Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Omnibusrichtlijn directe belastingen (Kamerstuk 22112-4421)
2026D42835 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 10 september 2026 enkele vragen en opmerkingen
aan de Staatssecretaris van Financiën voorgelegd over de door de Minister van Buitenlandse
Zaken op 28 augustus 2026 toegezonden brief inzake het fiche over de Omnibusrichtlijn
directe belastingen (Kamerstuk 22 112, nr. 4421).
De voorzitter van de commissie,
Jansen
Adjunct-griffier van de commissie,
Lips
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche
over het Omnibusvoorstel directe belastingen. Deze leden hebben daarover nog de volgende
vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Europese Commissie met het voorliggende voorstel
beoogt om investeringen te stimuleren en het concurrentievermogen van de Europese
Unie te versterken. Kan het kabinet aangeven welke onderdelen van het voorstel naar
verwachting de grootste bijdrage leveren aan groei, investeringen en verdere verdieping
van de interne markt? Kan het kabinet per onderdeel van de omnibus toelichten welke
empirische onderbouwing beschikbaar is dat de voorgestelde lastenverlichting daadwerkelijk
leidt tot extra investeringen, en niet hoofdzakelijk tot hogere winsten voor bestaande
ondernemingen?
De leden van de D66-fractie vragen het kabinet welke administratieve lastenverlichting
Nederlandse bedrijven naar verwachting zullen ervaren door de voorgestelde vereenvoudigingen
van de zes belastingrichtlijnen.
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorstel een directe aftrek voor bepaalde
R&D-investeringen introduceert. Kan het kabinet aangeven wat het effect is van het
voorstel van de Europese Commissie voor het Nederlandse fiscale instrumentarium, zoals
de WBSO en de Innovatiebox? Wat betekent dit naar verwachting voor de omvang van R&D-investeringen?
De leden van de D66-fractie vragen welke gevolgen het kabinet verwacht voor de Nederlandse
belastinggrondslag en belastingopbrengsten als gevolg van de voorstellen van de Europese
Commissie. Wat is de totale budgettaire derving vanaf deze kabinetsperiode en structureel?
Hoe verhoudt de budgettaire derving in Nederland zich tot dervingen in ander lidstaten?
Deze leden vragen het kabinet om ook in te gaan op de analyse van Van de Streek en
Vleggeert1, waarin de structurele derving wordt geschat op acht miljard euro. Klopt de analyse
van Van de Streek en Vleggeert dat de facto de dividendbelasting wordt afgeschaft?
De leden van de D66-fractie merken op dat de voorgestelde maatregelen de verhouding
tussen box 2 en box 3 verandert. Kan het kabinet een nadere toelichting hierop geven
en aangeven wat de inzet van het kabinet daarbij is?
De leden van de D66-fractie hechten aan een solide belastinggrondslag. Acht het kabinet
de voorgestelde antimisbruikmaatregelen voldoende om eventuele derving als gevolg
van de verruimde vrijstellingen te mitigeren?
De leden van de D66-fractie lezen dat het voorstel op onderdelen verder gaat dan vereenvoudiging
alleen. Kan het kabinet aangeven welke onderdelen van het voorstel Nederland in de
onderhandelingen actief zal steunen en op welke onderdelen het kabinet aanpassing
wenselijk acht?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
over de omnibusrichtlijn op het terrein van de directe belastingen. Deze leden onderschrijven
het belang van het verminderen van administratieve lasten en het vereenvoudigen van
Europese fiscale regelgeving voor ondernemers. Harmonisatie van regels kan daarbij
een belangrijke bijdrage leveren aan meer rechtszekerheid, minder regeldruk en een
gelijk speelveld binnen de Europese interne markt, in het bijzonder voor ondernemingen
die grensoverschrijdend actief zijn. Voor de leden van de VVD-fractie staat voorop
dat Europese fiscale regelgeving eenvoudig, uitvoerbaar en voorspelbaar is, onnodige
verschillen tussen lidstaten wegneemt en daarmee de concurrentiekracht van Nederlandse
en Europese ondernemingen versterkt. Tegen deze achtergrond hebben deze leden de volgende
vragen aan het kabinet.
De leden van de VVD-fractie lezen verschillende doelstellingen van het Nederlandse
beleid. In de eerste plaats lezen deze leden dat het kabinet inzet op het versterken
van het EU-concurrentievermogen, het stimuleren van investeringen en innovatie en
het versimpelen van regelgeving. Deze leden lezen ook een en ander over gelijkere
behandeling van eigen en vreemd vermogen op EU-niveau, het bestrijden van belastingontwijking
en het losmaken van investeringen en versterken van het vestigingsklimaat en de financieringsketen.
Hoe verhouden deze doelstellingen zich tot elkaar? Welk doel is of welke doelen zijn
het belangrijkst?
De leden van de VVD-fractie constateren dat eerdere kabinetten wetgeving hebben aangenomen
ter bestrijding van belastingontwijking. Deze leden zijn ook voorstander van het bestrijden
van belastingontwijking, maar constateren wel dat vorige kabinetten onder de noemer
«prohibitieve werking» vaak verder zijn gegaan dan noodzakelijk om belastingontwijking
daadwerkelijk te bestrijden. Is het kabinet voornemens als onderdeel van het traject
rondom de omnibus over belastingen deze wetgeving kritisch tegen het licht te houden
en om deze te toetsen naar geschiktheid (is deze maatregel geschikt om het doel te
bereiken) en noodzakelijkheid (gaat deze maatregel verder dan nodig om het doel te
bereiken)?
De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens het kabinet het voorstel zoals het voorligt,
zal leiden tot een significante derving van belastingopbrengsten. Is bij deze beoordeling
rekening gehouden met de positieve indirecte effecten van de voorstellen? Door een
eerder kabinet is wel eens gesteld dat het versoberen van de 30%-regeling een positieve
budgettaire opbrengst heeft, terwijl uit SEO-onderzoek (Kunde, kosten en keuzes; Evaluatie
30%-regeling) in dat voorbeeld duidelijk bleek dat de directe en indirecte opbrengst
de kosten overstijgen. In hoeverre wordt hier bij de ramingen rekening mee gehouden?
Voor zover hier niet of slechts in beperkte mate rekening mee wordt gehouden, laat
dat dan niet zien dat dergelijke ramingen van (zeer) beperkte waarde zijn?
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat voor budgettaire effecten, die voortvloeien
uit maatregelen dekking zal worden gezocht binnen hetzelfde domein. Ondergraaft een
lastenverlichting die wordt gedekt met een lastenverzwaring voor dezelfde doelgroep
niet juist de hele doelstelling van de omnibus over belastingen?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van IRR, MDR en FASTER dat het kabinet
constateert dat de definitie van een pensioenfonds in het richtlijnvoorstel ruimer
is dan wat Nederland als een pensioenfonds ziet. In welke gevallen zal als gevolg
hiervan Nederland een vrijstelling aan buitenlandse pensioenfondsen moeten toekennen?
Om welke (buitenlandse) rechtsvormen gaat het (voorbeelden van bijvoorbeeld Duitse
of Canadese institutionele beleggers)?
De leden van de VVD-fractie lezen de kritische kanttekening van het kabinet ten aanzien
het beperkt blijven van de vrijstelling van bronbelasting tot situaties binnen de
interne markt, maar hebben moeite dit te plaatsen in het licht van het voorstel voor
de omnibus over belastingen. Zijn de voorgestelde vrijstellingen van bronbelasting
in de voorstellen niet juist beperkt tot situaties binnen de interne markt? Bedoelt
het kabinet hiermee aan te geven dat de voorgestelde kabinetsinzet is om het voorstel
niet te verruimen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de omnibus alleen bronbelastingen op rente,
royalty’s en rente adresseert. Bronheffingen, die enkele lidstaten heffen op grensoverschrijdende
dienstenvergoedingen (advies-, engineering- en managementfees) blijven buiten beschouwing.
Is het kabinet het met deze leden eens dat daarmee voor de Nederlandse dienstensector
een belangrijke resterende bronbelastingfrictie binnen de interne markt dreigt te
blijven bestaan? Is het kabinet voornemens om zich hard te maken voor het schrappen
van ook deze bronbelasting?
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat het kabinet de vrijstelling wil afschermen
tegen oneigenlijk gebruik en constructies die leiden tot belastingontwijking of -arbitrage.
