Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over het Fiche: Mededeling Betere Regelgeving (Kamerstuk 22112-4364)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4431
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 10 september 2026
De vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat over de brief van 15 juli 2026 inzake
het Fiche: Mededeling Betere Regelgeving (Kamerstuk 22 112–4364).
De vragen en opmerkingen zijn op 13 augustus 2026 aan de Minister van Buitenlandse
Zaken voorgelegd. Bij brief van 10 september 2026 zijn de vragen beantwoord door de
Minister van Economische Zaken en Klimaat.
De voorzitter van de commissie, Van Meetelen
Adjunct-griffier van de commissie, Moonen
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Fiche:
Mededeling Betere Regelgeving. Deze leden zijn positief over het voornemen van de
Europese Commissie om aan de hand van vijf actielijnen maatregelen te nemen die ervoor
moeten zorgen dat de wetgeving van de Europese Unie (EU) eenvoudiger en duidelijker
wordt, gepaard gaat met minder regeldruk voor burgers en ondernemers en beter wordt
geïmplementeerd en gehandhaafd. Zij vinden het van belang te weten hoe de uitwerking
in Nederland er uit gaat zien en hoe Nederland zich gaat inspannen om regeldruk terug
te dringen.
De leden van de VVD-fractie hebben aanleiding gezien tot het stellen van enkele vragen.
Welke samenhang en synergie ziet de Minister met de eigen agenda voor een slagvaardige
overheid en minder regeldruk die in het coalitieakkoord is afgesproken? Voor welke
van de hierin afgesproken voornemens ten aanzien van het terugdringen van regeldruk
en een meer slagvaardige overheid is aanpassing van Europese regelgeving nodig? Kan
de Minister een overzicht verstrekken van welke regelgeving Nederland in dat kader
aangepast zou willen zien in Brussel? Deze leden vragen of naast het grondig doorlichten
van bestaande regelgeving om regeldruk te verminderen en de effectiviteit te verhogen
ook gekeken kan worden naar de efficiëntere en betere inzet van ambtenaren op de uitvoering
en handhaving van regels. Kan de Minister aangeven hoe hiermee wordt omgegaan ten
aanzien van Nederland zelf en of hij bereid is dit ook te bepleiten als onderdeel
van de Europese aanpak? Verwacht de Minister dat ook werkgeversorganisaties onderdeel
uit zullen gaan maken van het «Platform voor vereenvoudiging?» Is de Minister bereid
om voor de deelname van werkgeversorganisaties bij de Europese Commissie te pleiten
indien dit niet het geval is?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister aangeeft kritisch te volgen wanneer
de Europese Commissie iets als «spoedeisend» kwalificeert. In de mededeling noemt
de Commissie daarvoor enkele redenen ter illustratie, waaronder «de politieke context».
Is de Minister bereid om aan de Commissie te vragen hoe het begrip «politieke context»
in het kader van spoedprocedures bij wetgeving zal worden ingekleurd?
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Commissie aangeeft sneller
en vaker gebruik te willen maken van de inbreukprocedure als lidstaten doen aan «gold-plating».
Op grond van artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU) kunnen naast de Commissie ook EU-lidstaten een inbreukprocedure opstarten.
Is Nederland ook bereid om bij «gold-plating» van andere EU-lidstaten vaker een inbreukprocedure
op te starten, en dan voornamelijk wanneer «gold-plating» leidt tot een concurrentienadeel
van Nederlandse bedrijven? Maakt Nederland op dit moment gebruik van Themis om «gold-plating»
te voorkomen? Zo nee, waarom niet, en is de Minister bereid hier alsnog gebruik van
te maken? Hoe apprecieert de Minister het voornemen van de Commissie om regels inzake
huisvesting te versimpelen, terwijl huisvesting in beginsel een nationale competentie
is? Zal de Minister erop toe zien dat de Commissie in het kader van betere regelgeving
niet bewust of onbewust meer bevoegdheden op het gebied van huisvesting naar zich
toetrekt?
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het commissievoorstel een aantal zaken
staan waarvan niet duidelijk blijkt uit het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
(BNC)-fiche wat hierover de opvatting van de Minister is. Hoe kijkt de Minister aan
tegen de intentie om vaker gebruik te maken van horizonbepalingen? Hoe kijkt de Minister
aan tegen het risico dat dit kan zorgen voor meer wetgevingstrajecten, omdat ofwel
de Raad ofwel het Europees Parlement zal pleiten voor een verlenging van de horizonbepaling?
Hoe kijkt de Minister aan tegen het voorstel om artificiële intelligentie te gebruiken
bij beleidsvorming? Hoe kan de Europese Commissie hierbij volgens de Minister voorkomen
dat dit gebruik van AI in latere rechtszaken een grond zal vormen om bepaald beleid
terug te draaien? Deze leden vragen of ook meegenomen kan worden welke mogelijkheden
er zijn voor de inzet van AI bij het verhogen van de effectiviteit en dan met name
bij uitvoeringsorganisaties. In hoeverre sluiten de vakantieperioden die voortaan
niet meer zullen meetellen in de totale raadplegingstermijn aan bij de vakantieperioden
in Nederland? Hoeveel inbreukprocedures zijn er in 2025 opgestart tegen Nederland
omdat er sprake was van een onjuiste implementatie van EU-wetgeving, of omdat de handhaving
van EU-wetgeving op een onjuiste manier plaatsvond? Hoe verhoudt dit zich tot het
aantal inbreukprocedures dat tegen andere EU-lidstaten in hetzelfde jaar is opgestart?
De leden van de VVD-fractie vragen zich ten aanzien van bijlage twee af hoe Nederland
presteert qua handhaving op de door de Commissie geïdentificeerde elf aandachtsgebieden.
