Stenogram : Onderwijskansen
3 Onderwijskansen
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 83
Te raadplegen sinds
2026-09-14Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier36800-VIIIToon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 83
Onderwijskansen
Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen (CD d.d. 03/06).
De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Onderwijskansen. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de leden van de Kamer van harte welkom. We gaan gelijk naar de eerste spreker. Dat is mevrouw Moorman. Zij spreekt namens PRO.
Mevrouw Moorman (PRO):
Goedemorgen, voorzitter. Goedemorgen, Kamer en staatssecretaris. Twee minuten, en vier minuten in de commissie, zijn natuurlijk veel te kort om over dit belangrijke onderwerp te spreken. Daarom ga ik maar meteen door naar mijn drie moties, en dan hoop ik dat we het nog vaak over kansengelijkheid gaan hebben.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het IELS-rapport van de OESO laat zien dat er grote niveauverschillen bestaan tussen 5-jarigen, dat deze verschillen lang doorwerken en dat vve een belangrijke rol kan hebben in het tegengaan van verschillen;
verzoekt de regering om in beeld te brengen hoe de bevindingen van de OESO omgezet zouden kunnen worden in beleid om kansenongelijkheid onder kinderen in het onderwijs in Nederland tegen te gaan, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 158 (36800-VIII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de vrijwillige ouderbijdrage ervoor zorgt dat kinderen op de ene school veel meer en duurdere uitjes kunnen doen dan kinderen op de andere school;
overwegende dat dit kansenongelijkheid vergroot;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met het onderwijsveld om in kaart te brengen welke instrumenten denkbaar zijn om te borgen dat elk kind op schoolreisje kan en hoe deze gefinancierd kunnen worden, en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 159 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de harde schotten tussen onderwijs, kinderopvang en zorg maken dat kinderen niet optimaal in hun ontwikkeling kunnen worden ondersteund en dat de jonge jaren van een kind een cruciale periode zijn voor de ontwikkeling van kinderen;
constaterende dat de ministeries van SZW, OCW, VWS, BZK, VRO en JenV samenwerken aan een Sociale Agenda voor Nederland, waarbij vraagstukken worden aangepakt die op het snijvlak liggen van verschillende domeinen, waaronder jeugdhulp en -zorg, kinderopvang en onderwijs;
overwegende dat professionals vanuit het onderwijs, de kinderopvang, de zorg en het welzijnswerk moeten kunnen samenwerken aan een sterke pedagogische basis voor elk kind;
verzoekt de regering om te onderzoeken hoe de samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg makkelijker en beter gemaakt kan worden, en hierover de Kamer te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Moorman.
Zij krijgt nr. 160 (36800-VIII).
Mevrouw Moorman (PRO):
Voorzitter, het is gelukt.
Dank u wel.
De voorzitter:
En hoe!
De heer Ergin is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Hij spreekt namens DENK. Gaat uw gang.
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik dank de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik vind het belangrijk dat we het op de lange termijn over onderwijskansen en kansengelijkheid hebben. Maar kansengelijkheid begint natuurlijk ook bij iets kleins. Ik noemde tijdens het commissiedebat het voorbeeld van de grab-and-gokast. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de grab-and-gokast een initiatief is waarmee scholen leerlingen anoniem kunnen voorzien van basisbenodigdheden zoals deodorant, maandverband en andere persoonlijkehygiëneproducten;
overwegende dat leerlingen die zich zorgen maken over hun persoonlijke hygiëne, zich minder goed kunnen concentreren tijdens lessen;
verzoekt de regering scholen te stimuleren om initiatieven zoals de grab-and-gokast breder uit te rollen in het land,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 161 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
Voorzitter. Het tweede punt gaat over de schoolmaaltijden tijdens de zomer- en kerstvakantie. De staatssecretaris geeft in de brief aan dat dit wordt beperkt tot schoolweken, vanwege de grote vraag naar schoolmaaltijden. Ik vind dat geen goede ontwikkeling. Honger gaat namelijk niet op vakantie. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat 411.000 kinderen dankzij het schoolprogramma worden geholpen met een gevulde maag;
constaterende dat de regering vanwege de gestegen deelname ervoor kiest het budget alleen in te zetten tijdens schoolweken en de overbruggingspakketten voor de zomer- en wintervakantie te schrappen;
overwegende dat honger niet met vakantie gaat;
verzoekt de regering om schoolmaaltijden voor leerlingen tijdens de zomer- en kerstvakantie te behouden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ergin.