Ook deze opmerking kunnen deze leden niet goed plaatsen. Bevatten deze regelingen
immers niet al antimisbruikbepalingen? In hoeverre heeft het kabinet rekening gehouden
met het algemene Unierechtelijke antimisbruikleerstuk? Welke «fiscale optimalisatie»
heeft het kabinet in de inkomstenbelasting voor ogen? Verschillen tussen box 2 en
box 3, bijvoorbeeld, zijn met name gedreven door het door de wetgever gecreëerde verschil
tussen die twee boxen: belastingheffing op basis van werkelijk gerealiseerd inkomen
tegenover belastingheffing over forfaitair (fictief) inkomen en, op basis van het
huidige wetsvoorstel dat bij de Eerste Kamer voorligt, nog niet gerealiseerd inkomen
(vermogensaanwas). Zou het aanpassen van box 3 naar werkelijk rendement (vermogenswinst)
niet juist passend flankerend beleid zijn in dezen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorgestelde wijziging van artikel 5, lid
3, van de Interest- en Royaltyrichtlijn kan samenlopen met bestaande Europese en nationale
antimisbruikbepalingen. Deze leden vinden het van belang dat vereenvoudiging niet
resulteert in nieuwe gevallen van dubbele belasting. Kan het kabinet uiteenzetten
hoe wordt voorkomen dat toepassing van artikel 5, lid 3, van de Interest- en Royaltyrichtlijn
leidt tot dubbele belasting indien reeds bronbelasting is geheven op grond van nationale
of Unierechtelijke antimisbruikregels? Is het kabinet bereid zich in de onderhandelingen
in te zetten voor expliciete anti-cumulatiebepalingen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat een verplichte afschrijving ineens, in
samenloop met de huidige beperking van verliesverrekening, tot gevolg kan hebben dat
de regeling in de Nederlandse context niet altijd gunstiger uitwerkt dat reguliere
afschrijving. De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet zal onderzoeken in
hoeverre de regeling (directe kostenaftrek) kan worden ingepast in bestaande regelingen,
zoals bijvoorbeeld vormgeving als willekeurige afschrijving. Deze leden juichen dit
toe en zijn benieuwd naar de resultaten van dit onderzoek? Wordt er ook een rechtsvergelijking
gemaakt?
De leden van de VVD-fractie vragen of de definitie van research and development volledig aansluit bij de huidige definitie binnen de WBSO. Is het kabinet voornemens
om, mocht de definitie binnen de WBSO ruimer zijn, bij eventuele implementatie deze
ruimere definitie te hanteren?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet kritisch is ten aanzien van de voorgestelde
wijzigingen in de ATAD-richtlijn, in het bijzonder omdat het voorstel zich te sterk
zou richten op verbetering van de concurrentiepositie van het bedrijfsleven ten opzichte
van het originele doel om belastingontwijking te bestrijden. Volgt uit het richtlijnvoorstel
nu juist niet dat, zeker nu de wereldwijde minimumbelasting van kracht is, deze oorspronkelijke
doelstelling achterhaald is en de huidige opzet van de ATAD-richtlijn juist leidt
tot overkill en onnodige administratieve lasten? In hoeverre zou in die situatie moeten
worden vastgehouden aan de oorspronkelijke doelstelling? Kan het kabinet aangeven
welke Nederlandse fiscale regels zijn afgeschaft omdat de doelstelling achterhaald
is? Hoe verhoudt dit zich, bijvoorbeeld, met het voortbestaan van de RVU-heffing?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie bij haar voorstellen rekening
houdt met de inmiddels ingevoerde wereldwijde minimumbelasting. Deze leden constateren
dat meerdere ATAD-maatregelen oorspronkelijk zijn ontworpen in een periode waarin
een dergelijk internationaal kader nog ontbrak. Kan het kabinet per ATAD-maatregel
aangeven in hoeverre de invoering van de wereldwijde minimumbelasting de oorspronkelijke
noodzaak, doelmatigheid en proportionaliteit van deze maatregel heeft gewijzigd?
De leden van de VVD-fractie constateren dat het kabinet kritisch is op de voorgestelde
wijzigingen in de generieke renteaftrekbeperking. Daarbij haalt het kabinet de meer
gelijke fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen aan. Kan het kabinet
reflecteren op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de maatregel voor die beleidsdoelstelling?
Indien de maatregel beperkt doelmatig en/of doeltreffend is voor die beleidsdoelstelling,
waarom houdt het kabinet dan hieraan vast? Kan het kabinet voorts ingaan op de vraag
of een meer gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen slechts zuiver kan worden
nagestreefd als naast beperking van de aftrek (kostenkant) ook de inkomstenkant wordt
vrijgesteld? Zou dit niet helemaal logisch zijn als deelnemingsdrempels in de IRR
en MDR komen te vervallen? In hoeverre is de Nederlandse implementatie van de generieke
renteaftrekbeperking budgettair gedreven?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel beoogt de toepassing van de renteaftrekbeperking
verder te harmoniseren binnen de Europese Unie. Deze leden constateren dat de Commissie
tevens expliciet voorstelt nationale afwijkingen van het geharmoniseerde kader te
beperken. Kan het kabinet aangeven welke onderdelen van de Nederlandse implementatie
van de generieke renteaftrekbeperking momenteel verder gaan dan de voorgestelde geharmoniseerde
minimumnormen? Verwacht het kabinet dat deze verschillen als gevolg van het omnibusvoorstel
zullen verdwijnen?
De leden van de VVD-fractie lezen kritiek van het kabinet op veel onderdelen van de
voorgestelde wijzigingen in de generieke renteaftrekbeperking, onder meer op de uitzondering
voor derdeleningen (leningen van een derde partij). Het kabinet heeft het daarbij
voorts over «grondslaguitholling» en «winstverschuiving». Kan het kabinet aangeven
in hoeverre er sprake kan zijn van «grondslaguitholling» en/of «winstverschuiving»
bij derdeleningen? Spelen deze begrippen niet juist (of uitsluitend) een rol bij groepsleningen?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie lezen dat met een verhoging van de drempel naar 30 procent
de meeste belastingplichtigen alle rente op derdeleningen al kunnen aftrekken. Kan
het kabinet dit onderbouwen met cijfers? Voor welk type belastingplichtingen gaat
dit niet op? Betreft dit bepaalde sectoren?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet positief is over de optionele uitzondering
voor langlopende openbare-infrastructuurprojecten in relatie tot onder andere sociale en betaalbare huisvesting. Uit de praktijk
van lidstaten én de tekst van het richtlijnvoorstel blijkt echter dat dit een «verduidelijking»
is van iets dat al was toegestaan onder de richtlijn. Kan het kabinet hierop reflecteren
en aangeven waarom het telkens op eerdere vragen van de Kamer heeft geantwoord dat
woningcorporaties niet onder de bestaande optionele uitzondering voor langlopende
openbare-infrastructuurprojecten vielen? Indien er twijfel over kan bestaan, waarom
heeft het kabinet dit dan niet aan de Europese Commissie gevraagd, zoals het kabinet
dat bijvoorbeeld heeft gedaan voor overkill in de Nederlandse implementatie van de
regels tegen hybridemismatches?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet zal beoordelen welke route het meest
passend is voor de woningmarkt en dat het daarbij zal bezien of een van de andere
voorgestelde uitzonderingen, al dan niet in aangepaste vorm, een grotere en doelmatigere
bijdrage kan leveren aan de woningmarkt en het investeringsklimaat. Welke routes worden
verkend?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de kabinetsinzet is om de drempels wel verplicht
te maken, maar alle andere uitzonderingen (waaronder de groepsuitzondering) optioneel
te laten zijn. Voorts constateren deze leden dat veel landen de groepsuitzondering
wél hebben geïmplementeerd omdat zij onderkennen dat de aard van een onderneming (niet
gedreven door fiscale motieven) met zich kan brengen dat zij soms zwaarder met vreemd
vermogen zijn gefinancierd. In hoeverre zou het optioneel laten van de groepsuitzondering
erin blijven resulteren dat Nederland ongelijke gevallen gelijk blijft behandelen
ten nadele van het Nederlandse investerings- en vestigingsklimaat?
De leden van de VVD-fractie constateren dat onduidelijkheid lijkt te bestaan over
de verhouding tussen de voorgestelde nieuwe bronbelastingregels en bestaande belastingverdragen.