Kan daarvan een overzicht worden verstrekt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Fiche: Mededeling
Betere Regelgeving. Hoewel deze leden uiteraard voor betere regelgeving zijn, maken
zij zich zorgen of de aangekondigde maatregelen een verbetering zijn en niet het negeren
van de belangen buiten het bedrijfsleven, zoals de natuur en biodiversiteit. Het doel
lijkt met name gericht te zijn op minder regels, terwijl sommige regels bestaan om
diegene en datgene te beschermen zonder stem en zonder geld, zoals natuur, biodiversiteit
en werknemers in kwetsbare posities.
De leden van de PRO-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen bij het Fiche. In
de tweede actielijn die ziet op het gebruik van effectbeoordelingen staat dat effectbeoordelingen
en evaluaties beperkt zullen worden tot de belangrijkste economische, sociale en milieuaspecten
van een voorstel, zo lezen deze leden. Zij zijn van mening dat de effecten op biodiversiteit
en duurzaamheid/sustainability ook meegenomen moeten worden. Op welke manier worden
deze effecten ook gemeten en is de Minister bereid zich in te zetten voor het meenemen
van deze effecten?
De leden van de PRO-fractie merken op dat een trend bij nieuwe regelgeving lijkt te
zijn dat de effecten op het bedrijfsleven centraal staan en de effecten op milieu
en duurzaamheid hierdoor niet langer voldoende worden meegenomen. Vindt de Minister
het wenselijk dat de belangen van datgene zonder stem en geld, zoals natuur, minder
worden meegenomen bij het tot stand komen van regelgeving in de toekomst? Bij de omnibussen
wordt het maatschappelijk middenveld niet betrokken bij de wijzigingsvoorstellen,
het bedrijfsleven nadrukkelijk wel. Dit werkt ook door in Nederlandse wetgeving. Is
de Minister het eens dat juist een grote diversiteit aan stakeholders, ook zij die
opkomen voor de belangen van de natuur, betrokken moeten worden bij het tot stand
komen van regelgeving? Hoe gaat de Minister dit borgen? Hoe zorgt de Minister dat
het bredere maatschappelijke belang gewogen wordt als met name gesproken wordt met
het bedrijfsleven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het BNC-fiche
over de recente mededeling van de Europese Commissie inzake betere regelgeving. Deze
leden waarderen de inzet van de Europese Commissie om te komen tot meer proportionele,
beter uitlegbare en effectievere regelgeving. Ook waarderen deze leden de Nederlandse
inzet om onnodige regeldruk op nationaal en Europees niveau te verminderen. Zij kunnen
zich in grote lijnen vinden in de beoordeling van de Minister. Wel hebben deze leden
nog enkele vragen over het fiche.
De leden van de CDA-fractie achten het onderscheid tussen grote en gerichte voorstellen
op zichzelf niet onlogisch, in het bijzonder wanneer hiermee de doorlooptijden kunnen
worden verkort en meer voorstellen van een effectbeoordeling door de Regulatory Scrutiny
Board (RSB) kunnen worden voorzien. Hoewel de effectbeoordeling bij gerichte voorstellen
minder diepgaand zal zijn dan bij grote voorstellen, zijn deze leden van mening dat
een beperktere effectbeoordeling in beginsel te verkiezen is boven het geheel ontbreken
daarvan, zoals nu nog regelmatig het geval is. Hoe beoordeelt de Minister deze afruil
tussen enerzijds de diepgang van effectbeoordelingen en anderzijds het vergroten van
het aantal voorstellen dat aan een effectbeoordeling wordt onderworpen?
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de wijze waarop het onderscheid
tussen gerichte en grote voorstellen in de praktijk zal worden gemaakt. Kan de Minister
nader toelichten welke definities en criteria worden gehanteerd voor de kwalificatie
van een voorstel als «gericht» dan wel «groot»? Wanneer wordt een voorstel aangemerkt
als een groot voorstel waarvoor een diepgaande effectbeoordeling is vereist, inclusief
beoordeling en advisering door de RSB?
Ook vragen de leden van de CDA-fractie welke inzet de Minister pleegt richting de
Europese Commissie ten aanzien van de totstandkoming en toepassing van heldere, objectieve
en transparante criteria voor deze categorisering.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is effectbeoordelingen
meer te richten op de kernaspecten, mede op initiatief van Nederland. Deze leden lezen
echter dat de Minister vooralsnog een afwachtende houding inneemt ten aanzien van
de vraag welke elementen als kernaspecten moeten worden aangemerkt. Zij vragen de
Minister daarom welke economische, sociale en milieuaspecten het zelf als onmisbare
onderdelen van een effectbeoordeling beschouwt, mede gelet op de Nederlandse ervaringen
met Europese wetgeving en regeldruk. Is de Minister bereid zich in Europees verband
actiever in te zetten voor een duidelijke afbakening van deze kernaspecten, zodat
essentiële onderdelen van effectbeoordelingen, zoals de Europese mkb-toets (SME Test),
niet buiten beschouwing blijven?
De leden van de CDA-fractie delen de zorgen van de Minister over het gebruik van spoedprocedures.
Deze leden constateren dat «spoed» een relatief begrip is en dat uit het verleden
blijkt dat de Europese Commissie dit begrip soms ruimer hanteert dan naar het oordeel
van deze leden wenselijk is. Zij vragen tegen deze achtergrond welke inzet de Minister
pleegt richting de Europese Commissie ten aanzien van een heldere en afgebakende definitie
van het begrip «spoed». Welke objectieve criteria zouden volgens de Minister moeten
gelden voor het gebruik van een spoedprocedure? Welke mogelijkheden heeft de Minister
om op te treden indien naar het oordeel van de Minister ten onrechte gebruik wordt
gemaakt van een spoedprocedure?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is sneller
en strenger te handhaven op de naleving van implementatietermijnen. Deze leden benadrukken
dat zij het van groot belang achten dat Europese wet- en regelgeving tijdig en zorgvuldig
wordt geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren zij dat tijdige implementatie, ook
in Nederland, niet altijd wordt gerealiseerd. Zij vragen tegen deze achtergrond waar
de Minister mogelijkheden ziet om de implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen
te versnellen. Welke knelpunten ziet de Minister momenteel als belangrijkste oorzaken
van vertraging bij de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving, en welke
concrete maatregelen is de Minister bereid zelf te nemen om deze knelpunten weg te
nemen? In hoeverre ziet de Minister mogelijkheden om in een eerder stadium van het
Europese wetgevingsproces voorbereidingen te treffen voor nationale implementatie
en uitvoering?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de Minister het risico voor Nederland
beoordeelt dat de Europese Commissie, als gevolg van een snellere en strengere handhavingspraktijk,
vaker zal overgaan tot het starten van inbreukprocedures. Acht de Minister Nederland
voldoende voorbereid op deze aangescherpte handhaving?
De leden van de CDA-fractie staan in beginsel positief tegenover de oprichting van
een platform voor vereenvoudiging. Wel hebben zij vragen over het mandaat en de positie
van een dergelijk platform. In hoeverre is de Europese Commissie gehouden om op adviezen
van het platform te reageren en inzichtelijk te maken op welke wijze deze adviezen
worden opgevolgd?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie welke Nederlandse organisaties naar verwachting
bij dit platform zullen aansluiten. Kan de Minister aangeven aan welke organisaties
het hierbij denkt en welke inzet het hierop pleegt? Ziet de Minister bijvoorbeeld
een rol voor het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)?
II. Reactie van de Minister van Economische Zaken
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Welke samenhang en synergie ziet de Minister met de eigen agenda voor een slagvaardige
overheid en minder regeldruk die in het coalitieakkoord is afgesproken?
Antwoord
De maatregelen van de Europese Commissie in het kader van Betere Regelgeving ondersteunen
het kabinetsbeleid. Ook het kabinet streeft ernaar dat zowel de regelgeving zelf,
als de wijze waarop die wordt uitgevoerd en gehandhaafd, effectief is en gepaard gaat
met zo min mogelijk regeldruk. Het gaat daarbij ook om EU-regelgeving, want veel van
de in Nederland geldende regelgeving komt uit Brussel.
De vijf actielijnen en maatregelen die de Europese Commissie beschrijft in het kader
van Betere Regelgeving, bieden concrete mogelijkheden voor het kabinet om samen met
de Europese Commissie en de andere lidstaten knelpunten aan te pakken.
Voor welke van de hierin afgesproken voornemens ten aanzien van het terugdringen van
regeldruk en een meer slagvaardige overheid is aanpassing van Europese regelgeving
nodig?
Antwoord
Het kabinet heeft afgesproken om jaarlijks minimaal 500 regels voor mensen, ondernemers
en professionals te schrappen of te vereenvoudigen. Uw Kamer wordt hierover in oktober
verder geïnformeerd. De coördinatie van deze opgave ligt bij de Staatssecretaris voor
Koninkrijksrelaties en Slagvaardige Overheid en wordt in nauwe samenwerking met de
Minister van Economische Zaken en Klimaat opgepakt.
Een groot deel van de regeldruk waar ondernemers, mensen en professionals tegenaan
lopen, vindt zijn oorsprong in Europese wet- en regelgeving. Ook deze regels zijn
onderdeel van de kabinetsambitie voor vereenvoudiging en regeldrukvermindering. Om
welk aandeel het gaat, hangt af van de invulling en uitvoering van de departementale
doelstellingen. Het kabinet zet zich op Europees niveau actief in voor het voorkomen
van onnodige regeldruk in nieuwe regelgeving en voor het verminderen van bestaande
onnodige regeldruk via de ambitieuze vereenvoudigingsagenda van de Europese Commissie,
bestaande uit onder andere de EU-omnibussen. Daarbovenop doet het kabinet zelf voorstellen
voor regeldrukvermindering en trekt het hierbij op met andere lidstaten, bijvoorbeeld
via non-papers.
Kan de Minister een overzicht verstrekken van welke regelgeving Nederland in dat kader
aangepast zou willen zien in Brussel?
Antwoord
Voor de 403 bestaande regels waar het kabinet regeldruk gaat verminderen voor ondernemers
en die op 29 juni naar uw Kamer zijn gestuurd, is inzichtelijk gemaakt waar inzet
in de EU nodig is. Dit overzicht is als bijlage toegevoegd bij de beantwoording van
deze vragen. Zoals reeds in de beantwoording van de vorige vraag aangegeven, is in
het coalitieakkoord vastgelegd dat het schrappen of vereenvoudigen van 500 regels
een jaarlijkse doelstelling is. Welke regels de komende jaren in deze aanpak worden
meegenomen, is nog niet bepaald. Naar alle waarschijnlijkheid zal een deel daarvan
zijn oorsprong vinden in Europese wet- en regelgeving. Voor het schrappen of vereenvoudigen
van deze regels zal daarom ook inzet op EU-niveau nodig zijn.
Deze leden vragen of naast het grondig doorlichten van bestaande regelgeving om regeldruk
te verminderen en de effectiviteit te verhogen ook gekeken kan worden naar de efficiëntere
en betere inzet van ambtenaren op de uitvoering en handhaving van regels.
Kan de Minister aangeven hoe hiermee wordt omgegaan ten aanzien van Nederland zelf
en of hij bereid is dit ook te bepleiten als onderdeel van de Europese aanpak?
Antwoord
Het kabinet zet in op een kleiner en slagvaardiger ambtenarenapparaat. Het realiseren
hiervan is een opgave voor alle bewindspersonen. Onlangs zijn verschillende moties
aangenomen die oproepen tot concrete doelstellingen voor ieder departement.1 Uw Kamer wordt na de zomer geïnformeerd over de manier waarop het kabinet hier verder
invulling aan geeft, inclusief de normen die hierbij zullen worden gehanteerd. De
Taskforce Slagvaardige Overheid zal de voortgang hierop monitoren. Hierbij is het
uitgangspunt dat de vermindering van het aantal ambtenaren op een zodanige manier
wordt ingevuld dat het leidt tot betere kwaliteit van de dienstverlening aan mensen
en bedrijven. Dit moet daarom ook in samenhang worden gezien met de ambities ten aanzien
van het vereenvoudiging en verminderen van de regeldruk. In haar mededeling inzake
Betere Regelgeving van 28 april jl. wordt uitvoering en handhaving van regels ook
als terrein genoemd waarop de Europese Commissie actie onderneemt om uitvoeringsproblemen
aan te pakken en het potentieel voor vermindering van regeldruk in kaart te brengen.
Verwacht de Minister dat ook werkgeversorganisaties onderdeel uit zullen gaan maken
van het «Platform voor vereenvoudiging?» Is de Minister bereid om voor de deelname
van werkgeversorganisaties bij de Europese Commissie te pleiten indien dit niet het
geval is?
Antwoord
De Europese Commissie heeft aangekondigd dat o.a. het Europees Economisch en Sociaal
Comité (EESC) lid zal zijn van het platform. Via dit EESC zijn dus ook werkgeversorganisaties
vertegenwoordigd in het platform.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister aangeeft kritisch te volgen wanneer
de Europese Commissie iets als «spoedeisend» kwalificeert. In de mededeling noemt
de Commissie daarvoor enkele redenen ter illustratie, waaronder «de politieke context».
Is de Minister bereid om aan de Commissie te vragen hoe het begrip «politieke context»
in het kader van spoedprocedures bij wetgeving zal worden ingekleurd?
Antwoord
Ja, daartoe is het kabinet bereid. Het kabinet is kritisch over het gebruik van «politieke
context» als criterium om te bepalen of iets een spoedeisend karakter heeft. Bij de
introductie van nieuwe regelgeving is altijd sprake van een politieke wens en dus
van een «politieke context». Zonder duidelijke inkadering van dit begrip, ontstaat
het risico dat de spoedprocedures oneigenlijk worden gebruikt om de rol van de Regulatory
Scrutiny Board (RSB) met onvoldoende grond af te zwakken. Het kabinet vindt het belangrijk
dat slechts in bijzondere situaties -denk aan crises zoals covid- uitzonderingen worden
gemaakt op de hoofdregel dat de Commissie een effectbeoordeling maakt en dat de RSB
daar een opinie over kan geven.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de Europese Commissie aangeeft sneller
en vaker gebruik te willen maken van de inbreukprocedure als lidstaten doen aan «gold-plating».
Op grond van artikel 259 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU) kunnen naast de Commissie ook EU-lidstaten een inbreukprocedure opstarten.
Is Nederland ook bereid om bij «gold-plating» van andere EU-lidstaten vaker een inbreukprocedure
op te starten, en dan voornamelijk wanneer «gold-plating» leidt tot een concurrentienadeel
van Nederlandse bedrijven?
Antwoord
De Europese Commissie heeft aangegeven sneller en vaker inbreukprocedures te starten
als lidstaten richtlijnen niet tijdig omzetten.
De Europese Commissie heeft bovendien aangegeven te gaan werken aan een toolkit van
beste praktijken en criteria om de lidstaten te helpen «gold-plating» bij de nationale
omzetting en bij handhaving en uitvoering van EU-wetgeving te herkennen en te voorkomen.
Onder «gold plating» wordt verstaan dat lidstaten bij de implementatie van een richtlijn
of verordening verdergaande eisen stellen dan wettelijk vereist. Dat is toegestaan
wanneer het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of het rechtsinstrument
ruimte daartoe laat aan de lidstaat. Dat kan bijvoorbeeld betrekking hebben op verdergaande
maatregelen ter bescherming van het milieu of van werknemers. Indien een lidstaat
besluit om gebruik te maken van die ruimte is dat niet in strijd met het EU-recht.
De Europese Commissie wil dit ontmoedigen teneinde regeldruk en interne-marktbelemmeringen
te verminderen maar kan dat niet verbieden. De Europese Commissie kan daarom geen
inbreukprocedure starten als lidstaten gebruik maken van «gold-plating». Nederland
kan evenmin inbreukprocedures starten tegen andere lidstaten vanwege «gold-plating».
Dit laat onverlet dat Nederland het standpunt van de Europese Commissie deelt dat
«goldplating» omwille van het verminderen van regeldruk en het wegnemen van interne-marktbelemmeringen
zoveel mogelijk moet worden beperkt.
Maakt Nederland op dit moment gebruik van Themis om «gold-plating» te voorkomen? Zo
nee, waarom niet, en is de Minister bereid hier alsnog gebruik van te maken?
Antwoord
Themis is de EU-database waarin elke lidstaat melding moet maken van de wijze waarop
zij richtlijnen hebben omgezet in nationaal recht. Lidstaten wordt daarbij de optie
geboden om zelf op te geven of sprake is van verdergaande normen dan waar de richtlijn
toe verplicht. Het is geen instrument om lidstaten te helpen «gold-plating» te identificeren
of te voorkomen.
Hoe apprecieert de Minister het voornemen van de Commissie om regels inzake huisvesting
te versimpelen, terwijl huisvesting in beginsel een nationale competentie is?
Antwoord
In het Europees Plan voor Betaalbaar Wonen heeft de Europese Commissie eind vorig
jaar een vereenvoudigingspakket voor volkshuisvesting aangekondigd, dat naar verwachting
in 2027 zal verschijnen.
Zodra dit pakket is gepubliceerd, zal de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening de voorstellen die daarin zijn opgenomen beoordelen. Daarbij is een van de
uitgangspunten dat volkshuisvesting een nationale competentie is.
Dat neemt niet weg dat er Europese wet- en regelgeving is die weliswaar niet direct
betrekking heeft op volkshuisvesting, maar daarop wel van invloed is.
Het kabinet ziet het voornemen van de Europese Commissie als een kans om dergelijke
regelgeving te vereenvoudigen en zo bijvoorbeeld de woningbouw te versnellen.
Voor de zomer is een eerste Nederlandse beoordeling van voorstellen voor vereenvoudiging
gedeeld met de Europese Commissie2.
Zal de Minister erop toe zien dat de Commissie in het kader van betere regelgeving
niet bewust of onbewust meer bevoegdheden op het gebied van huisvesting naar zich
toetrekt?
Antwoord
Woonbeleid is inderdaad een nationale bevoegdheid. De Minister van Volkshuisvesting
en Ruimtelijke Ordening zal nieuwe voorstellen vanuit de Europese Commissie daarop
beoordelen. De Europese Commissie bevestigt in het Europees Plan voor Betaalbaar Wonen
dat zij dit ook zo ziet en ook andere lidstaten delen dit standpunt.
De aandacht voor volkshuisvesting is echter ook een kans. Zo biedt het hierboven genoemde
vereenvoudigingspakket voor woningbouw de mogelijkheid om knelpunten die ontstaan
als gevolg van Europese wet- en regelgeving op het juiste niveau te adresseren. Ook
kan het Europese schaalniveau innovatie en efficiëntie bevorderen, wat onze woningbouw
sneller, goedkoper en duurzamer kan maken.
De leden van de VVD-fractie constateren dat in het commissievoorstel een aantal zaken
staan waarvan niet duidelijk blijkt uit het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen
(BNC)-fiche wat hierover de opvatting van de Minister is. Hoe kijkt de Minister aan
tegen de intentie om vaker gebruik te maken van horizonbepalingen? Hoe kijkt de Minister
aan tegen het risico dat dit kan zorgen voor meer wetgevingstrajecten, omdat ofwel
de Raad ofwel het Europees Parlement zal pleiten voor een verlenging van de horizonbepaling?
Antwoord
Het kabinet is het eens met de Europese Commissie dat horizonbepalingen, in combinatie
met monitoring- en evaluatieclausules, helpen om een onnodige groei aan regels en
rapportagevereisten te voorkomen.
Ze kunnen eraan bijdragen dat (Europese) wetgeving die niet langer relevant of gewenst
is, bijvoorbeeld vanwege bepaalde technologische ontwikkelingen, daadwerkelijk verdwijnt
of wordt gemoderniseerd.
Mijn inschatting is dat het vaker inzetten van horizonbepalingen niet leidt tot een
problematische groei van wetgevingstrajecten.
Na het verstrijken van de vervaldatum die is opgenomen in de horizonbepaling, zou
het in een bepaald geval zo kunnen zijn dat de EU-wetgever vindt dat de geldigheidsduur
van de wetgeving toch moet worden verlengd.
Dit zou dan betekenen dat er een wetgevingstraject wordt gestart, maar dit is geen
complex traject omdat er al wetgeving ligt waarvan alleen de geldigheidsduur moet
worden verlengd.
Daar staat tegenover dat het gebruik van horizonbepalingen in andere gevallen leidt
tot minder wetgevingstrajecten. Immers; daar waar de EU-wetgever van mening is dat
het goed is dat de wetgeving verdwijnt, hoeft er dankzij de horizonbepaling geen apart
traject te worden gevolgd om de wetgeving in te trekken. Het is echter wel van belang
dat de Europese Commissie tijdig communiceert over haar voornemens regelgeving wel
of niet te continueren om rechtsonzekerheid te voorkomen.
Hoe kijkt de Minister aan tegen het voorstel om artificiële intelligentie te gebruiken
bij beleidsvorming? Hoe kan de Europese Commissie hierbij volgens de Minister voorkomen
dat dit gebruik van AI in latere rechtszaken een grond zal vormen om bepaald beleid
terug te draaien?
Deze leden vragen of ook meegenomen kan worden welke mogelijkheden er zijn voor de
inzet van AI bij het verhogen van de effectiviteit en dan met name bij uitvoeringsorganisaties.
Antwoord
In haar Mededeling over Betere Regelgeving stelt de Commissie niet voor om AI te gebruiken
om beleid te maken.
De Europese Commissie kondigt aan om AI te willen gebruiken als hulpmiddel bij het
controleren van de wijze waarop lidstaten het EU recht omzetten en uitvoeren. De Europese
Commissie verwacht dat deze AI instrumenten ook zullen helpen om mogelijke gevallen
van overregulering (goldplating) op te sporen, wat bijdraagt tot meer uniformiteit,
effectiviteit en efficiëntie als het gaat om hoe in de EU uitvoering wordt gegeven
aan het EU-recht.
In hoeverre sluiten de vakantieperioden die voortaan niet meer zullen meetellen in
de totale raadplegingstermijn aan bij de vakantieperioden in Nederland?
Antwoord
Dat is nog niet bekend. De Europese Commissie heeft aangekondigd later vast te stellen
welke perioden zullen worden beschouwd als vakantieperioden. In haar mededeling over
Betere Regelgeving kondigt de Europese Commissie aan dat de maatregelen en uitgangspunten
die in de mededeling staan beschreven, zullen worden uitgewerkt in de Betere Regelgevings-richtsnoeren
en toolbox van de Europese Commissie.
Hoeveel inbreukprocedures zijn er in 2025 opgestart tegen Nederland omdat er sprake
was van een onjuiste implementatie van EU-wetgeving, of omdat de handhaving van EU-wetgeving
op een onjuiste manier plaatsvond?
Antwoord
In 2025 zijn 50 inbreukprocedures gestart tegen Nederland. 20 daarvan betroffen onjuiste
toepassing en 30 niet-tijdige omzetting.