Zij krijgt nr. 162 (36800-VIII).
De heer Ergin (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De heer Kisteman (VVD):
Ik ken mijn collega Ergin als een Kamerlid dat altijd van de kwaliteit is en overal goed naar kijkt. Als ik het goed begrijp, heeft zijn laatste motie geen dekking. Hoe wil de heer Ergin die maaltijden financieren?
De heer Ergin (DENK):
Volgens mij komt er binnenkort augustusbesluitvorming aan. Die zomer- en winterpakketten gaan om een klein bedrag; het gaat echt om een paar miljoen. Ik ben ervan overtuigd dat we daar echt wel ruimte voor kunnen vinden in de augustusbesluitvorming. Ik zal in ieder geval de stukken die beschikbaar komen vanuit dat perspectief lezen. We weten dat het gaat om een zeer klein bedrag. Daarom hoeven we die dekkingsdiscussie wat mij betreft niet hier, nu al, van tevoren te voeren.
De heer Kisteman (VVD):
Komt de heer Ergin dan richting die begroting met een amendement of komt hij nu, via deze motie, zelf met een voorstel voor waar we dat geld eventueel moeten weghalen?
De heer Ergin (DENK):
Het voorstel dat in deze motie staat gaat erom dat we op korte termijn … Over drie weken begint het zomerreces hier in de Tweede Kamer. Een aantal weken daarna begint de zomervakantie in het land. Volgens mij kunnen we binnen het bestaande budget die overbruggingspakketten uitdelen. Bij de augustusbesluitvorming ga ik de begroting zeker dusdanig lezen dat ik met een dekkingsvoorstel kan komen om dit structureel te regelen.
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik hoor meneer Ergin zeggen: een overbrugging, met name in de zomervakantie. Bent u het met me eens dat dit eigenlijk een verantwoordelijkheid is van de ouders, en niet van de overheid?
De heer Ergin (DENK):
In de ideale wereld ben ik het met mevrouw Raijer eens. In de ideale wereld hebben we geen crisis rondom bestaanszekerheid, hebben we niet te maken met structurele kinderarmoede, zijn er geen mensen die met een paar tientjes per week hun leven moeten doorkomen. Maar we weten hoe de praktijk is. Die praktijk is weerbarstig. Heel veel leerkrachten zien als ze lesgeven dat hun leerlingen niet opletten, geen energie hebben of geen concentratie hebben, omdat ze bezig zijn met ontbijt of persoonlijke hygiëne. Volgens mij kunnen we dat echt wel netjes oplossen met bijvoorbeeld die grab-and-gokast. Die kost ook niet tientallen miljoenen. Het is gewoon een klein initiatief dat binnen de bestaande bekostiging, denk ik, mogelijk is. Als dat niet zo is, hoor ik graag van de staatssecretaris wat daarvoor nodig is, maar dit moeten we gewoon kunnen regelen. Laten we de discussie alsjeblieft niet voeren over de ideale wereld die we voor ogen hebben, maar op basis van de praktijk en wat de leerlingen dagelijks meemaken.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Raijer is de volgende spreker. Ze spreekt namens de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Raijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik zal snel beginnen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering de leerplicht wil verlagen van 5 naar 4 jaar;
overwegende dat leerplichtambtenaren nu al overbelast zijn door het grote aantal thuiszitters en dat een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar de druk op handhaving en uitvoering verder zal vergroten;
overwegende dat een kind van 4 jaar in de eerste plaats kind moet kunnen zijn en niet onnodig vroeg onder een wettelijke leerplicht moet worden gebracht;
verzoekt de regering af te zien van een verlaging van de leerplichtige leeftijd naar 4 jaar,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 163 (36800-VIII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jaarlijks circa 130 miljoen euro wordt besteed aan de maatschappelijke diensttijd;
overwegende dat onduidelijk is welk deel van deze middelen daadwerkelijk ten goede komt aan jongeren;