Rechtszekerheid voor grensoverschrijdend opererende ondernemingen achten deze leden
van groot belang. Kan het kabinet nader ingaan op de verhouding tussen artikel 5,
lid 3, van de Interest- en Royaltyrichtlijn en bestaande belastingverdragen? Kan deze
bepaling volgens het kabinet ertoe leiden dat verdragsvoordelen feitelijk worden beperkt?
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden dat het kabinet de voorgestelde wijzigingen
in de Fiscale Arbitragerichtlijn steunt. Zij hebben nog wel een aantal vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 16, zesde lid, van de Fiscale
Arbitragerichtlijn, op grond waarvan lidstaten toegang tot de arbitrageprocedure kunnen
ontzeggen indien er sancties zijn opgelegd in verband met gecorrigeerde inkomsten
of gecorrigeerd vermogen, onveranderd blijft. Deze leden ontvangen ook signalen van
burgers en bedrijfsleven dat er lidstaten zijn die om deze reden dergelijke sancties
opleggen. Kan het kabinet hierop reflecteren en zich inzetten om deze uitzondering
te beperken, bijvoorbeeld zoals Nederland dat heeft gedaan, zodat uitsluitend veroordelingen
door de strafrechter voor deze uitzondering kwalificeren?
De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 16, zevende lid, van de Fiscale
Arbitragerichtlijn, op grond waarvan lidstaten toegang tot de arbitrageprocedure kunnen
ontzeggen indien er geen sprake is van dubbele belastingheffing, onveranderd blijft.
Deze bepaling is ook overigens de aanleiding voor de eerste prejudiciële procedure
(C-497/25, Maxima LT) over de Fiscale Arbitragerichtlijn, welke een onderlinge overlegprocedure
tussen Nederland en Letland betrof. Is het kabinet het met de leden van de VVD-fractie
eens dat deze uitzondering ertoe leidt dat lidstaten in strijd met de Unietrouw en
goede verdragstrouw kunnen handelen door in situaties waarin zij geen belasting mogen
heffen, dit wel te doen omdat de belastingplichtige de juiste verdeling van de heffingsbevoegdheid
door toepassing van deze uitzondering niet kan afdwingen? Kan het kabinet zich inspannen
om deze uitzondering, in lijn met het eigen Nederlandse beleid op dit punt, te schrappen
uit de Fiscale Arbitragerichtlijn?
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met een aantal voorstellen om knelpunten
die volgen uit de Fiscale Arbitragerichtlijn op te lossen. Kan het kabinet aangeven
waarom er niet voor is gekozen om de taaleis van artikel 3 van de Fiscale Arbitragerichtlijn
aan te passen om de Engelse taal (de taal die hiervoor in de praktijk wordt gebruikt
tussen veel lidstaten, behalve die lidstaten die een gemeenschappelijke taal hebben)
altijd toe te staan? Kan het kabinet zich daarvoor inzetten in de onderhandelingen?
Kan het kabinet voorts aangeven in hoeverre de wijziging van artikel 4, lid 3, van
de Fiscale Arbitragerichtlijn belastingplichtigen helpt? Is niet juist het probleem
van die bepaling dat er overeenstemming moet zijn tussen de lidstaten over het feit
dat ze er niet met elkaar uitkomen? Zou het niet meer voor de hand liggen om deze
bevoegdheid neer te leggen bij één van de lidstaten, met dien verstande dat de lidstaat
die daar een beroep op doet geen beroep kan doen op een uitzondering op grond waarvan
toegang tot de arbitrageprocedure kan worden ontzegd?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om een comité op
te zetten voor een uniforme toepassing van bepalingen uit de richtlijnen.
Kan het kabinet aangeven of er al (publieke) reacties van lidstaten bekend zijn, en
zo ja, wat de strekking is van die reacties?
De leden van de VVD-fractie constateren dat advocaat-generaal Kokott in haar conclusie
van 22 mei 2025 bij de zaak Commissie t. België (C-524/23), concludeerde dat de ATAD
juist niet kon worden gebaseerd op artikel 115 VWEU. Wat is de appreciatie van het
kabinet van de conclusie van deze gezaghebbende advocaat-generaal? Kan daarbij inhoudelijk
worden ingegaan op overwegingen 26 tot en met 31 van de conclusie?
De leden van de VVD-fractie lezen op het punt van de financiële consequenties voor
de rijksoverheid en/of medeoverheden dat de eerste schattingen van het kabinet van
de budgettaire derving behorende bij i) de voorgestelde aanpassingen in de MDR (€ 2–€ 2,5
miljard per jaar), ii) de voorgestelde aanpassingen in de ATAD-renteaftrekbeperking
(€ 1,5–€ 2 miljard per jaar) en iii) de voorgestelde R&D investeringsaftrek (€ 50–€ 200
miljoen per jaar). Kan het kabinet onderbouwen waarop deze schattingen zijn gebaseerd?
Kan het kabinet daarnaast ook aangeven of en, zo ja, in hoeverre, rekening is gehouden
met de indirecte budgettaire gevolgen van deze maatregelen, zoals i) besparing op
uitvoeringskosten bij de Belastingdienst, ii) toegenomen vennootschapsbelastingopbrengsten
door op de winst drukkende compliancekosten, iii) toegenomen vennootschapsbelastingopbrengsten
door investeringen in Nederland (zowel bij het grootbedrijf als het mkb, inclusief
de toeleveringsketen) en iv) toegenomen loonbelasting en sociale zekerheidspremies
als gevolg van de toegenomen werkgelegenheid? Is het kabinet het met de leden van
de VVD-fractie eens dat dergelijke directe en indirecte positieve effecten ook moeten
worden meegenomen bij beleidskeuzes?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de financiële consequenties en gevolgen
voor regeldruk voor bedrijfsleven en burger dat het moeilijk is voor het kabinet om
de financiële consequenties en gevolgen voor regeldruk voor het bedrijfsleven en burgers
zoals die zijn opgenomen in het voorstel te vertalen naar de Nederlandse context.
Kan het kabinet aangeven waarin die moeilijkheid is gelegen? Hoe berekent het kabinet
dit normaal gesproken bij fiscale wetsvoorstellen en waarom kan die methodiek niet
worden toegepast op het omnibusvoorstel?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de financiële consequenties voor overheden (derving)
ten goede komen aan het bedrijfsleven en dat het gaat om een directe lastenverlichting
voor Nederlandse belastingplichtigen. Kan het kabinet in een overzicht weergeven met
hoeveel de lasten van het bedrijfsleven zijn verhoogd sinds de implementatie van de
ATAD-richtlijn (ook op basis van nationale koppen en unilaterale wet- en regelgeving)
en met hoeveel het richtlijnvoorstel de lasten weer zou verlagen, inclusief een totaal?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet nog niet duidelijk heeft in hoeverre
het voorstel de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven ten opzichte van andere
Europese bedrijven beïnvloedt. Is het kabinet het met de leden van de VVD-fractie
eens dat de huidige Nederlandse koppen op bestaande richtlijnen Nederlandse bedrijven
op een achterstandspositie brengt ten opzichte van andere Europese bedrijven? Is het
introduceren van verplichte regels, zoals bijvoorbeeld wordt voorgesteld bij de generieke
renteaftrekbeperking, dan niet juist een manier om die achterstandspositie ongedaan
te maken, en om vervolgens te kijken hoe Nederland nog specifiek beleid zou kunnen
voeren om de Nederlandse concurrentiepositie sterker te maken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat een belangrijk doel van het omnibusvoorstel
is om verschillen tussen lidstaten te verminderen en administratieve lasten terug
te dringen. Zij constateren dat Nederland op verschillende onderdelen verder is gegaan
dan wat Europese richtlijnen vereisen. Kan het kabinet per onderdeel van de Omnibusrichtlijn
aangeven welke Nederlandse nationale koppen of aanvullende implementatiemaatregelen
momenteel gelden boven op de Europese minimumeisen? Is het kabinet bereid deze, waar
zij niet langer noodzakelijk zijn, actief te heroverwegen?
