Stenogram : Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
8 Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 81
Te raadplegen sinds
2026-09-08Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier31839Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 81
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Aan de orde is de voortzetting van het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.
De voorzitter:
Dan gaan wij nu verder met het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Ik heet wederom de leden van de Kamer van harte welkom, en de minister in vak K. Ik geef haar graag het woord voor de beantwoording van de gestelde vragen. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Voordat ik begin met mijn verhaal, wil ik graag mevrouw Van Groningen feliciteren met haar maidenspeech. Het is heel bijzonder om te zien hoe een maidenspeech steeds meer kleur geeft aan de vraag waarom iemand in deze ruimte aanwezig is. Dat is overigens veel meer dan toen ik Kamerlid was. Ik denk dat u vandaag heel goed duidelijk maakte waarom u uitgerekend bij het onderwerp jeugd het woord mag voeren. Dat was heel mooi om te zien.
Het tweede punt heb ik met u afgestemd, voorzitter. Het kan zijn dat ik dadelijk word gebeld, want wij zijn thuis in afwachting van de examenuitslag. Ik vind dat altijd best een beetje spannend, dus als ik soms wat gespannen overkom, dan weet u waar dat aan ligt. Mocht er goed nieuws zijn, dan loop ik heel even de Kamer uit. Ik heb mijn zoon beloofd dat hij alleen mag bellen als er goed nieuws is.
De voorzitter:
Dan gaan we u daarna van harte feliciteren.
Minister Sterk:
Vooral mijn zoon, denk ik.
De voorzitter:
Ik ga ervan uit dat u de felicitaties namens de Kamer doorgeeft.
Minister Sterk:
Dat zal ik zeker doen.
Voorzitter. Ik wil de Kamer natuurlijk danken voor alle vragen die aan mij zijn gesteld, maar ik wil mij vandaag eerst richten tot de mensen op de publieke tribune, maar ook tot de mensen die thuis dit debat op een andere manier volgen. Dat geldt heel speciaal voor de jongeren, hun naasten en de nabestaanden die leed hebben ervaren in de ZIKOS en de gesloten jeugdzorg. Ik wil ook mijn waardering naar u uitspreken, want door uw betrokkenheid en uw moed hebben wij het onderwerp nu in ieder geval op tafel. Ik weet dat het veel impact heeft dat u vandaag naar dit debat kijkt en dat het betekent dat u wordt geconfronteerd met de ervaringen die u heeft meegemaakt. Ik besef ook dat de oplossingen soms heel ver weg voelen.
Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we gezien dat de jeugdzorg onder druk staat. De toestroom naar de jeugdhulp stijgt, terwijl het aanbod beperkt is. Er wordt door medewerkers in de jeugdzorg keihard gewerkt om jongeren die het nodig hebben passende hulp te bieden. Tegelijkertijd zien we dat het voor de meest kwetsbare kinderen niet altijd lukt om de beste zorg te leveren, met gebeurtenissen waar we keer op keer van schrikken, die moeilijk te bevatten zijn en die ons ook boos maken. Gebeurtenissen waarbij het ook niet lukt om altijd snel genoeg in te grijpen, met levenslange gevolgen voor deze kinderen en hun gezinnen.
Ook het tweede rapport van Jason Bhugwandass, over de jongeren die in een ZIKOS-instelling hebben gezeten, dat afgelopen dinsdag werd gepresenteerd, brengt scherp in beeld wat de gevolgen kunnen zijn als jongeren met complexe problematiek geen passende hulp krijgen. Hoewel ik zelf niet aanwezig was bij de presentatie, heeft het rapport wel grote indruk gemaakt. Ik heb begrepen dat het dinsdag een indringende en emotionele bijeenkomst is geweest. Ik waardeer het dat de betrokken instellingen excuses hebben aangeboden. Ik kom zelf nog voor de zomer met informatie over wanneer en hoe de landelijke stelselpartijen ook excuses gaan maken, want dit heeft al te lang geduurd.
Ook de rapporten van de inspecties en verschillende commissies laten zien dat dit geen incidenten zijn, dat er grote knelpunten zijn in de uitvoering van de jeugdhulp en jeugdbescherming en dat we voor een grote uitdaging staan om dit te verbeteren. Maar ik wil ook eerlijk zijn: want ondanks alle inzet van professionele jeugdhulpaanbieders, gemeenten, inspectie en Rijk kunnen we nooit alle incidenten voorkomen. Problemen zijn soms zeer complex en het is niet altijd duidelijk wat helpend is om deze problemen te verminderen. Bovendien blijven er mensen met slechte bedoelingen die misbruik maken van kinderen in kwetsbare situaties. Het blijft belangrijk dat volwassenen goed naar kinderen en jongeren blijven luisteren, dat ze serieus worden genomen en dat ze invloed kunnen hebben op de besluiten die hen aangaan.
Voorzitter. Voor die kinderen die het hardste hulp nodig hebben, moet de zorg er zijn, moet deze veilig zijn en moet ze van goede kwaliteit zijn. Bovenal moet de zorg aansluiten bij de behoefte van kinderen zelf. Als er achterliggende problemen zijn in een gezin, moeten we met het hele gezin aan de slag en niet te snel grijpen naar maatregelen of zware hulpvormen. We zien helaas dat dit nog te weinig gebeurt en dat jeugdhulp de afgelopen jaren steeds meer wordt ingezet. Dit moeten we keren. Jeugdhulp is niet voor alle problemen het antwoord. Daarbij kan het stelsel deze enorme vraag ook simpelweg niet aan, niet in geld en al helemaal niet in mensen. Heel veel van u hebben hier vandaag ook gezegd: het piept en het kraakt.
Gelukkig zijn er ook eerste hoopvolle signalen. Het aantal kinderen en jongeren tot 23 jaar met jeugdzorg daalde in 2025 met 2,8%. Maar we zijn er nog lang niet, wat mij betreft.
Voorzitter. Samen met mijn collega staatssecretaris JenV, gemeenten, zorginstellingen en professionals, en ook met u als Kamer, neem ik de verantwoordelijkheid om dit beter te maken. Mijn voorgangers hebben belangrijke stappen gezet met alle acties in de Hervormingsagenda Jeugd en het uitvoeringsplan voor de af- en ombouw van de gesloten jeugdhulp. Dat betekent dat we onder andere gemeentes verplichten regionaal samen te werken bij de inkoop van deze specialistische zorg, waardoor er een beter dekkend zorglandschap komt. Het betekent dat we aan de NZa de taak hebben gegeven om meer inzicht te geven in de beschikbaarheid en dreigende tekorten van hulp. Dat er eisen zijn gesteld aan het intern toezicht en de bedrijfsvoering door jeugdhulpaanbieders om risico's te voorkomen, en dat we werken aan meer grip op jeugdhulp voor gemeenten via het wetsvoorstel Reikwijdte, dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie is geweest.
Er is ook 176 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten voor de transformatie van de gesloten jeugdhulp. En er wordt gewerkt aan de totstandkoming van een gezamenlijk gedragen agenda, de leeragenda Kwaliteit en Blijvend Leren, met daarin de prioriteiten van het gehele KBL-netwerk voor de komende dagen. Maar ik zie ook dat de uitwerking en implementatie tijd kosten. Wetgevingstrajecten en cultuurveranderingen vragen helaas altijd een lange adem.
Ik zie een aantal grote opgaven. De instroom in de jeugdhulp moet verminderen. De beschikbaarheid van de meest specialistische vormen van jeugdhulp moet verbeteren, waaronder passende hulp voor jongeren die nu in de gesloten jeugdhulp zitten. Er moet gewerkt worden aan de erkenning en het herstel van misstanden in de gesloten jeugdhulp, het versterken van kind- en gezinsbescherming en de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. En ten slotte, last but not least, moeten fraude en de misstanden in de zorg worden aangepakt.
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de kopjes die ik heb bedacht voor de beantwoording. Die wil ik graag even benoemen. Ik wil eerst ingaan op ZIKOS. Dan wil ik ingaan op de gesloten jeugdhulp. Vervolgens wil ik ingaan op de casuïstiek, de jeugdbeschermingsketen en het toekomstscenario. Dan heb ik een blokje met de knelpunten rond de inkoop en de organisatie. Daar vallen dan onder: de een-op-eenplaatsing, de evc's, de screening, de beschikbaarheid van financiering en VEC. Ten slotte de hervormingsagenda, de reikwijdte en overige vragen; die zitten allemaal in het laatste mapje.
Voorzitter. Dan begin ik met het eerste mapje, ZIKOS. Een aantal leden van u, waaronder mevrouw Synhaeve, mevrouw Westerveld, mevrouw Dobbe en de heer El Abassi, hebben gevraagd naar het excuus en herstel. Zij vragen wanneer we dat gaan doen en wat we gaan doen. Ik denk dat u uit mijn inleiding al hebt begrepen dat we voor de zomer een brief gaan sturen waarin ik zal aangeven hoe en wanneer wij excuses zullen gaan aanbieden. Ik spreek de komende week ook nog met de jongeren, ook met Jason.
Omdat ik wil dat die excuses geen lege excuses zijn, kom ik op dat moment ook met de invulling van de herstelmaatregelen. Maar die wil ik echt ook nadrukkelijk in samenspraak met de jongeren invullen, want zij zijn de ervaringsdeskundigen. Dat is ook de belofte die wij aan hen hebben gedaan. Dat zal ik meenemen in de brief die ik u voor de zomer doe toekomen.
Ik heb nog meer antwoorden op de vragen over ZIKOS, dus ik weet niet of het …
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Om tegemoet te komen aan de beweging die mevrouw Westerveld maakte, kan ik misschien zeggen dat wij naar aanleiding van een amendement gestart zijn met pilots inzake herstel en nazorg. Wij hebben daar zes pilots voor in gang gezet om concreet te werken aan de erkenning en het herstel voor de jongeren. Die pilots zijn inmiddels afgerond. Die dienen als basis voor een bredere erkenning en voor het hersteltraject. De middelen die we daarvoor hebben, zijn die 12 miljoen. Ik wil daarmee onder andere een steunpunt inrichten dat met de jongeren meedenkt en dat, als het nodig is, ook voor hen bemiddelt bij zaken waar zij tegenaan lopen in de inrichting van hun dagelijks leven. Dat kan bijvoorbeeld ook zijn het organiseren van passende zorg. Het doel is om dit steunpunt na de zomer te starten. Ik bespreek de verdere uitwerking van het idee binnenkort ook met de jongeren.
Ik gaf net al aan dat wij ook met de jongeren in gesprek zijn over wat zij verder nodig hebben aan herstelactiviteiten, zoals lotgenotencontact of erkenningsdagen.
Dit is ook het antwoord op de vraag van mevrouw Dobbe waarom wij dat nog niet hebben gedaan. Nogmaals, ik vind zelf ook dat dit te lang heeft geduurd. Ik heb geprobeerd om dat in de korte tijd dat ik hier zit toch te versnellen, omdat ik vind dat dit echt heel belangrijk is. Maar ik wil het ook geen leeg gebaar laten zijn. Vandaar dat wij nog een tijd nodig om dat herstel goed in te vullen.
Mevrouw Westerveld en mevrouw Dobbe vroegen of ik kan ingaan op de aanbevelingen in het rapport-Jason. Ik neem die aanbevelingen in dat rapport heel serieus. Ik heb ze hier allemaal voor me. Ik kan twee dingen doen: ik kan de aanbevelingen nu allemaal voorlezen, maar ik kan ook toezeggen dat ik ze vermeld in de brief die wij u voor de zomer toesturen. Daarin ga ik ook in op de erkenning en het herstel. Ik kijk nu vooral even naar mevrouw Dobbe en mevrouw Westerveld om te horen wat zij willen. Met alle liefde lees ik de aanbevelingen voor. Maar we kunnen ook beide doen.
De voorzitter:
Dit is een soort indirecte uitlokking. Mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het is heel spannend om nu ja of nee te zeggen, want ik weet natuurlijk niet wat de minister wil voorlezen. Wil ze gewoon voorlezen wat er in het rapport staat of weet ze nu al wat ze met die aanbevelingen gaat doen? Wil ze daarmee wachten om het in een brief op te kunnen schrijven? Als de minister het nu al weet, dan kan ze het beter nu met de Kamer delen. Maar als ze er nog over na moet denken, dan is het prima om het in een brief te doen. De aanbevelingen hoeft ze van mij niet voor te lezen, want ik heb het rapport ontvangen en gelezen.
Minister Sterk:
Mijn voorstel is niet dat ik de aanbevelingen ga voorlezen. Het is mijn voorstel om mijn reactie op de aanbevelingen voor te lezen en dat is volgens mij uw vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wat zou dan het verschil met een brief zijn?
Minister Sterk:
Voorzitter, ik ga gewoon maar even de reactie op de aanbevelingen voorlezen. Dat is misschien wel het beste.
De eerste aanbeveling: maak excuses voor specifiek de ZIKOS-jongeren. Ik heb aangegeven dat ik voor de zomer duidelijkheid ga geven over wanneer en hoe excuses kunnen worden gemaakt. Hierbij zal er ook specifieke aandacht zijn voor de groep jongeren die verbleef op de ZIKOS-afdelingen.
De tweede aanbeveling: ondersteun de behoefte van jongeren. We hebben 12 miljoen beschikbaar gesteld voor herstelactiviteiten voor jongeren en hun naasten en nabestaanden. Nazorg is daarvan ook echt een belangrijk onderdeel. We zijn verder met jongeren en het ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd in gesprek om dat goed te kunnen laten aansluiten op hun behoefte. We willen daarmee zo spoedig mogelijk na de zomer starten.
Aanbeveling drie: aandacht en nazorg voor nabestaanden. Ik zei net al dat we bij de herstelactiviteiten niet alleen aandacht hebben voor de jongeren, maar ook voor de nabestaanden. Dit stemmen we ook af met de aanbieders die contacten hebben met de nabestaanden.
Vier. Onderzoek de oorzaken die hebben geleid tot het overlijden van jongeren. Het is denk ik belangrijk dat ik in ieder geval benoem hoe onbeschrijflijk verdrietig het is dat er jongeren overleden zijn. Ik begrijp ook de vraag die in het rapport wordt gesteld. Bij 113 bestaan mogelijkheden om psychosociale autopsies te laten uitvoeren als er een vraag ligt bij nabestaanden. Ik ga ook met 113 in gesprek hierover.
Aanbeveling vijf: reflecteer op de passiviteit na het ZIKOS-rapport. Ik denk dat het ten eerste natuurlijk belangrijk is om te erkennen dat er bij ZIKOS en in de gesloten jeugdzorg dingen zijn misgegaan. Als ik nu terugkijk, denk ik ook: waarom heeft het nou zo lang geduurd? De aandacht is eerst gegaan naar het zoeken van een plek, een passende plek voor de jongeren die in de ZIKOS-instellingen zaten. Daarna is de aandacht wat meer verschoven naar het vraagstuk van de erkenning, de excuses en de herstelactiviteiten. Ik denk dat dat met de kennis van nu gewoon sneller had gemoeten. Daar span ik me op dit moment dan ook voor in.
Aanbeveling zes: laat niet-adequaat handelen gepaard gaan met consequenties en stop eventueel het financieren van zorgverleners en aanbieders. Er zijn op dit moment mogelijkheden om in te grijpen als zorgaanbieders niet goed functioneren. We weten dat de inspectie daarvoor een breed instrumentarium heeft. Dat kan ze inzetten om de kwaliteit van de zorg te bevorderen. Verder zijn de gemeentes verantwoordelijk voor de kwaliteit van de jeugdhulp die zij inkopen. Zij kunnen vanuit deze inkopende rol ook eisen stellen aan de kwaliteit van zorg en daar eventueel consequenties aan verbinden. Dus ja, wij moeten inderdaad zorgen dat dat gebeurt als er misstanden zijn.
Aanbeveling zeven: onderzoek het functioneren van voormalig ZIKOS-medewerkers en -directieleden. Het blijft natuurlijk belangrijk om te erkennen dat er bij ZIKOS en in de gesloten jeugdzorg niet altijd goed is gehandeld. Maar ik zag dat u daar net in de Kamer ook een beetje een debat over had. Dat begrijp ik, want we weten natuurlijk ook dat er heel veel medewerkers in die zorg zitten die soms hele moeilijke afwegingen moeten maken en die naar eer en geweten keuzes maken. Gelukkig gaat dat heel vaak goed. Maar binnen ZIKOS was er sprake van handelingsverlegenheid en dat heeft bijgedragen aan de schadelijke gevolgen die die jongeren hebben ondervonden.
Wij oordelen nu ook anders over hoe er gehandeld had moeten worden. Maar als medewerkers en directieleden willens en wetens de veiligheid van jongeren in gevaar brengen of als er misstanden zijn, dan moet dit onderzocht worden. Hiervoor hebben we reguliere procedures en dat betekent dat mensen kunnen melden bij de IGJ of een tuchtklacht kunnen indienen bij de SKJ. Ik scherp verder op dit moment de wet- en regelgeving aan. Daarmee doel ik op de meld- en vergewisplicht voor jeugdhulpaanbieders en de vergunningsplicht voor alle aanbieders.
Voorzitter. Ten slotte de laatste aanbeveling: ontwerp een online gedragscode voor medewerkers in de jeugdzorg. Ik wil beginnen met onderstrepen dat het volgens mij altijd beter is om in gesprek te gaan dan om allerlei berichten achter te laten op social media. Het blijft gewoon belangrijk dat zowel medewerkers als jongeren respectvol met elkaar blijven omgaan, of dat nou offline of online is. Ik wil hier wel over in gesprek gaan met Jeugdzorg Nederland en ik wil daarbij ook kijken naar de medische sector, want in de medische sector hebben ze hier al ervaring mee.
Voorzitter. Dat is een hele korte reflectie op de aanbevelingen. Ik wil u toezeggen dat ik in de brief vóór de zomer nog een wat uitgebreidere reflectie zal opnemen op de aanbevelingen van het rapport.
De voorzitter:
Bent u hiermee ook aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Sterk:
Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor deze toelichting. De minister zegt een heleboel gesprekken toe en er zijn een aantal proceszaken die ze nu start. Ik denk ook dat dat niet anders kan. Daar moet je een proces voor opstarten. Je moet met mensen in gesprek gaan. Dat is denk ik heel goed. Maar dan wil ik het nog even hebben over de brief die we krijgen. Eén ding dat ik heb opgestoken bij de bijeenkomst afgelopen dinsdag is dat wij er ook gewoon meer bovenop moeten zitten. Ik zou wel heel graag willen weten of in de brief die u vóór de zomer stuurt dan ook de voortgang komt te staan, dus niet zozeer een verdere uitleg, maar ook de voortgang. En stuurt u daarna weer een voortgangsbrief, zodat wij ook weten hoe het staat, hoe het gaat en of de jongeren tevreden zijn, zodat we niet in een soort zwart gat belanden en hier over twee jaar weer staan?
Minister Sterk:
Of ik over twee weken al voortgang kan rapporteren ten opzichte van wat ik nu voorlees, weet ik niet helemaal zeker. Maar ik denk dat het belangrijk is — volgens mij gaf mevrouw Westerveld dat in het debat ook aan — dat we met enige regelmaat zorgen dat we het hebben over deze grote problematiek. Het gaat niet alleen over ZIKOS, maar het speelt breder, en het gaat ook niet alleen over de gesloten jeugdzorg, maar het gaat natuurlijk over de problemen die we hebben rond jeugdzorg. Ik zeg u toe dat er een brief komt vóór de zomer. We hebben volgens mij een commissiedebat eind september staan, dus dan gaat er ook weer een brief uw kant uit. Volgens mij is het ook aan uw Kamer om aan te geven hoe vaak u hierover wil praten en hoe vaak u daarover geïnformeerd wil worden. Het lijkt me wel verstandig om u alleen te informeren als er ook echt iets te melden is, maar ik snap dat u graag een soort vinger aan de pols wil houden en wil zien dat er voldoende voortgang zit op dit dossier.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het zou voor mij heel fijn zijn, en ik vermoed voor andere Kamerleden ook, om de aanbevelingen die de minister nu opsomt consequent terug te laten komen in de brief. U zegt: alleen als er wat te melden is. Als er niks te melden is, is dat natuurlijk ook belangrijk voor ons om te weten.
Minister Sterk:
Ja, dat begrijp ik. Ja.
Mevrouw Dobbe (SP):
We weten dan dat er blijkbaar geen voortgang op is en dan kunnen we er ook naar vragen.
Minister Sterk:
Ik zou …
De voorzitter:
De minister.
Minister Sterk:
Ik zou Kamerlid Dobbe toe willen zeggen dat we in de brief vóór de zomer terugkomen op hoe wij dat dan voor ons zien.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
De minister had het over 12 miljoen die vrij wordt gemaakt. Ik heb daar wel vragen over. Het proces heeft lang geduurd. Ik vond het ook goed dat daar de tijd voor werd genomen, want het moet ook niet een lege huls zijn. Je moet iets hebben wat ook daadwerkelijk van waarde is. Nu heeft het te lang geduurd en dan gebeurt er weer het tegenovergestelde van wat we wilden bereiken. Maar die 12 miljoen is ook wel belangrijk, want naast excuses moet er herstel zijn. Dat wordt nog ingevuld door de minister. Is het helpen van jongeren, zoals ze ook vroegen in dat rapport, onderdeel van dat herstel? En is een schadevergoeding voor de schade die ze hebben geleden door wat hun is aangedaan daar ook onderdeel van?
Minister Sterk:
Dat is onderdeel van het gesprek dat wij met de jongeren voeren. Wat er in ieder geval wel in zit — dat was volgens mij ook een vraag uit het eerste rapport van Jason — is dat er een soort steunpunt zou moeten komen, juist om ook een-op-een met de jongere te kijken: wat heeft deze jongere nou echt nodig in dit specifieke geval en hoe kunnen we daaraan bijdragen of hoe kunnen we zorgen dat er partijen bij komen die daaraan bijdragen? Dat is dus onderdeel van het gesprek. Ik wil u daar heel graag in de brief meer over zeggen, als ik dat ook met de jongeren heb kunnen bespreken. Ik heb het zelf namelijk nog niet met de jongeren kunnen bespreken.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Destijds was er bij commissie-De Winter een tegemoetkoming van €5.000 voor iedereen, ook omdat er heel veel slachtoffers waren, verdeeld over een grote tijd. Maar als ik nu met jongeren spreek, dan zegt de een juist psychosociale zorg nodig te hebben en de ander zegt dat hij een opleiding wil beginnen, met werk wil beginnen of een opleiding voor een hulphond nodig heeft om zijn trauma te kunnen verwerken. Ziet de minister mogelijkheden om dat ook mee te nemen? Ik hoor namelijk ook van jongeren: echt herstel kan natuurlijk pas plaatsvinden als je echt kijkt wat er gericht voor elke individuele persoon nodig is.
Minister Sterk:
Dat is precies waarom dat steunpunt er gaat komen: om goed te kijken wat er voor deze jongere in deze specifieke situatie nodig is. Het is heel verschillend wat jongeren nodig hebben en wat de wensen zijn. Daar wil ik gewoon goed naar kunnen kijken met die jongeren en met mensen die daar verstand van hebben. Dat is juist het doel van het steunpunt binnen het kader dat we daarvoor hebben.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat steunpunt ook heel goed. Dat was inderdaad ook een van de aanbevelingen. Ik vind het ingewikkelde daaraan — daar kan deze minister niks aan doen — dat ik in de brief van 26 maart 2024, naar aanleiding van het eerste rapport van Jason, letterlijk als eerste punt lees: er komt een aanspreekpunt waar jongeren die op een ZIKOS-afdeling hebben verbleven en hun naasten terechtkunnen. Daar is niks mee gebeurd. Ik begrijp dat een deel van die 12 miljoen nu weer ingevuld gaat worden met iets wat eigenlijk al jaren geleden aan de Kamer en aan de jongeren beloofd is.
Minister Sterk:
Zo zou je het kunnen lezen, maar volgens mij voldoe ik in ieder geval aan de vraag en het verzoek om voor jongeren, naasten en misschien wel nabestaanden een aanspreekpunt te hebben waar we een-op-een kunnen kijken wat iemand nodig heeft. Daarnaast willen we ook in collectieve zin een aantal activiteiten organiseren voor jongeren, ook vanuit de wens van jongeren zelf.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Een van de lastigheden, en eigenlijk ook pijnlijkheden, waar mensen destijds ook tegen aanliepen bij de commissie-De Winter, was dat de regeling afgebakend en beperkt was. Je kon exact hetzelfde hebben meegemaakt als een ander, maar je zat toevallig net in een instelling waarvoor de regeling niet gold. Ik ben een beetje bang dat als de minister het alleen beperkt tot ZIKOS-jongeren, dit weer gaat gebeuren. Want er zijn meer jongeren die schade hebben opgelopen. Er zijn jongeren overleden voordat Jason met zijn eerste rapport kwam. Julia werd bijvoorbeeld genoemd, en ik had het over Noa. Ook daar is schade bij nabestaanden en bij jongeren zelf. Worden zij ook meegenomen in deze regeling?
Minister Sterk:
Ik stel voor dat ik op dit specifieke punt terugkom in de brief.
De voorzitter:
Ik wil heel graag dat de minister doorgaat met de beantwoording. Ik heb u net een blokje van drie interrupties gegeven, mevrouw Dobbe. Gaat u verder, minister.
Minister Sterk:
Ik kom bij het volgende blokje, over de gesloten jeugdhulp in wat bredere zin. Mevrouw Moinat vroeg of ik het ermee eens ben dat de vrijblijvendheid van strafrechtelijke vervolging niet langer een optie is. Ik heb dat net eigenlijk al aangegeven. Iedereen kan aangifte doen, ook de jongere, maar ook de jeugdhulpaanbieder. Die is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en kwaliteit van het personeel, ook als dit bijvoorbeeld uitzendkrachten zijn. Ook de aanbieders van jeugdhulp kunnen die aangifte zelf doen. Ook de IGJ kan aangifte doen. Er zijn dus allerlei manieren om aangifte te doen. Wat mij betreft zou dat voldoende moeten zijn om de rotte appels uit de mand te krijgen.
Mevrouw Dobbe vroeg naar mijn reactie op het recente IGJ-rapport over de gesloten jeugdhulp. Ik stel in ieder geval vast dat een van de lessen die de IGJ heeft geleerd, volgens mij ook uit wat er in 2024 is gepubliceerd, is dat de stem van de jongeren echt waardevol is en dat het belangrijk is om die mee te nemen als er sprake is van toezicht. Dat is wat ze hebben gedaan. Die signalen moeten we echt heel serieus nemen. Het baart me natuurlijk ook wel zorgen — dat laat het rapport ook zien, en ik vermoed dat u daaraan refereert — dat er ook jongeren zijn die zich op dit moment nog steeds onvoldoende gehoord voelen, dat zij te weinig betrokken worden bij de hulp die zij krijgen en dat het nee-tenzijprincipe, dat we nu hebben verankerd, niet overal wordt toegepast. Als vrijheidsbeperking nodig is, moet deze maatregel worden opgenomen in het hulpverleningsplan en besproken worden met de jongere zelf. Dat is sinds 2024 opgenomen in de wet, samen met andere strengere voorwaarden voor vrijheidsbeperking. De praktijk voor deze jongeren moet echt verbeteren. Op dit moment werk ik dan ook samen met de VNG en Jeugdzorg Nederland aan een herijking van de bestuurlijke afspraken die we eerder hebben gemaakt over de transformatie van de gesloten jeugdhulp. Daarin neem ik ook de aanbevelingen van de IGJ mee. Ik kom daar overigens dadelijk nog wat specifieker op terug.
De voorzitter:
Mevrouw Moinat heeft, denk ik, een vraag over het eerste deel van het betoog. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Klopt, voorzitter. Ik vind dat toch wat makkelijk afgedaan. De minister of staatssecretaris van Justitie is altijd bevoegd om met het OM te gaan praten. Dus om dan te zeggen dat iedereen aangifte kan doen … Daar ben ik het mee eens. Dat klopt. Maar ik probeer aan te stippen dat medewerkers en instellingen veel te makkelijk wegkomen met dit soort dingen. Ik denk dat we elkaar daar best wel in kunnen vinden en dat we dat allebei vinden. Daarom is mijn vraag waarom u als minister of waarom de staatssecretaris van Justitie, die helaas niet aanwezig is, hierover niet met het OM gaat praten.
Minister Sterk:
Mijn wedervraag zou zijn: wat wilt u dan precies dat wij met het OM bespreken? Volgens mij begint het immers juist met aangifte doen. Het mag natuurlijk nooit vrijblijvend zijn: als er aangifte wordt gedaan, moet die gewoon in behandeling genomen en onderzocht worden om te zien of er sprake is van strafrechtelijke overtredingen. Als dat zo is, moet daar natuurlijk ook gewoon naar gehandeld worden. Ik ben dus aan het zoeken naar wat u nu precies van mij verwacht.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Wat ik verwacht, is dat we niet weer zo'n situatie als in Vlaardingen krijgen, waarin een medewerker gewoon aantoonbaar niet doet wat hij moet doen maar waar eigenlijk geen consequentie aan vastzit. Ik weet het niet precies. Daarom is mijn vraag waarom u als minister of de staatssecretaris van Justitie niet gaat praten met het OM en daarna bij ons terugkomt met hoe we dit in het vervolg gaan regelen, want het kan toch niet zo zijn dat mensen en instellingen hier gewoon mee weg kunnen komen zonder dat daar iets aan vastzit?
Minister Sterk:
Dan kom ik toch weer terug op wat ik net heb gezegd: volgens mij zijn er allerlei manieren om aangifte te doen. Die aangiften moeten natuurlijk gewoon in behandeling worden genomen. Volgens mij hebben we daar wegen voor. Ik weet niet of het de zaak nu erg gaat helpen als wij daarover met het OM in gesprek gaan.
De voorzitter:
Vervolgt u uw beantwoording.
Minister Sterk:
Door een heleboel mensen zijn vragen gesteld over de een-op-eenplaatsingen. De Kamerleden Dobbe, Moinat en Coenradie vroegen of ik de stand van zaken met betrekking tot de kinderen die op vakantieparken verblijven wil toelichten en of we zicht hebben op aantallen. Daar zijn een heleboel vragen over gesteld. Ik heb de gemeenten gevraagd om samen met de GI's en de regionale expertteams in beeld te brengen hoeveel jongeren zij in een een-op-eensetting en/of in buitencontractueel aanbod hebben geplaatst; dat gebeurt ook echt op dit moment. Er wordt op dit moment dus echt gekeken waar die jongeren op dit moment zitten. De eerste toets die we daarbij doen, is of het verblijf veilig is. Gemeenten moeten vervolgens ook binnen afzienbare tijd een veilig alternatief organiseren als de huidige plaatsing onveilig zou zijn, maar voor alle jongeren in een dergelijke niet-passende plaatsing moet gezocht worden naar passende zorg, onderwijs en/of dagbesteding. Ik volg de ontwikkelingen hieromtrent echt nauwlettend. Ik heb u dat ook al eerder toegezegd in de brief die u heeft gekregen, maar u weet ook dat dit een complexe opgave is, juist omdat het ontbreken van passende hulp vaak de reden was voor een-op-eenplaatsing.
Ik moet constateren dat de opbouw van alternatieven onvoldoende van de grond komt, zoals ook al door een aantal van u werd gezegd. Dat gebrek aan passende hulp wordt natuurlijk veroorzaakt door onderliggende knelpunten. Die vragen weer om een lange adem; dat is nou eenmaal niet anders. Ik ga hier wel meer regie op voeren en ik ga hier nadere afspraken over maken met de gemeenten en de sector. Het eerste wat ik ga doen, is het strakker implementeren van de verklarende analyse, zodat we beter zicht hebben op de onderliggende problematiek, de behoefte van de kinderen en de gezinnen en de meest passende vorm van ondersteuning. Ik wil ook een betere en integralere samenwerking met de ggz en de lvb-sector realiseren. De transformatie van de gesloten jeugdzorg moet beter gemonitord gaan worden. We onderzoeken ook hoe we de belemmeringen bij bovenregionale en landelijke samenwerking weg kunnen nemen. Daarnaast werk ik, uiteraard samen met mijn collega, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, onverminderd door aan de afspraken uit de hervormingsagenda en aan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming om het stelsel te verbeteren.
De voorzitter:
Dit geeft aanleiding tot een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het is natuurlijk al heel lang bekend dat de gespecialiseerde hulp voor jongeren en kinderen ontoereikend is. Dat weten we; dat is een feit. In 2022 — dat zeg ik uit mijn hoofd — is de motie ingediend die uitsprak dat de gesloten jeugdzorg afgebouwd moest worden. Er is toen een budget van bijna 180 miljoen gekomen waarmee gemeenten alternatieven zouden moeten ontwikkelen. We zijn nu vier jaar verder. We zien met elkaar dat er onvoldoende alternatieven zijn en dat jeugdbeschermers en hulpverleners vaak met de handen in het haar zitten omdat die plekken voor de jongeren er niet zijn.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Nu zitten we weer in een situatie waarin we met z'n allen niet willen zijn. Mijn vraag is: waar ligt dat dan aan? Is dat gebrek aan geld? Is dat gebrek aan regie? Hoe kan het dat dit zo in de soep loopt?
Minister Sterk:
Volgens mij zit dat in een heleboel knelpunten. Soms zit het in de samenwerking tussen de partijen. Daar werken we aan bij de toekomstscenario's. Soms zie je dat mensen als een soort pakketje worden doorgegeven aan de volgende organisatie, die dan weer een keer zelf gaat kijken wat zij kan doen. Daarom zeg ik ook dat die verklarende analyse aan het begin moet worden gemaakt en dat die met iedereen moet worden gemaakt, dus met alle partijen die daar een rol in hebben. We hebben, denk ik, heel erg de druk gevoeld dat we die gesloten jeugdzorg in dit land niet meer willen. We hebben namelijk allerlei manieren gezien waarop we niet willen dat kinderen die juist zorg nodig hebben, worden behandeld. Aan de andere kant denk ik dat wij hebben onderschat hoe ingewikkeld het is om dan toch een veilige plek voor deze jongeren te vinden; soms moeten ze daarbij ook tegen zichzelf beschermd worden. Dat is, denk ik, de fase waar we in zitten. Dat gaat ook niet snel genoeg; nogmaals, dat erken ik ook. Daarom gaan we opnieuw kijken naar de afspraken die we eerder, in 2024, over de gesloten jeugdzorg hebben gemaakt, om te kijken wat we daar nou nog meer en beter aan kunnen gaan doen. Wat betreft de analyse van waar het precies aan ligt: ik denk niet dat er één oorzaak is aan te wijzen, behalve dan dat het natuurlijk om jongeren gaat met een hele complexe zorgvraag.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind hieraan ingewikkeld — nogmaals, de schuld ligt niet bij deze minister — dat dit allemaal in die tijd voorspeld was en dat wij gewaarschuwd werden door deskundigen. Ik was bij die Kamerdebatten. We hebben er toen een discussie over gehad met de ambtsvoorganger van deze minister. We hebben de hele tijd gezegd dat er meer moet gebeuren en dat het sneller moet gaan. Anders moet je die afbouw niet zo versneld laten plaatsvinden, hoewel ik dat ook wilde. Maar hoe kan het dan dat we toch telkens in een stelsel zitten waarin deskundigen van alles kunnen zeggen en dat dat toch niet aankomt bij degenen die uiteindelijk politiek verantwoordelijk zijn?
Minister Sterk:
Ik deel die frustratie van mevrouw Westerveld. Volgens mij proberen we daar nu alles aan te doen, namelijk door enerzijds te kijken hoe we dat hele zorgstelsel beter kunnen gaan inrichten, maar ook specifiek — dat doe ik ook met mijn collega van Justitie — door deze groep via die toekomstscenario's beter te begeleiden, in plaats van dat door te schuiven, wat nu soms gebeurt, alsof het weer een nieuw probleem is bij een nieuwe organisatie.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ook het toekomstscenario wordt ontwikkeld, maar daarvoor is door de vorige staatssecretaris geld toegezegd en dat is er niet gekomen. We blijven dus in kringetjes ronddraaien van beloften die worden gedaan, waarbij deskundigen uit het veld aangeven dat je wat anders moet doen, dat je dit niet moet onderschatten of dat er soms meer geld bij moet als je iets nieuws gaat ontwikkelen. En het gebeurt maar niet. Heeft dat er dan mee te maken, vraag ik de minister, dat er vanuit hier toch te weinig regie is? Moeten we meer regie terugpakken? Heeft dat te maken met te weinig prioriteitstelling? Waar ligt dat dan aan?
Minister Sterk:
Dat laatste zou ik niet willen bevestigen, want volgens mij zijn we heel hard aan het werk, juist om die hele logge mammoettanker die de jeugdzorg is en alles wat daarbij komt, te keren. Dat vraagt soms om wetswijzigingen. Dat vraagt om cultuurverandering, want partijen moeten met elkaar gaan samenwerken. En dat vraagt soms ook om korte interventies. Wat ik nu doe, met die 400 jongeren waarvan ik wil weten of die veilig zijn, kan ik op de korte termijn doen. Dat toekomstscenario doen we juist ook met al die professionals in die keten, dus met de wijkteams, de Raad voor de Kinderbescherming, de GI's, Veilig Thuis, dus al die partijen die hier een rol in moeten spelen en — dat constateren we namelijk ook — dat soms dus niet voldoende doen. Dat proberen we juist nu met elkaar aan te scherpen. Op 8 juli zullen we dat met elkaar besluiten en ik zal zorgen dat u daar voor de zomer — althans, dat is voor mijn zomer, want u heeft dan volgens mij al reces — een brief over krijgt. Die toezegging heb ik al in een eerder debat gedaan.
De heer Hamstra (CDA):
Ik hoor een aantal zaken waar de minister mee aan de slag gaat. Ik denk dat dat goed is. Het structureel doorvoeren van een verklarende analyse is heel waardevol, zeker voor kinderen die nu instromen, maar voor de jongeren die nu op vakantieparken zitten, is dat, denk ik, nu nog niet de oplossing. Ik ben een beetje op zoek naar het volgende. Gemeenten zoeken deze uitweg, waar zij zelf ook niet gelukkig mee zijn, omdat zij ook geen andere mogelijkheden meer zien. U gaat nu in gesprek met die gemeenten.
De voorzitter:
De minister gaat in gesprek.
De heer Hamstra (CDA):
Sorry.
De voorzitter:
En wilt u tot uw vraag komen?
De heer Hamstra (CDA):
Ja, de minister gaat in gesprek met deze gemeenten. Kan de minister aangeven welke mogelijkheden zij dan nog voor die gemeenten ziet om op korte termijn misschien wel tot een passende oplossing te komen?
Minister Sterk:
De verantwoordelijkheid om een passende oplossing te bieden, ligt natuurlijk bij de gemeenten. Wat ik nu doe, samen met de jeugdzorgaanbieders, is het volgende. Ten eerste willen we op tafel krijgen om welke jongeren het precies gaat. Ik herinner me dat mevrouw Dobbe daar in een vorig debat ook naar vroeg. Het gaat om 400 jongeren. Zijn ze veilig? Dat is volgens mij de belangrijkste vraag. Als ze niet veilig zijn, moeten we zo snel mogelijk zorgen dat ze dat wel zijn en naar een oplossing zoeken. Maar wij kunnen natuurlijk niet zomaar plekken uit de grond trekken voor die kleinschalige voorzieningen waar we heel graag met elkaar naartoe willen werken. Voor een deel van de jongeren lukt dat al wel, maar voor een deel van de jongeren dus nog niet. Ik ben met die gemeentes en met die jeugdzorgaanbieders in gesprek om opnieuw te kijken naar de afspraken die we eerder hebben gemaakt. Welke aanscherping is er nodig? Wat kunnen we nog meer doen? Hoe kunnen we versnellen? En hoe kunnen we ook de gemeentes ondersteunen om te zorgen dat die plekken er wel komen?
De voorzitter:
Meneer Hamstra, verras mij met een bondige interruptie.
De heer Hamstra (CDA):
Het gaat mij erom dat de situatie van de jongeren niet moet verslechteren, en dat we nu niet een andere oplossing gaan vinden die misschien nog minder passend is. Daar ben ik dus een beetje naar op zoek. Hoe kunnen we dit het beste organiseren? Kan de minister, met haar verantwoordelijkheid als stelselverantwoordelijke, toezeggen dat we andere interventies gaan plegen wanneer gemeenten voor die 400 jongeren aangeven dat ze tegen een aantal zaken aanlopen, omdat die gemeenten gewoon ook geen oplossingen meer zien?
Minister Sterk:
Dat is precies de aard van het gesprek dat wij op dit moment voeren. We willen daarin kijken wat de gemeentes en de zorgaanbieders nodig hebben om te zorgen dat we deze groep jongeren gewoon een goeie en veilige voorziening kunnen bieden, maar vooral ook een meer structurele voorziening dan op dit moment op de vakantieparken.
De heer Hamstra (CDA):
Afrondend.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Mocht er uit het gesprek iets komen waar gemeenten tegenaan lopen en waar de Kamer iets aan kan doen, kunt u de Kamer daarover dan informeren?
Minister Sterk:
Dat zal ik absoluut doen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat ik mevrouw Synhaeve en mevrouw Dobbe nog het woord geef maar dat ik daarna de minister wel de gelegenheid geef om wat meer meters te maken met haar blokjes. Anders gaan we onze interrupties besteden aan antwoorden die de minister wellicht nog gaat geven.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De minister concludeert dat de opbouw van alternatieven niet snel genoeg gaat. Ik denk dat het goed is om te beseffen dat dat betekent dat kinderen die we op een goede plek zouden moeten helpen, die plek nu dus niet hebben. Maar ik wil even naar dat transformatiefonds. We hebben die transformatiegelden van 176 miljoen voor de opbouw van alternatieven. Ik heb daar eerder ook vragen over gesteld. We weten dat een deel van dat geld ook gaat naar de oude instellingen, omdat zij gewoon minder bedden bezet hebben. Hoe zorgt deze minister er nu voor dat van die 176 miljoen ook echt het leeuwendeel benut wordt om alternatieven te realiseren?
Minister Sterk:
Dat is ook wat wij dus doen. Uiteindelijk moeten de gemeenten dat natuurlijk realiseren; daar is dat geld ook voor bedoeld en wij kijken daarbij mee. Dat moet vooral leiden tot de afspraken die we hebben gemaakt, namelijk kleinschalige voorzieningen voor deze jongeren. En dat is niet: terug in het oude systeem. Die afspraken volg ik. Dat geld is er gelukkig nog steeds. Maar misschien is dat ook wel jammer, want anders hadden we het misschien al kunnen oplossen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dat is precies waarover ik eerder vragen heb gesteld, want we zien dat een heel groot deel van dat budget toch naar die oude aanbieders gaat. Ik wil de minister vragen om bij de besteding van die gelden te zorgen dat die juist naar die nieuwe plekken gaan, dus naar de plekken waar daadwerkelijk kinderen worden geholpen. En niet naar grote organisaties die al meer dan voldoende geld hebben gekregen voor zorg waarvan we kunnen betwijfelen of dat de goede zorg was.
Minister Sterk:
Waar het vooral om gaat, is dit. Het kan volgens mij ook best bij een grote jeugdzorgaanbieder, maar dit gaat om kleinschalige plekken waar jongeren met vijf of zes personen bij elkaar zitten, waarbij ze de zorg krijgen die ze nodig hebben. Dan zou het volgens mij niet uit moeten maken of dat een grote of een kleine zorgaanbieder is; het gaat om het type opvang dat daarvoor wordt gefinancierd. Volgens mij is dat ook wat u zegt. Dat geld moet niet gaan naar andere zaken. Dat geld moet gaan naar de financiering van dit type opvang voor dit type jongeren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Volgens mij hadden we in maart een debat, ik geloof tijdens het mondelinge vragenuur, over die kinderen die op een camping zijn geplaatst, waar ze dag en nacht worden bewaakt terwijl ze zorg nodig hebben. De minister zei toen dat het om 400 kinderen ging. Was dat toen of is dat nu, die 400? ...
Minister Sterk:
Dat durf ik niet precies te zeggen. Dat was het getal dat u destijds ook gebruikte. Het was het getal dat we op dat moment kenden. Hoe het op dit moment is ... Die getallen weet ik niet precies.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zou het toch wel heel fijn vinden als de minister dat voor ons wilde uitzoeken en dat zo snel mogelijk aan ons zou willen laten weten. Want als het nog steeds 400 kinderen zijn, er honderden kinderen in een onveilige situatie zitten terwijl we dit al maanden weten, dan vind ik dat we dat acuut moeten weten van deze minister. Is de minister bereid om dit aan ons te rapporteren?
Minister Sterk:
Wat ik volgens mij juist heb gezegd, is dat wij dat op dit moment in beeld aan het brengen zijn. Dat zijn we nu gestart, om te kijken hoeveel van deze jongeren inderdaad in een onveilige situatie zitten, om ze daar zo snel mogelijk uit te krijgen en hun een veilige omgeving te bieden. Dat loopt dus op dit moment ... Nu word ik gebeld, voorzitter.
De voorzitter:
Ik ga voor enkele ogenblikken schorsen.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening. Aan de reactie in de coulissen te horen ... Ik heb het vermoeden dat wij zomaar felicitaties aan de minister kunnen doorgeven.
Minister Sterk:
Ja, dat klopt helemaal, voorzitter.
De voorzitter:
Van harte!
Minister Sterk:
Hij heeft het zelf live op tv kunnen zien, overigens. Dat is dan wel weer het grappige van deze tijd.
De voorzitter:
Dan heeft uw zoon nu ook de felicitaties gehoord. Dus van harte gefeliciteerd!
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Volgens mij waren wij bij een vraag van mevrouw Dobbe. Ik ga nu wel iets voorstellen in verband met de tijd. Ik ga vragen of de minister zo meteen het blokje afrondt. Daarna laat ik interrupties toe. Er staan alweer collega's te wachten, onder andere uit Brussel, die straks ook een debat willen voeren. Ik wil dus een beetje op de tijd letten. Nu mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Prima, voorzitter. Het lijkt me heel goed om het gewoon per blokje te doen. Allereerst: gefeliciteerd aan uw hele gezin en aan uw zoon. Dat is in ieder geval goed nieuws.
Ik was net bezig met het stellen van een vraag. Drie maanden geleden hadden we de discussie over die ene groep kinderen. Er zijn meer kinderen die op een plek zitten die niet passend is; dat weten we. Maar het ging over die groep kinderen die nu bijvoorbeeld op vakantieparken zitten. Ik schrik toch een beetje van het feit dat die discussie in maart is gevoerd en we toen wisten dat het er ongeveer 400 waren, maar dat we nu niet meer precies weten hoeveel het er zijn. Misschien snapt de minister dat we dat zo snel mogelijk willen weten en daar ook graag heel regelmatig een rapportage over ontvangen.
Minister Sterk:
Ik snap dat u zegt: we hebben het over die 400 kinderen gehad en we willen graag weten of het goed gaat met deze kinderen of dat ze in ieder geval op een plek komen waar het goed met ze gaat. Dat willen we, denk ik, allemaal. Ik ben nu bezig met dit proces. Ik ben aan het uitzoeken waar die kinderen precies zitten en of ze veilig zijn. Zodra ik dat, weet zal ik uw Kamer daarover berichten. Dan kan ik ook iets meer vertellen over het proces dat we daaromheen met elkaar hebben afgesproken.
De voorzitter:
Rondt u het tweede blokje af.
Minister Sterk:
Ik had overigens nog maar één vraag in het tweede blokje. Dat is de vraag van mevrouw Coenradie of ik in beeld heb hoe vaak deze kinderen gemiddeld al zijn doorgeplaatst. Ja, dat heb ik. Dat is gemiddeld zes keer. Dat is gemiddeld echt zes keer. Soms is dat zelfs twintig keer. Dat is natuurlijk vreselijk. Nogmaals, dat is ook waarom ik dit traject ben gestart.
De voorzitter:
Gaat u verder met het derde blokje.
Minister Sterk:
Dit gaat over de toekomstscenario's, de jeugdbescherming en de casuïstiek. Daarin heb ik een vraag van mevrouw Moinat, mevrouw Van Groningen en mevrouw Van Meteren. Zeg ik het nou goed? Nee, "Van Meetelen"; mijn buurman heette "Van Meteren". U stelt dat er altijd een eindverantwoordelijke moet zijn voor het veiligheidsplan en de coördinatie, en u vraagt of ik daar een reactie op wil geven. Samenwerking, goede afstemming en duidelijkheid over de regie zijn inderdaad cruciaal bij ernstige signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Waar de regie moet liggen, is soms wel afhankelijk van de casus en de context. Daar moeten duidelijke afspraken over worden gemaakt. We hebben nu ook in de wet verankerd dat dat in de regio moet gaan gebeuren.
Voorbeelden uit de praktijk zijn de aanpak Veiligheid Voorop en de regierol van de Zorg- en Veiligheidshuizen. Ook ontwikkelen we samen met relevante organisaties een 24/7-crisisinterventieteam voor 0 tot 100 jaar. Daarbij gaat het erover dat men met elkaar afspreekt wie eigenaar wordt van een casus of van de casuïstiek. Met het toekomstscenario werken we aan een vereenvoudiging van het stelsel, waardoor gezinnen een vast contactpersoon krijgen van een lokaal team. Indien nodig wordt dit aangevuld met expertise en bevoegdheden van de regionale veiligheidsteams. In de Veranderstrategie toekomstscenario staan de stappen die wij zetten voor deze vereenvoudiging en staat hoe wij de heldere taakverdeling tussen lokale teams, veiligheidspartners, waaronder Veilig Thuis, voor ons zien. Daar bericht ik u nog voor de zomer over.
De heer El Abassi vroeg hoe ik reflecteer op het gegeven dat de William Schrikker Stichting opnieuw in de fout is gegaan. Ik zeg hier toch maar even heel duidelijk dat ik niet wil speculeren over wat er nou precies is gebeurd in deze afschuwelijke zaak. Ik weet dat daar al heel veel opvattingen over zijn, maar ik vind het het belangrijkste om het onderzoek van de inspectie af te wachten. Volgens mij is dat dan het moment om daar conclusies aan te verbinden en te kijken wie wat wel of niet heeft gedaan.
De heer Hamstra vroeg of we al iets weten over het onderzoek. Nee, dat weet ik nog niet. Ik ga wel aankomende maandag zelf in gesprek met de mensen in Stadskanaal, voor wie wat er allemaal is gebeurd natuurlijk ook een enorm harde dobber is.
Mevrouw Van Meetelen vraagt of ik kan uitleggen waarom er bij levensbedreigend geweld nog steeds kostbare tijd verloren gaat aan overleg. Zij vraagt ook of ik bereid ben binnen 24 uur een veiligheidsbesluit te laten nemen. Dat gebeurt in principe nu ook al. Als er bij Veilig Thuis een melding binnenkomt — iemand van u refereerde daar net al aan — en als ze zien dat het een acute veiligheidsvraag is of een levensbedreigende situatie betreft, moeten ze binnen 24 uur actie ondernemen. Dat is de eerste schifting die Veilig Thuis maakt. In principe moet dat gebeuren. Dat is een antwoord op uw vraag.
Meneer Hamstra en mevrouw Van Groningen vroegen naar de gegevensdeling en wat wij er nu precies aan doen om die te verbeteren. Ik denk dat het heel belangrijk is dat die gegevens natuurlijk goed worden gedeeld, want als je gegevens bij elkaar brengt, heb je ook sneller de ernst van de zaak in de gaten en kun je dus ook sneller gaan handelen. Sinds 2023 werken verschillende organisaties, waaronder de politie, Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming, vanuit Veiligheid Voorop aan een netwerkmodel waardoor er meer wordt samengewerkt en professionals eenvoudiger informatie kunnen delen, natuurlijk wel met de goede privacywaarborgen. Met digitale oplossingen kan vanaf 2026 elke Veilig Thuis-organisatie digitaal checken of netwerkpartners bekend zijn met een persoon. Verder wordt er naar aanleiding van moties van Becker, Van der Werf en Coenradie onderzoek gedaan naar belemmeringen voor informatie-uitwisseling vanuit juridische kaders en welke voorwaarden en vereisten nodig zijn om één integraal systeem te ontwikkelen. De Kamer wordt daarover eind 2026 geïnformeerd. En er wordt gewerkt aan de verbetering van een gezamenlijke risicotaxatie en een gezamenlijke analyse. Het versterken van de samenwerking en het wegnemen van belemmeringen is ook een van de acties binnen het toekomstscenario.
De heer Hamstra en mevrouw Synhaeve hadden ook een vraag gesteld over kindermishandeling en spreken met de kinderen. Laat ik vooropstellen dat ik altijd heel veel respect heb voor Kamerleden die een eigen wetsvoorstel maken, want ik weet hoeveel werk dat kost. Ik heb daar allemaal ambtenaren voor, maar u doet dat vaak zelf, met uw eigen medewerkers. Om te beginnen heb ik er dus heel veel respect voor dat u dat doet. Ik sta ook welwillend tegenover uw plan. Ik ben ook benieuwd hoe u het precies zult regelen. Ik denk dat we allemaal vinden dat we het echt op waarde moeten schatten als een kind een signaal afgeeft. Hoe dat er nou precies uit moet zien, daar ben ik heel benieuwd naar. Volgens mij is dat ook het debat dat wij moeten hebben.
De heer Hamstra vroeg ook nog of de meldcode daar nog een rol in kan spelen. Nee, de meldcode kan hier geen rol in spelen, want het Besluit verplichte meldcode is niet gericht op bevoegdheden van Veilig Thuis die in de Wmo zijn opgenomen.
Mevrouw Van Meetelen had het over de term "kindermarteling". Er zijn verschillende vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling. We leren natuurlijk ook steeds meer over de verschillende vormen en redenen voor kindermishandeling en nemen die nieuwe kennis ook mee in onze aanpak. "Kindermarteling", waar u aan refereert, is een relatief nieuw begrip. Het komt eigenlijk uit Amerika. We moeten nog kijken waar we het dan precies over hebben, hoe dat precies past binnen de bestaande kennis over de profielen van geweld en hoe we zorgen dat professionals deze vorm van kindermishandeling dan ook zo snel mogelijk herkennen. Ik ben uiteraard bereid om hier onderzoek naar te doen.
Mevrouw Coenradie had een vraag over de onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen. Ze vroeg of ik bereid ben om een onafhankelijke risicoanalyse te laten uitvoeren. Ik vond het debatje dat u met mevrouw Westerveld had wel interessant om te zien, want ik voel eerlijk gezegd ook wel met mevrouw Westerveld mee. We willen eigenlijk natuurlijk dat ons systeem dat precies ook doet, namelijk zien waar de belangrijkste casussen liggen die we op korte termijn moeten oppakken, zonder dat we daar een soort onafhankelijk onderzoek voor nodig hebben. Volgens mij zijn we dus ook bezig om dat strakker in te regelen met elkaar. Dat is dat toekomstscenario, de hervormingsagenda in bredere zin, natuurlijk de reikwijdtewet en alles wat we op dit moment doen om dat te keren. Ik denk dus dat zo'n onderzoek die structurele problemen uiteindelijk niet gaat oplossen, want daar zit waarom dit ontstaat; dat is waarom die casussen soms niet worden opgepakt. Dus hoewel ik heel goed begrijp wat u zegt, zou ik veel liever daar de energie op willen zetten dan dat we nu weer een onafhankelijk onderzoek gaan doen, want dan hebben we er straks misschien weer een boekje bij en misschien weer een heleboel casussen op tafel liggen, maar het systeem moet dat in zichzelf gaan doen. Dat moeten we nu vooral gaan organiseren met elkaar.
Mevrouw Westerveld vroeg wat nou precies het plan is met het toekomstscenario. Daar heb ik volgens mij net al iets over gezegd.
De heer Hamstra vraagt wat nu het perspectief is voor jeugdbescherming, hoe we daarnaartoe werken, hoe dat zichtbaar wordt in beleid en uitvoering en welke stappen we daarin zetten. Ook daar heb ik net iets over gezegd, denk ik, want dat doen we in dat toekomstscenario. Wat we daar precies mee gaan doen, zult u zien in de brief na 8 juli.
De heer Hamstra vroeg ook welke stappen er zijn gezet na kritiek in inspectierapporten. Er zijn een aantal belangrijke stappen gezet, denk ik. Zo is samen met gemeentes en de GI's 60 miljoen extra vrijgemaakt, waardoor werkdruk voor jeugdbeschermers met circa 25% is gedaald. Er is een succesvolle zijinstroomregeling om meer jeugdbeschermers op te leiden. Gemeenten zijn vanaf 1 januari aankomend jaar verplicht om regionaal samen te werken bij de inkoop van specialistische zorg. Dat moet uiteindelijk natuurlijk ook bijdragen aan een beter dekkend zorglandschap. De NZa heeft de taak gekregen om meer inzicht te geven in de beschikbaarheid van zorg. We hebben het ook al gehad over de 176 miljoen. Eigenlijk heb ik daar in mijn vorige blokje al het nodige over gezegd.
Mevrouw Westerveld en de heer Van Houwelingen — dat vond ik overigens een interessante combinatie — vroegen hoe het nou precies staat met de belofte om betere rechtsbescherming voor kinderen en ouders wettelijk te verankeren. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verwacht het wetsvoorstel Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming voor de zomer voor advies aan te bieden aan de Raad van State. Zodra het wetsvoorstel aan de Raad van State is aangeboden, wordt u daar ook over geïnformeerd.
De heer Hamstra vroeg wat ik ervan vind dat rechters soms besluiten om geen kinderbeschermingsmaatregel op te leggen omdat er geen jeugdbeschermer beschikbaar is. In zichzelf is het natuurlijk een heel pijnlijke constatering dat er soms geen jeugdbeschermer beschikbaar is, terwijl die bescherming wel nodig is. Tegelijkertijd is het ook aan de rechter om alle relevante informatie mee te wegen. Als de rechter concludeert dat het beter is om de hulp in een vrijwillig kader door te zetten in plaats van een jeugdbeschermingsmaatregel op te leggen die mogelijk niet direct kan worden uitgevoerd, is dat natuurlijk aan de rechter. Ik trek nauw op met mijn collega van Justitie, die samen met de gemeenten de capaciteitsproblemen bij de jeugdbescherming aanpakt. Dat ligt eigenlijk bij haar.
De heer Van Houwelingen vroeg naar gedwongen uithuisplaatsing. Volgens mij is het ook niet de eerste keer dat wij het daarover hebben, zelfs in de korte tijd dat ik hier nu zit. Niettemin erken ik echt ook wel de dilemma's die de heer Van Houwelingen schetst, want het inzetten van een kinderbeschermingsmaatregel is echt iets wat zorgvuldig moet plaatsvinden. Natuurlijk is de eerste plek van een kind bij zijn ouders. We willen uithuisplaatsingen dus ook zo veel mogelijk voorkomen. Gelukkig zien we ook dat die afnemen, dus dat is positief. Maar we moeten kinderen ook tijdig beschermen waar dat nodig is. Dat blijft altijd een dilemma, waarvoor wij vooral onze professionals aan de lat zetten. We hebben de op 1 april gestarte staatscommissie ook gevraagd om advies te geven over de vraag wanneer en onder welke voorwaarden de overheid mag en moet ingrijpen.
Nog twee vragen, voorzitter. De heer Van Houwelingen vroeg ook hoe we valse meldingen kunnen voorkomen. Volgens mij weet je pas dat een melding vals is als je dat door onderzoek ziet. Ik denk dus dat het heel moeilijk is om dit aan de voorkant te voorkomen. Ik vind het toch vooral heel belangrijk dat we elke melding serieus nemen en niet aan de voorkant al kijken of we denken dat die wel of niet vals is. Iedere melding moet in principe op waarde worden geschat.
Ten slotte gaf u aan dat u aanwezig wilt zijn bij een gesprek en dat u dat niet zou mogen. Dat is niet aan mij of de staatssecretaris. Het is aan een gecertificeerde instelling om te bepalen wie aanwezig mag zijn bij dit soort gesprekken. De GI weegt daarin altijd het belang van het kind.
De voorzitter:
Daarmee is de minister aan het einde van dit blokje gekomen. Ik dank de leden voor hun geduld. Mevrouw Van Meetelen, gaat uw gang.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is natuurlijk wel lastig, want er zijn meerdere onderwerpen in één blokje, en dan heb ik er dadelijk maar drie. Dat vind ik wel weer ingewikkeld, maar goed.
Allereerst dank ik de minister voor de toezegging om kindermarteling te onderzoeken. Er is veel te vinden in kinderrechtenliteratuur. Er zijn verschillende kinderrechters en psychologen die zich, ook hier in Nederland, hierover hebben uitgesproken. In Engeland volgen ze al zoiets. Ter aanvulling, ook voor anderen, zeg ik nog even het volgende. Het is niet de bedoeling dat je juist weer meer bureaucratie of papierwerk gaat optuigen. Het is bewustzijn, bij al die organisaties, zodat ze sneller gaan reageren. Dat is één. Dank daarvoor.
Het tweede is de spoedroute, want die ligt eigenlijk in het verlengde daarvan. Ook die hebben ze in Engeland daaraan gekoppeld. Als je die signalen binnen hebt, wordt er sneller op ingezet. Het klopt natuurlijk wat u zegt: Veilig Thuis zou in 24 uur kunnen reageren. Maar we zien dat dit niet gebeurt. We zien dus ook dat het te lang gaat duren. Ik vraag dus nogmaals of u daar ook naar zou willen kijken. Ook hoor ik graag wat de consequenties zijn — we hebben dit in Stadskanaal gezien — als Veilig Thuis het laat afweten en het te lang duurt.
De voorzitter:
Ik complimenteer mevrouw Van Meetelen met haar creativiteit. Dit waren vier vragen in een, denk ik. De minister.
Minister Sterk:
Ik heb geen vier vragen gehoord. Volgens mij vroeg Van Meetelen om er vooral voor te zorgen dat de spoedroute snel wordt opgepakt. Daar werken we echt aan. Ik zie dat als een ondersteuning van wat wij proberen te doen. Zij zegt dat een casus als die in Stadskanaal consequenties moet hebben. Ik ben er nog niet aan toe om die conclusie te trekken. Nogmaals, er loopt onderzoek. Er is heel veel misgegaan, maar ik denk dat we eerst moeten kijken naar wat de feiten zijn en er pas dan een oordeel over moeten hebben. Niettemin, als u zegt dat er heel vaak niet binnen 24 uur wordt ingegrepen, moet ik dat met Veilig Thuis opnemen. Ik moet doorvragen om te horen of zij dat herkennen en wat daaraan gebeurt.
De voorzitter:
Bondig, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Bondig. We hebben het hier in het vragenuurtje ook over gehad. Het blijkt dat Veilig Thuis in alle gevallen standaard te laat is. Ik zou dus heel graag aan de minister willen vragen of zij een terugkoppeling wil geven, via een brief of wat dan ook, over hoe het daarmee staat. Ik heb nog één andere vraag. Ik kijk heel aardig naar u, voorzitter, om te horen of dat nog kan. Ik heb een vraag over het toekomstscenario. Ik hoor iedereen er heel blij over zijn. Wij kijken daar als PVV toch anders naar. Er zijn lokale teams et cetera, maar wederom ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente. Dat houdt dus in dat de veiligheid van een kind weer per postcode bepaald is en afhankelijk van eventueel budget of beleid in zo'n gemeente. Ik kijk naar de minister. Wil ze daar niet toch gewoon landelijk de regie op nemen? Wij zijn voor decentralisatie, maar wil ze dan ten minste vaste landelijke normen bepalen en er harde regie vanuit de overheid op voeren?
Minister Sterk:
Ik wil toch een beetje terugduwen als u zegt dat Veilig Thuis in alle gevallen te laat is. Dat beeld deel ik niet. We hebben te maken met gevallen waarin het fout is gegaan. Daar moeten we absoluut van leren. Maar Veilig Thuis doet ook veel werk wel goed. Er zitten, nogmaals, medewerkers die een heel ingewikkelde opgave hebben en dat heel vaak gelukkig wel goed doen. Misschien bedoelde u dat ook niet te zeggen, maar ik zeg dit toch even voor de scherpte. Vervolgens zegt u dat het belangrijk is dat die lokale teams, die ook zo'n sterke positionering krijgen, duidelijke kaders krijgen voor wat er moet gebeuren en hoe die eruit moeten zien, zodat niet elke gemeente dat zelf mag gaan bedenken. Daar hebben we een convenant voor afgesloten, Stevige lokale teams. Daarin hebben we met elkaar afgesproken wat ze moeten gaan doen, juist omdat we, net als u, willen dat er een soort landelijke lijn ligt over wat die teams moeten gaan doen. Daar werken we dus inderdaad aan.
De voorzitter:
Superkort, mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Superkort. Nee, ik bedoelde dat inderdaad niet over Veilig Thuis, maar we hebben wel gezien dat ze structureel vaak te laat zijn, dus niet altijd, maar wel vaak. Dan vraag ik toch nog een keer aan de minister om met hen in gesprek te gaan en ons daar een terugkoppeling van te geven.
Minister Sterk:
Dat wil ik toezeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
De minister refereerde even hiervoor aan een debatje met onder anderen mevrouw Westerveld over een motie die ik ga indienen. Ik heb de motie enigszins aangepast. Die ligt nu bij iedereen hier in de Kamer en inmiddels ook bij de minister achter de schermen. Uit de toelichting die ik gaf naar aanleiding van de vragen is gebleken dat die vooral gericht is op het doorakkeren, doorlichten van individuele casussen om te zien waar de alarmsignalen zitten. We zagen net een minister die werd gebeld door een zoon die heel erg blij is. Ze gaat waarschijnlijk met heel veel blijdschap naar huis. Mijn vraag is wat de minister zegt tegen al die kinderen die nu in angst op school zitten en met heel veel angst naar huis toe gaan. Wat zegt de minister tegen deze kinderen?
Minister Sterk:
Laten we niet de indruk wekken dat wij het er niet over eens zijn dat ieder kind dat naar huis moet en zich daar zorgen over maakt, omdat het gewoon niet oké is thuis, gewoon onze hulp verdient. Maar het probleem is natuurlijk vaak dat dit soort dingen zich achter de voordeur afspelen en dat het voor kinderen vaak heel ingewikkeld is om daar naar buiten toe überhaupt iets over te durven zeggen. Vaak weten kinderen helemaal niet beter. Die denken dat het overal zo is. Daarom is het zo belangrijk dat ook mevrouw Synhaeve zegt dat we, als een kind iets meldt, dat serieus moeten nemen. Zij vroeg zich af of we dat wel voldoende doen. Dat is de achterliggende vraag van het wetsvoorstel. Volgens mij vindt u dat ook. Maar dat is nog iets anders. In dit land hebben we het nu eenmaal zo geregeld dat, als er meldingen zijn, die moeten worden opgepakt. We zien dat dat niet altijd goed gaat en daar werken we op een structurele manier aan.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik val misschien een beetje in herhaling, maar wat zeggen we nu tegen de kinderen die op dit moment denken: "ik heb een melding gemaakt, ik heb hulp gezocht"? Dat hebben we gezien bij het Vlaardingse pleegmeisje, Stadskanaal und so weiter. Wat zeggen we tegen die kinderen die wel melding hebben gemaakt en die in allerlei systemen en zaken voorkomen, maar waarbij niet gehandeld wordt? En dan kunnen we verwijzen naar brieven en toekomstscenario's en whatever hier bedacht wordt, maar wat zeggen we tegen die kinderen? Wat gaan wij dan concreet doen? Dat is precies de essentie van waar de pijn ligt: wat gaan wij doen? En dan wil ik geen brieven of onderzoeken. Dat is helemaal niet waar ik om vraag. Het doorakkeren van al die signalen en risico's: dat zou ik zo ontzettend graag willen. Wat zou de minister daarin kunnen doen?
Minister Sterk:
Dat is ook het dagelijks werk van heel veel medewerkers in dit land, bij Veilig Thuis, bij de stevige lokale teams, bij de Raad voor de Kinderbescherming. Dat gaat soms ook mis. Het is onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat dat niet meer zomaar mis kan gaan, dat die partijen beter met elkaar samenwerken, dat die meldingen inderdaad serieus worden genomen waar dat niet is gebeurd, en dat we ervan leren. Dat is wat ik net aangaf en wat we met het toekomstscenario willen doen. We willen in bredere zin in het hele jeugdstelsel veel beter kijken wat er precies echt aan de hand is. Zoals u zei, krijgen veel kinderen helemaal niet de jeugdzorg die ze nodig hebben en hebben veel kinderen een hulpvraag die niet op een goede manier wordt geadresseerd. Dat moeten we ook gaan oplossen, zodat er ruimte en tijd is om de gevallen goed te beoordelen en op waarde te kunnen schatten.
De voorzitter:
Afrondend.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik probeer echt iets voor elkaar te krijgen. Zou deze minister dan bereid zijn om tegen die betrokken instanties, waar deze minister verantwoordelijk voor is, te zeggen: "ik wil dat jullie alles doorlichten, alle casussen en alle alarmsignalen die bij ons bekend zijn, dat jullie dat opnieuw doen en wel zo snel mogelijk"? Kan de minister daarin iets toezeggen?
Minister Sterk:
Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik in gesprek ga met de partijen hierover. Uw vraag snap ik. U wilt dat, als er echt meldingen zijn van kinderen die in gevaar zijn of met wie het thuis heel erg fout gaan, we daarmee aan de slag gaan en dat we daar actie op zetten. Dat is volgens mij wat u zegt. Ik wil daarover op 8 juli 2026 in gesprek gaan met de partijen, want dan spreek ik al die partijen over het toekomstscenario, om te kijken wat ze daarin kunnen betekenen. Daar zal ik u in de brief die ik stuur over informeren.
De voorzitter:
Ik heb even niet goed gezien wie er … De heer Van Houwelingen is ontzettend galant. De heer Van Groningen. Excuus, mevrouw Van Groningen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Nu wordt het wel heel erg bont, voorzitter. Dank voor de beantwoording van de minister. Ik hoor haar zeggen dat ze echt inzet op samenwerking. Het is ook goed dat we het convenant over stevige lokale teams hebben. Ik gaf in mijn bijdrage al aan dat wij ons zorgen maken dat er heel veel verschillen in de regio zijn. Dat gaf u ook aan. Wat kunnen we doen om dat meer te harmoniseren, zeker ook als we naar een instelling als Veilig Thuis kijken, die ongelofelijk belangrijk werk doet en die ook op het gebied van huiselijk geweld en femicide een belangrijke signaalfunctie heeft? Is dat iets waar u meer regie op kunt pakken, waar we meer op kunnen harmoniseren?
Minister Sterk:
Dat harmoniseren doen we in het toekomstscenario. Dat gaat over seksueel geweld en kinder- en huiselijk geweld. Dat zit in dat scenario. Ik zal u daarover melden zodra we dat naar buiten brengen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dat vind ik erg fijn. Ik mag ook hopen dat we daarbij die stevige lokale teams betrekken. Hoe meer partners aansluiten, hoe belangrijker het is dat we die signalen tijdig oppakken. Als vervolgens inderdaad blijkt dat gegevens niet gedeeld worden, zou ik graag willen dat er ergens een noodsignaal geluid wordt. Ik zie u knikken. Is dat iets wat u daarin kunt meenemen?
De voorzitter:
Ik zie de minister knikken. De minister.
Minister Sterk:
Daar heb ik net ook al op geantwoord op een vraag van de heer Hamstra. We zijn aan het kijken hoe we die gegevensuitwisseling kunnen verbeteren. Mevrouw Coenradie is daar ook voorvechter van. En twee: bij dat toekomstscenario zitten ook stevige lokale teams als een van de partijen in de associatiewijkteams om dat in de keten goed op orde te krijgen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Wilt u dat in ieder geval meenemen als u aan ons terugkoppelt? Dan hebben we het hele plaatje compleet.
Minister Sterk:
Ja.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor de beantwoording. Er zijn in dit blokje jeugdbescherming drie vragen niet beantwoord. Die ga ik kort en bondig nog een keer stellen. Als het om de jeugdbescherming gaat, had ik ook gevraagd of, voor zover de minister weet, de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacturen op dit moment worden gehaald.
Minister Sterk:
Dat weet ik zo niet uit mijn hoofd. Het kan zijn dat de vraag hier nog ergens in een mapje zit. Anders wil ik daar graag in tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Dan blijven wij in spanning zitten. En anders wordt het de tweede termijn.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Helemaal prima. Met betrekking tot Veilig Thuis heb ik de vraag gesteld of het niet vreemd is dat er geen meldingen kunnen worden gedaan over gezinshuizen of pleeggezinnen. Althans, die worden niet in behandeling genomen. Meerdere mensen vinden dat heel onlogisch. Wat vindt de minister daarvan?
Minister Sterk:
Ook daar wil ik graag in de tweede termijn op terugkomen, tenzij die vraag hier nog in zit. Ik twijfel eerlijk gezegd of wat u zegt, klopt. Dat wil ik graag even checken bij mijn ambtenaren.
De voorzitter:
Drie keer is scheepsrecht, meneer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Prima, dank u wel. We hebben dat zelfs gehoord bij het werkbezoek. Dat is daar door Jeugdbescherming Noord aan ons bevestigd.
Minister Sterk:
Ik was daar helaas niet bij.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat begrijp ik. Dan mijn laatste vraag. Zoals ik al gezegd heb, probeer ik al een paar maanden bij zo'n gesprek in het gedwongen kader te zitten, tussen ouders die dat natuurlijk willen en de jeugdbescherming. Ik had twee vragen. Ik begrijp wat de minister zegt, namelijk dat de jeugdbescherming daarover gaat. Dat is zo. Maar is dat juridisch gezien zo? Ik snap dat u daar wellicht geen antwoord op kan geven. Dan is mijn vraag of kan worden nagezocht of het juridisch überhaupt mogelijk is dat Kamerleden worden uitgezonderd. Dat staat in de brieven die rondgaan. Je kunt dus als ondersteuner mee, maar dat geldt dan niet voor Kamerleden. Dat vind ik de wereld op z'n kop. Dit is dus eigenlijk een juridische vraag. Mijn hoofdvraag, tot slot, is als volgt. Vindt de minister dat wenselijk? Wij hebben namelijk een controlerende taak. Als Kamerlid mag je bijvoorbeeld ook gevangenissen bezoeken. We kunnen onze controlerende taak blijkbaar niet uitvoeren, omdat de jeugdbescherming zegt: we willen jullie er niet bij hebben zitten. Dat is toch heel, heel vreemd?
Minister Sterk:
U overvraagt nu ook een beetje mijn verantwoordelijkheden. Dit zijn echt vragen die bij mijn collega liggen, de staatssecretaris van JenV. Die is helaas niet bij dit debat. Ik beloof dat ik daar schriftelijk op terugkom.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vroeg naar het wetstraject voor de Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. Nu hoorde ik de minister volgens mij zeggen dat het voorstel voor de zomer in consultatie gaat. Dat is fijn, maar ik heb een brief van januari dit jaar waarin staat dat het voorstel begin 2026 in consultatie zal gaan. Ik bedoel dat dit nog een keer laat zien dat alles wat wij in brieven krijgen toegestuurd dan toch weer vertraging oploopt. Dat wilde ik hier toch even genoemd hebben.
Minister Sterk:
Daar heb ik niet zo heel veel aan toe te voegen. Zo gaan dat soort dingen soms. Volgens mij wil het Kamerlid vooral haar punt maken.
De voorzitter:
Gaat u verder met het vierde blokje.
Minister Sterk:
Ja, ik ga naar het vierde blokje. Ik begin met een vraag van mevrouw Synhaeve over de uitvoering van het amendement rond de evc-fraude. Ik heb samen met mijn collega van Justitie en Veiligheid het amendement opgehoogd met 2 miljoen euro. Op dit moment wordt dat ook gebruikt om verder onderzoek te doen naar de dossiers van de professionals, en om te kijken of de certificaten die daarin zitten wel kloppen.
U vraagt ook naar de screening. Ik denk dat u daarover een zeer terecht punt maakt. Daarom ben ik bezig met een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders. Daar heb ik eerder deze week ook een brief over gestuurd. Een onderdeel daarvan is de integriteitstoets. Daarnaast gaan we een vog verplicht stellen bij aanvraag of relevante wijzigingen in bestuur of eigendom. Die gaat over eigenaren en bestuurders, maar ook over interne toezichthouders en leden van de dagelijkse leiding. Daarnaast kan de Wet Bibob worden toegepast bij de afhandeling van een vergunning. We proberen het dus aan de voorkant wat dicht te draaien voor mensen die verkeerde bedoelingen hebben.
Mevrouw Dobbe had een vraag over de kleinschalige woonvorm Heppie (t)Huis. Ik denk dat dat inderdaad een heel mooi voorbeeld is. Wat zij doen, sluit ook aan bij de doelstelling van de transformatie in de gesloten jeugdzorg. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het inkopen van die passende jeugdhulp, maar ik vind het ook belangrijk dat we de inkoop van specialistische jeugdhulp verbeteren. Dat doe ik onder meer met standaardisatie. Daarbij neem ik mee wat gevraagd wordt in de motie van de leden Dobbe en Westerveld. Ik zal onderzoeken of het nodig is om voor sommige zorgproducten beschikbaarheidsfinanciering in te stellen.
Dan de vraag van mevrouw Moinat: welk deel verdwijnt aan organisatiekosten en gaat niet naar de hulp aan het kind? Ik begrijp het verzoek van mevrouw Moinat. Dat sluit ook aan bij mijn wens en de toezegging aan de Kamer om het inzicht in het jeugdstelsel te verbeteren. Op dit moment loopt er een onderzoek naar de administratieve lasten bij jeugdhulpaanbieders. In het najaar zal ik de Kamer daarover informeren.
Dan komen we bij de vragen van mevrouw Dobbe rond Villa ExpertCare. U zegt: "Er zou geen locatie sluiten voordat alle kinderen een geschikte plek zouden hebben. Nu hebben kinderen geen plek. Hoe kijkt de minister daarnaar?" Gisteren heb ik volgens mij juist voorkomen dat de kinderen geen plek zouden krijgen. De belofte die het bestuur van VEC had gedaan en de afspraak die wij hadden gemaakt, is dat er geen huis zou sluiten als er geen passende voorziening was voor de kinderen die in dat huis zitten. Ik kreeg afgelopen vrijdag berichten, onder meer vanuit de cliëntenraad, dat dat niet het geval was terwijl er wel was gecommuniceerd dat ze dicht zouden gaan op 1 juli.
Naar aanleiding daarvan heb ik onmiddellijk een gesprek aangevraagd — ik heb ze gewoon op mijn kantoor gevraagd — om hen daarop aan te speken. Ik heb hen ook herinnerd aan de afspraak die wij hadden, namelijk dat er geen huis dichtgaat als er geen passende voorziening is gevonden. Ik heb ook gezegd dat ik zie dat het proces tot nu toe echt wel verbeterd is. Inmiddels is de helft van de kinderen bemiddeld. We hebben het Project Herberg, waarbij één team met de zorgaanbieders en de zorgverzekeraars kijkt naar de casuïstiek. Met elkaar is er hetzelfde beeld en wordt er hieraan gewerkt. Ik zag echter dat dat vertraging begon op te lopen. De groep kinderen waarmee we nu te maken hebben, is ook een complexere groep. Ik denk dat dat ook de reden is waarom ze nog geen plek hebben. Ik zag ook dat de communicatie en de verhouding tussen de cliëntenraad en het bestuur aan het verslechteren waren.
Daarom heb ik gezegd dat ik op de kortst mogelijke termijn een onafhankelijke intermediair wil hebben aangesteld. Ik hoop dat dat begin volgende week het geval is. Die zal kijken naar alle partijen en alle partijen aanspreken op hun rol. Dat geldt ook voor de NZa en de inspectie. Desnoods geldt dat ook voor VWS. In die zin moet de intermediair zo onafhankelijk zijn dat die ook de ruimte zou moeten voelen om mij als systeemverantwoordelijke daarop aan te spreken.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee een heleboel vragen van mevrouw Dobbe over Villa ExpertCare heb beantwoord. Dat was het.
De voorzitter:
Bent u daarmee aan het einde van dit blokje gekomen?
Minister Sterk:
Wat mij betreft wel, voorzitter.
De voorzitter:
De leden Dobbe en Westerveld zijn eruit: ik ga als eerste het woord geven aan mevrouw Dobbe. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor de beantwoording, ook in dit blokje. Mag ik de minister eraan herinneren dat de motie over de beschikbaarheidsfinanciering er al twee jaar ligt? Als de minister nu nog moet beginnen met onderzoeken, dan is zij wel een beetje laat. Maak daar haast mee, zou ik dus zeggen.
Volgens mij is er bij ExpertCare iets aan de hand waardoor wij weten dat het zo meteen alsnog misgaat. Ook een intermediair kan dit punt niet oplossen. Die kan niet afdwingen dat die locaties openblijven, die kan niet afdwingen dat het personeel blijft en die kan niet afdwingen dat het bestuur andere keuzes maakt.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoe ziet de minister dat de intermediair hierdoorheen gaat breken, zodat niet gaat gebeuren waarvan we allemaal wel weten dat het gaat gebeuren? Dat is namelijk dat het leegloopt, dat er geen overnamekandidaat gaat komen en dat de kinderen in de knel komen.
Minister Sterk:
De intermediair zal de partijen die hier allemaal een rol in hebben te spelen, gaan aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Het is overigens iemand die kennis heeft van de echt complexe casuïstiek. Die weet waar het over gaat en die weet wat daarin moet gebeuren. Het is dus niet iemand die gewoon eventjes over de schouder mee gaat kijken. Die gaat meekijken naar hoe we de zaak kunnen versnellen, maar ook hoe we de communicatie beter kunnen krijgen. Enerzijds constateer ik dat de verhouding tussen de cliëntenraad en het bestuur echt niet goed is. Ik zie ook dat de ouders te weinig worden betrokken bij dit traject. De intermediair moet erop toezien dat dat goed verloopt.
Dat is natuurlijk niet het enige wat ik heb gedaan, want ik heb ook de NZa erop aangesproken dat zij goed moeten kijken naar de continuïteit van de zorg en de rol die de zorgkantoren daarin hebben te spelen. Ook de inspectie heeft hierin natuurlijk een rol te spelen. Op dit moment zijn de signalen van de inspectie dat de zorgcontinuïteit nog niet onder druk staat en dat de kwaliteit en de veiligheid nog op orde zijn. Daarom denk ik dat zo'n intermediair precies de rol kan spelen die nu nodig is in dit proces. Ik heb ook begrepen dat de partijen blij zijn met deze intermediair. In die zin hoop ik dat dat het proces gaat helpen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Hoe kan het zijn dat de zorgcontinuïteit niet onder druk staat op het moment dat de plekken verdwijnen voor de kinderen en er geen nieuwe plek is? Dan staat de continuïteit toch onder druk?
Minister Sterk:
Als dat gebeurt, staat de continuïteit inderdaad onder druk. Dat is juist waarom ik dit heb gedaan. Ik heb gezegd dat ik vind dat die huizen niet dicht mogen. Want dat is wat er stond te gebeuren: er was gecommuniceerd dat per 1 juli de twee huizen dicht zouden gaan. Dan is natuurlijk de vraag: hoe zit dat dan met de continuïteit van de zorg? Ik stel vast — en daar zal de onafhankelijk intermediair ook naar gaan kijken — dat wij de indruk hebben dat die zorgcontinuïteit in ieder geval nog niet goed is geregeld. Ik hoor namelijk van ouders dat zij niet het idee hebben dat het een passende voorziening is voor hun kind. Zolang dat dus nog niet op orde is, kunnen de huizen ook nog niet dicht. Dat is ook wat er nu is afgesproken. De onafhankelijk intermediair gaat er de komende tijd op toezien dat dat goed gaat lopen, zowel in communicatie als in versnelling, alsook in de contacten tussen de cliëntenraad en het bestuur.
De voorzitter:
Kort en afrondend, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik hoop dat de minister gelijk heeft. Ik wil wel graag regelmatig hierover worden geïnformeerd. Als de minister niet ingrijpt, zie ik eigenlijk geen scenario waarin dit goed komt voor deze kinderen en gezinnen. Volgens mij zit daar ook een kern van het probleem. Ik las namelijk in de brieven en zag in de zoektocht van deze minister dat de bevoegdheden ontbreken, dat een wettelijke grond ontbreekt om in te grijpen op het moment dat de continuïteit van zorg door besluiten van de zorgaanbieder — in dit geval een commerciële multinational — onder druk staat.
De voorzitter:
En uw vraag, mevrouw Dobbe?
Mevrouw Dobbe (SP):
Welke bevoegdheden moeten er komen om dit in de toekomst te voorkomen? Als de inspectie die niet heeft, als de minister die niet heeft, dan moeten we de wet maar aanpassen. Dan moeten we zorgen dat die bevoegdheden er wel komen. Welke bevoegdheden moeten er komen om te zorgen dat we het in de toekomst niet meer gaan meemaken dat de minister niet kan ingrijpen?
Minister Sterk:
In reactie op wat Kamerlid Dobbe zegt, ligt mijn prioriteit nu vooraleerst in de eerste, de tweede en de derde plaats bij het zorgen dat er een goede plek komt voor deze kinderen. Dat is waarop ik nu acteer. Tegelijkertijd vind ik het inderdaad ook belangrijk om van iedere casuïstiek te leren. Ik heb u dit in een eerder debat ook toegezegd: ik vind dat we moeten gaan kijken wat we hiervan kunnen leren, wat er anders moet en of we instrumenten in handen hebben die maken dat we hier tot een oplossing kunnen komen. Ik ben stelselverantwoordelijke en vanuit die verantwoordelijkheid stuur ik hierin nu ook. Maar de vraag "wat gaan we nu anders doen zodat dit niet meer kan gebeuren" is wat mij betreft pas aan de orde als we dit tot een goed einde hebben gebracht. Dan moeten we inderdaad ook kijken wat we hiervan kunnen leren en of we hiervoor voldoende in handen hebben.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het heel goed dat de minister de directie van ExpertCare bij zich heeft geroepen. Ik vind het ook jammer dat het nodig is, want de wensen van zowel de minister als de Tweede Kamer, als eigenlijk alle andere betrokkenen, zijn duidelijk. Door de beloften die zijn gedaan en de afspraken die zijn gemaakt, is het vertrouwen van de ouders weer gekrenkt, en van de minister misschien ook. Mijn vraag gaat over de intermediair. Hij sluit aan op mevrouw Dobbe, want voor zover ik begrijp heeft zo'n intermediair geen bestuursdwang. Dat zou misschien wel nodig kunnen zijn. Heeft de minister ook daaraan gedacht voor het moment dat het nodig is? Als ik kijk hoe er nu met afspraken wordt omgegaan, ben ik daar een beetje bang voor.
Minister Sterk:
Ik begrijp de zorg heel goed, namelijk of er niet meer nodig is en of we dan iets kunnen doen. Als het nodig is, kunnen we inderdaad meer doen. Dat kan ik niet doen, maar dat kan de IGJ wel doen. Die heeft de mogelijkheid om bestuursdwang op te leggen. De IGJ ziet alleen op dit moment nog geen reden om handhavend op te treden, maar we hebben in het stelsel dat we hebben dus wel de mogelijkheid om dat te doen. De calculatie van de inspectie is dat het op dit moment nog niet het goede instrument is.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Als het dan wel nodig is, kan de IGJ dan ook direct handelen? Ik begrijp dat er natuurlijk ook termijnen zijn gekoppeld aan een verzoek bij de IGJ en de antwoorden die komen, maar het zou zomaar kunnen dat het wel … Ik kijk nu namelijk nergens meer van op in dit dossier. De minister heeft zich er al persoonlijk mee bemoeid, dat gaat al vrij ver, dat zou een minister eigenlijk niet moeten doen als het stelsel optimaal zou werken. Maar kan de IGJ dan ook direct handelen als dat nodig is?
Minister Sterk:
Als op een gegeven moment de continuïteit van de zorg echt in gevaar komt, dan moeten er noodscenario's gaan lopen en die liggen klaar. We willen dat alleen natuurlijk zo lang mogelijk uitstellen, want we willen vooral dat de zorgaanbieder voldoet aan de verplichtingen die hij is aangegaan toen hij is gestart met dit type zorg. Dat geldt overigens ook voor de zorgkantoren, want ook zij hebben daar een verantwoordelijkheid in. Daarom hebben we ze ook samen gezet. Daar gaat de intermediair op toezien. De inspectie kijkt toe of het nog steeds veilig gaat en of de kwaliteit nog steeds voldoende is om de goede zorg te kunnen bieden. Als dat niet zo is, kunnen we inderdaad nog andere stappen gaan zetten.
De voorzitter:
Dan is de minister volgens mij toegekomen aan het laatste blokje. Ik verzoek haar de vragen in dat blokje bondig te beantwoorden.
Minister Sterk:
Ik ga mijn uiterste best doen, voorzitter, want het is best nog wel een pakketje. Sommige van de vragen hebben we echter al besproken, denk ik.
Ik begin met een vraag van mevrouw Dobbe. Zij zegt: "Het stelsel wordt alleen maar duurder, maar bent u het niet met mij eens dat er eerst verbeteringen moeten zijn voordat er bezuinigd kan worden?" Wat mij betreft gaat dat hand in hand. Het stelsel moet niet alleen kwalitatief beter worden, maar ook houdbaar. We zien dat de uitgavenstijging alsmaar doorgaat. Dat moeten we gaan ombuigen. Tegelijkertijd kost het ook tijd om de maatregelen die zijn afgesproken in de hervormingsagenda tot uitvoer te brengen.
Op dit moment, zeg ik tegen de Kamer, gaat er nog steeds meer geld naar de jeugdzorg dan in het verleden. Er is extra geld bij gekomen, 3,7 miljard, om naar aanleiding van het eerste beeld van de commissie-Van Ark met elkaar te werken aan de uitvoering van de hervormingsagenda en de tijdelijke extra inzet. Wij zijn nu bezig — daar ben ik echt heel hard mee aan het werk — met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Overigens heb ik daar dadelijk een overleg over, dus ik hoop dat wij hier op tijd klaar zijn. Wij willen ook stappen gaan zetten, zodat wij, als wij straks opnieuw voor de commissie moeten verschijnen, kunnen laten zien dat we echt ons huiswerk hebben gedaan.
Natuurlijk, dat hebben wij eerder ook gezegd, zal het oordeel van de commissie zwaarwegend en maatgevend zijn. Dat zou kunnen betekenen dat we weer een nieuwe afweging moeten maken voor middelen, maar wel in die volgordelijkheid. We hebben extra geld gegeven. Volgend voorjaar, ik meen in januari of februari, komt de commissie-Van Ark weer met een oordeel en dan hebben wij daar een gesprek over. Dit ook in reactie op wat de heer El Abassi en de heer Ceder aan mij vroegen.
Mevrouw Coenradie vroeg of wij ook kijken naar de financiële prikkels binnen het stelsel. Dat is inderdaad iets wat ik wil afbakenen in de reikwijdtewet.
Mevrouw Van Groningen had een vraag over de AMvB. Daar zit ik echt naar te kijken. Overigens denk ik — dat is toch een winstwaarschuwing — dat wij niet alles kunnen oplossen met alleen de reikwijdtewet. Die wet ligt er namelijk al en daar moeten we ook mee door, omdat we al een aantal dingen willen regelen. Er is, denk ik, een breder traject nodig. Dat is het gesprek dat ik nu voer met de VNG en de jeugdzorgaanbieders. Wij kijken wat we nog meer kunnen doen om op de langere termijn het stelsel houdbaar te krijgen en de goede financiële prikkels te hebben, maar ook om de goede selectie aan de poort te krijgen, zodat we alleen de jongeren in de zorg krijgen die daar ook echt horen. In de andere gevallen kunnen we dan vooral kijken naar de gezinssituatie, zoals de heer Stoffer zei. Eigenlijk begint het met het goed in beeld krijgen van de gezinssituatie.
Het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet komt na verwerking van het advies — het is ook afhankelijk van de advisering van de Raad van State — hopelijk begin 2027 naar de Kamer.
Ik heb eigenlijk al iets gezegd over de AMvB. Daarin ga ik niet aangeven wat wél jeugdhulp is, maar vooral wat geen jeugdhulp is. We draaien het dus eigenlijk om. Die AMvB is nu in ontwikkeling.
De heer Ceder, de heer Stoffer en ook mevrouw Van Groningen zeiden dat het gezin heel belangrijk is. Ik denk dat dit ook de beweging is die we juist in de jeugdzorg maken naar de voorkant. Als een kind problemen heeft, is er vaak veel meer aan de hand. Vaak heeft dat meer met de ouders te maken dan met het kind zelf. Het is dus heel belangrijk dat je in het begin eerst het gezin goed in beeld brengt, maar ook de omgeving rond het gezin. Wat kan de omgeving betekenen? Waar schotten in de weg zitten om dat te kunnen doen, moeten we daarmee aan de slag. Zo onderzoeken we bijvoorbeeld hoe de consultatiefunctie ggz ook voor de jeugdzorgsector kan worden verbeterd, zodat vanuit de jeugdzorg ook aan de ggz hulp kan worden gevraagd om de gezinsgerichte aanpak beter te borgen in de keten van mentale gezondheid. Een apart plan van aanpak hiervoor heeft volgens mij geen toegevoegde waarde, omdat dat eigenlijk al het plan van aanpak is waar we mee bezig zijn, om gezinnen veel meer aan het begin in beeld te brengen.
Meneer Stoffer vroeg of in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet ook kan worden opgenomen dat gewone opvoedings- en gezinsvragen onnodig zijn binnen specialistische zorgtrajecten. Dat is exact een van de doelen van het wetsvoorstel: zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig.
De heer Stoffer vroeg ook of ik bereid ben om informele steun te positioneren in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet. Dat is inderdaad wat ik beoog. In het convenant Stevige lokale teams is ook benadrukt dat lokale teams gebruikmaken van onder andere informele netwerken en steunfiguren.
De heer Stoffer had ook een vraag over preventieve gezins- en relatieondersteuning. Dit voorjaar heb ik samen met de staatssecretaris van JenV regionale sessies georganiseerd over de aanpak van scheidingsvraagstukken. Gemeenten doen ook al best wel heel veel om vanuit hun verantwoordelijkheid ouders met jonge kinderen te helpen. De jeugdgezondheidszorg vervult daarin een hele belangrijke rol. Ik blijf die effectieve ondersteuning ook stimuleren in de hervormingsagenda en in Kansrijke Start.
De heer Ceder vraagt naar het domeinoverstijgende werken en de gezinszorg. Ik werk met de VNG aan een aanpak voor gezinnen in een kwetsbare positie. Daarmee wordt gewerkt aan verbeteringen in preventief en integraal werken bij gemeenten vanuit het perspectief van het gezin. Daarbij gaan we middels praktijklabs, praktijklaboratoria, samen met circa zes tot acht gemeenten, gezamenlijk leren en lokaal aan de slag om belemmerende patronen te doorbreken en een verandering te realiseren. Ik informeer u hier verder over in de Voortgangsbrief Jeugd, die u nog voor de zomer ontvangt.
Mevrouw Van Groningen had een vraag over de wachttijden. Zie ik kansen voor innovatie en digitalisering van intake en diagnostiek? De Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg pakt knelpunten bij de contractering van specialistische jeugdzorg aan om jongeren met complexe problematiek sneller passende zorg te bieden. Dit draagt ook bij aan de aanpak van wachttijden. En daarnaast moeten gemeenten in hun regiovisie ook ingaan op de aanpak van wachttijden. Daarnaast moeten de afspraken in de hervormingsagenda natuurlijk ook gaan bijdragen aan juist het wegwerken van de wachtlijsten en de wachttijden.
Mevrouw Moinat had nog een vraag over de overgang van jeugdzorg naar volwassenheid. Hoe wordt dat ondersteund? Ik denk dat het heel belangrijk is dat jongeren tijdig worden voorbereid. Je ziet dat dat nog weleens misgaat. Pas als een jongere 18 wordt, wordt er gekeken wat die jongere eigenlijk nodig heeft, terwijl is afgesproken dat jongeren van 16 tot 23 jaar aanspraak mogen blijven houden op die jeugdzorg. Dat is dus de mogelijkheid die we hebben.
In de hervormingsagenda en het convenant Stevige lokale teams hebben gemeenten en jeugdhulpaanbieders zich ook gecommitteerd om tijdig met jongeren aan de slag te gaan met een toekomstplan. Dat is dus wat er moet worden gemaakt. Ze moeten verder ook zorgen voor een warme overdracht. Ik weet ook dat dat niet overal goed gaat en het is dan ook wel iets wat ik bespreek met gemeentes.
De heer Ceder had een heel mooi verhaal over positief vaderschap. Ontzettend belangrijk! Maar we weten ook uit onderzoek dat de rol van vaders enorm belangrijk is. Ik vraag me daarom af of aanvullend onderzoek wel zo heel veel meerwaarde heeft. Volgens mij is het veel belangrijker dat we ermee gaan werken en dat die bestaande kennis dus in de praktijk wordt geïmplementeerd. Dat doen we via Kansrijke Start. Het is vooral zaak dat in de praktijk jeugdzorg en jeugdhulpverlening een diverse samenstelling hebben en dat positieve mannelijke rolmodellen hier ook een plek in krijgen. In het jongerenwerk is bijvoorbeeld juist veel aandacht voor mannelijke rolmodellen.
Voorzitter, dat was het laatste blokje.
De voorzitter:
Dan ga ik nu een veegronde doen. Ik herinner de leden er ook aan dat we een tweede termijn hebben. Mevrouw Moinat, gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik zal het kort houden. Ik hoor de minister iets zeggen over stevige lokale teams. We hebben net de internetconsultatie van de reikwijdtewet doorgenomen. Daarin zien we dat veel organisaties echt vrezen dat de SLT's zullen leiden tot extra bureaucratie, lange wachttijden, meningsverschillen, discussies over budgetten et cetera, et cetera, et cetera. In mijn tijd dat ik in de gemeenteraad zat, heb ik brieven van het NIP gehad waarin wordt aangegeven dat psychologen aan de voorkant een plek moeten hebben. Het is namelijk essentieel dat zij aan de voorkant zitten om die kinderen zo snel mogelijk te kunnen zien en om te voorkomen dat die kinderen de zwaardere jeugdzorg in moeten.
De voorzitter:
En uw vraag.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Mijn vraag is: neemt u al die internetconsultaties mee in de gesprekken en uiteindelijk in het wetsvoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet?
Minister Sterk:
Dat doe ik absoluut. Het ingewikkelde voor mij is wel dat die reacties elkaar ook tegenspreken. De partijen zijn het niet allemaal met elkaar eens en ik moet er dus uiteindelijk wel een keuze in maken. Daar kijk ik nu naar en als ik dat gedaan heb, zal ik 'm naar de Raad van State sturen. Ik zei verder net ook al dat de ggz goed gekoppeld moet zijn. Daarom is het belangrijk dat die consultatiefunctie van de ggz ook voor de jeugdzorg beschikbaar wordt gesteld.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het is inderdaad een veegronde, want ik heb een vraag die eigenlijk van een heel andere orde is. Daarstraks paste die vraag niet meer in het blokje en daarom fiets ik 'm er nu maar in. Mijn vraag ligt in het verlengde van het signaleren van kindermarteling, kindermishandeling, et cetera. Ik wilde de minister ook nog vragen — dat was ik daarstraks vergeten — of ze ook expliciet wil kijken naar situaties waarbij dierenmishandeling wordt vastgesteld. Geweld tegen dieren staat namelijk zelden op zichzelf en gaat echt heel vaak samen met huiselijk geweld of kindermishandeling. Dat wordt hier en daar al gedaan, maar niet landelijk. Ik wil dus aan de minister vragen of ze dat ook mee wil nemen. Ik doel er dan op dat landelijk uitgerold wordt dat dierenartsen, dierenpolitie of politie een melding sturen naar elkaar als ze dat soort dingen constateren: hoe gaat het eigenlijk met die kinderen of met dat gezin? Misschien kan ze mij toezeggen dat ze dat gaat doen.
Minister Sterk:
U heeft dit punt al eerder gemaakt. Ik vind het wel een interessant punt. Ik wil het in ieder geval meenemen. Ik zal aan u laten weten wat we daarmee kunnen.
De heer Stoffer (SGP):
Ik meende dat één vraag van mij nog niet beantwoord is. Ik vroeg aan de minister of het kabinet samen met gemeenten een meerjarige financieringsstrategie wil ontwikkelen voor preventieve relatieondersteuning. Ik denk dat ik het antwoord niet gehoord heb, maar misschien heb ik niet goed geluisterd. Dat laatste kan ook.
Minister Sterk:
Ik meen dat ik daar wel antwoord op heb gegeven. Ja. U had inderdaad een vraag over meerjarige financiering. Daarvan heb ik gezegd dat ik dit voorjaar regionale sessies heb georganiseerd, dus dat we dat volgens mij al doen en dat een meerjarige financieringsstrategie daar verder niet zo veel aan toevoegt, omdat dit al gebeurt. Maar ik heb het niet heel expliciet zo benoemd inderdaad.
De heer Stoffer (SGP):
Dan heb ik dat inderdaad wat anders opgevat. Wat wij van gemeenten en van organisaties daaromheen terugkrijgen, is dat er door kortlopende financiering vaak projecten zijn, waarna het weer stopt.
Minister Sterk:
Dan denk ik dat het aan gemeenten is om dat langjarig te regelen. Het is ook echt aan gemeenten om dit te organiseren.
De heer Stoffer (SGP):
Dat zijn we met elkaar eens, maar als het kabinet daar wat stimulerend in zou optreden, zou dat wellicht kunnen helpen. Ik vraag dus niet om het vanuit het kabinet te doen, maar om er aandacht aan te schenken.
Minister Sterk:
Dat laatste kan ik natuurlijk altijd doen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
De minister gaf in haar beantwoording aan dat zij in de AMvB gaat kijken wat géén jeugdhulp is. Is dit dan echt ook uw afwegingskader of heeft u een ander afwegingskader waardoor u bepaalt wat dan wel of geen jeugdhulp is?
Minister Sterk:
Een AMvB is best hoge regelgeving, dus ik denk dat het heel belangrijk is dat we het daar goed in opschrijven. Dat wordt inderdaad een belangrijk afwegingskader om in ieder geval duidelijker te maken wat licht is en wat zwaar is. Maar ik gaf net ook al aan dat er denk ik nog wel meer nodig is dan alleen zo'n AMvB en misschien zelfs ook wel meer dan alleen de reikwijdtewet. We moeten nu dus de reikwijdtewet zo goed mogelijk gaan inrichten, zodat we ook echt ondersteuning kunnen bieden aan gemeenten en andere partijen om te zorgen dat we die groei laten aflopen en dat het stelsel verandert, maar er is meer nodig. Dit is wel een van de manieren om dat te doen, maar het is niet de enige manier, denk ik.
De voorzitter:
Ik ga de leden een beetje opjagen. Heel kort en bondig. Dat geldt vooral voor de heer Ceder zo meteen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Ik zal het zeker kort houden. Waar het ons om gaat, is dat we echt die keuzes gaan maken. Jeugdzorg Nederland zegt ook: we moeten versterken en beperken. Dat ben ik met hen eens. Ik zou het, zeker omdat de wet helaas nog even op zich laat wachten, fijn vinden om die exercitie toch met elkaar te gaan doen, omdat we ook dit debat met elkaar moeten voeren: wat is nou jeugdzorg en wat niet? Dit staat los van dat het in de wet komt.
Minister Sterk:
Ik hoop toch al wel dit najaar, of in ieder geval uiterlijk volgend voorjaar, keuzes te gaan maken hierover. Ik moet dit najaar die keuzes al gaan maken. In die zin loopt dat gesprek ook, denk ik. Ik weet niet of ik daar nog zo veel op kan versnellen. Dit is precies waar het over gaat als het gaat over de jeugdzorg en het toekomstperspectief: hoe kunnen we nou zorgen dat wat hulp is ook echt hulp blijft en wie zorg nodig heeft ook echt die zorg krijgt?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Op mijn vraag over gezinshulp gaf de minister aan dat er vijf of zes gemeenten aan de slag zouden gaan en dat ze hierover met een terugkoppeling zou komen. Ik ben benieuwd wanneer die terugkoppeling er komt en of ik dat ook als toezegging kan noteren, omdat ik de uitkomsten heel belangrijk vind voor het verdere traject en voor mogelijk ook de landelijke uitrol.
Minister Sterk:
Volgens mij heb ik gezegd dat ik u daarover informeer in de Voortgangsbrief Jeugd, die u nog vóór de zomer krijgt. Dat is best snel, volgens mij.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, zeker. Dat zou ik graag als toezegging willen noteren, als dat kan. Mijn tweede vraag gaat over de andere gemeenten. Kunt u ten minste iets zeggen over de lokale experimenteerruimte die gemeenten hebben als het gaat bijvoorbeeld over ontschotten, onderwijsgelden, zorggelden en jeugdzorggelden, daar waar het aan de voorkant gewoon sneller geregeld kan worden? Ik merk dat gemeenten worstelen met wat ze wel of niet mogen doen. Eén aanpak met één voorkant en achteraf regelen waar het van betaald wordt, is voor het kind zelf veel makkelijker. Ik hoop dat de minister mij volgt en dat zij iets kan zeggen over de reikwijdte van die experimenteerruimte die gemeenten hebben.
Minister Sterk:
Die vraag heeft u in uw eerste termijn volgens mij niet op deze manier gesteld, dus daar ben ik niet helemaal op voorbereid. Ik weet dat we onlangs rondom passend onderwijs een gesprek hebben gehad over ZiO, omdat daar volgens mij heel erg speelt dat je kinderen hebt die ook zorg nodig hebben en dat dat eigenlijk verschillende domeinen zijn. We proberen dat met ZiO in ieder geval nu … In de reikwijdtewet zit inderdaad een aantal zaken, namelijk dat er verplicht overleg moet zijn en dat men geschillen met elkaar moet uitspreken als die er zijn. Volgens mij hebben we daarover in de reikwijdtewet een aantal zaken opgenomen, maar dat is nog iets anders dan zomaar alle middelen van de domeinen bij elkaar zetten. Dat is ons gewoon niet gelukt. Dat heb ik in dat debat ook gezegd.
De voorzitter:
Wij gaan door naar de tweede termijn. Daarvoor ga ik mevrouw Moinat uitnodigen. Ik dank de minister voor de beantwoording vanuit het kabinet in de eerste termijn. Ik vraag de leden met mij tempo te maken. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Wat moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen nog steeds ernstig beschadigd worden doordat medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders binnen de jeugdzorg hun plichten verzaken terwijl signalen van onveiligheid bekend zijn;
overwegende dat onderzoeken en rapporten geen kinderen beschermen en dat na jaren van analyseren de tijd van handelen is aangebroken;
overwegende dat het opleggen van zware strafrechtelijke sancties een krachtig signaal afgeeft dat het beschadigen van kinderen nooit zonder gevolgen mag blijven en dat een dergelijk krachtig signaal thans ontbreekt;
verzoekt de regering actief te bevorderen dat zowel jeugdzorginstellingen als medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders die kinderen door handelen of nalaten te handelen schade berokkenen, strafrechtelijk worden vervolgd en waar mogelijk de zwaarst passende strafrechtelijke sancties tegemoet kunnen zien,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat, Schilder en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1152 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ondersteuning voor jongeren na hun 18de verjaardag regelmatig wegvalt terwijl hulp nog nodig is;
overwegende dat continuïteit van ondersteuning van belang is voor een succesvolle overgang naar zelfstandigheid;
verzoekt de regering te bevorderen dat voor jongeren die uitstromen uit de jeugdhulp tijdig een toekomstplan wordt opgesteld, inclusief afspraken over passende huisvesting, onderwijs of werk en noodzakelijke begeleiding, en zich ervoor in te spannen dat benodigde ondersteuning niet wegvalt zolang deze aantoonbaar noodzakelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1153 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in ernstige zaken van kindermishandeling meerdere instanties signalen van onveiligheid ontvingen;
overwegende dat daarbij niet altijd duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de regie en opvolging;
verzoekt de regering te bevorderen dat bij ernstige signalen van kindermishandeling, huiselijk geweld of andere acute onveiligheid één eindverantwoordelijke professional wordt aangewezen die verantwoordelijk is voor de coördinatie van het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de afstemming tussen betrokken instanties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1154 (31839).
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik wacht het onderzoek van de minister naar de kosten in dit najaar af. Ik dien hier geen motie over in, maar ik houd 'm wel aan.
De voorzitter:
U krijgt bijna een lintje voor snellezen, maar u krijgt ook nog een vraag. Eén vraag, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik heb een vraag over uw eerste motie. Begrijp ik nou goed uit de motie dat de regering moet bevorderen dat mensen strafrechtelijk worden vervolgd? Mijn vraag is dan de volgende, want ik wil natuurlijk ook dat mensen die misdrijven plegen, worden vervolgd. Is het aan de regering om mensen strafrechtelijk te vervolgen?
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dat is wat ik zojuist ook al heb gezegd aan de interruptiemicrofoon. Ik zou willen dat de bewindspersonen in gesprek gaat met het OM en daar de bevordering inzetten. Het OM kan ook vervolgen, dus niet alleen via een aangifte. Die bevordering zou ik graag willen hebben, omdat we nu zien dat het merendeel wegloopt. Dat wil ik voorkomen, samen met mijn collega Schilder. Vandaar de motie voor de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
De voorzitter:
Dank u wel. We gaan luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderopvangorganisaties pas mogen starten nadat zij zijn geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK), waarbij vooraf wordt getoetst of aan alle eisen wordt voldaan;
overwegende dat kwetsbare kinderen en jongeren in de jeugdzorg minstens dezelfde mate van bescherming verdienen als kinderen in de kinderopvang;
verzoekt de regering uit te werken hoe jeugdhulpaanbieders en hun medewerkers net zoals bij kinderopvanglocaties altijd vooraf gescreend kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Ceder, Westerveld en Coenradie.
Zij krijgt nr. 1155 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bestuurders en commissarissen van woningcorporaties vóór hun benoeming worden getoetst op onder andere betrouwbaarheid;
constaterende dat in de jeugdzorg geen vergelijkbare voorafgaande integriteitstoets geldt voor bestuurders van jeugdzorg- en jeugdhulpaanbieders;
overwegende dat bestuurders in de jeugdzorg verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit, veiligheid en continuïteit van zorg aan kwetsbare kinderen en jongeren;
verzoekt de regering om een wettelijke integriteitstoets voor bestuurders van jeugdzorg- en jeugdhulpaanbieders uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Synhaeve, Ceder, Westerveld, Coenradie en Van Groningen.
Zij krijgt nr. 1156 (31839).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er aan de Hervormingsagenda Jeugd bezuinigingen zijn gekoppeld die oplopen tot 570 miljoen in 2027 en zelfs 1,5 miljard vanaf 2028;
overwegende dat de commissie-Van Ark vorig jaar al aangaf "er niet van overtuigd te zijn dat de Hervormingsagenda de beoogde besparingen op de jeugdhulp gaat realiseren";
verzoekt de regering om in kaart te brengen in hoeverre de Hervormingsagenda Jeugd tot nu toe de beoogde besparingen heeft opgeleverd en indien blijkt dat dit achterloopt op de planning, bij de augustusbesluitvorming de geplande bezuinigingsopgave op basis hiervan bij te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1157 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het rapport Eenzaam gestorven bleek dat de jongeren die op ZIKOS-afdelingen zijn geplaatst onvoldoende worden gesteund;
overwegende dat uit dit rapport blijkt dat deze jongeren naast passende zorg en ondersteuning ook behoefte hebben aan een financiële tegemoetkoming of schadevergoeding, als vorm van erkenning;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk, in samenspraak met de jongeren zelf, te zorgen voor financiële tegemoetkoming en/of een schadevergoeding voor jongeren die zijn geplaatst op de ZIKOS-afdelingen en de rest van de gesloten jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1158 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door de dreigende sluiting van de zorgvilla's van ExpertCare gezinnen de onmisbare zorg voor hun kinderen dreigen te verliezen, zonder alternatief;
overwegende dat deze situatie voornamelijk wordt veroorzaakt doordat een buitenlandse investeerder het commerciële belang consequent boven het belang van de zorg voor kinderen stelt;
verzoekt de regering om zo snel mogelijk in te grijpen bij ExpertCare, bijvoorbeeld via bestuursdwang, om zo te voorkomen dat een of meerdere van de zorgvilla's worden gesloten zolang er geen passend alternatief is, en hier niet mee te wachten tot de zorg daadwerkelijk in gevaar komt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1159 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige handhavingskader voor zorgaanbieders voornamelijk gericht is op het tegengaan van zorg die op een verantwoorde manier wordt geleverd, maar niet op het tegengaan van het afbreken van onmisbare zorg;
verzoekt de regering om in kaart te brengen welke wetswijzigingen er nodig zijn om te kunnen ingrijpen bij zorgaanbieders wanneer zij essentiële zorg stopzetten zonder dat er een passend alternatief beschikbaar is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dobbe en Westerveld.
Zij krijgt nr. 1160 (31839).
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Ook mevrouw Dobbe valt in de prijzen voor snellezen. We gaan luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank aan de minister voor de antwoorden. Ik neem zelf op korte termijn contact op met de collega's die mee willen denken over hoe we als Kamer grip op het stelsel kunnen krijgen en beter kunnen sturen en of we kunnen aansluiten bij de Regeling Grote Projecten. Dat komt dus.
Ik heb ook twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat excuses, erkenning en herstel zijn toegezegd aan jongeren die schade hebben opgelopen binnen de gesloten jeugdzorg;
constaterende dat dit nog niet is gebeurd en twee jaar na uitkomst van het rapport Eenzaam gestorven het alleen maar slechter gaat met de meeste jongeren;
constaterende dat excuses enkel waarde hebben als in het hersteltraject de behoeften van jongeren centraal staan en dit kan variëren van psychosociale ondersteuning, toegang tot inkomensvoorzieningen zoals de Wajong, schuldhulpverlening, onderwijs, werk tot de inzet van een hulphond;
verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van het hersteltraject de wensen en behoeften van jongeren leidend te laten zijn, om zo recht te doen aan écht herstel voor zowel jongeren van ZIKOS-afdelingen als jongeren uit de bredere gesloten jeugdzorg,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dobbe.
Zij krijgt nr. 1161 (31839).
Mevrouw Westerveld (PRO):
De tweede.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er al decennia te weinig gespecialiseerde hulp is voor kinderen en jongeren die complexe psychische problemen hebben of vastlopen op meerdere levensdomeinen;
constaterende dat met het amendement-Klaver/Westerveld in 2019 structureel 26 miljoen is vrijgemaakt voor dit doel, en het kabinet dit heeft geïnvesteerd in Bovenregionale Expertisenetwerken (BEN's);
overwegende dat deze BEN's voorzien in een relevante behoefte, maar het nog steeds ontbreekt aan adequate en passende hulp bij complexe psychische problemen en deze problemen alleen maar groter zijn geworden;
verzoekt de regering om samen met ervaringsdeskundige jongeren, relevante veldpartijen en deskundigen te werken aan concrete gespecialiseerde centra, waar ook kennis en expertise worden gebundeld en waar behandelopties zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Westerveld en Dobbe.
Zij krijgt nr. 1162 (31839).
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de fractie van de PVV.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige kindermishandeling vaak al eerder signalen bestaan van ondervoeding, verwondingen, opsluiting, schoolverzuim, uitputting of ziekenhuisopname;
overwegende dat bij zulke signalen geen weken of maanden verloren mogen gaan aan overleg, afwegingen en doorschuiven;
verzoekt de regering een landelijke spoedroute in te voeren waarbij er bij ernstige signalen van kindermishandeling onmiddellijk multidisciplinair wordt opgeschaald en er binnen 24 uur een veiligheidsbesluit wordt genomen over bescherming of uithuisplaatsing van het kind;
verzoekt de regering daarbij één eindverantwoordelijke instantie aan te wijzen die niet kan wegduiken achter ketenpartners,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 1163 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ernstige kindermishandeling opnieuw niet tijdig is voorkomen, gesignaleerd of gestopt;
constaterende dat het huidige stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming versnipperd, onoverzichtelijk en onvoldoende daadkrachtig is;
verzoekt de regering de jeugdbescherming uit het huidige versnipperde stelsel te halen en landelijk en eenduidig te organiseren, met heldere eindverantwoordelijkheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 1164 (31839).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik wil de minister nog even bedanken voor haar toezegging om te kijken naar de kindermarteling en kindermishandeling. Daar ben ik zeer blij mee.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer El Abassi, die spreekt namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit het rapport Eenzaam gestorven blijkt dat voormalige jongeren van de ZIKOS-afdelingen nog altijd kampen met ernstige psychische schade en dat nabestaanden aangeven onvoldoende erkenning, excuses en nazorg te hebben ontvangen;
overwegende dat de overheid een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor jongeren die onder haar verantwoordelijkheid in gesloten jeugdzorg verbleven;
verzoekt de regering om vóór het einde van 2026 te komen met een herstel- en ondersteuningsplan voor voormalige ZIKOS-jongeren en hun nabestaanden, inclusief passende nazorg, erkenning en onafhankelijke ondersteuning,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1165 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd onder voorzitterschap van Van Ark heeft geconcludeerd dat de ingeboekte besparingen op de jeugdzorg niet realistisch zijn;
overwegende dat wachtlijsten oplopen en de beschikbaarheid van passende hulp verder onder druk komt te staan;
verzoekt de regering de voorgenomen bezuinigingen op de jeugdzorg op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat deze niet ten koste gaan van de beschikbaarheid en kwaliteit van zorg voor kinderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1166 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat inspecties, de Deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd en de Raad voor het Openbaar Bestuur wijzen op versnippering, gebrekkige samenwerking en onvoldoende regie binnen het jeugdzorgstelsel;
overwegende dat hierdoor kwetsbare kinderen uit beeld kunnen raken en signalen onvoldoende worden opgepakt;
verzoekt de regering te komen met voorstellen voor versterking van de landelijke regie en doorzettingsmacht binnen de jeugdbescherming, zodat in complexe situaties één partij eindverantwoordelijk is voor de veiligheid van het kind,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1167 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in meerdere ernstige zaken rondom kindermishandeling al vroeg signalen werden afgegeven door scholen, zorgverleners en andere professionals;
overwegende dat signalen van ernstige onveiligheid sneller, beter en eenduidiger moeten worden opgepakt om te voorkomen dat kinderen tussen wal en schip raken;
verzoekt de regering te onderzoeken waar de opvolging van signalen van scholen, zorgverleners en andere professionals tekortschiet en met concrete voorstellen te komen om de samenwerking, informatie-uitwisseling en opvolging van dergelijke signalen te verbeteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 1168 (31839).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Coenradie, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat door veel misstanden in de jeugdbeschermingsketen de veiligheid van kinderen in het geding is;
overwegende dat signalen van onveiligheid in individuele zaken niet altijd tijdig worden herkend, opgevolgd of gedeeld;
overwegende dat juist in complexe en risicovolle dossiers inzicht nodig is in de wijze waarop signalen zijn beoordeeld, overgedragen en opgevolgd;
verzoekt de regering een daartoe geschikte partij aan te wijzen die risicovolle en complexe casussen binnen de jeugdbeschermingsketen dossiermatig doorlicht, met bijzondere aandacht voor gemiste signalen, informatie-uitwisseling, besluitvorming en opvolging van meldingen, en de Kamer te informeren over de bevindingen en verbetermaatregelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Coenradie, Moinat, Struijs en El Abassi.
Zij krijgt nr. 1169 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de afbouw van de gesloten jeugdzorg sneller gaat dan het opbouwen van alternatieven;
overwegende dat kinderen hierdoor geen passende hulp krijgen maar vaak ineffectieve en dure een-op-eenbegeleiding;
overwegende dat dit financieel onhoudbaar is en kinderen met complexe problematiek niet geholpen worden;
verzoekt de regering te stoppen met de verdere afbouw van geslotenjeugdhulpplekken zolang er niet voldoende effectieve alternatieven beschikbaar zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 1170 (31839).
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot één hele korte vraag.
Mevrouw Westerveld (PRO):
De tweede motie gaat over niet stoppen met gesloten jeugdzorg totdat er voldoende alternatieven zijn. Er is nu een traject ingezet om de gesloten jeugdzorg in 2030 afgebouwd te hebben. Vindt mevrouw Coenradie dat we daarvan zouden moeten afstappen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik geloof heel erg in het stellen van doelen, maar in dit geval gaat het te snel, terwijl er geen alternatieven beschikbaar zijn. We zien dat gemeentes in de knel komen, waardoor er op een gegeven moment dus ook een-op-eensituaties ontstaan. Dat is gewoon echt onwenselijk. Het is financieel onwenselijk maar het is ook überhaupt onwenselijk, vandaar deze motie.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Hamstra, die spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Van ons geen moties, maar ik heb nog wel twee punten.
Eerst het punt dat we in de eerste termijn ook gemaakt hebben in het kader van gegevensdeling. We zijn blij dat er al stappen gezet worden vanuit het project Veiligheid Voorop 2023-2026 en dat er onderzoek wordt gedaan. We zien alleen wel dat dit in de praktijk nog onvoldoende uit de verf komt. We zijn dus heel erg benieuwd naar de brief van 8 juli en naar hoe het in de praktijk uitwerkt.
Ten tweede. In de kern gaat het om de vraag hoe houdbaar het stelsel is en hoe groot de druk is die op het stelsel ligt. Daar hebben we het vandaag ook over gehad. We kijken halsreikend uit naar de nieuwe Wet reikwijdte Jeugdwet. Door de vorige staatssecretaris is beloofd dat die voor de zomer naar de Kamer gestuurd zou worden. Dat werd najaar 2026 en nu wordt het voorjaar 2027. Ik wil de minister op het hart drukken dat de wet echt begin 2027 naar de Kamer moet komen. We kijken er namelijk met z'n allen naar uit, en deze wet zal ons en gemeenten ontzettend helpen om de druk op het stelsel te verminderen. Daar hopen wij dus op.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Stoffer komt al aangelopen. Dat waardeert deze voorzitter zeer. De heer Stoffer spreekt namens de fractie van de SGP. Ga uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Eén motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de consultatieversie van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet het belang van een infrastructuur voor informele steun aan gezinnen wordt onderkend;
overwegende dat deze informele ondersteuning niet slechts een aanvulling op professionele hulp is, maar een belangrijke pijler vormt van een sterke sociale basis;
overwegende dat het familiegroepsplan bedoeld is om gezinnen en hun sociale netwerk in staat te stellen zelf regie te voeren over ondersteuning die nodig is;
verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet te borgen dat informele ondersteuning een belangrijke pijler vormt van de sociale basis en dat gemeenten eerst de mogelijkheden van informele steun en het sociale netwerk in kaart brengen alvorens professionele hulp wordt ingezet;
verzoekt de regering tevens om de Jeugdwet zodanig vorm te geven dat het familiegroepsplan expliciet wordt gepositioneerd als een plan van het gezin en diens sociale netwerk en niet van de hulpverlening, zodat de regie in beginsel bij de familie zelf ligt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stoffer.
Zij krijgt nr. 1171 (31839).
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Ga uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dit was, denk ik, een groot debat. Er zijn veel moties ingediend en een aantal heb ik medeondertekend. Ik sla even aan op het laatste punt, waar ik twee moties over heb. Dat is het punt over positieve mannelijke rolmodellen. Dit ook vanwege de urgentie, de actualiteit rondom het thema "manosfeer". Vandaar de twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat jongeren via sociale media steeds vaker worden blootgesteld aan boodschappen vanuit de zogenoemde manosphere, waarin soms schadelijke opvattingen over mannelijkheid, relaties en maatschappelijke verhoudingen worden verspreid;
overwegende dat positieve mannelijke rolmodellen in hulpverlening kunnen bijdragen aan een gezonde identiteitsontwikkeling, weerbaarheid en het voorkomen van problematisch gedrag;
verzoekt de regering:
-expliciet aandacht te besteden aan het versterken van positieve mannelijke rolmodellen voor jongeren;
-samen met gemeenten en maatschappelijke organisaties te bezien hoe bestaande initiatieven met buurtvaders, mentoren, coaches en andere positieve vaderrolmodellen kunnen worden ondersteund en opgeschaald;
-te onderzoeken welke belemmeringen mannen ervaren om werkzaam te worden in pedagogische beroepen en de jeugdhulpverlening,
en de Kamer hierover voor de begrotingsbehandeling 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 1172 (31839).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat betrokken vaderschap een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van kinderen, de stabiliteit van gezinnen en het voorkomen van maatschappelijke problemen;
overwegende dat in Nederland nog relatief weinig structurele kennisontwikkeling en beleidsvorming plaatsvindt rondom de rol van vaders in de opvoeding en de gevolgen van vaderafwezigheid;
overwegende dat er verspreid over het land diverse waardevolle lokale initiatieven bestaan die zich richten op het versterken van betrokken vaderschap, maar dat kennis, ervaring en bewezen effectieve werkwijzen nog onvoldoende worden gedeeld en gebundeld;
verzoekt de regering:
-te stimuleren dat meer structureel onderzoek wordt verricht naar de rol van positief vaderschap en de effecten van vaderafwezigheid op kinderen, gezinnen en de samenleving;
-te bezien hoe de uitkomsten van dit onderzoek kunnen bijdragen aan effectiever preventief gezins- en jeugdbeleid;
-in overleg te treden met lokale initiatieven rond vaderschap en relevante organisaties en kennisinstituten, en te verkennen hoe bestaande kennis, expertise en initiatieven rondom betrokken vaderschap landelijk toegankelijk gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van een landelijk platform,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 1173 (31839).
Dank u wel. Ook de heer Van Houwelingen staat al klaar en ook dat waardeer ik. De heer Van Houwelingen spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie. Ga uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. Twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat ook meldingen over pleeggezinnen en gezinshuizen in behandeling worden genomen door Veilig Thuis,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 1174 (31839).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik ben natuurlijk ook benieuwd naar de beantwoording, want we hebben daar nogal wat vragen over uitstaan.
De tweede motie, ten slotte.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat alle pleeggezinnen en gezinshuizen door de inspectie minstens één keer per jaar, bij voorkeur onaangekondigd, worden bezocht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 1175 (31839).
De heer Van Houwelingen (FVD):
En ik hoop dan niet dat we het antwoord krijgen "de inspectie is onafhankelijk", want we, de regering, kunnen wel degelijk aan inspecties iets opdragen. De minister heeft zojuist gezegd dat ze, wat de NZa betreft, ook een taak heeft om de beschikbaarheid van de jeugdzorg te inventariseren. Het zou dus moeten kunnen. Dat kost dan waarschijnlijk 15 fte. Nou, dat moet dan maar vrijgemaakt kunnen worden. Dat is het dik waard. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven tien minuten nodig te hebben voor de vaststelling van de appreciaties van de ingediende moties.
Ik schors voor tien minuten.
De vergadering wordt van 15.42 uur tot 15.52 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening. Wij zijn toegekomen aan de tweede termijn van het kabinet. Ik stel aan de leden voor dat ik één vraag per eigen ingediende motie toesta, met daarbij de kanttekening dat het niet hoeft. Daarmee geef ik nu het woord aan de minister. Gaat uw gang.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga de moties uiteraard per nummer langs.
De motie op stuk nr. 1152 ontraad ik, omdat dit aan het Openbaar Ministerie is en niet aan het Rijk.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1152 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1153: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1153 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1154 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1154 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1155 krijgt ook oordeel Kamer. Ze hebben het inmiddels ook al zelf besloten.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1155 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1156 krijgt ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1156 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1157 wordt ontraden. Zoals ik net al aangaf, wachten we op het tweede oordeel van de commissie-Van Ark. We zijn op dit moment met alle partijen ons huiswerk aan het doen en we hebben al extra middelen toegezegd naar aanleiding van het vorige oordeel van de commissie-Van Ark. Ik wil dus eigenlijk eerst afwachten wat nu het oordeel van de commissie-Van Ark is. Dan hebben we inderdaad een weging te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1157 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1158 wordt ook ontraden. Maar ik ga wel in overleg met jongeren om te bespreken wat nodig is in het kader van excuus en herstel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1158 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1159 wordt ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1159 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1160 wordt ook ontraden. De gemeente kan namelijk al ingrijpen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1160 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1161: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1161 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1162 wordt ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1162 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1163: ook ontraden. Er zijn gewoon al routes voor de regio's om dit doen. Ik wil niet iets extra's gaan optuigen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1163 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1164: ook ontraden. We hebben namelijk het toekomstscenario. De weg is in ieder geval niet dat we gaan centraliseren, maar we gaan wel veel beter samenwerken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1164 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1165: oordeel Kamer.
De voorzitter:
Eén moment. Eén korte vraag over de motie op stuk nr. 1164.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Eén korte vraag over de motie op stuk nr. 1163. Zo snel was ik niet, voorzitter.
De voorzitter:
Over de motie op stuk nr. 1163.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het klopt dat het hier en daar al zo is, maar niet overal. Dat is eigenlijk wat ik vraag. Ik vraag of het in heel Nederland gewoon uniform kan worden, met een spoedroute en snel handelen; hup, hup, hup!
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1163.
Minister Sterk:
Als dat is wat u bedoelt, kan ik zeggen dat we dat op dit moment wel uitwerken in het toekomstscenario. Maar u vraagt om iets extra's op te tuigen, en dat is niet wat ik wil. Wij werken daar in het toekomstscenario aan.
De voorzitter:
Hiermee blijft de appreciatie van de motie op stuk nr. 1163: ontraden. Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Bij de motie op stuk nr. 1162 zou ik de minister willen vragen om haar appreciatie toe te lichten. We weten dat er problemen zijn en we weten dat het aanbod aan hoogspecialistische hulp ontoereikend is, of je het nu hebt over jongeren met trauma's, psychoses, eetstoornissen of ga zo maar door. Dat horen we ook terug uit het veld. Waarom ontraadt de minister deze motie dan? Ik snap dat het even wat vraagt. Ik vraag ook niet om van vandaag op morgen meer behandelcentra te hebben, maar er is wel iets nodig.
Minister Sterk:
Dat is het risico als je moties heel snel behandelt. Dan kan de toelichting even ontbreken. Ik ontraad de motie om de volgende reden. Ik vind het wel belangrijk dat die passende ondersteuning in de directe leefomgeving van de jongeren wordt geboden. Juist bij de complexe doelgroep is er vaak niet één pasklare oplossing. Dit kan variëren van klinische hulp tot het zoeken naar een passende woonplek. Gespecialiseerde centra die zelf behandelen zijn hiervoor niet de oplossing. Daarnaast is bij de oprichting van de BEN's zorgvuldig met het veld overlegd. Het nadrukkelijke verzoek was om geen extra centra toe te voegen, maar juist te zorgen voor het organiseren van een netwerkstructuur, zodat er een betere verbinding ontstaat tussen de verschillende partijen. Tot slot wil ik ook nog meegeven dat hiermee het risico op afwenteling ontstaat, waardoor jongeren met een complexe of onbegrepen zorgvraag mogelijk sneller naar een dergelijke landelijke voorziening worden verwezen, zoals we ook bij het ZIKOS hebben gezien.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 1165.
Minister Sterk:
Voorzitter. De motie op stuk nr. 1165 van de heer El Abassi geef ik oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1165 krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 1166.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1166 wil ik ontraden. Zoals ik net al heb aangegeven, willen we eerst wachten op het oordeel van de commissie-Van Ark.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1166 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1167: oordeel Kamer. Dat is wel afhankelijk van de interpretatie. Als ik de motie zo mag interpreteren dat er steun is voor het toekomstscenario en dat de ontwikkelrichting daarin naar regionale veiligheidsteams ook de ontwikkelrichting is die u wil, dan is het oordeel Kamer. Als mijn interpretatie niet klopt, dan ontraad ik de motie. Maar ik zie dat de heer El Abassi er niet is.
De voorzitter:
We gaan ervan uit dat de heer El Abassi, die er nu niet is, akkoord gaat met de interpretatie die de minister eraan geeft en de appreciatie.
De motie op stuk nr. 1168.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1168 is een motie die ik ontraad. Ik wil echt de actie hebben in het toekomstscenario en er niet weer een nieuw onderzoek bovenop hebben.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1168 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1169 ontraad ik ook. Het doorlichten van de dossiers kost gewoon heel veel tijd en geld — dat geld heb ik er overigens ook niet zomaar voor — en lost het structurele probleem niet op. Ik wil juist vooral inzetten op structurele verandering, maar ik zou wel in gesprek willen gaan met partijen die bij het toekomstscenario zijn betrokken om te kijken wat we hier eventueel nog op kunnen doen. Dat heb ik net ook toegezegd in het debat.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1169 wordt ontraden.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1170 ontraad ik ook, omdat het een gedeelde ambitie is om in 2030 zo dicht mogelijk bij nul gesloten plaatsingen te zijn. Maar de ambitie blijft staan omdat we weten dat geslotenheid voor jongeren gewoon geen passende zorg biedt. Maar ik ben het ook met het lid Coenradie eens dat het niet zo mag zijn dat jongeren als alternatief op een niet-passende plek terechtkomen. Dat is wat ik nu dus ook aan het doen ben met het herijken van de afspraken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1170 wordt ontraden en mevrouw Coenradie heeft één vraag.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Excuus hiervoor, maar de beredenering van de motie op stuk nr. 1169 is me even ontgaan. Die was ook ontraden.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1169.
Minister Sterk:
Het beoordelen en opvolgen van de signalen is de kerntaak van de organisaties in de jeugdbescherming, van Veilig Thuis en de GI's. Daar worden natuurlijk soms fouten gemaakt. Dat kan soms ook hele ernstige gevolgen hebben. Daar hebben we al heel veel rapporten over; daar is ook al op gewezen door andere Kamerleden. Ik vind het ook belangrijk om dit op te pakken door aan de slag te gaan met het structureel verbeteren van het stelsel en niet door nu weer een onderzoek te gaan doen naar alle individuele gevallen. Ik heb u wel toegezegd dat ik daarover natuurlijk wel met de partijen in gesprek wil, om te kijken of zij de casuïstiek die er nu is op dit moment wel voldoende in beeld hebben en of er op dit moment wel voldoende op wordt geacteerd. Dat was volgens mij de achtergrond van wat u zei, want u wil nu eigenlijk gewoon vooral dat er wordt gekeken of alle meldingen wel serieus worden genomen.
De voorzitter:
Als u slim bent, stelt u een vraag over de motie op stuk nr. 1170.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Die heb ik niet.
De voorzitter:
Dan gaan we door naar de motie op stuk nr. 1171.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1171: oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1171 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1172: ook oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1172 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1173: ook oordeel Kamer, voorzitter.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1173 krijgt oordeel Kamer.
Minister Sterk:
De motie op stuk nr. 1174 is overbodig, want wat de heer Van Houwelingen vraagt in deze motie kan al in de praktijk. Ik denk dat het wel belangrijk is om het goed onder de aandacht te brengen en het breder bekend te maken.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1174 krijgt de appreciatie: overbodig. Eén vraag voor de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Kan dat al in de praktijk? Want wij hebben toch echt te horen gekregen dat dat dus niet gebeurt. Is het dan zo dat het een besluit is van de jeugdbeschermers om dat niet te doen? Er moet in ieder geval iets veranderen, want ze doen het niet. Het gebeurt nu niet.
Minister Sterk:
Daarom onderstreep ik ook dat het van belang is om het breder bekend te maken, maar het kan wel.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1175, tot slot.
Minister Sterk:
Die wil ik ontraden. De inspectie houdt onafhankelijk toezicht. Het is volgens mij ook aan de inspectie om zelf vorm te geven aan dat toezicht.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1175 wordt ontraden.
Minister Sterk:
Ten slotte nog een vraag van de heer Van Houwelingen, die ik in de tweede termijn zou beantwoorden. U had het over de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacten. Ik ga ervan uit dat u het betekenisvol contact van jeugdbeschermers bedoelt. De inspecties constateerden vorig jaar dat jeugdbeschermers onvoldoende betekenisvol contact hebben met jeugdigen en ouders. De GI's hebben aangegeven zich daarin te herkennen. De organisaties die onder verscherpt toezicht stonden van de inspecties hebben een verbeterplan opgesteld, waar gevolg aan is gegeven. U heeft dus een terecht signaal, maar er is ook al opvolging aan gegeven.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van deze tweede termijn.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Wij stemmen aanstaande dinsdag over de ingediende moties. Ik wil alle leden hartelijk danken voor hun bijdrage en tevens de minister. We zijn aan het einde gekomen van dit debat. Ik schors voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.