verzoekt de regering een onafhankelijk onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid en effectiviteit van de maatschappelijke diensttijd, de Kamer hierover te informeren en geen uitbreiding of aanvullende financiering van de maatschappelijke diensttijd toe te staan voordat de resultaten van dit onderzoek met de Kamer zijn gedeeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 164 (36800-VIII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat scholen steeds vaker worden belast met maatschappelijke, opvoedkundige en sociale taken;
overwegende dat de primaire taak van scholen het geven van onderwijs is;
verzoekt de regering nieuwe taken voor scholen kritisch te toetsen en geen extra opvoedkundige verantwoordelijkheden bij scholen neer te leggen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 165 (36800-VIII).
Mevrouw Raijer (PVV):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering jaarlijks 135 miljoen euro uittrekt voor schoolmaaltijden;
overwegende dat het verzorgen van eten voor kinderen in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders is en dat de belastingbetaler niet steeds verder moet opdraaien voor taken die bij ouders thuishoren;
verzoekt de regering bij nieuw beleid als uitgangspunt te hanteren dat opvoedings- en verzorgingstaken in de eerste plaats bij ouders liggen en te stoppen met het structureel overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Raijer.
Zij krijgt nr. 166 (36800-VIII).
U heeft nog een vraag van mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik heb een vraag aan mevrouw Raijer over wat kinderen eraan kunnen doen als er thuis te weinig geld is om met een volle maag naar school te gaan. Wat denkt mevrouw Raijer dat dat voor effect heeft op de schoolresultaten van de kinderen, die daar niks aan kunnen doen?
Mevrouw Raijer (PVV):
Ik snap de vraag van mevrouw Moorman en ik begrijp de situatie helemaal. Toch blijft er een verantwoordelijkheid bij de ouders liggen, want er zijn ook zat ouders die hun kinderen gewoon niet met ontbijt naar school laten gaan omdat ze of geen tijd hebben of om andere redenen.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Mijn vraag is of mevrouw Raijer denkt dat het dan alleen in Nederland een verantwoordelijkheid van ouders is, terwijl we overal in Europa zien dat kinderen daar gewoon schoolmaaltijden, meestal ook nog eens warme schoolmaaltijden, krijgen aangeboden. Is het dan niet gek dat dat hier per se bij de ouders moet liggen, terwijl het nu op scholen goed geregeld is?
Mevrouw Raijer (PVV):
De verantwoordelijkheid ligt bij ouders. Ik vind niet dat de belastingbetaler maar voor alles moet opdraaien. We zitten hier in Nederland en niet in de rest van Europa.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boomsma. Gaat uw gang.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik heb een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat leerlingen die van huis uit een andere taal spreken dan Nederlands bij het leren van het Nederlands gebaat zijn bij een duidelijke aanpak en vooral heel veel Nederlands;
constaterende dat de methode om de thuistaal van leerlingen in te zetten bij het leren van Nederlands (talige diversiteit) onwerkbaar is omdat leraren en leerkrachten geen rekening kunnen houden met meerdere thuistalen in de klas;
constaterende dat uit onderzoek dat is verricht naar meertaligheid niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van de thuistaal;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat het Nederlands de leer- en instructietaal blijft in het reguliere funderend onderwijs en voor het vak Nederlands, en voorlopig geen stappen te zetten richting het stimuleren van talige diversiteit op school,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Boomsma.
Zij krijgt nr. 167 (36800-VIII).
Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk is de volgende spreker van de zijde van de Kamer. Zij spreekt namens Democraten 66.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank, voorzitter. Naar aanleiding van het IELS-onderzoek, waaruit blijkt dat kinderen op 5-jarige leeftijd al moeite hebben met taal en achterstanden hebben, pleiten wij voor een doorlopende ontwikkellijn vanaf 0 jaar. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ieder kind recht heeft op een sterke start in een rijke pedagogische omgeving die bijdraagt aan brede ontwikkeling;
overwegende dat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor de samenhangende ontwikkeling van taal, spel en sociale en emotionele vaardigheden;
overwegende dat uit onder meer het IELS-onderzoek van de OECD blijkt dat de kwaliteit van de vroege omgeving bepalend is voor latere ontwikkelkansen;
overwegende dat een integrale benadering van de ontwikkeling van kinderen van 0 tot 12 jaar vraagt om meer samenhang tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs;
overwegende dat de huidige institutionele scheidslijnen tussen kinderopvang, voorschool en onderwijs een doorlopende ontwikkellijn kunnen belemmeren;
verzoekt de regering toe te werken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs structureel binnen één doorgaande ontwikkellijn waarin de brede ontwikkeling van kinderen centraal wordt gesteld, en waarin taal, spel en sociale en emotionele ontwikkeling integraal wordt benaderd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 168 (36800-VIII).
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Armut. Zij spreekt namens het CDA.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat voorschoolse educatie bedoeld is om jonge kinderen met een risico op een onderwijsachterstand een zo goed mogelijke start op de basisschool te geven;
constaterende dat 75% tot 80% van de geïndiceerde kinderen de weg naar voorschoolse educatie vindt, maar dat 20% tot 25% van deze kinderen nog niet wordt bereikt;
overwegende dat gemeenten, consultatiebureaus, wijkteams en voorschoolse voorzieningen, zoals peuterspeelzalen en kinderopvanglocaties, een belangrijke rol spelen bij het bereiken van ouders en het verlagen van drempels;
verzoekt de regering om samen met gemeenten, consultatiebureaus en voorschoolse voorzieningen in kaart te brengen welke geïndiceerde kinderen nog onvoldoende worden bereikt en welke belemmeringen daarbij spelen;
verzoekt de regering tevens om goede voorbeelden van gemeenten die deze kinderen en ouders wél effectief bereiken actief te verspreiden en beter te benutten;
verzoekt de regering de Kamer vóór de begrotingsbehandeling van OCW te informeren over de wijze waarop het bereik van voorschoolse educatie onder geïndiceerde kinderen concreet wordt vergroot,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 169 (36800-VIII).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in het coalitieakkoord is afgesproken pesten tegen te gaan met bewezen effectieve methoden;
constaterende dat online pesten voor kinderen en jongeren niet ophoudt na schooltijd en vaak moeilijk zichtbaar is voor ouders en docenten;
constaterende dat uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van online pesten vaak nog heftiger kunnen zijn dan pesten op het schoolplein, onder meer omdat het 24 uur per dag door kan gaan;
constaterende dat de Europese Commissie in februari 2026 een actieplan tegen cyberpesten heeft gepresenteerd, gericht op betere bescherming van kinderen en jongeren online;
overwegende dat scholen behoefte hebben aan handelingsperspectief over welke aanpak werkt bij het voorkomen, signaleren en aanpakken van online pesten;
verzoekt de regering om tijdens de Week tegen Pesten 2026 bewezen effectieve methoden, praktische handreikingen en goede voorbeelden voor de aanpak van online pesten actief onder de aandacht te brengen van scholen, en daarbij ook de rol van ouders te betrekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Armut, Zwinkels en Rooderkerk.
Zij krijgt nr. 170 (36800-VIII).
Mevrouw Armut (CDA):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. De staatssecretaris heeft aangegeven zeven minuten nodig hebben te hebben om tot de appreciaties te komen. We gaan dus schorsen tot 10.37 uur. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 10.30 uur tot 10.37 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de beantwoording van de zijde van het kabinet en de appreciatie van de moties. De staatssecretaris heeft het voor elkaar gekregen om per minuut de appreciatie van twee moties voor te bereiden met haar ondersteuning. Laten we kijken of dat ook lukt in de beantwoording. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
We gaan het zien, voorzitter, dank u wel. Er zijn inderdaad dertien moties en geen vragen, dus ik ga beginnen met de appreciaties.
De motie op stuk nr. 158 van mevrouw Moorman gaat over de bevindingen die in het onderzoek naar the early learning child zijn gedaan. Ik heb dat al toegezegd. Daarmee zou ik 'm kunnen overnemen of overbodig kunnen verklaren. Het belang daarvan delen mevrouw Moorman en ik.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Moorman.
Mevrouw Moorman (PRO):
Ik herinner mij dat de staatssecretaris in een commissiedebat inderdaad heeft toegezegd dat ze met een brief komt. Maar in deze motie staat dat we ook graag zouden willen zien hoe die grote verschillen tussen kinderen op 5-jarige leeftijd kunnen worden voorkomen. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris ook een analyse maakt van hoe die verschillen tot stand komen en hoe we dat kunnen bestrijden? Want dan kan ik mijn motie intrekken.
De voorzitter:
De motie was eigenlijk al overgenomen, maar we gaan even luisteren naar wat de staatssecretaris nu zegt.
Staatssecretaris Tielen:
Dat moet volgens mij altijd met toestemming van de indiener. Mevrouw Moorman en ik delen dit belang. Dus ja, die analyse nemen we mee. Er zijn, denk ik, twee plekken waar we hierop doorgaan. Aan de ene kant gebeurt dat in de versterkingsagenda rondom basisvaardigheden, want dit gaat voor een heel groot deel over taalbeheersing, lezen en schrijven. Aan de andere kant gebeurt dat rondom het jonge kind. Daar kom ik zo meteen bij een aantal andere moties nog op terug. Mevrouw Moorman en ik delen de verwachting dat we hier wat dieper op ingaan en dat we ook met oplossingen komen.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dan vind ik het prima dat die wordt overgenomen.
De voorzitter:
De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 158) is overgenomen.
Dan de motie op stuk nr. 159.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 159 van mevrouw Moorman gaat over de samenwerking … Nee, even kijken, ik moet wel de goede erbij houden. Die gaat over het onderwijsveld, over schoolreisjes en de financiering daarvan. Ik wil me eigenlijk best wel veel bemoeien met het onderwijs, zeker als het gaat over kwaliteit en veiligheid, maar dit is een onderwerp waar ik mij eigenlijk gewoon niet mee wil bemoeien. Die motie ontraad ik dus.
Mevrouw Moorman (PRO):
Dit begrijp ik echt niet. Wij hebben nu wel degelijk de wettelijke maatregel dat de ouderbijdrage niet verplicht is. We zien daarvan de effecten in het onderwijs. Daarvan zegt de staatssecretaris dat ze zich er niet mee wil bemoeien. Zegt de staatssecretaris daarmee eigenlijk dat schoolreisjes wat haar betreft niet bij het onderwijs horen? Dat is namelijk de consequentie van wat de staatssecretaris zegt.
Staatssecretaris Tielen:
Allereerst is er een wetsevaluatie. Er is dus op basis van de wet waar mevrouw Moorman naar verwees, bekeken of er samenhang is tussen bijvoorbeeld de ouderbijdrage en wat daaruit voortvloeit. Maar ik vind dat heel goed onderwijs leveren onze kernopdracht is. Dat betekent: kwaliteit van onderwijs en veiligheid op scholen. Ik vind niet dat dit een zaak is voor het Rijk.