De leden van de VVD-fractie lezen in het richtlijnvoorstel een delegatiegrondslag
voor de Fiscale Arbitragerichtlijn. Kan het kabinet bevestigen dat deze bevoegdheid
uitsluitend het verduidelijken en/of het waarborgen van de effectieve toepassing inhoudt
en niet verder gaat?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Commissie de regels inzake geïmporteerde
hybridemismatches wil schrappen vanwege complexiteit en beperkte effectiviteit. Zij
constateren tevens dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de implementatie
van ATAD 2 in de verschillende lidstaten. Kan het kabinet aangeven op welke onderdelen
Nederland de ATAD 2-richtlijn momenteel strenger heeft geïmplementeerd dan strikt
noodzakelijk op grond van de richtlijn? Is het kabinet bereid deze onderdelen, in
lijn met de doelstellingen van het omnibusvoorstel, kritisch tegen het licht te houden?
Kan het kabinet een overzicht verstrekken van de voorziene evaluaties van de Nederlandse
implementatie van de verschillende richtlijnen?
De leden van de VVD-fractie constateren dat onder het kopje «constitutionele toets»
is opgenomen «niet van toepassing». Kan het kabinet aangeven waarom het van oordeel
is dat er geen constitutionele toets van toepassing is? Speelt bij belastingwetgeving
het fiscale legaliteitsbeginsel van artikel 104 van de Grondwet geen rol? Kan het
kabinet aangeven waarom voor wat betreft de Fiscale Arbitragerichtlijn niet is getoetst
aan het recht op een eerlijk proces zoals is neergelegd in artikel 17 van de Grondwet?
Loopt er immers niet een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie over de
Fiscale Arbitragerichtlijn, die mede ziet op dat recht (maar dan uit het Handvest
voor de grondrechten van de Europese Unie) (C-497/25, Maxima LT)?
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van de implicatie voor de handhaving
op het terrein van IRR, MDR en FASTER dat het kabinet het complex acht dat dividenden
vanuit en naar EU-landen bij belangen van minder dan vijf procent worden vrijgesteld,
terwijl dividenden bij belangen van minder dan vijf procent binnen Nederland wel worden
belast. Is het kabinet het met de leden van de VVD-fractie eens dat het daarom dat
onderscheid niet zou moeten maken en dat dezelfde regel ook zou moeten worden toegepast
in binnenlandse verhoudingen, bijvoorbeeld zoals dat al gebeurt bij fusies en splitsingen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie een anti-procyclische
maatregel voorstelt waardoor ondernemingen bij een sterke terugval van de EBITDA volledige
renteaftrek behouden. Deze leden zien dat dit juist in economisch moeilijke tijden
relevant kan zijn voor investeringen en continuïteit van ondernemingen. Hoe beoordeelt
het kabinet de voorgestelde anti-procyclische maatregel waarbij volledige renteaftrek
mogelijk blijft indien de EBITDA met ten minste 50% daalt ten opzichte van het voorgaande
jaar? Kan het kabinet inzicht geven in de mogelijke effecten voor Nederlandse ondernemingen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet de voorgestelde wijzigingen in de
generieke renteaftrekbeperking complex acht en hier problemen in de uitvoering voorziet.
Kan het kabinet aangeven waarom er een zorg bestaat tussen leningen binnen de groep
en derdeleningen? Belastingplichtigen hebben toch een documentatieverplichting voor
verrekenprijzen op grond van artikel 8b, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting
en grotere belastingplichtigen moeten toch een lokaal dossier en een groepsdossier
voorhanden hebben? In zoverre kan de Belastingdienst toch al beschikken over de relevante
informatie?
Kan het kabinet toelichting welk risico op belastingontwijking het precies ziet en
hoe dit risico de druk op de uitvoering verhoogt?
Zou het instellen van een comité, zoals dit het kabinet voorstaat, voor de eenduidige
uitlegging van richtlijnbegrippen de zorg van het kabinet over de interpretatie van
definities zoals sociale woningen, woningcorporatie en defensie niet (kunnen) wegnemen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorgestelde aanpassing van de CFC-maatregel
complexiteit verhogend werkt, doordat per dochteronderneming gekeken moet worden naar
de belastingdruk. Welk type bedrijven hebben last van deze complexiteit? Hebben ondernemingen
die vallen onder de wereldwijde minimumbelasting deze informatie niet al voorhanden?
Zijn kleine- en middelgrote ondernemingen (zoals gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU)
niet uitgezonderd in het voorstel? Indien er wel groepen zijn waarvan het voorzienbaar
is dat deze regelgeving van toepassing is en die niet linksom of rechtsom uitgezonderd
zijn, zou het dan niet voor de hand liggen om aansluiting te zoeken bij het statutaire
tarief van het vestigingsland, rekening houdend met eventuele bijzondere regimes die
van toepassing zijn, in plaats van de daadwerkelijke belastingdruk?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Belastingdienst niet de kennis en de middelen
heeft om R&D-bedrijfsmiddelen te beoordelen, maar dat het kabinet in het midden laat
wie dit wel heeft. Heeft de RVO, die momenteel gaat over de WBSO, deze kennis in huis?
Lezen de leden van de VVD-fractie in de opmerkingen over de uitvoerbaarheid van de
regels tegen (geïmporteerde) hybridemismatches en het feit dat ze niet/nauwelijks
voorkomen dat het kabinet ook voorstander is van het schrappen van deze categorie
mismatches (geïmporteerde hybridemismatches) uit de ATAD-richtlijn?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de voorgestelde uitbreiding van de Moeder-Dochterrichtlijn
voorziet in aanvullende vrijstellingen voor pensioeninstellingen. Deze leden constateren
dat vergelijkbare neutraliteitsoverwegingen ook ten grondslag liggen aan de fiscale
behandeling van bepaalde beleggingsinstellingen. Kan het kabinet aangeven of beleggingsinstellingen
waarop een regime van toepassing is dat vergelijkbaar is met het Nederlandse fbi-regime
binnen de reikwijdte van de voorgestelde vrijstellingen kunnen vallen? Zo nee, waarom
niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben het fiche met enige verbazing gelezen. Deze leden
merken op dat de toelichting op verschillen voorstellen summier is, terwijl het gaat
om verstrekkende maatregelen, die de Nederlandse overheid naar alle waarschijnlijkheid
vele miljarden kosten. Deze leden zijn dan ook zeer kritisch en hebben veel vragen.
De leden van de PRO-fractie zijn net als vrijwel iedereen voorstander van harmonisering
en vereenvoudiging. Dat is echter heel iets anders dan versoepeling en verlaging,
waarop de voorstellen van de Europese Commissie neer lijken te komen. Deze leden vragen
allereerst naar de doelstellingen van de Europese Commissie. Zij lezen dat het doel
van de Omnibusrichtlijn is om de kosten voor bedrijven te verlagen, het makkelijker
te maken om te investeren en het concurrentievermogen van de Europese Unie te versterken.
Is ook onderbouwd waarom deze doelen noodzakelijk zijn en waarom deze doelen voorrang
lijken te krijgen boven andere doelen, die ook veel geld kosten, zoals het tegengaan
van de klimaatcrisis, het versterken van de Europese infrastructuur en het investeren
in onderwijs? Hoe maakt het kabinet deze afweging? En is het kabinet het eens met
de Europese Commissie dat de gestelde doelen het waard zijn om vele miljarden minder
inkomsten voor binnen te krijgen?
Daarnaast vragen de leden van de PRO-fractie of de Europese Commissie ook onderbouwd
heeft hoe de voorgestelde maatregelen bijdragen aan de gestelde doelen. Deze leden
snappen dat het verlagen van belastingen, waar een deel van de maatregelen in de praktijk
op neerkomen, leidt tot «lagere kosten». Dragen de maatregelen ook op andere wijze
bij aan de gestelde doelen, en zo ja, hoe?
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet positief is over voorstellen om
bronbelastingen op grensoverschrijdende betalingen tussen EU-entiteiten binnen de
interne markt af te schaffen. Deze leden vragen waar het kabinet precies op doelt
met deze uitspraak en welke impact dit standpunt heeft voor het Nederlandse belastingstelsel.
Is een dergelijke stap volgens het kabinet ook mogelijk zonder gigantische budgettaire
derving? Zo ja, hoe?
Deze leden lezen ook dat het kabinet constateert dat de definitie van een pensioenfonds
in het richtlijnvoorstel ruimer is dan de Nederlandse definitie, waardoor het voorstel
tot grote complexiteit in de uitvoering leidt en tot een budgettaire derving. Heeft
het kabinet hier ook een opvatting over of wenst het kabinet zich te beperken tot
deze feitelijke constateren? Deze leden merken op dat beide gevolgen niet erg positief
voor Nederland klinken en vragen of het kabinet net als deze leden liever zouden zien
dat de definitie wordt beperkt.