De Europese Commissie website bevat heel precieze en actuele informatie over aantallen
inbreuken en redenen van die inbreuken.3
Tegen Nederland lopen in augustus 2026 71 inbreukprocedures. 43 daarvan zijn wegens
niet-tijdige omzetting, 16 wegens onjuiste omzetting en 12 wegens onjuiste toepassing.
Hoe verhoudt dit zich tot het aantal inbreukprocedures dat tegen andere EU-lidstaten
in hetzelfde jaar is opgestart?
Antwoord
In 2025 heeft de Europese Commissie 552 inbreukprocedures gestart waarvan 182 wegens
onjuiste toepassing en 370 wegens niet-tijdige omzetting. Per 1/1/2026 nam Nederland
daarmee de 16e plaats van de 27 lidstaten voor wat betreft het aantal ingebrekestellingen.
De leden van de VVD-fractie vragen zich ten aanzien van bijlage twee af hoe Nederland
presteert qua handhaving op de door de Commissie geïdentificeerde elf aandachtsgebieden.
Kan daarvan een overzicht worden verstrekt?
Antwoord
Omdat het niet bekend is welke inbreukprocedures van Nederland en andere lidstaten
door de Europese Commissie worden aangemerkt als vallend onder één van de elf aandachtsgebieden,
is het niet mogelijk daarover een overzicht te verstrekken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
In de tweede actielijn die ziet op het gebruik van effectbeoordelingen staat dat effectbeoordelingen
en evaluaties beperkt zullen worden tot de belangrijkste economische, sociale en milieuaspecten
van een voorstel, zo lezen deze leden. Zij zijn van mening dat de effecten op biodiversiteit
en duurzaamheid/sustainability ook meegenomen moeten worden. Op welke manier worden
deze effecten ook gemeten en is de Minister bereid zich in te zetten voor het meenemen
van deze effecten?
De leden van de PRO-fractie merken op dat een trend bij nieuwe regelgeving lijkt te
zijn dat de effecten op het bedrijfsleven centraal staan en de effecten op milieu
en duurzaamheid hierdoor niet langer voldoende worden meegenomen. Vindt de Minister
het wenselijk dat de belangen van datgene zonder stem en geld, zoals natuur, minder
worden meegenomen bij het tot stand komen van regelgeving in de toekomst?
Antwoord
Onder het begrip «milieu» dat de Europese Commissie in de mededeling hanteert, vallen
ook aspecten als biodiversiteit en duurzaamheid. Daar waar dat relevant is en gelet
op de aard van een bepaald voorstel voor regelgeving, kunnen deze aspecten in een
impact assessment worden geadresseerd. Het kabinet zet zich er in het algemeen voor
in dat de Europese Commissie daadwerkelijk impact assessments uitvoert en dat die
impact assessments de aspecten in kaart brengen die relevant zijn voor het betreffende
voorstel.
Bij de omnibussen wordt het maatschappelijk middenveld niet betrokken bij de wijzigingsvoorstellen,
het bedrijfsleven nadrukkelijk wel. Dit werkt ook door in Nederlandse wetgeving. Is
de Minister het eens dat juist een grote diversiteit aan stakeholders, ook zij die
opkomen voor de belangen van de natuur, betrokken moeten worden bij het tot stand
komen van regelgeving?
Hoe gaat de Minister dit borgen? Hoe zorgt de Minister dat het bredere maatschappelijke
belang gewogen wordt als met name gesproken wordt met het bedrijfsleven?
Antwoord
Het beeld dat de Europese Commissie bij de omnibussen alléén het bedrijfsleven betrekt
herkent het kabinet niet. Het kabinet vindt het inderdaad belangrijk dat verschillende
belangen en aspecten kunnen worden gehoord en meegewogen in de besluitvorming over
EU-regelgeving.
Hiervoor is een zorgvuldig consultatieproces en het uitvoeren van impact assessments
noodzakelijk.
Het kabinet volgt de Europese Commissie kritisch waar het gaat om het daadwerkelijk
uitvoeren van consultaties en impact assessments en vraagt in Brussel ook aandacht
voor de goede uitvoering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie achten het onderscheid tussen grote en gerichte voorstellen
op zichzelf niet onlogisch, in het bijzonder wanneer hiermee de doorlooptijden kunnen
worden verkort en meer voorstellen van een effectbeoordeling door de RSB kunnen worden
voorzien. Hoewel de effectbeoordeling bij gerichte voorstellen minder diepgaand zal
zijn dan bij grote voorstellen, zijn deze leden van mening dat een beperktere effectbeoordeling
in beginsel te verkiezen is boven het geheel ontbreken daarvan, zoals nu nog regelmatig
het geval is. Hoe beoordeelt de Minister deze afruil tussen enerzijds de diepgang
van effectbeoordelingen en anderzijds het vergroten van het aantal voorstellen dat
aan een effectbeoordeling wordt onderworpen?
Antwoord
Nederland heeft eerder de suggestie gedaan om effectbeoordelingen voortaan meer te
richten op de belangrijkste aspecten. Daarmee kunnen effectbeoordelingen minder omvangrijk
en duidelijker worden, hetgeen ook de leesbaarheid en bruikbaarheid ten goede komt.
Bovendien is de Europese Commissie dan beter in staat om in meer gevallen een effectbeoordeling
te maken. De Europese Commissie heeft dit idee overgenomen en de intentie uitgesproken
om inderdaad meer effectbeoordelingen te gaan maken en deze te beperken tot een aantal
kernaspecten.
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de wijze waarop het onderscheid
tussen gerichte en grote voorstellen in de praktijk zal worden gemaakt. Kan de Minister
nader toelichten welke definities en criteria worden gehanteerd voor de kwalificatie
van een voorstel als «gericht» dan wel «groot»?
Wanneer wordt een voorstel aangemerkt als een groot voorstel waarvoor een diepgaande
effectbeoordeling is vereist, inclusief beoordeling en advisering door de RSB?
Ook vragen de leden van de CDA-fractie welke inzet de Minister pleegt richting de
Europese Commissie ten aanzien van de totstandkoming en toepassing van heldere, objectieve
en transparante criteria voor deze categorisering.
Antwoord
De Europese Commissie heeft niet aangegeven welke definities en criteria zullen worden
gehanteerd om te bepalen of een voorstel «groot» is. Een «gericht» voorstel beschrijft
de Commissie als een voorstel dat is gericht op het verminderen van regeldruk en het
vereenvoudigen en verbeteren van de effectiviteit van regelgeving. Het kabinet is
er geen voorstander van dat de Europese Commissie een onderscheid maakt tussen «grote»
en «gerichte» voorstellen waar het gaat om het maken effectbeoordelingen en de rol
van de RSB bij het beoordelen van de kwaliteit van die effectbeoordelingen. Het kabinet
vindt het positief dat de Europese Commissie effectbeoordelingen voortaan meer wil
richten op de belangrijkste aspecten om zo in meer gevallen een effectbeoordeling
te kunnen maken. Een algemeen onderscheid tussen «grote» en «gerichte» voorstellen
acht het kabinet evenwel niet nodig en zelfs onwenselijk waar het gaat om de rol van
de RSB, die wat de Europese Commissie betreft kleiner zou worden bij «gerichte» voorstellen.
De Europese Commissie wil de RSB over de effectbeoordelingen die betrekking hebben
op de «gerichte» voorstellen, namelijk slechts «aanbevelingen» laten doen, in plaats
van het afgeven van een «opinie», zoals de RSB dat nu voor alle effectbeoordelingen
doet. Die voorgestelde wijziging van de rol van de RSB, vindt het kabinet onwenselijk.
Deze «aanbevelingen» zijn vrijblijvender en dat verzwakt de positie van de RSB en
kan ertoe leiden dat de kwaliteit van effectbeoordelingen afneemt. Bij een negatieve
«opinie» van de RSB is de Europese Commissie verplicht om een aangepaste versie van
de effectbeoordeling opnieuw voor te leggen aan de RSB. Deze verplichting geldt niet
bij «aanbevelingen».
Als de Europese Commissie niettemin inderdaad een onderscheid wil maken tussen «groot»
en «gericht», zal het kabinet aandringen op het vastleggen van nadere en scherpe criteria
in de Betere Regelgevings-richtsnoeren en toolbox van de Europese Commissie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is effectbeoordelingen
meer te richten op de kernaspecten, mede op initiatief van Nederland. Deze leden lezen
echter dat de Minister vooralsnog een afwachtende houding inneemt ten aanzien van
de vraag welke elementen als kernaspecten moeten worden aangemerkt. Zij vragen de
Minister daarom welke economische, sociale en milieuaspecten het zelf als onmisbare
onderdelen van een effectbeoordeling beschouwt, mede gelet op de Nederlandse ervaringen
met Europese wetgeving en regeldruk.
Is de Minister bereid zich in Europees verband actiever in te zetten voor een duidelijke
afbakening van deze kernaspecten, zodat essentiële onderdelen van effectbeoordelingen,
zoals de Europese mkb-toets (SME Test), niet buiten beschouwing blijven?
Antwoord
Wat kernaspecten zijn die zouden moeten worden geadresseerd bij het maken van een
impact assessment, is niet in zijn algemeenheid te zeggen en hangt af van de aard
en het onderwerp van het betreffende voorstel voor regelgeving. Daar waar een voorstel
effecten heeft op het bedrijfsleven, is het bijvoorbeeld belangrijk dat de Europese
SME Test door de Europese Commissie wordt uitgevoerd. Dat is dan een kernelement.
Maar bij voorstellen voor EU-regelgeving die evident geen gevolgen hebben voor het
bedrijfsleven, is het niet nodig om in een impact assessment uitvoerig in te gaan
op de positie van het mkb. In dat geval is de SME Test geen kernelement maar kunnen
bijvoorbeeld bepaalde sociale en milieuaspecten dat wel zijn. Wat het kabinet betreft
zal de Europese Commissie per geval gemotiveerd een keuze moeten maken voor bepaalde
kernelementen.
Lidstaten en de Europese Commissie spreken regelmatig met elkaar over de vormgeving
en uitvoering van het beleid inzake Betere Regelgeving. Bij die gelegenheden zal Nederland
deze inzet uitdragen.
De leden van de CDA-fractie delen de zorgen van de Minister over het gebruik van spoedprocedures.
Deze leden constateren dat «spoed» een relatief begrip is en dat uit het verleden
blijkt dat de Europese Commissie dit begrip soms ruimer hanteert dan naar het oordeel
van deze leden wenselijk is. Zij vragen tegen deze achtergrond welke inzet de Minister
pleegt richting de Europese Commissie ten aanzien van een heldere en afgebakende definitie
van het begrip «spoed». Welke objectieve criteria zouden volgens de Minister moeten
gelden voor het gebruik van een spoedprocedure?
Antwoord
Het is moeilijk om vooraf uitputtend harde criteria vast te leggen om te bepalen wanneer
sprake is van «spoed». Niet alle spoedsituaties zijn te voorzien en het is belangrijk
dat er enige mate van vrijheid is om iets als «spoedeisend» te kwalificeren. Het is
niettemin belangrijk om zoveel mogelijk een beeld te hebben van waar de Europese Commissie
aan denkt bij het begrip «spoed». De Europese Commissie benoemt in haar Mededeling
Betere Regelgeving ter illustratie een aantal aspecten, waaronder «de politieke context
die de behoefte aan dringende actie doet ontstaan».
Het kabinet vindt het belangrijk dat slechts in bijzondere situaties – denk aan crises
zoals covid – uitzonderingen worden gemaakt op de hoofdregel dat de Europese Commissie
een effectbeoordeling maakt en dat de RSB daar een opinie over kan geven.
Het door de Europese Commissie genoemde element «politieke context» is de afgelopen
jaren regelmatig als argument gebruikt om iets als «spoedeisend» aan te merken en
duidt wat het kabinet betreft op een te ruime interpretatie van het begrip «spoed».
Het kabinet vindt het enkele feit dat er een politieke wens ligt om bepaalde regelgeving
te introduceren, onvoldoende om te zeggen dat sprake is van «spoed» en zet zich ervoor
in dat dit ook wordt verduidelijkt en vastgelegd in de beschrijving van wanneer de
Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van «spoed».
Welke mogelijkheden heeft de Minister om op te treden indien naar het oordeel van
de Minister ten onrechte gebruik wordt gemaakt van een spoedprocedure?
Antwoord
Lidstaten kunnen tegenover de Commissie aangeven het niet eens te zijn met de gang
van zaken en erop aandringen dat er bijvoorbeeld alsnog een impact assessment wordt
uitgevoerd en dat die bijvoorbeeld ook wordt voorgelegd aan de RSB. Lidstaten kunnen
dit echter niet juridisch afdwingen. Lidstaten kunnen hun oordeel betrekken bij de
standpuntbepaling over het betreffende voorstel.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie voornemens is sneller
en strenger te handhaven op de naleving van implementatietermijnen. Deze leden benadrukken
dat zij het van groot belang achten dat Europese wet- en regelgeving tijdig en zorgvuldig
wordt geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren zij dat tijdige implementatie, ook
in Nederland, niet altijd wordt gerealiseerd. Zij vragen tegen deze achtergrond waar
de Minister mogelijkheden ziet om de implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen
te versnellen. Welke knelpunten ziet de Minister momenteel als belangrijkste oorzaken
van vertraging bij de implementatie en uitvoering van Europese regelgeving, en welke
concrete maatregelen is de Minister bereid zelf te nemen om deze knelpunten weg te
nemen?
In hoeverre ziet de Minister mogelijkheden om in een eerder stadium van het Europese
wetgevingsproces voorbereidingen te treffen voor nationale implementatie en uitvoering?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe de Minister het risico voor Nederland
beoordeelt dat de Europese Commissie, als gevolg van een snellere en strengere handhavingspraktijk,
vaker zal overgaan tot het starten van inbreukprocedures. Acht de Minister Nederland
voldoende voorbereid op deze aangescherpte handhaving?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorg van de Kamer over het probleem van niet-tijdige implementatie
van richtlijnen en het toegenomen risico op ingebrekestellingen en in het uiterste
geval de oplegging van geldboetes door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Regering en parlement dragen een gezamenlijke verantwoordelijkheid om daar waar formele
wetgeving is vereist, het nodige te doen om deze wetgeving tijdig tot stand te brengen.
In interdepartementaal verband wordt op dit moment gewerkt aan voorstellen om de implementatieprestatie
te verbeteren. De coördinerende verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de Ministers
van Buitenlandse Zaken en van Justitie en Veiligheid. Naar verwachting zult u in het
najaar een brief over dit onderwerp ontvangen, waarin geschetst wordt welke acties
in dit verband ondernomen zullen worden.
De leden van de CDA-fractie staan in beginsel positief tegenover de oprichting van
een platform voor vereenvoudiging. Wel hebben zij vragen over het mandaat en de positie
van een dergelijk platform. In hoeverre is de Europese Commissie gehouden om op adviezen
van het platform te reageren en inzichtelijk te maken op welke wijze deze adviezen
worden opgevolgd?
Antwoord
Het platform is opgericht door de Europese Commissie met als doel om de Europese Commissie
te adviseren. Wat het mandaat en de positie is van het platform, wordt bepaald door
de Europese Commissie. In het besluit waarmee de Europese Commissie het platform heeft
opgericht, staat niet beschreven dat de Europese Commissie gehouden is om op adviezen
te reageren en inzichtelijk te maken op welke wijze adviezen worden opgevolgd.
Het kabinet vindt het wel wenselijk dat de Europese Commissie inzichtelijk maakt wat
er al dan niet wordt gedaan met de inbreng en suggesties van het platform. Het kabinet
gaat er vanuit dat de Europese Commissie dit zal doen, net zoals dat in het verleden
gebruikelijk was bij de voorlopers van dit nieuwe platform voor vereenvoudiging.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie welke Nederlandse organisaties naar verwachting
bij dit platform zullen aansluiten. Kan de Minister aangeven aan welke organisaties
het hierbij denkt en welke inzet het hierop pleegt? Ziet de Minister bijvoorbeeld
een rol voor het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR)?
Antwoord
De Europese Commissie bepaalt de samenstelling van het platform en het aantal leden
is beperkt. Op basis van wat de Commissie over de samenstelling heeft gezegd is mijn
verwachting dat het platform -net zoals bij de voorlopers van dit platform het geval
was- in de eerste plaats bestaat uit regeringsvertegenwoordigers van de 27 lidstaten.
Het Comité van de Regio’s en het Europees Economisch en Sociaal Comité leveren elk
3 leden.
Daarnaast is er plaats voor maximaal 15 deskundigen die bepaalde groepen belanghebbenden
vertegenwoordigen. Het gaat dan om bedrijven, met name kleine en middelgrote bedrijven,
sociale partners en maatschappelijke organisaties. Deze deskundigen worden door de
Europese Commissie geselecteerd nadat men zich kon melden als kandidaat-lid.
Op dit moment is nog niet bekend welke deskundigen door de Europese Commissie zijn
geselecteerd. Op basis van de ervaringen met de voorgangers van het nieuwe platform
voor vereenvoudiging, is de inschatting dat dit vooral deskundigen zullen zijn die
zijn verbonden aan Europese organisaties die bepaalde belanghebbenden vertegenwoordigen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
J.H.R. Moonen, adjunct-griffier