De voorzitter:
Eéntje?
Staatssecretaris Tielen:
Ik ontraad 'm dus.
De voorzitter:
We doen één vervolgvraag.
Mevrouw Moorman (PRO):
In het eerste deel van de beantwoording ontkracht de staatssecretaris wat ze zelf zegt. Er komt namelijk een evaluatie, dus het Rijk bemoeit zich er wel degelijk mee. Vervolgens zegt ze dat het alleen maar over kwaliteit van onderwijs gaat. Ik stel dus toch nog eenmaal mijn vraag. Volgens de staatssecretaris valt onder kwaliteit van onderwijs dus niet het feit dat je als kind op schoolreisje kan tijdens je schoolperiode?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind niet dat we daarover hier beleid moeten maken. Er is een wet gemaakt over de vrijwillige ouderbijdrage. Uiteindelijk is het aan scholen om in gesprek met ouders invulling te geven aan hoe ze omgaan met extracurriculaire activiteiten zoals sportdagen en schoolreisjes. Ik hoop dat voor ieder kind dat soort extracurriculaire activiteiten mogelijk zijn.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 159: ontraden. Dan komen we bij de motie op stuk nr. 160.
Staatssecretaris Tielen:
Bij de motie op stuk nr. 160 van mevrouw Moorman vinden we elkaar weer wat beter, denk ik. Ik ben het namelijk heel erg eens met de vraag om die samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en zorg te verbeteren. Ik zou die dus ook graag willen overnemen van mevrouw Moorman.
De voorzitter:
Ik zeg er wel bij dat zowel het dictum als alle overwegingen volledig in lijn moeten zijn met het standpunt van de staatssecretaris, als zij 'm overneemt. Ik kijk even naar mevrouw Moorman.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, zo had ik deze motie ook gelezen.
De voorzitter:
Hartstikke fijn. Mevrouw Moorman, heeft u er bezwaar tegen dat de staatssecretaris deze motie overneemt? Dat is niet het geval. Dan gaan we 'm overnemen.
De motie-Moorman (36800-VIII, nr. 160) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 161 van de heer Ergin gaat over de grab-and-gokasten. We hadden het er in het commissiedebat over dat dat een sympathiek initiatief is. Overigens was ik van de week op een school waar ze ook leeskasten hebben waar je boeken kunt lenen en omwisselen. Er zijn veel van dat soort initiatieven die ervoor zorgen dat ieder kind toegang heeft tot een aantal zaken die voor hem of haar, en voor zijn of haar ontwikkeling, belangrijk zijn. Ik vind het een sympathiek initiatief. Ik kan de motie ook oordeel Kamer geven. Daarbij zeg ik dat ik het met scholen kan bespreken en onder de aandacht kan brengen. Ik kan scholen ook helpen om goede tips daarover over te nemen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 161: oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 162.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kom bij de motie op stuk nr. 162 over de schoolmaaltijden. Ik heb daar een brief over geschreven. Zoals in het interruptiedebatje werd geconstateerd, is er geen geld voor die motie, dus ik ontraad 'm.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 162: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 163 van mevrouw Raijer begint met een constatering die niet klopt. We hebben niet gezegd dat we de leerplicht willen verlagen. We hebben in het coalitieakkoord opgenomen dat we een aanmeldplicht vanaf 4 jaar willen om ervoor te zorgen dat kinderen in beeld zijn. Ik ontraad deze motie dan ook.
De voorzitter:
Ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 164 van mevrouw Raijer gaat over de maatschappelijke diensttijd. Ik heb net, volgens mij vorige week, een brief gestuurd over het onafhankelijke onderzoek naar die maatschappelijke diensttijd. Dat maakt dat ik deze motie ontraad.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 164: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 165 van mevrouw Raijer gaat over het kritisch toetsen van nieuwe taken voor scholen. Dat voelt als een belangrijke opdracht voor mij, dus daar ben ik al druk mee bezig. In een aantal debatten met uw Kamer komt dat, denk ik, ook wel naar boven. Tegelijkertijd liggen opvoeding en onderwijs wel in elkaars verlengde. Overigens, voor de mensen die het leuk vinden: in het Latijn bestaat hetzelfde woord voor "opvoeden" en "onderwijs". De scherpe scheiding die mevrouw Raijer tussen die twee wil maken, kan ik niet maken. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 165.
De voorzitter:
Welk woord is dat dan?
Staatssecretaris Tielen:
Dat is de oorsprong van het woord "educatie".
De voorzitter:
Mooi. De motie op stuk nr. 165: ontraden. De motie op stuk nr. 166.
Staatssecretaris Tielen:
"Educare": "opvoeden" of "opleiden".
De motie op stuk nr. 166 van mevrouw Raijer gaat nog een stapje verder. Ze zegt dat we ook structureel moeten stoppen met het overnemen van ouderlijke verantwoordelijkheden. Hoewel ik wel voel wat ze daarmee bedoelt, is het zo scherp opgeschreven dat ik daar gewoon niet achter kan staan, want het opvoeden van een klas is ook onderdeel van de vaardigheid en het vakmanschap van een docent. Ik ontraad dus de motie op stuk nr. 166.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 166: ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Bij de motie op stuk nr. 167 van de heer Boomsma sta ik om een paar redenen graag ietsje langer stil. Meneer Boomsma constateert dat niet eenduidig blijkt dat het leren van Nederlands gebaat is bij de inzet van een andere taal. Dat is niet waar. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat talige diversiteit, zoals dat zo prachtig heet, daadwerkelijk positieve invloed heeft op het ontwikkelen van een taal. Daarnaast vraagt meneer Boomsma in zijn dictum om als leer- en instructietaal Nederlands te houden. Daar ben ik het helemaal mee eens; dat is ook helemaal ons plan en dat gaan we dus zeker doen. Vervolgens zegt hij: voorlopig geen stappen zetten op het stimuleren van talige diversiteit. Als ik het goed begrijp — daarom sta ik hier wat langer bij stil — probeert hij daarmee eigenlijk te zeggen: niet bemoeien met wat in de klas gebeurt en wat de docent doet. Dat is precies waarop wij ons onderwijs überhaupt gebaseerd hebben. Wij bemoeien ons namelijk niet met de lesmethode die docenten toepassen. Dat deel van het dictum snap ik dus niet helemaal. Ik kan daar ook niets over zeggen. Ik kan dus zeggen dat ik de motie ontraad. Ik kan ook zeggen dat het eerste deel van het dictum overbodig is. Maar ja …
De voorzitter:
Zullen we 'm gewoon ontraden?
Staatssecretaris Tielen:
Ontraden is dan natuurlijk het makkelijkste, maar dat vindt meneer Boomsma niet zo leuk.
De heer Boomsma (JA21):
Dat doet helemaal niet ter zake, maar ik ben enigszins verbaasd omdat wij deze motie natuurlijk al van tevoren hebben overgelegd. Dat is dan natuurlijk ook een kans om verduidelijking te vragen voordat we dat hier in de plenaire zaal doen. Maar het is nog beter om dat in alle transparantie te doen; dat is dus geen punt. Maar ik ben ook verbaasd dat de staatssecretaris zegt dat wetenschappelijk volledig vaststaat dat die talige diversiteit in de didactiek effectief is in het leren van Nederlands. Dat is helemaal niet het geval. Er zijn onderzoeken die die kant op wijzen, maar er zijn ook heel veel onderzoeken die daar vraagtekens bij zetten. Dat moet ik dus toch echt betwisten. Er is een onderzoek gepresenteerd. Daar gaat het kabinet nog op reageren. Ik wil dus in ieder geval dat de komende tijd vanuit het kabinet geen stappen worden gezet om deze meertalige didactiek verder te verspreiden.
De voorzitter:
Heeft u ook een vraag?
De heer Boomsma (JA21):
Dat is de verduidelijking waarom gevraagd werd door de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Boomsma refereert nu aan meertalige didactiek, wat weer iets anders is dan meertaligheid. Daar zit een deel van onze spraakverwarring in, denk ik. In de kerndoelen die we vorige week in de Eerste Kamer hebben vastgelegd, staan een aantal dingen over talige diversiteit. Daar ga ik niet in treden, want die hebben we vastgelegd in de kerndoelen. Scholen gaan er nu mee aan de slag om daar curricula en lesmethoden voor te bouwen. Als meneer Boomsma tegen mij zegt "ga nou niet duwen om dat alleen maar vanuit meertalige didactiek te doen, want stel dat je docent bent en te maken hebt met kinderen die tien verschillende thuistalen hebben, dan wordt dat heel ingewikkeld", dan snap ik dat heel goed. Met die interpretatie zou ik 'm oordeel Kamer kunnen geven, omdat, nogmaals, het eerste deel van het dictum gewoon overbodig is.
De voorzitter:
Ik vind het wel een beetje verwarrend worden, eerlijk gezegd.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat vind ik ook.
De heer Boomsma (JA21):
Ik ga er nog even goed naar kijken. Misschien sturen we nog een aangepaste versie in.
Staatssecretaris Tielen:
Dan ontraad ik 'm nu; dat is dan het helderste. Dan ga ik nog met meneer Boomsma in gesprek om te zorgen dat we elkaar goed begrijpen, want dat is de kracht van taal.
De voorzitter:
Dan wordt de motie op stuk nr. 167 ontraden. Ik ga ervan uit dat als die gewijzigd wordt, er voor de stemmingen een nieuwe appreciatie komt van het kabinet.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat lijkt me handig.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 168.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 168, van mevrouw Rooderkerk, gaat over het toewerken naar een samenwerking tussen kinderopvang, voorschoolse voorzieningen en onderwijs. Daar zijn we mee bezig. Daar hebben we het in het commissiedebat natuurlijk ook over gehad. Ik pak ook de lead, zeg maar. Ik heb het dan vooral over kinderen van tussen de 2,5 en 4 jaar oud, over met name die periode. Daar komt een brief over. De motie geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 168: oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Maar dit is best wel een lange motie en ik heb niet heel snel gezien of ik alles ... Ik hoorde de voorzitter zeggen dat alles precies zo moet zijn. Dat kan ik nu niet checken, dus ik geef 'm voor nu oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 169, van mevrouw Armut, gaat over het bereik van voorschoolse educatie. Ik geloof inderdaad dat ik ook in het debat heb gezegd dat ik het heel erg eens ben met haar aandacht daarvoor. Ook deze is best wel lang. Ik zou 'm over kunnen nemen.
En de laatste, van mevrouw Armut ...
De voorzitter:
Ik heb eerst een knikje nodig.
Staatssecretaris Tielen:
O ja, een knikje.
De voorzitter:
Ik zie een knikje.
De motie-Armut/Rooderkerk (36800-VIII, nr. 169) is overgenomen.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 170, van mevrouw Armut, gaat over online pesten en de Week tegen Pesten. We gaan zo meteen nog een paar uur met elkaar in debat over veiligheid in en om het onderwijs, maar het lijkt me goed om deze motie oordeel Kamer te geven om al een eerste stap te zetten richting veiliger onderwijs.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 170: oordeel Kamer. Dat was 'm. Daarmee is er een einde gekomen aan het tweeminutendebat Onderwijskansen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik, een paar minuten. Ga niet te ver weg. Daarna gaan we verder met de Wet vrij en veilig onderwijs. Ik schors de vergadering voor een paar minuten.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.