Ook lezen de leden van de PRO-fractie dat «nationale maatregelen genomen moeten worden
om equivalentie te waarborgen» als het gaat om het vervallen van de drempel voor de
vrijstelling van dividendbelasting en de deelnemingsvrijstelling. Betekent dat dat
de drempel binnenlands de facto ook zal komen te vervallen als het commissievoorstel
in de huidige vorm wordt aangenomen? Welke gevolgen heeft deze constatering voor de
budgettaire impact van het commissievoorstel?
Deze leden merken op dat het kabinet een derving verwacht van twee tot 2,5 miljard
euro per jaar, terwijl de hoogleraren Van de Streek en Vleggeert in hun memorandum
schrijven te verwachten dat de dividendbelasting in de praktijk geen opbrengst meer
zal opleveren door het voorstel, terwijl binnen box 3 van de inkomstenbelasting ook
een derving van één miljard euro te verwachten valt. Hoe kijkt het kabinet naar deze
verschillende inschattingen?
Deze leden vragen om een reflectie op de analyse van de hoogleraar Van de Streek en
Vleggeert.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet «zal afwegen of de maatregelen doelmatig
zijn in relatie tot de budgettaire opgave die voortvloeit uit de voorgestelde maatregelen».
Deze leden vragen of deze afweging inmiddels heeft plaatsgevonden en wat het resultaat
ervan was. Zo nee, wanneer vindt deze afweging plaats en hoe is het kabinet van plan
dit aan te pakken?
Ook vragen deze leden of de verwachte derving voor het kabinet een reden is om het
commissievoorstel af te keuren en zo nee, hoe het kabinet van plan is de budgettaire
derving te dekken. Welke belasting is het kabinet van plan te verhogen om het gat
dat door het commissievoorstel zou ontstaan te dichten? Hoe kijkt het kabinet naar
de beleidsopties, die door hoogleraren Van de Streek en Vleggeert worden voorgesteld
(een uitdelingsbelasting geheven bij de uitkerende vennootschap, een aanwasbelasting
in box 2 en een belasting over fictieve winstuitkeringen in box 2)?
De leden van de PRO-fractie delen de zorgen van het kabinet over ongewenste externe
effecten richting derde landen. Kan het kabinet de zorgen over betalingen naar staten
met een territoriaal belastingregime verder toelichten?
Ook vragen deze leden naar de voorgestelde flankerende maatregelen. In hoeverre denkt
het kabinet dat een bronheffing of aftrekbeperking effectief zal zijn als deze alleen
ingezet mogen worden voor jurisdicties die een nultarief of helemaal geen vennootschapsbelasting
heffen? Betekent dit dat landen die 0,1 procent vennootschapsbelasting heffen sowieso
niet onder de definitie van «laagbelastende jurisdictie» vallen? Wat vindt het kabinet
daarvan?
De leden van de PRO-fractie zijn zeer kritisch over de voorgestelde aanpassingen aan
de antibelastingontwijkingsrichtlijn (ATAD). Zij lezen dat de Europese Commissie voorstelt
om de drempels waarboven renteaftrek niet aftrekbaar is verplicht vast te stellen
op 30 procent en drie miljoen euro, fors hoger dan de huidige Nederlandse drempels.
Deze leden zijn benieuwd wat vanuit Europees perspectief het doel is van deze maatregelen.
De leden van de PRO-fractie zijn groot voorstander van het afspreken van minimumtarieven
en minimumvoorwaarden in Europees verband, maar hebben grote twijfels bij het afspreken
van maximumeisen. Kan het kabinet toelichten waarom dit positief zou zijn? Is er volgens
het kabinet naast een race to the bottom ook sprake van een race to the top? Zo ja,
hoe gaat dat volgens het kabinet in zijn werk? Op welke manier is het voor de rest
van de Europese Unie nadelig als een lidstaat strengere regels om belastingontwijking
tegen te gaan vaststelt?
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet het harmoniseren van de drempels
op 30 procent en drie miljoen euro een goed idee vindt. Er zijn nu al verschillende
landen die deze minimumeisen uit de ATAD toepassen. Als het kabinet dat een goed idee
vindt, waarom kiest het kabinet er dan niet nu al voor om hetzelfde te doen?
Deze leden merken op dat bewust is gekozen voor strengere toepassing van de regels
in Nederland. Zij vragen of het kabinet daar niet meer achter staat. Ook horen deze
leden graag van het kabinet hoe het kabinet van plan is de grote budgettaire derving
die gepaard gaat met het versoepelen van de generieke renteaftrekbeperking te dekken.
Deze leden lezen dat het volgens het kabinet gaat om een derving van 1,5 tot twee
miljard euro per jaar. Deze leden merken op dat het volgens de hoogleraren Van de
Streek en Vleggeert gaat om zo’n twee tot drie miljard euro. Kan het kabinet verklaren
waar het verschil in inschatting vandaan komt?
De leden van de PRO-fractie zijn blij dat het kabinet in ieder geval de vele uitzonderingen
die de Europese Commissie voorstelt geen goed idee vindt en terecht opmerkt dat het
huidige commissievoorstel op dit gebied niet proportioneel is. Tegelijkertijd snappen
deze leden niet dat het kabinet niet hetzelfde oordeel velt over de verplichte toepassing
van hogere drempels. Kan het kabinet toelichten waar dat verschil vandaan komt? Ook
vragen deze leden hoe het kan dat het kabinet de gewenste aanpassingen aan de moeder-dochterrichtlijn
wel proportioneel vindt, maar tegelijkertijd de afweging tussen budgettaire derving
en de beoogde doelen zegt nog niet gemaakt te hebben. Hoe zijn deze twee dingen met
elkaar te rijmen?
Ook vragen de leden van de PRO-fractie of het kabinet het standpunt met betrekking
tot het voorstel voor volledige renteaftrek bij een daling van 50 procent van het
bedrijfsresultaat duidelijker kan toelichten. Het kabinet merkt hier op dat de niet-aftrekbare
rente «onbeperkt in de tijd voorwaarts [kan] worden voortgewenteld en later worden
afgetrokken, waarmee procyclische werking grotendeels wordt ondervangen». Bedoelt
het kabinet hiermee dat deze maatregel niet nodig is? Hoe moet deze opmerking anders
worden geïnterpreteerd?
De leden van de PRO-fractie zijn voorts benieuwd hoe het kabinet de voorgestelde R&D-investeringsaftrek
beziet in het licht van de al bestaande Nederlandse investeringsfaciliteiten, zoals
de WBSO, KIA, EIA/MIA/VAMIL en Innovatiebox. Kan het kabinet ingaan op de hierover
door de heren Kok en Maatoug opgeworpen vraag in het Weekblad voor Fiscaal Recht (nr. 2026/208)? In hoeverre kunnen voor de R&D-aftrek kwalificerende investeringen
tevens in aanmerking komen voor nationale investeringsfaciliteiten of willekeurige
afschrijving? Zou Nederland ter implementatie van de voorgestelde R&D-aftrek kunnen
volstaan met het handhaven van de bestaande Nederlandse investeringsfaciliteiten?
Tevens vragen deze leden hoe het voorstel om geïmporteerde hybride mismatches te schrappen
zich verhoudt tot de aanbevelingen die zijn gedaan in het OESO BEPS 2-rapport. Als
het voorstel daarvan afwijkt, wat is daarvan dan de rechtvaardiging? Hoe gaan niet-EU-landen
om met de aanbevelingen, die door de OESO ten aanzien van geïmporteerde hybride mismatches
zijn gedaan?
De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd naar de kabinetsvisie op de voorstellen
met betrekking tot de CFC-maatregel. Hoe effectief is deze maatregel volgens het kabinet
nog als deze volledig zal worden gebaseerd op model A? Is de Nederlandse implementatie
van model A in artikel 13ab van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wel richtlijnconform?
Is de wijze waarop Nederland door middel van de maatregel laagbelastende staten en
niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden invulling heeft gegeven
aan de effectief tarieftoets van artikel 7, eerste lid, letter b, van de ATAD richtlijnconform?
Is de wijze waarop Nederland invulling heeft gegeven aan het begrip «wezenlijke economische
activiteit» richtlijnconform?
