden, maar is hij ook bereid om in de stappen die hij gaat zetten dit punt heel nadrukkelijk mee te nemen?
Minister Aartsen:
Wij kijken taboeloos naar alle onderwerpen, dus ook zeker naar de bijstand en de Participatiewet. We zien nu alleen dat de inburgeringswet en de Participatiewet tegen elkaar in werken. Vandaar dat we zeggen: laten we die combineren en laten we daarin dan werk centraal stellen. We zijn daarbij bereid om te kijken naar alles wat eraan in de weg staat om mensen te helpen om te werken.
De heer Schenk (FVD):
De titel van de publicatie van het CBS waaraan gerefereerd werd, luidt: helft statushouders gestart in 2022 binnen drie jaar ingeburgerd. Dat geeft natuurlijk een heel vertekend beeld, want de feiten zijn zo dat van de ruim 17.000 statushouders die in 2022 inburgeringsplichtig werden, slechts ongeveer een kwart een persoonlijk plan had aan het eind van dat jaar. Van die groep was minder dan de helft binnen drie jaar ingeburgerd. Hetzelfde geldt voor de arbeidsparticipatie en het taalniveau, dat ver achterloopt op het gewenste niveau. Deelt de minister mijn conclusie dat wanneer je zo veel mensen uit Afrika en het Midden-Oosten naar Nederland laat komen, die aantallen niet meer bij te houden zijn en dat inburgeren dan gewoon een illusie wordt? Het gros van die immigranten blijft gewoon achter bij de rest van de Nederlandse bevolking. Als de minister deze conclusie deelt, is hij dan van mening dat dit een nieuwe aanleiding vormt om eindelijk paal en perk te stellen aan immigratie en te zeggen: mensen die hier niet aarden, zullen moeten remigreren?
Minister Aartsen:
De heer Schenk tovert nu wel met heel veel cijfers dwars door elkaar heen. Ik heb net geprobeerd om aan te geven dat het overgrote deel van de mensen uit de instroom van 2022 in 2023 hun inburgeringsverplichting, hun PIP, heeft gekregen. Laten we de feiten wel een beetje zuiver houden. De hoge instroom is daar zeker een probleem, daarom werkt het kabinet ook aan een strakke instroombeperking en instroombeperkende maatregelen en tegelijkertijd ook aan een inburgeringssysteem dat ervoor zorgt dat mensen op een hoog niveau de Nederlandse taal leren. Het gaat dan om een hoger niveau dan het systeem daarvoor; het is een verbetering die ervoor zorgt dat mensen meedoen in de samenleving en aan het werk gaan.
De heer Bolhuis (PRO):
We hebben het hier over mensen die naar Nederland komen en asiel aanvragen, mensen die hiernaartoe komen en met hun gezin door willen gaan. Dat zijn mensen die willen meedoen aan de samenleving en aan de economie. We delen, denk ik, dat we allemaal willen dat deze mensen werk krijgen en de Nederlandse taal leren. Het grote probleem zit echter al op het moment dat zij in de asielzoekerscentra zijn: geen toegang tot werk, geen toegang tot taal. Wat kan de minister doen om ervoor te zorgen dat dat eerder en sneller gaat? Dan gaan deze cijfers sterk verbeteren. Wat gaat de minister concreet doen om ervoor te zorgen dat vanaf de eerste dag dat deze mensen hier binnenkomen, zij toegang krijgen tot taal en werk?
Minister Aartsen:
We zijn nu dus bezig met die drie doorbraken. De eerste is "werk centraal", de tweede is "werkgevers" en de derde is "actief in de opvang". Daar is dit zeker een onderdeel van, want we willen dat in die eerste drie maanden duidelijk wordt of iemand kansrijk is of niet. We willen dat iemand die kansrijk is, zo snel mogelijk onze taal leert door middel van een taalboost. Dan gaan we ervoor zorgen dat diegene zo snel mogelijk, dus na drie maanden — nu is het nog zes, maar het wordt dan drie — mee kan doen in onze samenleving en aan het werk kan. Dat wetsvoorstel ligt volgens mij nog bij uw Kamer. We proberen dat groots aan te pakken en ervoor te zorgen dat mensen die in het azc zitten en kansrijk zijn om hier in Nederland te mogen verblijven, direct Nederlands leren en direct mee kunnen werken in de samenleving. Uiteindelijk gaat dat ook voordelen opleveren bij de inburgering. Ons geloof is dat de beste manier om in te burgeren niet via een boekje is, maar gewoon op de werkvloer en in de bedrijfskantine.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Taal is cruciaal voor het bouwen van een gemeenschappelijke gemeenschap. Werk is dat ook. Het houdt ons land draaiende. Het is erg goed als we ervoor zorgen dat mensen vanaf dag één de taal kunnen leren en dat ze vanaf dag één waar mogelijk, met een beetje begeleiding, aan het werk en aan de slag kunnen. Maar ik wil één punt uitlichten dat cruciaal is om de taal te leren: onderdeel zijn van een gemeenschap.
De voorzitter:
Uw vraag.
De heer Jimmy Dijk (SP):
Ik vraag mij af of deze minister het met de SP-fractie eens is dat dat betekent dat je ook een actief spreidingsbeleid moet gaan voeren als het gaat om het huisvesten van statushouders. Als mensen allemaal bij elkaar komen te wonen, bijvoorbeeld in buurten en wijken met een lage sociaal-economische status, is de kans op werk en op het snel leren van de taal een stuk kleiner. Is het kabinet met de SP van mening dat we omwille van de taal leren en aan het werk kunnen, toe moeten naar een actief spreidingsbeleid?
Minister Aartsen:
Het kabinet voert netjes de Spreidingswet uit. Dat doet mijn collega Bart van den Brink van Asiel en Migratie. Ten aanzien van woonafspraken maakt mijn collega Boekholt-O'Sullivan afspraken met gemeenten tijdens de Woontop over hoe je die op een goede manier kan nakomen. Ik ben het met de heer Dijk eens dat het enorm belangrijk is dat mensen uit die gemeenschap komen en onderdeel worden van de samenleving. Dat doen ze door middel van werk en door middel van meedoen. Inderdaad, taal is daarin ook van belang. In de praktijk is het leren van de Nederlandse taal uiteindelijk de beste manier om mee te kunnen doen in de samenleving.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik zou de minister graag nog op één punt willen aanmoedigen. In zijn hele agenda over meedoen, zo snel mogelijk werken en geen bureaucratische belemmeringen zou ik in het bijzonder aandacht willen vragen voor het meedoen en het werk van vrouwelijke statushouders. De aantallen liggen al laag, maar je ziet dat die voor vrouwelijke statushouders nog veel lager liggen, omdat er allerlei factoren zijn waardoor zij niet werken. Ik zou zo graag willen dat ook voor deze groep specifieke maatregelen worden genomen, zodat zij mee kunnen doen en net zoals alle vrouwen in Nederland volwaardig deel kunnen nemen aan het arbeidsproces. Wat gaat de minister daaraan doen?
Minister Aartsen:
Het punt dat mevrouw Michon-Derkzen hier maakt, is heel belangrijk. Ook hier zie je dus weer dat beide wetten tegen elkaar in werken. De Participatiewet zegt: als één iemand, dus de kostwinner van het gezin, aan het werk is — dat is vaak de man — dan ontslaan we het volledige gezin van de verplichting om te werken. We zien dus vaak dat gemeenten de mannen aan het werk helpen, zodat ze van de verplichting af zijn. Daarom hebben we ook samen met gemeenten gezegd dat er een apart plan moet komen voor vrouwelijke statushouders. We willen dat ook vrouwen die naar Nederland komen, volwaardig meedoen in de samenleving. Dat doen we door middel van betaald werk.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het vragenuur. Ik schors heel kort. Dan gaan we stemmen.
De vergadering wordt van 15.00 uur tot 15.08 uur geschorst.