Stenogram : Vragenuur: Vragen van het lid Tseggai aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht "Afrikaanse en Caribische leiders willen excuses van landen voor trans-Atlantische slavenhandel".
3 Vragenuur
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 85
Te raadplegen sinds
2026-09-18Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 85
Vragenuur
Vragen Tseggai
Vragen van het lid Tseggai aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het bericht "Afrikaanse en Caribische leiders willen excuses van landen voor trans-Atlantische slavenhandel".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Tseggai voor haar vragen namens de fractie van PRO aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die ik ook van harte welkom heet in de Tweede Kamer. Het woord is aan mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Voorzitter, dank. Ik wil graag beginnen met het vertellen van het verhaal van Elisabeth Samson. Elisabeth Samson was een zwarte vrouw en in 1715 vrijgeboren in Paramaribo, Suriname. Zij wilde op een zeker moment in het huwelijk treden met een witte man. Dat mocht in die tijd niet, dus dat werd haar in Suriname geweigerd. Elisabeth Samson vergaarde bekendheid, omdat zij die weigering tot aan de Staten-Generaal, dus hier, aanvocht. Haar verhaal laat zien dat je, zelfs als je vrijgeboren was in die tijd, als zwarte persoon niet vrij was om je eigen keuzes te maken.
Dat herdenken we de komende weken ook weer. We herdenken dan Ketikoti, het afschaffen van de slavernij. In dat licht vind ik het belangrijk om hier te benoemen dat mijn fractie het pijnlijk vindt dat Nederland niet meegestemd heeft met de resolutie van Ghana bij de VN en dat Sint-Maarten, Curaçao en Aruba hier niet bij betrokken zijn. Deze resolutie kreeg afgelopen week een vervolg. Op initiatief van de president van Ghana was er een conferentie. Mijn eerste vraag aan het kabinet is dan ook: waarom was ons kabinet daar niet bij aanwezig? Frankrijk was dat namelijk, hoewel online, wel. Ik vraag mij in het licht van deze gebeurtenis ook af waar deze terughoudende houding van dit kabinet vandaan komt. Ik kan me eigenlijk bijna niet voorstellen dat het desinteresse is. Wat zegt dit allemaal over de kijk van dit kabinet op ons koloniale verleden en de verhoudingen binnen ons Koninkrijk? Ziet de minister concrete gevolgen van ons slavernijverleden in onze huidige samenleving?
De voorzitter:
Het woord is aan de minister.
Minister Heerma:
Ik wil mevrouw Tseggai bedanken voor de vragen die zij gesteld heeft. Laat ik beginnen met benadrukken dat er sinds de excuses eind 2022 en in juli 2023 belangrijke stappen zijn gezet om bewustwording, erkenning en aandacht voor de doorwerking van het slavernijverleden te versterken. Op verschillende terreinen zijn er ook resultaten geboekt, waaronder op het gebied van herdenken. Dit gebeurde onder andere door de oprichting van het Herdenkingscomité Slavernijverleden, in het onderwijs, door onderzoek en door een subsidieregeling voor maatschappelijke initiatieven voor Europees Nederland en de Cariben. Daarmee worden verhalen en perspectieven beter zichtbaar gemaakt, wordt nieuwe kennis ontwikkeld en gedeeld, en wordt er geïnvesteerd in de kracht van gemeenschappen. Mevrouw Tseggai liet aan het begin van haar vragen zien hoe belangrijk het is om de verhalen met elkaar te delen en te doorleven.
Wij blijven ons als kabinet en dus als regering ook inzetten voor het verder versterken van de partnerschappen, gebaseerd op wederzijds respect, gelijkwaardigheid en open dialoog. Daarbij erkennen we tegelijkertijd onze gedeelde geschiedenis en dat die ook pijnlijke hoofdstukken kent. De rol van Nederland in de trans-Atlantische slavenhandel is een historische realiteit die niet ongedaan gemaakt kan worden en de gevolgen daarvan zijn voor velen tot op de dag van vandaag voelbaar. Dat was een van de vragen van mevrouw Tseggai.
Nederland onderschrijft dan ook ten volle het belang van aandacht voor de geschiedenis van slavernij en voor de doorwerking daarvan in het heden. Dat vraagt om blijvende inzet, herdenking, educatie, onderzoek, dialoog en het bestrijden van racisme en discriminatie. De oproep van de Afrikaanse en Caraïbische leiders raken aan een geschiedenis die voor miljoenen nog steeds van grote betekenis is. Nederland heeft erkend dat slavernij een misdaad is tegen de menselijkheid en dat de gevolgen daarvan generaties lang doorwerken. We luisteren daarom ook met respect naar de signalen die vanuit Afrika en het Caribisch gebied worden afgegeven. Het gesprek over hoe samenlevingen omgaan met dit verleden is belangrijk en verdient ook een open houding.
Mevrouw Tseggai ging ook in op de VN-resolutie, waar ze eerder ook schriftelijke vragen over gesteld heeft. Ik zal nogmaals de positie van de Nederlandse regering hierbij benadrukken. Ik begrijp namelijk dat de onthouding bij de stemming over de resolutie ook vragen heeft opgeroepen en teleurstelling heeft veroorzaakt, in het bijzonder onder de betrokken gemeenschappen. Het is daarom belangrijk om duidelijk te zijn over de redenen daarvoor. Onze onthouding doet geen afbreuk aan onze erkenning van de ernst van de trans-Atlantische slavenhandel, noch aan onze inzet voor herdenking, dialoog, culturele restitutie en de bestrijding van racisme en discriminatie.
Nederland kon zich echter niet vinden in bepaalde onderdelen van de resolutie. Daarbij gaat het specifiek om de verwijzingen die een retroactieve toepassing van het internationaal recht impliceren, waaronder de suggestie van juridische verplichtingen ten aanzien van handelingen die destijds niet in strijd waren met het internationaal recht. Daarnaast hebben wij principiële bezwaren tegen de introductie van een hiërarchie in misdrijven tegen de menselijkheid, waaronder de kwalificatie van één misdrijf als het ernstigste. Met mijn collega, de minister van Buitenlandse Zaken, heb ik uw Kamer, zoals ik zojuist heb aangegeven, al antwoorden gegeven op eerdere schriftelijke vragen hierover.
Omdat hierover geen consensus bereikt kon worden, heeft Nederland zich destijds samen met alle andere lidstaten van de Europese Unie en een bredere groep van landen onthouden van stemming. Om dezelfde reden heeft het Koninkrijk der Nederlanden zich niet aangesloten bij het outcome document van de afgelopen conferentie, waar mevrouw Tseggai naar verwees. Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat erkenning, dialoog en een concrete inzet voor bewustwording, educatie en maatschappelijke verwerking essentieel zijn. Wij zijn met de Caribische delen van het Koninkrijk in contact geweest over de afgelopen conferentie, over onze deelname en inzet. Nederland heeft niet gekozen voor wegkijken, maar voor erkennen. Daarom zijn excuses aangeboden, investeren we in educatie en herdenking en voeren we het gesprek met betrokken gemeenschappen. De oproepen die nu vanuit Ghana en andere landen komen, nemen we serieus en zullen we zorgvuldig bestuderen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik dank de minister voor dit antwoord, maar het kabinet had er ook voor kunnen kiezen om in gesprek te gaan bij die conferentie in Ghana, zoals Frankrijk dat bijvoorbeeld ook heeft gedaan. President Macron was online aanwezig bij een deel van de conferentie. Nu staan we als Nederland aan de zijlijn. Ik vind dat toch jammer, want zelfs als je het niet eens bent met de uitkomst van die conferentie, had je ervoor kunnen kiezen om in gesprek te gaan. Is hij dan bereid om los van die conferentie wel in gesprek te gaan met een aantal landen die relevant zijn op dit dossier en ook met de gemeenschappen, hier in Europees Nederland en in Caribisch Nederland, die het betreft, en dan in het bijzonder Curaçao, Aruba en Sint-Maarten?
Minister Heerma:
Mevrouw Tseggai vraagt in het vervolg om een aantal zaken. Misschien is het goed om als eerste te zeggen: Nederland was in brede zin wel degelijk aanwezig bij de conferentie. De ambassadeur in Accra was aanwezig en heeft daar ook gesproken over de teruggave van cultureel erfgoed dat in de koloniale tijd op onrechtmatige wijze verworven is, zoals we dat ook doen met landen als Indonesië, Sri Lanka en Nigeria. We waren dus aanwezig en hebben daarover gesproken. Ik heb in mijn eerste beantwoording net ook aangegeven dat we de oproepen vanuit Ghana en andere landen serieus nemen en zorgvuldig bestuderen en dus ook kijken op welke wijze we met die landen in gesprek blijven.
Wat betreft het Caribisch deel van het Koninkrijk heeft de minister van Buitenlandse Zaken eerder al het nodige gezegd over de wijze waarop er niet met het Caribisch deel gecommuniceerd is voor het stemmen over de resolutie. Daarom hebben we voorafgaand aan deze conferentie ook nadrukkelijk wel contact gehad met het Caribisch deel van het Koninkrijk.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik begrijp dat de ambassadeur daar aanwezig was, maar als Frankrijk de president stuurt, dan sta je er als Nederland toch een beetje lelijk op, vind ik, als er geen deelname vanuit het kabinet is. Misschien kan de minister toezeggen dat hij voor de begroting van Binnenlandse Zaken een terugkoppeling aan de Kamer geeft over die gesprekken die hij aangaat met onder andere Ghana, maar ook andere relevante partijen op dit dossier.
Minister Heerma:
Ik denk dat ik iets concreters toe kan zeggen. Dat heeft ook met de timing te maken. Ik meen dat er op dit moment een commissiedebat over het slavernijverleden gepland staat voor oktober. Ik wil toezeggen dat ik voorafgaand aan dat debat met een brief kom over de stand van zaken.
De voorzitter:
Ik denk dat mevrouw Tseggai nog niet helemaal was uitgesproken.
Minister Heerma:
Excuus, voorzitter!
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik was wel uitgesproken, maar de tijd liep door. Dat probeerde ik in te seinen richting de voorzitter.
De voorzitter:
O, dat probeerde u in te seinen.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank aan de minister voor dit antwoord. Ik kijk uit naar dat debat en naar de toezegging die de minister zojuist heeft gedaan.
Dan wil ik als laatste even terugkomen op het deel van de beantwoording van de minister dat ging over discriminatie en racisme. Hij noemt dat terecht een gevolg van ons slavernijverleden. In het kader van "geen punt, maar een komma" is het dan natuurlijk wel een beetje gek dat dit kabinet geen extra geld heeft uitgetrokken voor de aanpak van discriminatie en racisme. Hoe reflecteert de minister hierop? Kan hij toezeggen dat hij in aanloop naar de begroting concrete plannen presenteert met de daarvoor benodigde middelen?
Minister Heerma:
Volgens mij heb ik niet zo lang geleden in het tweeminutendebat over dit onderwerp ook al aangegeven dat er op dit moment ongeveer bij elk debat dat ik voer, gevraagd wordt om toezeggingen voor extra geld of het uitsluiten van bezuinigingen. Ik heb op dit moment niet meer geld dan er is. Dat geldt voor alle onderwerpen. Ik vind het ook niet realistisch om dat toe te zeggen.
Tegelijkertijd vraagt mevrouw Tseggai naar plannen. Daar hebben we ook in het commissiedebat uitgebreid met elkaar over gesproken. Er zijn best veel plannen. Er zijn ook al stappen gezet in het serieus nemen van het bestrijden van racisme en discriminatie. Ik noem er een aantal. Het gaat om het verbreden van de Algemene wet gelijke behandeling met eenzijdig overheidshandelen, waar jaren over gesproken is. Het gaat om de versterking van de antidiscriminatievoorzieningen, waar een wetsvoorstel voor loopt. Het gaat om de invoering van de discriminatietoets, volgend op de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, maar ook om de rijksbrede aanpak waar vanuit de Kamer om is gevraagd via de motie van de fractie van DENK bij het debat over de regeringsverklaring. Dit najaar komen we met die aanpak. Het gaat om de wettelijke verankering van de NCDR. Er zijn dus veel voorstellen waar we op dit moment aan werken en waarover we met de Kamer in gesprek zijn, soms zelfs op expliciet verzoek van de Kamer, om invulling te geven aan de kabinetsambities rondom het bestrijden van discriminatie en racisme.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ja, afrondend. Ik zie dat de minister maatregelen heeft, maar zonder geld zullen die niet goed tot stand kunnen komen. Geld uitgeven is in Den Haag altijd een politieke keuze, dus ik zou hem richting de begroting willen vragen om nog eens goed over zijn keuzes na te denken.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel.
De heer Russcher (FVD):
In Ghana kwamen meer dan 80 landen bijeen om te praten over hoe schuldig het Westen zich nog moet voelen over het slavernijverleden. Uiteraard ging het daarna over een reparation fund, klimaatschadebetalingen en allerlei vormen van herstelbetalingen. Mijn vragen aan de minister zijn als volgt. Hoe gaat Nederland hiermee om? Gaat Nederland meewerken aan het reparation fund? Gaat Nederland in op die klimaatschadebetalingen of andere herstelbetalingen die daar geëist worden? Klopt het dat Nederland al heeft toegezegd aan Ghana dat Nederland meer dan 2.000 voorwerpen aan Ghana terug gaat geven?
Minister Heerma:
Om met het laatste te beginnen: er wordt met Ghana nu gesproken over culturele restitutie, net zoals in andere landen die ik noemde. Die gesprekken zijn gaande; die contacten zijn er. Over de juridische verplichtingen die uit de resolutie spreken, zijn al verschillende Kamervragen gesteld. Dat is een van de overwegingen waarom Nederland zich onthouden heeft van stemming over deze resolutie.
De heer Struijs (50PLUS):
Ik heb even een bijzonder verzoek en een vraag aan de minister. Wil de minister in de brief voorafgaand aan het commissiedebat over het slavernijverleden, dat we na het reces hebben, ook aandacht besteden aan Suriname? Wij krijgen heel veel vragen over het koloniale verleden en het slavernijverleden in Suriname. Zou u een stand van zaken willen geven over inzichten en wat u daar in de toekomst mee wil?
Minister Heerma:
Dit is een zeer terecht punt en daar zullen we vanzelfsprekend zowel in de brief als in het debat aandacht aan besteden.
De heer Van Baarle (DENK):
De manier waarop Nederland zich zonder overleg met de andere landen binnen het Koninkrijk heeft onthouden van die stemming en de manier waarop deze minister ook aangeeft "we hebben gehoord wat die andere landen zeggen", maar eigenlijk met niks komt, zorgen dat heel veel mensen die in het heden met de gevolgen van het slavernijverleden leven en die ervaren, aan deze regering vragen: wat bent u nou bereid om extra te leveren? Als er dan weer verwezen wordt naar een andere brief, blijft mijn vraag aan de minister de volgende. De afgelopen tijd heeft de regering gezien dat er heel veel gevoeligheden zijn ontstaan rond die resolutie. Waarom komt de regering nou niet met iets concreets om te laten zien dat ze dit serieus neemt en wat doet? Waarom moeten mensen weer wachten?
Minister Heerma:
Ik weet niet of de heer Van Baarle helemaal recht doet aan het antwoord dat ik heb gegeven. Ik ben de beantwoording op de vraag van mevrouw Tseggai begonnen met wat wij allemaal doen sinds de excuses en wat we doen om het serieus te nemen, met herdenken, educatie, onderwijs en onderzoek, en de subsidies voor maatschappelijke initiatieven. Tegelijkertijd heeft de vraag die hier gesteld wordt, betrekking op een resolutie waar al door verschillende fracties schriftelijke vragen over zijn gesteld. Daarom verwees ik naar een eerdere brief. Ik heb verwezen naar de beantwoording van de vragen over wat de redenen waren dat wij niet in konden stemmen met deze resolutie en ons dus onthouden hebben van stemming.
Waar de heer Van Baarle verder naar verwijst, is de onrust die er in het Caribisch gebied over is ontstaan dat er vooraf aan het stemmen over deze resolutie in maart geen contact is opgenomen. Daar is op verschillende niveaus contact over opgenomen. Zowel de minister van Buitenlandse Zaken als de minister-president hebben al laten weten dat de communicatie daarover met betrokkenen uit het hele Koninkrijk beter had gekund en dat hier in de toekomst meer oog voor zal moeten zijn. Daarom is er, ten behoeve van deze conferentie, wel contact hierover geweest.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De minister kondigt een brief aan. Ik vroeg mij af of hij daarin ook de gevolgen kan meenemen rond de onafhankelijkheid van Suriname, waarmee toen de Toescheidingsovereenkomst is gesloten. Kan de naleving van dat verdrag, dat nog steeds geldig is, in die brief worden meegenomen? Er zitten een paar losse eindjes in en ik vroeg me af of u die erbij kunt betrekken, zodat we het in het debat daarover kunnen hebben met elkaar.
Minister Heerma:
Als ik heel eerlijk ben, twijfel ik eraan of dit niet een ander onderwerp is, dat op een andere tafel besproken hoort te worden, maar ik wil wel toezeggen dat ik daar in de brief aandacht aan zal besteden. Dan is vervolgens wel de vraag in welk debat dat het beste aan de orde kan komen.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.