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet inschat dat vooral de aanpassingen
aan de moeder-dochterrichtlijn, die aan de renteaftrekbeperking en de introductie
van een R&D-investeringsaftrek tot een grote budgettaire derving leiden. Betekent
dit dat de budgettaire consequenties van de overige voorstellen verwaarloosbaar zijn?
De leden van de PRO-fractie vragen tot slot of het kabinet een duidelijk overzicht
kan maken (liefst in tabelvorm) van alle voorgestelde maatregelen, de budgettaire
implicaties ervan en de appreciatie van het kabinet per voorstel.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-fiche over het omnibus
voorstel. Deze leden staan in principe positief tegenover vereenvoudigingen door harmonisering
van fiscale regelgeving en minder administratieve lasten, maar delen de behoedzaamheid
van het kabinet of sommige van de voorstellen wel de gewenste effecten hebben voor
de Nederlandse economie en of we budgettaire gevolgen voldoende ingepast krijgen.
De leden van de CDA-fractie zijn het met het kabinet eens dat we opportuniteit van
maatregelen moeten wegen in het licht van effecten voor ons bedrijfsleven en de effecten
van dekking van budgettaire gevolgen. Deze leden merken op dat zo’n 3,5 tot 5 miljard
euro aan benodigde dekking nogal een opgave is en vragen of het kabinet hiervoor überhaupt
mogelijkheden binnen hetzelfde domein ziet, zonder dat dit sterk negatieve gevolgen
heeft voor bedrijven.
Kan het kabinet per onderdeel aangeven welke vereenvoudiging daadwerkelijk bij bedrijven
met economische activiteit terechtkomt en waar mogelijk bij portfoliobeleggers? Kan
het kabinet ook per voorstel aangeven waar mogelijk nieuwe uitvoerings- of rechtszekerheidsrisico’s
ontstaan? Kan het kabinet voor ieder onderdeel afzonderlijk aangeven welke mogelijke
budgettaire gevolgen het kan hebben?
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet om een inschatting te geven van het
krachtenveld. Nederland heeft bepaalde maatregelen, zoals de renteaftrekbeperking,
fors strenger vormgegeven dan andere EU-lidstaten. Geldt dit ook voor andere lidstaten,
of wijkt Nederland het meest af van het gemiddelde?
Ook vragen deze leden of het klopt dat de mogelijke instemming met deze richtlijn
op basis van unanimiteit gebeurt en of er landen zijn waarvan verwacht wordt dat die
niet met aanpassingen akkoord kunnen gaan. Zou het kabinet akkoord gaan met een voorstel
met een zodanig grote budgettaire impact, zonder dat vooraf nationale overeenstemming
is hoe dit moet worden gedekt binnen de begroting?
Hoewel bepaalde voorstellen pas na acht jaar in zouden gaan, vinden de leden van de
CDA-fractie dat vooraf ook overeenstemming moet zijn over het opvangen van gevolgen
voor de Nederlandse begroting.
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet het opportuun vindt om de beziteis
voor de Moeder-Dochterrichtlijn helemaal te laten vervallen, omdat Nederland in de
deelnemingsvrijstelling juist een vijf procents deelnemingsdrempel hanteert om onderscheid
te maken tussen een echte ondernemingsdeelneming en een gewone portfolio-belegging.
Daarmee blijven kleine (portfolio)beleggingen buiten de ondernemingssfeer en concernverhoudingen.
Staat het kabinet nog steeds achter dit onderscheid binnen de Nederlandse systematiek?
Ziet het kabinet mogelijkheden dit onderscheid wel in de kern te behouden? Hoe kijkt
het kabinet bijvoorbeeld naar inzetten op vervallen van de bezitseis alleen voor de
bronbelasting op dividenden?
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet de directe kostenaftrek voor R&D
de beste optie vindt, of dat het beter zou zijn hier meer ruimte te laten aan lidstaten.
Zij merken op dat voor sommige bedrijven willekeurige afschrijving beter werkt, wat
ook aansluit bij bestaande regelingen voor afschrijving. Hoe kijkt het kabinet hier
bijvoorbeeld naar in het licht van de beoogde samenvoeging van de EIA, MIA en Vamil
tot één robuuste regeling, waar de bedoeling juist is om willekeurige aftrek ook voor
EIA-investeringen toe te staan?
De leden van de CDA-fractie vinden meer harmonisering van de renteaftrekbeperking
op een goede ontwikkeling, omdat de strengere Nederlandse vormgeving soms ook averechts
uitwerkt voor investeringen, zoals bij woningcorporaties. Het lijkt deze leden daarin
wel goed de balans te zoeken. Wat zijn daarvoor volgens het kabinet de opties?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche
over het Omnibusvoorstel directe belastingen en van de bijbehorende beslisnota. Deze
leden verwelkomen het voorstel als een zeldzaam Europees pakket dat de lasten voor
bedrijven daadwerkelijk verlaagt in plaats van verhoogt. Zij steunen het afschaffen
van bronbelastingen binnen de interne markt, de verruiming van de renteaftrek en de
vereenvoudiging van de antimisbruikregels. Tegelijk constateren deze leden dat het
kabinet in het fiche op de belangrijkste onderdelen terughoudender is dan de doelstellingen
van het coalitieakkoord rechtvaardigen. Deze leden volgen hierna de onderdelen van
het voorstel.
De leden van de JA21-fractie vragen het kabinet om te bevestigen dat dit pakket in
de kern een structurele lastenverlichting voor in Nederland gevestigde bedrijven is
van circa 3,6 miljard euro per jaar en dat dit past bij de ambitie uit het coalitieakkoord
om meer investeringen los te maken en het vestigingsklimaat en de financieringsketen
te versterken.
Het coalitieakkoord stelt dat Europese richtlijnen sneller en zoveel mogelijk één-op-één
worden geïmplementeerd, dat onnodige nationale koppen worden geschrapt en dat het
kabinet de Europese Omnibuswetgeving onderschrijft, waarvan het voorliggende voorstel
deel uitmaakt. De leden van de JA21-fractie constateren dat het fiche niettemin inzet
op behoud van de strengere Nederlandse implementatie van de renteaftrekbeperking en
op het mogelijk houden van flankerende nationale maatregelen. Hoe verhoudt die inzet
zich tot de afspraak in het coalitieakkoord? Laat het kabinet zich hier opnieuw leiden
door budgettaire overwegingen in plaats van door het uitgangspunt dat nationale koppen
worden vermeden?
De beslisnota, waarmee het fiche aan de Staatssecretaris is voorgelegd, stelt dat
de ordegrootte van de positieve effecten van het voorstel op concurrentievermogen,
investeringen en interne markt «momenteel niet bekend» is, waardoor doelmatigheid
en effectiviteit «niet goed getoetst» kunnen worden. De leden van de JA21-fractie
vragen waarom de derving wel tot op de honderd miljoen is geraamd en de baten in het
geheel niet.
Deze leden vragen het kabinet om per onderdeel van het voorstel een integrale economische
beoordeling te maken: welk probleem wordt opgelost, welke reële economische activiteiten
worden door de huidige regels geraakt en wat zijn naast de directe budgettaire gevolgen
de effecten op investeringen, innovatie, financieringskosten, productiviteit en de
Nederlandse belastinggrondslag. Is het kabinet bereid het Centraal Planbureau of een
extern bureau te vragen deze effecten voor Nederland te kwantificeren voordat het
in de Raad een positie inneemt?
Het kabinet noemt als kernvraag of er geen kosteneffectievere manieren zijn om concurrentievermogen
en investeringen te stimuleren. Deze leden vragen welke alternatieven het kabinet
concreet op het oog heeft en waarom die effectiever zouden zijn dan het wegnemen van
bronbelastingen en het verruimen van de renteaftrek.
Het fiche stelt dat op dit moment niet te zeggen is of het totaalpakket de concurrentiepositie
van Nederland en van in Nederland gevestigde bedrijven ten opzichte van andere lidstaten
verbetert. De leden van de JA21-fractie vragen het kabinet om die vraag alsnog te
beantwoorden aan de hand van een vergelijking met Duitsland, België en Frankrijk.
Welke onderdelen van het voorstel leiden ertoe dat Nederland fiscaal aantrekkelijker
of juist minder aantrekkelijk wordt voor hoofdkantoren, investeringen en financieringsactiviteiten
dan deze landen?
Deze leden vragen daarbij specifiek naar de renteaftrek, de bronbelastingen en de
behandeling van R&D-investeringen. Kan het kabinet per onderdeel aangeven of Nederland
na invoering van het voorstel nog strengere regels hanteert dan deze landen?
Het kabinet zoekt voor de budgettaire gevolgen dekking «binnen hetzelfde domein».
De leden van de JA21-fractie constateren dat dit in de praktijk betekent dat een lastenverlichting
voor bedrijven wordt gedekt met een lastenverzwaring voor diezelfde bedrijven, via
het tarief of de grondslag van de vennootschapsbelasting of via een nieuwe heffing.
Per saldo resteert dan geen lastenverlichting. Deze leden vragen het kabinet wat in
dat geval de winst van het pakket voor het Nederlandse vestigingsklimaat nog is. Hoe
verhoudt een dergelijke dekking zich tot de investeringsimpuls die de rapporten van
Draghi en Wennink bepleiten en waarnaar het fiche zelf verwijst? Deze leden vragen
het kabinet om toe te zeggen dat de lastenverlichting uit het Omnibuspakket netto
bij bedrijven terechtkomt en anders te motiveren waarom het kabinet een Europese lastenverlichting
nationaal wil neutraliseren.
De leden van de JA21-fractie vragen welke dekkingsopties «gedurende de onderhandelingen»
worden uitgewerkt, wanneer de Kamer die opties te zien krijgt en of het kabinet bereid
is de dekking ook aan de uitgavenkant te zoeken. Kan het kabinet in het bijzonder
uitsluiten dat de derving van de R&D-investeringsaftrek wordt gedekt door versobering
van bestaande innovatieregelingen zoals de WBSO en de innovatiebox?
De derving is volgens de beslisnota in de eerste jaren aanzienlijk groter, circa 4,6
miljard euro, maar gespreid. De leden van de JA21-fractie vragen een jaarreeks van
2029 tot en met 2040, gelet op de gefaseerde inwerkingtreding in 2029, 2032 en 2037.
Deze leden constateren dat de Europese Commissie EU-breed 4,59 miljard euro per jaar
minder belastingheffing raamt als gevolg van de bronbelastingmaatregelen, terwijl
Nederland alleen al voor de moeder-dochterrichtlijn een derving van twee tot 2,5 miljard euro per jaar raamt. Nederland zou
daarmee bijna de helft van de EU-brede derving dragen. Wijst dit op een bijzonder
groot Nederlands belang bij het pakket, op een afwijkende ramingsmethode, of op beide?
Kan het kabinet de Nederlandse raming naast de methodiek van het impact assessment
van de Europese Commissie leggen en de verschillen verklaren? Op welke aannames berust
de raming voor de moeder-dochterrichtlijn? Welk deel betreft dividendbelasting op
belangen onder vijf procent, die nu deels via verdragen en teruggaafprocedures al
wordt verminderd en welk deel vennootschapsbelasting over ontvangen dividenden? Is
rekening gehouden met gedragseffecten, zoals extra buitenlandse beleggingen in Nederlandse
aandelen wanneer de bronheffing vervalt?
Tegenover deze nauwkeurig geraamde derving staat dat de positieve effecten in het
geheel niet zijn geraamd. De leden van de JA21-fractie vragen hoe het kabinet dan
in het fiche kan concluderen dat de verruiming van de renteaftrek weliswaar geschikt
is om het doel te bereiken, maar «gaat verder dan noodzakelijk». Deelt het kabinet
dat een oordeel over proportionaliteit zonder raming van de baten prematuur is? Is
het kabinet bereid dat oordeel op te schorten totdat de baten voor Nederland in beeld
zijn?
De leden van de JA21-fractie steunen het afschaffen van bronbelastingen op rente,
royalty’s en dividenden binnen de interne markt volledig. Deze leden vragen welke
concrete inzet het kabinet pleegt om dit onderdeel in de Raad overeind te houden,
nu volgens het fiche «veel lidstaten» om budgettaire redenen kritisch zullen zijn.
Welke lidstaten zijn dat en welke medestanders heeft Nederland? Zet het kabinet in
op behoud van de nuldrempel uit het voorstel en op toepassing van de vrijstelling
zonder voorafgaande goedkeuring, of acht het kabinet een tussenvariant aanvaardbaar?
Zo ja, welke drempel is voor Nederland de ondergrens?
Het kabinet vreest een verschuiving van beleggingen van box 3 naar box 2. Deze leden
vragen of die arbitrage niet vooral een symptoom is van de hoge en op fictief rendement
gebaseerde heffing in box 3. Hoe weegt het kabinet dit risico in het licht van de
Wet werkelijk rendement en de daarin gekozen vermogensaanwasbelasting?
De vrijstelling voor pensioenfondsen wordt EU-breed geregeld. Het kabinet constateert
dat de definitie ruimer is dan de Nederlandse, met een budgettaire derving als gevolg.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe groot die derving is. Daarnaast vragen zij
hoeveel bronbelasting Nederlandse pensioenfondsen jaarlijks in andere lidstaten betalen,
welk deel daarvan zij via teruggaafprocedures terugkrijgen en welk bedrag zij onder
de voorgestelde vrijstelling niet langer hoeven voor te financieren of terug te vragen.
Het kabinet stelt dat het regeldrukvoordeel voor Nederlandse ondernemingen vooral
bij hun grensoverschrijdende activiteiten ligt en niet nader te kwantificeren is «omdat
deze in andere lidstaten gerealiseerd wordt», terwijl de regeldrukgevolgen voor bedrijven
in Nederland naar verwachting «beperkt» zullen zijn. Deze leden vragen waarop die
laatste verwachting berust, nu de FASTER-verplichtingen worden uitgebreid naar betalingen
onder de moeder-dochterrichtlijn en de interest- en royaltyrichtlijn en Nederlandse
inhoudingsplichtigen en tussenpersonen daardoor met nieuwe rapportage- en registratieverplichtingen
te maken krijgen. Is het kabinet bereid bij het bedrijfsleven, de belastingadviespraktijk
en de pensioensector een indicatie op te halen van de kosten die Nederlandse ondernemingen
en fondsen nu maken voor teruggaafprocedures in andere lidstaten, zodat het regeldrukvoordeel
alsnog kan worden gekwantificeerd?
De beslisnota erkent dat de strenge Nederlandse implementatie van de renteaftrekbeperking
«een negatieve impact» heeft op de investeringscapaciteit van Nederlandse bedrijven
en op de keuze voor Nederland als plek voor nieuwe investeringen. Het fiche stelt
dat de maatregel «beperkt effectief» is geweest voor de gelijkere behandeling van
eigen en vreemd vermogen en dat de kapitaalstructuur van concerns niet wezenlijk is
veranderd. De leden van de JA21-fractie vragen waarom het kabinet een maatregel verdedigt
waarvan het de doelmatigheid zelf in twijfel trekt, in plaats van de Europese verruiming
te omarmen.
De leden van de JA21-fractie vragen daarnaast hoeveel investeringsprojecten of financieringsbeslissingen
de afgelopen jaren aantoonbaar zijn geraakt door de strengere Nederlandse renteaftrekbeperking.
Zijn er bij het kabinet signalen bekend van bedrijven die hierdoor investeringen hebben
uitgesteld, verkleind of naar een ander land hebben verplaatst? Zo ja, kan het kabinet
deze effecten kwantificeren? Zo nee, hoe kan het kabinet dan de afweging maken tussen
misbruikbestrijding en investeringscapaciteit, terwijl het in de beslisnota zelf vaststelt
dat de strenge implementatie de investeringscapaciteit en de vestigingskeuze schaadt?
Met de verplichte drempels van 30 procent van het bedrijfsresultaat en drie miljoen
euro verdwijnt een nationale kop die Nederlandse bedrijven sinds 2019 benadeelt ten
opzichte van concurrenten in andere lidstaten. Deelt het kabinet de mening dat dit
een verbetering van het Nederlandse vestigingsklimaat is en is het kabinet bereid
de drempels vooruitlopend op de richtlijn al nationaal te verhogen?
Het kabinet wil de drempels harmoniseren, maar de uitzonderingen optioneel houden
en nationale flankerende maatregelen behouden. De leden van de JA21-fractie constateren
dat optionele uitzonderingen fragmentatie betekenen, precies het probleem dat de Europese
Commissie wil oplossen. Hoe rijmt het kabinet zijn pleidooi voor een Europees gelijk
speelveld op de drempels met zijn verzet tegen een gelijk speelveld op de uitzonderingen?
Deelt het kabinet dat afwijkende nationale regels Nederlandse ondernemingen een concurrentienadeel
opleveren ten opzichte van ondernemingen in lidstaten, die het geharmoniseerde regime
wel volledig toepassen? Zo ja, waarom kiest het kabinet dan voor die afwijking?
Het kabinet acht de uitzondering voor derdeleningen «niet noodzakelijk» omdat de meeste
belastingplichtigen bij 30 procent alle rente op derdeleningen al kunnen aftrekken.
De leden van de JA21-fractie vragen welke belastingplichtigen dat niet kunnen. Zij
wijzen erop dat de Nederlandse regeling geen rekening houdt met kapitaalintensieve
sectoren en diensten die met veel externe financiering werken, zoals vastgoed, infrastructuur
en industrie. Waarom zouden juist die bedrijven geen recht hebben op aftrek van zakelijke
bankrente? Deze leden vragen het kabinet om voorts te erkennen dat marktconforme financiering
door een onafhankelijke derde niet het risico van grondslaguitholling kent waarop
de antibelastingontwijkingsrichtlijn is gericht en zijn positie ten aanzien van de
derdeleningen-uitzondering te heroverwegen.
In dat verband vragen de leden van de JA21-fractie hoe onder het commissievoorstel
externe financiering kwalificeert, die op houdsterniveau wordt aangetrokken en aan
dochtermaatschappijen wordt doorgeleend. Grote concerns trekken bankfinanciering doorgaans
centraal aan via een treasuryfunctie. Als zulke financiering niet als derdelening
geldt, mist de uitzondering precies de Nederlandse hoofdkantoren die er het meest
bij gebaat zijn. Zet het kabinet in op een criterium dat aanknoopt bij de herkomst
en het gebruik van het kapitaal, met waarborgen tegen kunstmatige back-to-backconstructies?
Deze leden vragen het kabinet per uitzondering (derdeleningen, daling van het bedrijfsresultaat
met 50 procent, infrastructuur en huisvesting, defensie, groepsuitzondering) aan te
geven welke derving ermee gemoeid is en welke bedrijven ervan profiteren. Zonder deze
uitsplitsing kan de Kamer niet beoordelen welke uitzonderingen het kabinet wil laten
vallen.
Het verbod op strengere nationale maatregelen bij de renteaftrekbeperking en de CFC-maatregel
is voor Nederlandse bedrijven een waarborg tegen nieuwe nationale koppen. Het kabinet
verzet zich hiertegen. De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete nationale
maatregelen het kabinet wil kunnen invoeren of behouden die onder dit verbod zouden
vallen.
Van de derving bij de renteaftrekbeperking komt 20 tot 25 procent ten goede aan woningcorporaties,
dus circa 300 tot 500 miljoen euro per jaar. Dit voordeel vloeit voort uit de hogere
drempels en de groepsuitzondering, nog los van de uitzondering voor sociale en betaalbare
huisvesting. De beslisnota vermeldt dat het coalitieakkoord woningcorporaties in de
vennootschapsbelasting wil ondersteunen en dat het voorstel de mogelijkheid biedt
corporaties uit te zonderen. De leden van de JA21-fractie vragen wat die uitzondering
voor corporaties oplevert bovenop de verhoging van de drempels. Zij vragen of het
kabinet de Europese uitzondering voor sociale en betaalbare huisvesting ziet als invulling
van die afspraak en of het die uitzondering in elk geval zal benutten. Zo ja, waarom
bepleit het dan dat deze optioneel blijft in plaats van verplicht?
Het fiche noemt het van belang dat ook private verhuurders voldoende financiële armslag
krijgen om te investeren in nieuwbouw en verduurzaming, maar de uitzondering ziet
op sociale en betaalbare huisvesting. De leden van de JA21-fractie vragen of private
verhuurders van middenhuurwoningen onder de voorgestelde uitzondering vallen. Zo nee,
welke route ziet het kabinet voor hen en hoe groot is hun aandeel in de geraamde derving?
Het kabinet wil bij de CFC-maatregel flankerende nationale maatregelen mogelijk houden
omdat het «het belang om effectief misbruik te kunnen bestrijden groter» acht dan
het belang van de interne markt. De leden van de JA21-fractie vragen het kabinet om
per beoogde flankerende maatregel aan te geven welk concreet misbruikrisico daarmee
wordt afgedekt dat niet al wordt bestreken door de geharmoniseerde CFC-regel of door
de wereldwijde minimumbelasting van Pijler 2. Zonder die onderbouwing bepleit Nederland
in de Raad beleidsruimte voor regels waarvan de noodzaak niet is aangetoond.
Deze leden vragen wat de budgettaire en uitvoeringsbetekenis voor Nederland is van
het vervallen van de geïmporteerde hybride mismatch en van de verhoging van de gelieerdheidsdrempel
naar 50 procent. De Belastingdienst noemt het gebruik van geïmporteerde mismatches
in Nederland beperkt. Deze leden nemen aan dat het kabinet deze vereenvoudiging steunt.
De uitbreiding van de generieke antimisbruikbepaling naar bronbelastingen en Pijler
2 betekent volgens de Belastingdienst dat de uitvoering wordt geconfronteerd met «een
aanvullende anti-misbruiktoets». Het kabinet is voorstander van de uitbreiding. De
leden van de JA21-fractie vragen hoe dit zich verhoudt tot de vereenvoudigingsdoelstelling
van het pakket. De Belastingdienst signaleert dat onduidelijk is hoe de generieke
antimisbruikbepaling, de specifieke antimisbruikbepalingen en het Unierechtelijke
misbruikbeginsel zich tot elkaar verhouden. Deze leden achten het onwenselijk dat
dezelfde transactie meermaals aan vrijwel identieke toetsen wordt onderworpen. Zet
het kabinet in op een expliciete samenloopbepaling in de richtlijn zelf, die de rangorde
tussen deze toetsen vastlegt?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde directe aftrek zich verhoudt
tot de innovatiebox en de WBSO. Ziet het kabinet cumulatie als een probleem of als
een gewenste stapeling van innovatieprikkels?
De faciliteit is beperkt tot materiële activa. Kennisintensieve dienstensectoren zoals
engineering, software, ontwerp en advies doen hun onderzoek en ontwikkeling grotendeels
via personeel, zelfontwikkelde software en immateriële activa en profiteren daardoor
nauwelijks. Het fiche vermeldt dat het kabinet inzet op een eenduidige definitie van
bedrijfsmiddelen «met de uitzondering voor vastgoed en R&D». Deze leden vragen wat
het kabinet daarmee bedoelt en of onroerende R&D-voorzieningen zoals laboratoria daarmee
buiten de regeling vallen. Voorts vragen deze leden of het kabinet bereid is in te
zetten op uitbreiding van de faciliteit naar zelfontwikkelde software en immateriële
R&D-activa en op een pro-rata-toepassing bij gemengd gebruikte bedrijfsmiddelen.
De leden van de JA21-fractie steunen de voorgestelde verbeteringen van de geschilbeslechting.
Deze leden vragen hoeveel procedures onder de Wet fiscale arbitrage thans lopen en
wat de gemiddelde doorlooptijd is. Zet het kabinet in de onderhandelingen in op harde
termijnen, snelle toegang tot arbitrage, voldoende capaciteit bij de bevoegde autoriteit
en transparante statistieken over doorlooptijden en uitkomsten?
Het fiche vermeldt een implementatietermijn tot 31 december 2028 met toepassing per
1 januari 2029, terwijl de verhoging van de monetaire drempel in de renteaftrekbeperking
drie jaar later en het vervallen van de gelieerdheidsdrempels in de moeder-dochterrichtlijn
en de interest- en royaltyrichtlijn acht jaar later ingaan. De leden van de JA21-fractie
vragen het kabinet om een overzicht te geven van welke onderdelen op welke datum in
werking treden. Acht het kabinet, gelet op de ICT-agenda van de Belastingdienst, met
onder meer de invoering van het nieuwe box 3-stelsel en van FASTER en de lopende systeemaanpassingen
voor de minimumbelasting, de termijn van 2029 haalbaar en welke onderdelen zijn daarbij
kritiek?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier