Stenogram : Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
5 Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 81
Te raadplegen sinds
2026-09-08Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 81
Jeugdzorg en jeugdhulpverlening
Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en jeugdhulpverlening.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Ik heet alle leden van de Kamer van harte welkom. Ik heet de minister in vak K van harte welkom. Ik heet alle aanwezigen op de publieke tribune van harte welkom. Dan gaan wij starten met de eerste spreker, maar niet voordat ik mevrouw Moinat het woord heb gegeven. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter. Ik wil graag een verzoek indienen om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid lopende dit debat alsnog naar de Kamer te halen, aangezien er in het verzoek van mevrouw Van Meetelen ook iets stond over Stadskanaal. Ik kan me dus voorstellen dat inbrengen Justitie zullen raken. Ik hoop dat we daar gewoon een goed debat over kunnen voeren, ook van de kant van Justitie.
De voorzitter:
Ik ga naar de Kamer kijken, uw collega's, om te horen wat ze hiervan vinden en of ze dit verzoek steunen.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Ik snap de inhoudelijke motivatie van mevrouw Moinat. Alleen om nu last-minute op stel en sprong de staatssecretaris deze kant op te halen die zich niet heeft kunnen voorbereiden op dit debat, lijkt me geen wenselijke situatie. Dus als we dat als Kamer voortaan vinden, dan is de regeling van werkzaamheden het moment om dat te doen. Wat ons betreft geen steun.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik kan me voorstellen dat de staatssecretaris moeilijk vragen over Stadskanaal kan beantwoorden, omdat we nog niet alle informatie hebben. Ik heb daar in mijn bijdrage ook geen vragen over. Als ze kan, is het prima om aan te schuiven, maar ik kan me voorstellen dat zo'n verzoek op het laatste moment niet goed uitkomt.
De voorzitter:
Dit interpreteer ik als "geen steun"? Dus geen steun.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Vanuit ons ook geen steun voor dit verzoek. In aanvulling op de argumenten die al zijn gedeeld: ik heb in mijn bijdrage juist gefocust op de kwaliteit van de zorg. Dat vond ik ook passend bij het onderwerp van dit debat.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik heb zelf geen vragen aan de staatssecretaris van JenV. Ik zou ervoor willen waken dat we het debat zouden uitstellen omdat we moeten wachten op een bewindspersoon. Ik heb er geen bezwaar tegen als de staatssecretaris dit nu hoort en denkt: ik schuif aan. Dan heb ik daar natuurlijk geen bezwaar tegen.
De voorzitter:
Ik moet wel iets kunnen interpreteren: geen steun of steun.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan neig ik naar: geen steun.
De voorzitter:
Dus geen steun. Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter. Mijn naam werd net genoemd. Het klopt: ook Stadskanaal. Maar ik heb het in mijn inbreng juist over de zorg en de wijze waarop die is ingericht. Ik ga dit verzoek dus niet steunen. Ik had het ook liever van tevoren geweten. Dan hadden we erover kunnen nadenken en hadden wij het tijdens de regeling van werkzaamheden kunnen aanvragen.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Voorzitter. Er zijn inderdaad al veel argumenten gegeven. Het had bij de regeling aangevraagd kunnen worden. Dat is niet gebeurd. Wat ons betreft dus geen steun.
De heer El Abassi (DENK):
Steun. Als de minister aanwezig kan zijn, dan graag.
De voorzitter:
Dan hebben wij ondertussen geteld. Er is geen meerderheid voor het verzoek dat gedaan is.
Dan gaan we nu wel beginnen met het debat. Ik nodig mevrouw Moinat uit voor haar bijdrage. Zij spreekt namens de Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank. Wij hebben dit debat aangevraagd naar aanleiding van de onthullingen over jongeren met zware problematiek die tegen enorme kosten worden ondergebracht op vakantieparken. Opnieuw worden we geconfronteerd met een situatie waarbij iedere Nederlander intuïtief aanvoelt dat dit niet normaal is. Kinderen met complexe problematiek horen niet thuis op vakantieparken. Zij horen thuis in een veilige, gespecialiseerde omgeving waar behandelingsstructuur en perspectief centraal staan. Ik wil graag van de minister weten wat de laatste stand van zaken is omtrent deze casus.
Voorzitter. Deze casus rond de vakantieparken vormt het zoveelste symptoom van een jeugdzorgsysteem dat al jaren ontspoort. Cynischer geformuleerd: het systeem functioneert misschien juist uitstekend voor zichzelf, maar de gevolgen zijn inmiddels zo buitensporig en de sector zit zo vol met perverse prikkels, dat men zich serieus moet afvragen of het huidige stelsel nog primair gericht is op het oplossen van problemen, of vooral op het in stand houden van zichzelf. De kosten stijgen ieder jaar verder. Rapporten stapelen zich op. Organisaties groeien. Bestuurders wisselen elkaar af. Maar het ergste is dat kinderen beschadigd achterblijven.
Na ieder drama volgt dezelfde reflex. Wij als Kamer zijn boos. Dan volgt een nieuw onderzoek, een nieuwe evaluatie, een nieuw rapport. Laat ik nu toch wat zout in de etterende wond strooien. Kinderen worden beschadigd doordat volwassenen hun verantwoordelijkheid niet nemen. Medewerkers, behandelaars, leidinggevenden en bestuurders beschikken soms over signalen van onveiligheid, maar handelen onvoldoende, niet, of te laat.
Wanneer kinderen daardoor ernstige schade oplopen, moet duidelijk zijn dat nalatigheid consequenties heeft. Daarom vinden wij dat actief bevorderd moet worden dat instellingen en verantwoordelijke professionals die kinderen door hun handelen of nalatigheid schade berokkenen, strafrechtelijk moeten worden vervolgd. Is de minister het met ons eens dat vrijblijvendheid niet langer een optie is?
Een ander groot probleem betreft de overgang van 18-min naar 18-plus. Vanuit het veld horen wij steeds dezelfde signalen: jongeren verliezen hun vaste begeleider, woonplekken ontbreken en ondersteuning stopt, terwijl de problemen gewoon doorgaan.
Nog schrijnender is dat veel van deze jongvolwassen uiteindelijk terugkeren naar de omgeving waar de problemen ooit zijn ontstaan. De overheid haalt kinderen eerst uit een onveilige situatie, om hen enkele jaren later vanwege woonplektekorten, gebrekkige nazorg en versnipperde regelgeving feitelijk weer terug te sturen naar dezelfde omstandigheden. Daarmee organiseren wij zelf de terugval die wij later tegen veel hogere kosten opnieuw proberen te bestrijden. Daarom vinden wij dat iedere jongere tijdig passend onderdak en een toekomst- en begeleidingsplan moet krijgen en dat noodzakelijke ondersteuning beschikbaar blijft zolang deze nodig is. Hoe kijkt de minister hiertegen aan?
Voorzitter. De gruwelijke zaken in Vlaardingen en onlangs in Stadskanaal hebben laten zien dat meerdere instanties signalen kunnen ontvangen terwijl uiteindelijk niemand daadwerkelijk verantwoordelijk blijkt te zijn. Dit is gewoon onmogelijk. Iedereen is betrokken, maar eigenlijk is niemand aanspreekbaar. Daarom moet bij ernstige signalen van kindermishandeling of acute onveiligheid altijd één eindverantwoordelijk professional worden aangewezen die verantwoordelijk is voor het veiligheidsplan, de opvolging van signalen en de coördinatie tussen alle betrokken instanties. Het vingertjewijzen moet maar eens afgelopen zijn. Ik hoor graag hoe de minister hiertegen aankijkt.
Tot slot. Er ontbreekt nog steeds fundamenteel inzicht in de besteding van miljarden euro's aan jeugdzorg. De samenleving heeft recht op duidelijkheid over welk deel van het geld daadwerkelijk terechtkomt bij kinderen en gezinnen en welk deel verdwijnt in overhead, management, externe inhuur en organisatiekosten. Het kan toch niet zo zijn dat één jeugdige 1,75 miljoen euro kost en nog steeds niet geholpen is?
Ik denk dat we onszelf één vraag moeten blijven stellen. Die vraag is heel eenvoudig: was of is het kind veilig? Als het antwoord daarop nee is — en dat is het eigenlijk — moet het systeem veranderen. Dan moeten we dat gaan doen, in plaats van steeds maar nieuwe dingen te verzinnen die het oude zeer nooit gaan repareren, want geen enkel kind mag tussen wal en schip vallen. Dat gebeurt nu nog steeds wel, en veel te vaak. Laten wij als Kamer daar nu eens eindelijk verandering in brengen.
Dank u.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Synhaeve, die spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Toen ik 15 was, kon ik een tijd niet thuis wonen en had ik intensieve zorg nodig. Gelukkig was die zorg er ook. Maar tijdens die opname zag ik ook wat het met mensen doet als je ze in een isoleercel stopt op het moment dat ze juist nabijheid nodig hebben. Ik voelde hoe frustrerend het is om geen onderwijs te krijgen, want je ziet leeftijdsgenoten vooruitgaan en het voelt alsof je zelf stilstaat. Ik zag wat het met een groep doet op het moment dat een groepsgenoot zelfmoord pleegt.
Voorzitter. Twintig jaar later sta ik hier, vanuit de overtuiging dat het anders kan. Ik ben niet naïef. Daarvoor ken ik de jeugdzorg ook uit mijn werkzame leven te goed. Maar ik weet wel dat het anders en beter kan. Dat begint met erkennen dat het vaak misgaat, dat het té vaak misgaat. Dat hoor ik van de jongeren die ik spreek. Dat zagen we in Vlaardingen, we zagen het in Stadskanaal en we zagen het afgelopen dinsdag weer bij de presentatie van het tweede rapport van Jason. Dat het de jongeren zelf zijn die de misstanden elke keer weer aan de kaak moeten stellen, is niet uit te leggen. Het laat zien hoe wij als sector, als samenleving en als politiek elke keer weer wegkijken. Dit kabinet heeft 12 miljoen vrijgemaakt voor excuses en voor het hersteltraject voor die jongeren die beschadigd zijn in de gesloten jeugdzorg. Wanneer worden deze excuses gemaakt en hoe ziet herstel eruit?
Voorzitter. Ik ben bang dat we een nieuwe generatie kinderen aan het beschadigen zijn op de plek waar we hen juist zouden moeten beschermen. Ik wil stilstaan bij de kinderen die we wegstoppen op vakantieparken en op een aftands Hoenderlooterrein. We weten dat dit schadelijk is. Kinderen hebben contact nodig met leeftijdsgenoten. We weten dat hier mensen werken die niet over de juiste papieren beschikken. In de jeugdzorg blijken namelijk honderden mensen te werken met een vals diploma. We weten dat een deel van hen bewust kinderen aan het ronselen is voor de criminaliteit. D66 heeft daarom een amendement ingediend om deze mensen op te sporen. Dat amendement is ook aangenomen. Hoever is de minister met de uitvoering daarvan? Stel je voor dat er in ziekenhuizen op ic-afdelingen honderden mensen met een vals diploma zouden werken. De wereld zou te klein zijn. Maar als het gaat om onze meest kwetsbare kinderen, lijken we dat prima te vinden.
Voorzitter. We moeten wezenlijke keuzes maken, want als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg. Wat dan wel? Ik wil twee punten uitlichten. Ten eerste. Deze week hebben we aangekondigd dat we vanuit D66 met een wetsvoorstel komen om ervoor te zorgen dat als een kind aangeeft dat hij thuis door een ouder wordt mishandeld, het dan ook zo is dat dat kind heel snel gehoord wordt, zonder dat daar eerst toestemming van die ouder voor nodig is. Zo hebben we dat nu namelijk geregeld! We hebben het nu zo geregeld dat als een kind aangeeft thuis mishandeld te worden door een ouder, diezelfde ouder bij Veilig Thuis toestemming moet geven om dat kind te spreken — en vervolgens mag diezelfde ouder ook bij het gesprek aanwezig zijn. Dat moet anders en daarom komen wij met een wetsvoorstel. Ik hoor graag van de minister hoe zij tegenover zo'n wetsvoorstel staat.
Ten tweede. We willen nieuwe jeugdzorgaanbieders op voorhand toetsen en jeugdzorgbestuurders op voorhand screenen. Waarom lukt het ons wel om in de kinderopvang elke nieuwe aanbieder te toetsen voordat hij begint, maar lukt ons dat in de jeugdzorg niet? Iedereen kan zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel en heeft vandaag nog een eigen jeugdzorgorganisatie opgericht. We grijpen pas in op het moment dat er signalen zijn dat het fout gaat. Dat moet anders. En waarom lukt het ons bij woningcorporaties wel om elke bestuurder op voorhand te toetsen en te screenen, maar in de jeugdzorg niet? Graag een reflectie van de minister hierop.
Voorzitter. Ik sta hier omdat ik ervan overtuigd ben dat het anders kan en dat het beter kan. Ik heb mijzelf als 15-jarige beloofd om er alles aan te doen om dat voor elkaar te krijgen. Maar dan moeten deze Kamer en dit kabinet wel durven kiezen, en moeten we met elkaar veel grotere stappen durven zetten dan we de afgelopen jaren hebben gedaan.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat levert nog een aantal vragen op. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mevrouw Synhaeve vroeg naar excuses en een hersteltraject. Daar wachten jongeren die slachtoffer zijn geworden van misstanden in de gesloten jeugdzorg ook al twee jaar op. Ik zou haar willen vragen hoe zij voor ogen heeft dat we recht doen aan het echte herstel van deze jongeren.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat het 'm in twee onderdelen zit. Allereerst: ik onderschrijf volledig het belang van deze excuses en het hersteltraject. Het is niet uit te leggen dat deze jongeren daar twee jaar op hebben moeten wachten. Ik ben ook blij dat we daar nu wel mee aan de slag gaan. Hoe ziet herstel eruit? Ik denk dat dat uit twee delen bestaat. Het bestaat deels uit wat deze jongeren die beschadigd zijn, nodig hebben om verder te kunnen met hun leven of in ieder geval deels te kunnen herstellen. Dat kan ik niet bepalen; dat moet echt samen met de jongeren zelf bepaald worden. Daarnaast merk ik uit alle gesprekken die ik met jongeren gevoerd heb, dat ze eigenlijk maar één ding willen, namelijk dat het beter gaat en dat de kinderen van nú beschermd worden. Daar moeten we stappen in zetten.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dat ben ik natuurlijk eens met mevrouw Synhaeve. We waren dinsdag allebei bij de presentatie, waarbij een aantal aanbieders excuses aanboden voor wat er in het verleden was gebeurd. Dat is een mooi gebaar. Tegelijkertijd sprak ik naderhand met jongeren — dat heeft mevrouw Synhaeve ook gedaan — en hoorde ik de één zeggen "ik wil weer een opleiding volgen", en de ander "ik heb schulden". De derde zegt "ik heb een hulphond nodig". De vierde zegt "ik heb hulp nodig bij psychosociaal herstel; ik heb psychosociale hulp nodig". Valt dat volgens mevrouw Synhaeve — dat zouden we ook aan de minister kunnen vragen — ook onder recht doen aan die jongeren, aan echte excuses en aan echt herstel?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Absoluut, want dát is herstel. Alleen als we luisteren naar wat deze jongeren echt nodig hebben — dat zal bij de één iets anders zijn dan bij de ander — en daar ook ruimte voor hebben en ernaar handelen, dan doen we recht aan het leed dat hun is aangedaan.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor dit antwoord, want ik denk dat dat helemaal waar is. Ik wil mevrouw Synhaeve bedanken voor haar betrokken betoog. Daar spreekt echt enorme betrokkenheid uit om de jeugdzorg en de jeugdbescherming beter te maken. We weten allebei dat het heel hard nodig is. Er zijn hervormingen nodig, omdat het stelsel kapot is. Daar hebben we het hier al vaker over gehad. Die hervormingen staan deels op de rol. Daar is hard aan gewerkt. Die hervormingen komen eraan. We kunnen erover van mening verschillen of dat genoeg is. Mijn zorg, die ik eerder heb uitgesproken, is de volgende. Aan de hervormingen is een besparing gekoppeld, en die besparing is gekoppeld aan een bezuiniging. Ik heb eerder een zorg uitgesproken die de commissie-Van Ark ook heeft uitgesproken: als die bezuinigingen doorgaan, zadelen we dan de jeugdzorg en de jeugdbescherming niet juist op met grotere problemen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor deze vraag. Tien jaar geleden gaven we 3,6 miljard uit aan jeugdzorg. Nu geven we meer dan 8 miljard uit aan jeugdzorg en moeten we concluderen dat onze meest kwetsbare kinderen nog minder goed geholpen zijn. Ik geloof niet dat meer geld de oplossing is. Het is een beetje alsof je lucht blijft pompen in een lekke fietsband en verwacht dat je dan ineens wel goed kan fietsen. Dat gaat niet gebeuren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat ben ik ook helemaal met mevrouw Synhaeve eens. We zien dus ook dat het een heel duur stelsel is en dat het een superduur systeem is geworden waarin er van alles gebeurt, maar de jongere wordt vergeten. Ik ben het dus helemaal met mevrouw Synhaeve eens dat geld niet de oplossing is — echt helemaal, hartgrondig. Maar er moet hervormd worden. Er moet wel éérst hervormd worden voordat je geld weghaalt. Op het moment dat je geld weghaalt voordat die hervorming plaatsvindt, heb je de kans dat je net het geld weghaalt bij de plekken die nog wel belangrijk zijn voor de jongeren.
De voorzitter:
En uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Dat moet ergens landen. Daarom is mijn pleidooi niet "meer geld". Maar deelt mevrouw Synhaeve wel de zorg dat, als we het in de verkeerde volgorde doen, we dan problemen kunnen krijgen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat we nu precies de goede volgorde aan het hanteren zijn, want deze minister is juist met die grote hervormingen bezig. Mevrouw Dobbe geeft in haar eigen bijdrage ook aan dat we grote stappen aan het zetten zijn. Wat ons betreft kan dat parallel lopen met het financiële plaatje dat we daarbij geschetst hebben.
De voorzitter:
Kort afrondend.
Mevrouw Dobbe (SP):
En als blijkt dat het te snel gaat en de bezuinigingen voor de hervormingen uitlopen? Is mevrouw Synhaeve dan bereid om te zeggen: oké, dan moeten we vertragen en dan moeten we even kijken of we de besparing halen die we hadden gepland en die we allemaal willen? Als we die niet halen, is dan in ieder geval uitstel van het doorvoeren van de bezuinigingen een optie?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Wat ons betreft zal het criterium altijd zijn of de kinderen die het het hardst nodig hebben ook het best worden geholpen. Dat zal leidend zijn. Als blijkt dat dat ten koste gaat van deze groep, dan zullen we opnieuw kijken welke keuzes we maken.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ook ik wil zeggen dat uit het betoog van mevrouw Synhaeve betrokkenheid op dit onderwerp spreekt; zo ken ik haar ook. Ik vermoed dat als mevrouw Synhaeve in de oppositie zou hebben gezeten, de conclusies van het rapport-Van Ark misschien wat logischer zouden zijn. Daarmee bedoel ik niet dat er per se meer geld bij zou moeten. Ook wij vinden dat meer geld de jongeren niet helpt. Maar wij vinden wel, wat mevrouw Dobbe ook aangaf, dat dat nu wel nodig is terwijl je die hervormingen aan het doen bent.
De voorzitter:
En wat is uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag daarbij is of mevrouw Synhaeve het met mij eens is dat we de komende maanden wel duidelijkheid over die hervormingen moeten hebben en dat voor de augustusbesluitvorming voor D66 wel een toetssteen is of de begroting zoals die in de plaat is gezet afdoende is. Ik vermoed dat we anders gewoon grote ongelukken krijgen. Deelt u die zorg?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik deel de conclusie dat we zo snel mogelijk scherp moeten hebben wat die grote hervormingen zijn. Dat hebben we als Kamer nodig om daar ook wezenlijke stappen in te zetten en daar keuzes in te maken, juist ook voor de kinderen die dat het hardst nodig hebben.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ben er namelijk een beetje bang voor — dat is mijn vrees — dat we niet op tijd klaar zijn met die duidelijke keuzes, ondanks alle goede bedoelingen. In augustus moet de coalitie wel gewoon klaarstaan met de financiële plaat. Ik vrees dat alsnog gaat gebeuren wat, denk ik, al heel lang gebeurt, namelijk dat de financiële plaat wel degelijk leidend is, ondanks wat mevrouw Synhaeve nu ook aangeeft. Kan mevrouw Synhaeve aangeven dat dat scenario voorkomen gaat worden, juist ook vanuit het belang om voor de kinderen te kiezen, zoals mevrouw Synhaeve uitvoerig in haar betoog heeft aangegeven?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik heb er alle vertrouwen in dat deze minister en dit kabinet ontzettend grote stappen aan het zetten zijn. Ze zijn ook nog maar 100 dagen bezig, hè. Ik denk dus dat in die 100 dagen hele grote stappen gezet worden, die ook tot wezenlijke veranderingen leiden. Ik heb er dus alle vertrouwen in dat die grote kaders wel duidelijk zijn of worden in de komende maanden.
De voorzitter:
Heel kort en afrondend.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Tot slot, voorzitter. Ik zou mevrouw Synhaeve dan ook willen uitdagen om de komende maanden — ik weet hoe het is om in een coalitie te zitten — daar echt wel voor te knokken, omdat we anders rond de begrotingsbehandelingen een debat met elkaar hebben waarin mevrouw Synhaeve de plaat moet gaan verdedigen en we misschien wel een scenario hebben waarin er onvoldoende duidelijke keuzes zijn gemaakt, terwijl we hier allemaal aanvoelen dat dat debat de kinderen echt niet gaat helpen. Die aanmoediging en die steun voor de komende zomer wil ik hier dus openlijk uitspreken.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zal zeker knokken. Dat geldt niet alleen voor de komende maanden, maar voor de komende jaren. Ik vermoed dat we dat ook heel vaak samen zullen doen.
De voorzitter:
Het is niet persoonlijk, maar ik ga de Kamerleden vragen of ze hun interrupties iets korter en bondiger willen houden. Ik ga niet streng zijn op de hoeveelheid, want het is een onderwerp dat leeft en waar velen van u heel betrokken bij zijn, maar ik ga ze wel vaststellen op 30 seconden. Dus mevrouw Moinat, geef het goede voorbeeld. Gaat uw gang.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ga mijn best doen, voorzitter. Even voortbordurend op het geld. De bezuinigingen liggen voor. Ik denk ook niet dat meer geld alleen gaat helpen voor deze jeugdzorgkwesties. Maar ik zie wel dat op het moment dat we de reikwijdteagenda gaan uitstrijken, gemeenten meer risico's gaan lopen en dat we dus meer discussies over budgetten gaan hebben en minder focus op het kind. Die zijn uiteindelijk wel verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. Ik hoor graag hoe mevrouw Synhaeve dat ziet.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Als we kijken naar de Wet reikwijdte Jeugdwet, zien we dat die juist is bedoeld om aan te geven tot hoever de wet reikt, dus wat wel of geen jeugdzorg is. We zien nu immers dat de groei van de uitgaven van 3,6 miljard naar meer dan 8 miljard vooral is veroorzaakt door de lichte zorg. Dat gaat ten koste van de jongeren met de meest intensieve zorgvragen. Dat is dus wat we moeten doen. Het kabinet is juist aan de slag om ervoor te zorgen dat dit niet ten koste gaat van deze meest kwetsbare groep.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben het daar toch niet helemaal mee eens, want de rode draad van de wet is het wijzigen van de toegang tot hulp, maar het fundamentele probleem wordt niet opgelost. Dat zeg ik niet; dat komt uit de internetconsultatie, waarin forse kritiek wordt geuit op het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet. Het is opvallend dat die kritiek afkomstig is van gemeenten, aanbieders, psychologen, jeugdartsen, ggz, cliëntenorganisaties en kinderrechtenorganisaties. Hoe rijmt mevrouw Synhaeve dat?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik ben het eens met de boodschap dat alleen kijken naar de toegang dit probleem niet gaat oplossen. Dat is ook de reden waarom ik in mijn bijdrage aangeef dat we voor zo'n "kind eerst"-wetgeving moeten gaan en dat we ervoor moeten zorgen dat we jeugdhulpaanbieders op voorhand toetsen. Hetzelfde geldt voor hun bestuurders. Ik heb mevrouw Moinat in haar bijdrage horen zeggen dat zwaarder straffen van medewerkers de wezenlijke oplossing is. Ik denk niet dat daar nou het grote verschil gemaakt zou worden voor onze meest kwetsbare inwoners.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Even op dat punt: dat is wat ik in mijn betoog heb gezegd over een situatie waarin mensen daadwerkelijk fouten maken en kinderen bijna halfdood in een ziekenhuis liggen. Dat wil ik u even meegeven. Waar het mij om gaat, is dat er prima minder geld naar jeugdzorg zou kunnen, maar niet op deze manier en niet met de voorstellen die hier liggen. Ik denk dus dat we dit uit moeten discussiëren in een ander debat, want volgens mij gaan we het op deze manier niet redden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zie dat wij in ieder geval bekijken hoe we de wezenlijke keuzes kunnen maken om onze meest kwetsbare kinderen goed te kunnen beschermen en ik zie een kabinet dat daar hele grote stappen in zet om daar op korte termijn zichtbare resultaten in te bereiken.
De heer Hamstra (CDA):
Ik complimenteer mevrouw Synhaeve niet alleen met haar bijdrage, maar ook met het initiatief dat zij maandag naar buiten heeft gebracht en met wat zij daarmee wil gaan doen. Het is natuurlijk onbegrijpelijk dat de wet nu voorschrijft dat er direct naar de ouder gekeken moet worden wanneer een kind zichzelf meldt als er iets is voorgevallen. Mijn vraag aan mevrouw Synhaeve is: moet dat alleen met een wijziging van de wet of zouden we ook naar de meldcode kunnen kijken? Ik stel die vraag straks ook aan de minister, maar heeft u daar ook naar gekeken?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ja, daar hebben we zeker naar gekeken. We zien namelijk dat dit raakt aan verschillende wet- en regelgevingen, dus zowel op het punt van jeugd als op het punt van de Wmo. Het raakt ook aan een aantal aanpalende wetgevingen. Wij denken dus dat wel degelijk ook een ander wettelijk kader nodig is.
De heer Hamstra (CDA):
Oké. We werken daar ook graag in samen, maar ik hoor straks ook graag de reactie van de minister hierop. Daar kom ik in mijn termijn op terug.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Tot slot daarover: wij denken dat dit echt een wezenlijke stap is om te zorgen dat we kinderen beter beschermen. Het lijkt ons alleen maar mooi als we daarin vanuit de Kamer breed met elkaar kunnen optrekken.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Dobbe, die spreekt namens de fractie van de SP. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Honderden jongeren voor wie geen plek is in de jeugdzorg, worden neergezet op bijvoorbeeld campings, waar ze dag en nacht in de gaten worden gehouden. Dit werd in maart bekend en laat wéér zien hoe het systeem faalt. Daarom vraag ik deze minister waar deze kinderen nu zijn en of er al een oplossing is. Ruim twee jaar geleden was ik bij de presentatie van het rapport Eenzaam gesloten van Jason. Dinsdag presenteerde hij een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Ik wil mijn respect uitspreken voor hoe hij en al die anderen die hebben meegewerkt, blijven opkomen voor jongeren en slachtoffers van gesloten jeugdzorg. De presentatie van dinsdag was indrukwekkend, verdrietig en beschamend; beschamend, omdat twee jaar geleden iedereen boos was en verbetering, herstel, erkenning en excuses eiste voor de jongeren die slachtoffer zijn geworden van het systeem. Twee jaar later blijken de aanbevelingen van het rapport niet opgevolgd te zijn. Dat moeten we onszelf aanrekenen. Kan de minister op korte termijn met een reactie komen op alle acht aanbevelingen van dit nieuwe rapport, met daarin wat zij concreet gaat doen en ook wanneer?
Van de 51 jongeren die deelnamen aan het vorige rapport, zijn er al 5 overleden. Van de 51 huidige deelnemers hebben 38 een suïcidepoging gedaan. We zijn het deze jongeren verplicht om hen te zien, hen serieus te nemen en te luisteren en te erkennen wat hun is aangedaan. Twee jaar geleden werd onze motie aangenomen met daarin het verzoek om excuses te maken aan deze jongeren. Dat is zo ontzettend belangrijk. Het uitblijven van deze excuses heeft jongeren opnieuw beschadigd en dat beschreven zij ook in die bijeenkomst. Er zijn net excuses geweest van aanbieders, maar waarom heeft het kabinet nog geen excuses gemaakt? Er moet herstel zijn: traumatherapie als de jongere dat wil, vergoeding van zorgkosten en echte persoonlijke hulp om de Big Five op orde te krijgen. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat deze jongeren de steun krijgen die zij nodig hebben en waar zij daadwerkelijk wat aan hebben? Wat doet zij voor die nabestaanden van de jongeren die al overleden zijn? Is hier wel genoeg geld voor uitgetrokken? Is de 12 miljoen euro die er nu voor is begroot genoeg om alle jongeren uit de gesloten jeugdzorg een fatsoenlijke schadevergoeding te geven en te zorgen voor herstel? Graag van de minister een antwoord waarin ze duidelijk maakt waar dit getal dan op gebaseerd is. Het moet namelijk wel genoeg zijn.
Wil de minister ook reageren op het nieuwe rapport van de IGJ over de gesloten jeugdzorg? Daaruit blijkt namelijk dat er nog steeds te veel vrijheidsbeperkende maatregelen worden ingezet en jongeren zich onvoldoende geholpen voelen. Als een kind echt niet meer thuis kan wonen, is bijvoorbeeld een kleinschalige woning met aandachtvolle zorg, zoals het Heppie (t)Huis van Het Vergeten Kind, waar ik ook geweest ben, een mooi voorbeeld van hoe dit wel goed georganiseerd kan worden. Daar is beschikbaarheidsfinanciering voor nodig. Daar hebben we samen met mevrouw Westerveld eerder een motie voor ingediend; die is ook aangenomen. Wanneer gaat deze minister deze dan uitvoeren? Er moet heel veel beter in de jeugdzorg; ik zei het net ook al. Het stelsel is kapot en is alleen maar duurder geworden en het kind wordt uiteindelijk vergeten. Rapport na rapport na rapport laat dit ook zien. Dit kabinet voert ondertussen wel bezuinigingen door, maar de verbeteringen zijn er nog niet. Is de minister bereid om pas op de plaats te maken, door eerst te verbeteren en dan te kijken of er geld over is in plaats van andersom? Het doorvoeren van ongerichte bezuinigingen nu, in het kapotte stelsel, kan namelijk schade toebrengen aan de kinderen die nu al schade oplopen door een systeem dat niet werkt. Dat moeten we volgens mij niet willen.
Voorzitter. Tot slot wil ik ook nog aandacht vragen voor ExpertCare, omdat het niet kan wachten. We hebben daar net een brief over ontvangen. Het is onderdeel van de buitenlandse commerciële multinational B. Braun. Er zou geen locatie sluiten tenzij alle kinderen een nieuwe geschikte plek zouden hebben. Nu sluiten twee locaties toch. Wat nu gebeurt, was letterlijk in het vorige debat hierover voorspeld en er was voor gewaarschuwd, maar de minister zei niet in te kunnen grijpen. De inspectie zag geen aanleiding tot ingrijpen en de minister zei dat het continuïteitsbeleid, dus de continuïteit van zorg, naar behoren functioneert. Nu hebben een aantal zeer ernstig meervoudig gehandicapte kinderen geen plek. En nu? Hoe kijkt u terug op deze uitspraken? De continuïteit van zorg is hier nu toch niet op orde? De minister stelt nu een intermediair aan, maar gaan deze locaties daardoor dan niet meer dicht terwijl er voor kinderen nog geen plek is? Wat als er geen andere plekken zijn en wat als er geen overnamekandidaat komt? Dan gaat de intermediair hier toch ook niks aan veranderen en komt de continuïteit van zorg toch nog steeds in gevaar? Als de continuïteit van zorg gevaar loopt, kan de inspectie dan bestuursdwang opleggen? Waarom gebeurt dat niet? Als de inspectie de bevoegdheden niet heeft, moeten we dan niet zorgen dat de inspectie die krijgt? Waarom neemt de minister het bestuur niet over als er geen overnamekandidaat is en nog niet alle kinderen een geschikte plek hebben? Waarom wordt de minister niet zelf, tijdelijk, een overnamekandidaat? Dat zou een kwestie zijn van een bestuur aanstellen en het regelen. Wat gaat de minister eraan doen om te veranderen dat ze niet kan ingrijpen, wat blijkbaar het geval is? Dat de minister niks kan doen, kan toch niet de eindconclusie zijn?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij nu luisteren naar mevrouw Westerveld, die spreekt namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dank u wel, voorzitter. Op 2 juni 2019 overleed Noa Pothoven. Ze blijft voor altijd 17. Ik weet nog goed hoe ze me enkele uren voordat ze insliep, smeekte om me te blijven inzetten, samen met de collega's, voor al die andere jongeren. Die jongeren verdienen de allerbeste hulp, in gespecialiseerde centra met mensen die kennis van zaken hebben en die alle begrip en liefde voor hen hebben, maar ze worden nu te vaak opgesloten en ze krijgen met dwang en repressie te maken. Te velen van hen komen nu ook op vakantieparken terecht. Noa's dood was geen incident. Ze staat symbool voor zo veel jongeren en ouders die al jaren alarm slaan, samen met deskundigen.
Ik herinner me nog goed het debat over de rapporten van de commissie-De Winter over geweld in de jeugdzorg. Ook in die rapporten staan stevige aanbevelingen aan zorginstellingen, maar ook aan de overheid. Het kabinet beloofde toen om die aanbevelingen uit te voeren, maar in de praktijk bleken dat holle beloften. Ik heb ze maar weer eens meegenomen, al die rapporten die de afgelopen jaren hebben beschreven hoe het anders kan en hoe het beter kan. Dat gebeurde door deskundigen en door jongeren zelf, door hulpverleners en door ouders. Ze slaan allemaal alarm. Net als de inspectie vanaf 2019 zeggen zij: jongeren blijven in gevaarlijke posities en onveilige situaties zitten. Ze sturen ons ook al vanaf 2019 signaalbrieven waarin ze zeggen hoe het anders kan. Toch zie ik te vaak alleen maar die boosheid als er veel media-aandacht is voor een situatie die zo gruwelijk is dat we het ons allemaal niet kunnen voorstellen. Neem het debat dat we hier vorig jaar hadden over het pleegmeisje in Vlaardingen of, recent nog, de afschuwelijke mishandeling van de kinderen in Stadskanaal.
Verder vind ik dat de Kamer kabinetten veel te vaak, en ook de afgelopen jaren, heeft laten wegkomen met allerlei beloften die vervolgens niet worden nagekomen. Zo zijn een heel aantal wetten die al door Hugo de Jonge zijn beloofd, nog niet eens naar de Kamer gestuurd.
Dit werd allemaal nog pijnlijker toen Jason Bhugwandass in 2024 zijn rapport Eenzaam gesloten presenteerde. Het ligt hier ook bij mij op die stapel. Het was wederom hetzelfde patroon: ophef in de Kamer en in de media en een spoeddebat waarin Kamerleden op hoge toon eisten dat het anders moest en het kabinet beloften deed, maar ook de zoveelste keer dat het daarna stil bleef. Dat blijkt alleen al uit het feit dat jongeren al meer dan twee jaar moeten wachten op excuses en herstel. Iedereen die boos is na het zoveelste schandaal wil ik ook vragen hoe oprecht die bezorgdheid is als het gaat over jongeren die in eenzaamheid lijden en soms sterven.
Dat is ook de titel van het tweede rapport van Jason: Eenzaam gestorven. Hij presenteerde dat eergisteren. Het was een heel pijnlijke bijeenkomst, ook omdat in de zaal een aantal jongeren zaten die vrienden en vriendinnen zijn kwijtgeraakt en omdat er ook ouders waren. Ik heb een aantal vragen aan de minister. Die gaan deels over het afgelopen jaar, maar ook deels over het rapport dat recent is gepresenteerd. Ik wil haar allereerst vragen of zij kan ingaan op de aanbevelingen die Jason doet. Dat zijn geen nieuwe aanbevelingen. Die staan ook al deels in het rapport van de commissie-De Winter. Die worden door andere deskundigen gedaan. Kan zij daarop ingaan? Wat gaat ze doen om het vertrouwen terug te winnen? Helaas is dat heel hard nodig. Het vertrouwen van de sector, van jongeren, van ouders en ook van hulpverleners moet worden teruggewonnen. Dat kan alleen op het moment dat kabinetten doen wat ze hebben beloofd en ook het excuses- en hersteltraject van de grond komt. Ik vraag haar hoe dat traject eruit gaat zien. Gaat ze ook kijken wat jongeren individueel nodig hebben? Ik had het er net al over met mevrouw Synhaeve.
Hoe staat het met al die beloften die de afgelopen jaren zijn gedaan? Ik heb het afgelopen weekend nog eens verschillende Kamerbrieven teruggelezen. Ik heb een aantal van de rapporten teruggelezen. Je ziet dat heel veel zaken telkens terugkomen, worden uitgesteld en nog een keer terugkomen. Heel veel onderwerpen die wij vandaag bespreken, zijn ook al besproken met minister De Jonge, staatssecretaris Blokhuis, staatssecretaris Van Ooijen, en ik kan nog wel even doorgaan. Hoe gaat deze minister er dus voor zorgen dat alle beloften die ook haar voorgangers hebben gemaakt, wel worden nagekomen? Ook dat heeft te maken met het vertrouwen terugwinnen.
Wat gaat het kabinet doen om echt te zorgen voor gespecialiseerde hulp voor jongeren die dat nodig hebben? Dat is ook een thema dat blijft terugkomen. Voortdurend lees ik dat er allerlei beloften worden gedaan over het beter scholen van medewerkers en over gespecialiseerde plekken. Ik noemde net de wens van Noa, die zo graag voor andere jongeren wilde dat ze op een plek terechtkwamen met de allerbeste specialisten, met onderwijs en alle randvoorwaarden, en de beste zorg, want dát is nodig voor deze groep, in plaats van vakantieparken. Wat gaat het kabinet doen aan andere beloften die zijn gedaan, bijvoorbeeld over de rechtsbescherming van jongeren? Wat is het plan rondom het toekomstscenario?
Voorzitter, ik rond af. Twee jaar geleden heb ik hier met mevrouw Bruyning een voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat ik vind dat wij ook moeten kijken naar de rol die de Kamer zelf speelt. Ik vind dat de Kamer de afgelopen jaren ook te vaak heeft weggekeken. Dat haalde geen meerderheid. Ik ga dat voorstel niet herhalen, maar ik wil wel graag met de collega's kijken of we dit bijvoorbeeld kunnen aanmelden voor de Regeling Grote Projecten, om ook te kijken naar de rol van de Kamer.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Wij delen de zorgen van mevrouw Westerveld, vooral over kinderen die uit huis zijn geplaatst in dat gedwongen kader. Het onderzoek dat mevrouw Westerveld voorstelt, lijkt mij ook een goed idee. Nou hebben wij een paar maanden geleden een motie ingediend om te onderzoeken wat de ervaringen zijn geweest van ouders met dat gedwongen kader, en ook van de kinderen die erin hebben gezeten, hoe ze tot die uithuisplaatsing zijn gekomen en waarom ze niet zijn teruggeplaatst. Sorry dat het wat langer duurt, voorzitter, maar mijn vraag is de volgende. De PvdA — of PRO, moet ik nu zeggen — heeft daar dus tegen gestemd. Waarom? Waarom stemde PRO tegen?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik stem standaard tegen onderzoeksmoties in deze debatten, omdat we heel veel zaken al weten. We weten wat er moet gebeuren. Ik heb een paar keer verwezen naar die enorme stapel met rapporten die daar ligt. Dit is echt niet alles. Ook de inspectie doet voortdurend onderzoek. Dus laten we stoppen met onderzoeken en echt werken aan wetsvoorstellen die bijvoorbeeld de rechtsbescherming van ouders en jongeren verbeteren en die zorgen dat er meer gespecialiseerd plekken komen voor jongeren. Bij dit soort debatten ben ik dus standaard gestopt met het steunen van onderzoeksmoties.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het lijkt mij heel verstandig. Ik zie de stapel daar liggen. Ik ben het er ook mee eens. Het punt is alleen — daarom bracht ik die motie ook in — dat wij, net als mevrouw Westerveld, heel veel signalen krijgen dat er dingen mis zijn. We spreken met ouders. Als we het er dan met de minister over hebben — mevrouw Westerveld was ook bij dat debat — wordt er gezegd: ja, dat zijn incidenten. Die neemt dat eigenlijk niet serieus. Daar waren we ook heel verbolgen over. Het enige wat helpt om de ernst van het probleem duidelijk te maken, denk ik, is als het kabinet hier onderzoek naar doet. Anders nemen ze het probleem blijkbaar niet serieus. Daarom kom ik met die motie. Ik denk dat dat toch wel kan helpen. Dus nogmaals mijn vraag: zou zo'n motie gesteund kunnen worden door PRO? We kunnen 'm natuurlijk aanpassen.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik zie gewoon veel meer in hameren op wetgeving, bijvoorbeeld over de rechtspositie van jongeren en ouders. Daarvoor is wetgeving beloofd, ook al heel lang geleden. Ook die wetgeving hebben wij nog niet gekregen. We hebben een tijd geleden een motie ingediend, die ook is aangenomen, waarin we stelden dat ouders en jongeren kosteloze rechtsbijstand verdienen. Als ik teruglees wat daarmee is gedaan, kan ik niet zeggen dat die motie is uitgevoerd. Ik heb hier nu niet naar gevraagd, omdat we hier zitten met de minister die over de zorg gaat en niet met de staatssecretaris, maar hier ga ik nog op terugkomen. Als we het hebben over rechtsbescherming en over jongeren en ouders die te weinig worden gehoord, ben ik het eens met de heer Van Houwelingen. Maar ik geloof niet zozeer in nog meer zaken onderzoeken en inventariseren, omdat ik bang ben dat dat weer vertraging oplevert.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Kort en afrondend, tot slot. Overigens ben ik het daarmee eens. Er wordt veel te veel onderzocht en veel te weinig gedaan. Wij denken ook aan een wetswijziging, als ik dat gelijk via u, voorzitter, aan mevrouw Westerveld mag vragen, om het wettelijk kader voor gedwongen uithuisplaatsingen kleiner te maken. Dit is mijn laatste vraag. Ik ben benieuwd hoe PRO daartegen aankijkt.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het ingewikkeld om daar nu een antwoord op te geven, omdat we die wetgeving nog niet hebben. Ik ben voor wetten die het goede doen en ik ben voor wetten die ouders en jongeren een betere rechtspositie geven. Tegelijkertijd weten we dat er soms redenen kunnen zijn voor de uithuisplaatsing van een kind. Ik heb ook kinderen gesproken die zeiden: het was goed dat ik uit huis werd geplaatst, want ik werd mishandeld of seksueel misbruikt door mijn ouders. We kunnen het er ook met elkaar over eens zijn dat het in dit geval soms het allerbeste is, hoe tragisch dat ook is, dat een kind niet meer bij de ouders woont. Ik zou willen dat alles met gezinsgerichte hulp kan worden opgelost, maar soms is die band al zo verstoord dat het niet meer kan. Dat begrijp ik ook. Ik vind ook dat we moeten uitkijken met hulpverleners die de taak hebben om deze moeilijke keuze te maken, bij voorbaat in het verdachtenbankje te zetten. Ik zeg niet dat de heer Van Houwelingen dat doet, maar ik zeg wel dat we goede wetgeving moeten hebben die zowel de positie van deze medewerkers als die van ouders en jongeren beschermt. Ik voel daarbij heel veel voor wat mevrouw Synhaeve nu aan het doen is met die "kind voorop"-wetgeving, want de rechten van het kind zouden van het allergrootste belang moeten zijn.
De heer Hamstra (CDA):
Ik heb de stapel ook zien liggen op het bureau van mevrouw Westerveld. U loopt al een aantal jaar mee en u geeft aan dat er geen opvolging wordt gegeven aan verschillende rapporten en aanbevelingen. Wat is vanuit uw analyse de reden dat daar geen opvolging aan wordt gegeven?
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat een goede vraag. Wat mij betreft is die vraag ook de essentie van ons Kamerwerk. Wij hebben de taak om bewindspersonen te controleren. Dat doen we allemaal op onze eigen manier, maar als het gaat over jeugdhulp en jeugdbescherming, zijn we het vaak helemaal met elkaar eens. In de afgelopen jaren heb ik gemerkt dat er heel vaak beloften werden gedaan. Neem bijvoorbeeld de tijd van minister De Jonge. Hij wilde ook echt aan de slag en schreef allemaal actieplannen met hele goede voornemens waar niemand tegen was, maar als ik daar jaren later naar terugkijk, denk ik: we voeren nog steeds hetzelfde debat; heel veel van die voornemens zijn niet uitgevoerd.
Datzelfde zien we als we kijken naar de hervormingsagenda, die al vertraging heeft opgelopen. Daaruit zouden een aantal wetten moeten komen. Een van die wetten gaan we hopelijk over een tijdje behandelen, terwijl er al wel een bezuiniging staat ingeboekt. Wij als Kamer moeten er ook voor zorgen dat bewindspersonen zich aan hun beloften houden. Wij moeten hier voortdurend staan om te zeggen: vorig jaar beloofde u dit; een jaar later is er nog steeds niets gebeurd. Ik zag hetzelfde gebeuren bij het debat dat we vorig jaar hadden over het Vlaardingse pleegmeisje. Ook daarbij zijn toen verschillende beloften gedaan. Ook daarover was er helemaal geen onenigheid in de Kamer, want wij vonden allemaal dat het moest worden aangepakt. Waarom gebeurt het dan niet? Mijn idee is dat dit onderwerp helaas gewoon te weinig prioriteit heeft. Als ik zie hoeveel debatten er over sommige andere onderwerpen worden ingepland en als ik zie hoe weinig we het hier hebben over fundamentele kwesties in de jeugdzorg en de jeugdbescherming, vind ik echt dat wij ook onszelf een spiegel moeten voorhouden en moeten zoeken naar manieren om met elkaar het kabinet beter te kunnen houden aan beloften.
De heer Hamstra (CDA):
Daar ben ik ook een beetje naar op zoek. Dat is volgens mij de kern van het debat dat we vandaag zouden moeten voeren. In uw slot …
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld.
De heer Hamstra (CDA):
Mevrouw Westerveld. Excuses. Ik praat natuurlijk via de voorzitter. In het slot van haar betoog gaf mevrouw Westerveld aan dat zij misschien wel heil ziet in een beknopte parlementaire enquête. Zou mevrouw Westerveld wat meer kunnen uitweiden over wat de meerwaarde daarvan zou zijn en wat dat überhaupt zou behelzen?
De voorzitter:
Dat mag ook kort en bondig, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (PRO):
We hebben twee jaar geleden het voorstel gedaan voor een beknopte parlementaire enquête, omdat we zeiden: er hoeft geen uitgebreid bronnenonderzoek te worden gedaan — we hebben alle informatie al — maar we moeten weleens kijken waarom al die goede voornemens niet worden uitgevoerd en wat de rol van de Kamer hierin is. Dat voorstel haalde helaas geen meerderheid. We zijn nu twee jaar verder, met nog een extra stapeltje aan rapporten hoe het beter kan. Ik zit nog steeds met meneer Hamstra en anderen te kijken hoe we als Kamer nou beter onze rol kunnen pakken. We hebben een Regeling Grote Projecten. Dat staat in artikel 7.37 van het Reglement van Orde. Daarmee kunnen we als Kamer een voorstel doen voor een groot project. Ik weet nog niet goed of dit hierbinnen valt, maar ik zou wel heel graag met de heer Hamstra en anderen gewoon eens willen kijken of we analoog aan die regeling of op een andere manier ervoor kunnen zorgen dat we met de Kamer veel beter de teugels in handen hebben en op veel regelmatiger basis controleren wat er gebeurt als het gaat over het stelsel van jeugdzorg, jeugdbescherming, financiën … Volgens mij kunnen we heel veel onderwerpen bedenken. Op zo'n manier ben ik dus op zoek naar betere controle vanuit de Kamer.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
De heer Hamstra (CDA):
Afrondend. Ik kende deze optie niet; ik ben graag bereid dit verder te verkennen, dus dank voor het initiatief.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Daar wil ik even op verdergaan, maar niet voordat ik mevrouw Westerveld bedank voor weer een bevlogen betoog. Mij bekruipt ook een beetje het gevoel dat mevrouw Westerveld bijna het geweten van deze Kamer is. We voelen met elkaar de gedeelde verantwoordelijkheid. Dan richting de vraag. Ik wil even stilstaan bij dat groot project. Dat gaan we natuurlijk later nog uitgebreider bespreken, maar zou het misschien een optie kunnen zijn om binnen dat groot project vooral te kijken hoe we de jongeren die de zorg het hardst nodig hebben nou het meest helpen? Dus niet breed, maar specifiek deze groep.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind dat een hele interessante suggestie, want ik denk dat wij allemaal de verhalen kennen van de jongeren die juist de allerbeste specialisten nodig hebben. We zien ook wat een verschil er is in de medische wereld. Als een kind bijvoorbeeld een complexe vorm van kanker heeft, dan is er een heel goed kinderziekenhuis met heel veel voorzieningen, maar een kind dat complexe mentale problemen heeft, komt in de gesloten jeugdzorg terecht. Dat zijn vaak gewoon letterlijk oude gevangenissen. Volgens mij kennen we dat en zien we ook dat verschil. We vragen al heel lang met de hele Kamer naar deze groep, waarvan we al heel lang de verhalen horen van jongeren en van ouders en waarvan we al heel lang weten dat het aanbod niet toereikend is. Dat wordt ook door niemand ontkend; dat weten we gewoon. En toch komt het niet van de grond. Ik zou heel interessant vinden om bijvoorbeeld de hulp aan deze groep eruit te halen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Van Meetelen, die spreekt namens de fractie van de PVV. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Genoeg is genoeg. Een meisje van 6 en een jongetje van 7: geslagen, geschopt, opgesloten in een kelder, eten onthouden, koude douches, fysieke straffen, een bezemsteel en nog veel erger. Een kind dat zo ernstig mishandeld is dat het in het ziekenhuis belandde en uiteindelijk in een kunstmatige coma terechtkwam. En dan de bestuurlijke taal ernaast: signalen, zorgen, werkwijze, partners, proces.
Nee, voorzitter. Dit was geen "proces". Dit was kindermarteling. We moeten dat woord hier hardop durven uitspreken, want wanneer een kind langdurig wordt opgesloten, uitgehongerd, vernederd, mishandeld en geterroriseerd, spreken we niet meer over een vorm van kindermishandeling. Dan hebben we het over doelbewust, stelselmatig en extreem geweld waarmee een kind lichamelijk en geestelijk wordt gebroken. Toch kent Nederland hiervoor geen afzonderlijke definitie, geen aparte onderzoeksaanpak, geen specifieke protocollen. Alles verdwijnt uiteindelijk onder dezelfde verzamelterm: kindermishandeling. Daarom vraag ik de minister of zij het met de PVV eens is dat de term "kindermishandeling" onvoldoende recht doet aan de situatie waarin een kind wordt opgesloten, uitgehongerd en bijna dood wordt mishandeld en dat niet alles onder deze zelfde noemer zou moeten vallen. Zo ja, waarom kennen wij dan nog steeds geen afzonderlijke categorie voor de zwaarste vormen van geweld tegen kinderen?
Voorzitter. We doen niet alleen slachtoffers tekort, maar ook de professionals die deze signalen moeten herkennen, want als alles onder dezelfde noemer valt, ontbreekt ook de urgentie om de zwaarste gevallen als zodanig te behandelen. Daarom moeten we durven onderzoeken of Nederland onderscheid moet gaan maken tussen kindermishandeling en kindermarteling, niet als een semantische discussie, maar omdat een afzonderlijke categorie leidt tot andere beleidsmatige keuzes. Een duidelijke definitie maakt gerichter onderzoek mogelijk. Een aparte registratie maakt zichtbaar hoe vaak dit voorkomt. Specifieke signaleringscriteria zorgen ervoor dat professionals eerder herkennen wanneer een kind acuut gevaar loopt. Een landelijk protocol zorgt ervoor dat er bij signalen van opsluiting, uithongering, ernstig letsel, uitputting, extreme verwaarlozing of langdurige terreur niet eerst wekenlang wordt overlegd, maar dat er direct wordt opgeschaald en ingegrepen. Is de minister bereid te laten onderzoeken hoe vaak dergelijke extreme vormen van geweld voorkomen? Is zij bereid te onderzoeken of hiervoor een afzonderlijke definitie en een landelijk handelingskader kan worden ontwikkeld?
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag van de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Ik kon ook nog wel even wachten, hoor. Ik hoor mevrouw Van Meetelen vragen om een afzonderlijke categorie, handelingsprotocollen en landelijke regelgeving. Hoe zorgen we ervoor dat dit niet leidt tot extra bureaucratie door de risicoregelreflex die we vaak bij de Kamer zien, waardoor we het stelsel nog meer op slot zetten?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee, dat is absoluut niet de bedoeling. Ik ben het helemaal eens met de heer Hamstra dat we daar niet heen willen. Het gaat erom dat er nu versnippering is. Overal komen signalen binnen, maar mensen maken niet één koppeling van wat die nou eigenlijk zouden kunnen inhouden. In Engeland doen ze dit al. Daar hebben ze echt een verschil tussen child abuse en child torture. Daarvoor hebben ze een ander beleidskader gemaakt. Op het moment dat bepaalde signalen binnenkomen, dus signalen van extreem geweld of uithongering, of bijvoorbeeld van kinderen die meerdere keren heel slecht op school binnenkomen, dan gaan ze op deze manier te werk. Dan hebben ze daar dus een andere vorm voor om meteen op te schalen en acuut te reageren.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Voorzitter. Dit raakt aan een groter probleem, want deze zaak laat opnieuw zien dat het huidige stelsel van jeugdzorg en jeugdbescherming onvoldoende in staat is om de meest kwetsbare kinderen te beschermen. Er zijn te veel organisaties, schakels en momenten waarop verantwoordelijkheid kan worden doorgeschoven. Terwijl volwassenen discussiëren over bevoegdheden, contracten en verantwoordelijkheden, blijft een kind achter in een onveilige situatie. Daarom pleit ik niet alleen voor een betere aanpak van kindermarteling, maar ook voor een fundamentele herziening van de organisatie van de jeugdbescherming. De bescherming van kinderen moet landelijk en eenduidig worden georganiseerd, met heldere bevoegdheden, landelijke kwaliteitseisen, uniforme protocollen en één eindverantwoordelijke instantie, die niet kan wegduiken achter ketenpartners of bestuurlijke constructies. Ik stel opnieuw de vraag aan de minister wie uiteindelijk eindverantwoordelijk was voor de veiligheid van deze kinderen. Welke instantie had de bevoegdheid om in te grijpen? Als die vragen vandaag niet eenduidig kunnen worden beantwoord, is dat dan niet precies het bewijs dat het stelsel zelf tekortschiet?
Wat de PVV betreft moet er een landelijke spoedroute komen voor deze ernstigste signalen. Wanneer er sprake is van ondervoeding, ernstige verwondingen, opsluiting, uitputting, ziekenhuisopnames of andere aanwijzingen van extreem geweld — ik heb het echt over de meest extreme gevallen — mag een kind niet afhankelijk zijn van overlegstructuren die dagen, weken of maanden in beslag nemen. Dan moet er onmiddellijk multidisciplinair worden opgeschaald en moet er binnen zeer korte tijd een besluit worden genomen over de veiligheid van het kind. Kan de minister uitleggen waarom bij signalen van mogelijk levensbedreigend geweld tegen een kind, nog steeds kostbare tijd verloren gaat aan overleg, procedures en afstemming tussen organisaties? Is zij bereid ervoor te zorgen dat bij dit soort signalen binnen 24 uur een veiligheidsbesluit wordt genomen?
Voorzitter. Als wij erkennen dat sommige kinderen niet worden mishandeld, maar worden gemarteld, dan kunnen we niet volstaan met dezelfde systemen, procedures en bestuurlijke reflexen die ons al jaren teleurstellen. Dan moeten we bereid zijn onderzoek te doen naar deze vorm van geweld, een afzonderlijke definitie en aanpak te ontwikkelen, en de jeugdbescherming zo in te richten dat bescherming van het kind altijd zwaarder weegt dan bescherming van het systeem. Mijn laatste vraag aan de minister is misschien wel de belangrijkste: durft zij vandaag te erkennen dat deze kinderen niet in de steek gelaten zijn door één persoon of één fout, maar door een stelsel dat er ondanks alle signalen niet in slaagde hen op tijd te beschermen?
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal vragen.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben even op zoek naar de juiste context om dit in te plaatsen. Het woord "kindermarteling" bestaat inderdaad niet in het strafrecht, maar er zijn wel vier artikelen waar het onder valt. Ik hoor u niet over psychische mishandeling van kinderen. Dat is namelijk ook strafbaar, maar heeft ook geen aparte definitie. Ik ben dus een beetje zoekende. Wilt u meer regelgeving en langere dingen? Wat wilt u eigenlijk?
De voorzitter:
"Wat wil mevrouw Van Meetelen?"
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Excuus, voorzitter.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik heb het niet over strafrecht gehad. Dat is een aparte weg die bewandeld zou kunnen worden. Dit gaat meer over het moment waarop er signalen binnenkomen bij Veilig Thuis, bij jeugdzorg, bij jeugdbescherming — waar ze ook maar binnenkomen. Dan moet er sneller worden opgeschaald en met spoed multidisciplinair worden ingegrepen. Dat is de weg die ze in Engeland bewandelen. Daar zijn de politie, het OM et cetera allemaal bij betrokken. Strafrecht is een ander onderdeel. Daarom heb ik vandaag niet ingestemd met het toevoegen van de staatssecretaris van JenV. Ik wil het hebben over de hele weg daarvoor.
Als we dit vaststellen en als we hierover gaan spreken, zouden we wel kunnen vragen dat, als dit in zo'n dossier staat, de rechter bepaalt dat te allen tijde op het allerhoogste niveau wordt ingezet en gestraft. Dat is een mogelijkheid.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik ben bang dat dit weer tot veel meer regels en aanpassingen gaat leiden, terwijl we het in principe perfect kunnen herleiden als een kind mishandeld wordt, zwaar mishandeld wordt, gemarteld wordt. Volgens mij komt dat in dossiers te staan en gebruiken we deze termen al. Ik snap niet waarom er overal een aparte definitie voor moet komen. Maakt dit het niet juist lastiger?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee. Deze definitie wordt dus niet gebruikt. Deze woordkeuze wordt in de maatschappij misschien af en toe door u en ik gebezigd, omdat wij er wat langer en meer in zitten, maar dat is niet het geval. Het gaat erom dat het veel duidelijker wordt hoe ernstig dit is.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Helemaal eens: het kind moet beschermd worden, niet het systeem. Een geval waar dat helemaal verkeerd is gegaan, is het Vlaardingse pleegmeisje. Zij is echt gemarteld. Bij het werkbezoek kwamen we erachter dat iedereen meldingen kan doen bij Veilig Thuis, maar dat je bij Veilig Thuis geen meldingen kunt doen over pleeghuizen en pleeggezinnen. Stel dat een buur dat gemeld had, dan had Veilig Thuis daar niets mee gedaan. Zou dat niet aangepast moeten worden?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat ben ik volledig eens met de heer Van Houwelingen. Dat verbaasde mij ook zeer. Ik wist eerlijk gezegd niet wat ik hoorde. Bij de derde keer zeiden ze: ja, het kan wel en dan wijzen we door. Maar in eerste aanleg hebben ze inderdaad — wij zaten beiden bij het gesprek — twee keer gezegd dat ze dat niet doen. Dat vind ik heel verbazingwekkend. Inderdaad zouden we daar beter naar moeten kijken. Als dat niet gebeurt, moet dat wel gaan gebeuren. Zeker weten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Misschien kunnen we daar samen een motie over indienen. Nog een andere vraag. Wij willen graag het wettelijk kader heel erg versmallen. Dat is het kabinet ook van plan. Ons idee is om dan als eis op te nemen dat de strafrechter een van de ouders of allebei de ouders aan het behandelen is of misschien wel veroordeeld heeft voor kindermishandeling. Dat staat goed omschreven in de wet. Dan houd je denk ik heel weinig zaken over in dat gedwongen kader. Hoe kijkt de PVV daar tegenaan?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Daar moet ik toch nog heel even over nadenken. Ik wil me niet te veel op het gebied van strafrecht gaan begeven op dit moment. Ik wil het echt aan de voorkant houden. Ik ga erover nadenken, meneer Van Houwelingen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoor de PVV zeggen dat de bescherming van het kind zwaarder moet wegen dan de bescherming van het systeem. Dat is precies waarom we met deze éénkindwetgeving willen komen, zodat de ouder, en niet alleen als het gaat om melden, daar niet bij is. Er moet ook een gesprek zonder de ouder kunnen plaatsvinden. Maar we zeggen ook: je wilt dat hulpverlening, politie en justitie, samen kijken wat nodig is. Ik denk dat deze wetgeving daar juist aan gaat bijdragen.
Mijn vraag is de volgende. Als de conclusie is dat het kind nu niet boven het systeem wordt geplaatst en dat het systeem boven het kind gaat, wat heeft de PVV, met het grootste aantal zetels in deze Kamer, dan de afgelopen jaren gedaan om dat nou toch eens te veranderen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dit is natuurlijk heel venijnig. U weet zelf ook wel dat wij kort in het kabinet hebben gezeten. Wij zijn hier altijd heel kritisch op geweest. Wat hebben wij gedaan? Wij hebben vanaf dag één altijd gezegd dat we niet wilden dat er een decentralisatie kwam. We wilden dat dit bij de overheid bleef en dat er een landelijke regie zou blijven. Dat hebben we altijd gezegd, ik denk inmiddels twintig jaar lang. Dat is ook niet veranderd. Helaas hebben we dat niet kunnen aanpassen. Zoals u weet, is dit systeem al heel lang kapot. Ik kijk even naar mevrouw Westerveld. Zij heeft daar niet voor niks die stapel neergelegd. Dat is niet door de PVV gekomen. In de paar maanden dat wij in het kabinet hebben gezeten hebben we daar niks aan kunnen doen.
Ik kijk even naar mevrouw Synhaeve. U heeft al vaker in het kabinet gezeten en zit er nu in. Ik zou zeggen: doe uw best.
De voorzitter:
Het is "mevrouw Synhaeve", via de voorzitter.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Via de voorzitter dan.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik denk dat dat geen venijnige vraag is, maar juist de meest wezenlijke vraag die we ons moeten stellen. Die geeft aan dat, of je als partij veel zetels hebt of niet en of je nou in het kabinet zit of niet, het gaat om de meerderheden die in deze Kamer gevormd worden. Die zorgen ervoor dat we met elkaar keuzes maken. Het zou heel mooi zijn als we ook de PVV een keer aan onze zijde vinden op het moment dat we wel degelijk heel grote, wezenlijke veranderingen gaan doorvoeren. Want dat is wat we de komende tijd gaan doen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, als die veranderingen zijn zoals de PVV vindt dat ze goed zijn. Dat is niet het geval.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik vind het ook een wezenlijke vraag van mevrouw Synhaeve. Het antwoord was: ja, als de plannen zijn zoals wij willen dat ze zijn. Kan mevrouw Van Meetelen één plan opnoemen uit het PVV-verkiezingsprogramma over de jeugdzorg waar zij dan naartoe zou willen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nee, dat hebben wij niet in ons verkiezingsprogramma staan. Dat hoeft ook niet, want iets hoeft niet in je programma te staan om er iets van te vinden.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dit is precies het probleem. Er staat niks over de jeugdzorg in het PVV-verkiezingsprogramma. Dat is niet iets kleins. In een programma schrijf je op wat je belangrijk vindt en waarom je iets wil. Wat mevrouw Van Meetelen nu zegt, gaat over stelsels. In de afgelopen periode was de PVV de grootste fractie in deze Kamer. Ze leverde twee van de drie bewindspersonen op het ministerie van VWS. Deze signalen waren niet nieuw. De mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen gebeurde bijvoorbeeld vlak daarvoor. De afgelopen jaren hadden bewindspersonen van de PVV de beloften die in dat debat zijn gedaan kunnen nakomen. Daar is niks van gebeurd. Daarom zit deze minister nu met eigenlijk alles wat wij haar vragen. Dat is omdat het de afgelopen twee jaar heeft stilgestaan. Je mag jezelf dan best in de spiegel aankijken. Ik vind dat dat voor ons allemaal geldt, maar zeker als je in een kabinet hebt gezeten.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik voel me totaal niet aangesproken. Ik weet dat mijn collega's hier wel mee bezig zijn geweest. We hebben daar helaas te weinig tijd voor gekregen. De puinhoop die is gecreëerd, is er al heel lang. Daar zijn uw partijen ook debet aan. Dus kijk zelf in de spiegel.
De voorzitter:
Het is nog altijd "mevrouw Westerveld kijkt zelf in de spiegel".
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, mevrouw Westerveld.
De voorzitter:
Ik ga haar nu ook het woord geven. Mevrouw Westerveld, gaat uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mijn bedoeling is niet om hier te jij-bakken. Ik zou wel heel graag willen dat we allemaal kijken naar ons eigen aandeel. Ik zou willen dat partijen die in de oppositie zitten bewindspersonen niet heel hard aanpakken, terwijl ze niets opschrijven of dit geen prioriteit geven als ze in de coalitie zitten. Laten we dat ons allemaal aantrekken. Mijn bedoeling is zeker niet om te jij-bakken. Ik vind gewoon dat we allemaal moeten kijken naar onze eigen taak. Dat was ook de oproep van de jongeren dinsdag: niet naar elkaar wijzen, maar kijken wat je zelf kunt bijdragen. Volgens mij zouden we dat allemaal moeten doen, dus ik ook.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Nou, dat is mooi. Ik hoor verder geen vraag. Volgens mij staan er in mijn betoog wel degelijk een paar vragen om daadwerkelijk iets te veranderen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer El Abassi. Hij spreekt namens de fractie van DENK. Ik hoor u hoesten. Neem een slokje water. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Voorzitter. We staan hier voor de 80.000 kinderen die op dit moment op een wachtlijst staan voor hulp. Kinderen van vlees en bloed, die vermorzeld worden door een falend, kil en bureaucratisch systeem.
Voorzitter. Het is nog geen twee jaar geleden dat Nederland schrok van het rapport Eenzaam gesloten. Jongeren vertelden hoe zij op ZIKOS-afdelingen soms 23 uur per dag werden opgesloten, geïsoleerd van de buitenwereld, terwijl zij juist zorg en bescherming nodig hadden. Het waren geen verhalen uit een ver verleden, maar uit onze eigen jeugdzorg. Jongeren die al kwetsbaar waren, verlieten deze instellingen met diepere trauma's dan die waarmee ze binnenkwamen. Het rapport leidde tot verontwaardiging, Kamerdebatten en de sluiting van de afdelingen, maar voor veel slachtoffers bleek de aandacht van korte duur. De deuren gingen dicht, maar voor de jongeren zelf begon de strijd pas echt.
Vandaag ligt er een nieuw rapport: Eenzaam gestorven. Dit rapport is nog pijnlijker is dan het eerste. Dat is niet omdat het nieuwe misstanden onthult, maar omdat het laat zien wat er gebeurde nadat de camera's verdwenen en de verontwaardiging verstomde. Jongeren bleven achter met trauma's, zelfmoordgedachten en een diepe behoefte aan erkenning. Vijf van de jonge deelnemers aan het onderzoek met zelfmoordgedachten zijn inmiddels overleden. Kan de minister uitleggen waarom de beloofde excuses en nazorg zijn uitgebleven? Is zij bereid om dit jaar nog te komen met een specifiek herstel- en ondersteuningsplan voor de voormalige ZIKOS-jongeren en hun nabestaanden?
Voorzitter. Het fundament van dit stelsel is rot. Dat heb ik vaker aangegeven. De decentralisatie is een mislukking. De Rijksoverheid heeft de loodzware pedagogische taken over de schutting van de gemeente gegooid en weigert de structurele portemonnee te trekken. Het rapport Groeipijn van de deskundigencommissie laat er geen misverstand over bestaan: de geplande bezuinigingen van honderden miljoenen zijn volstrekt onrealistisch en moeten onmiddellijk worden opgeschort. Ook de Raad voor het Openbaar Bestuur concludeert in het advies Afrekenen met disbalans dat er een diepe, structurele kloof gaapt tussen de wettelijke zorgplicht van gemeenten en de financiële middelen die zij krijgen. Wethouders worden door het Rijk gedwongen om te sturen op budgetplafonds in plaats van op de veiligheid van een kind. Dit is geen jeugdzorg, maar een kille bezuinigingsoperatie over de ruggen van onze kwetsbare jeugd. Is de minister bereid de conclusies van haar deskundigencommissie dit keer volledig over te nemen en deze onrealistische bezuinigingen onmiddellijk te stoppen?
Voorzitter. Dit systeem faalt niet alleen. Als dit systeem faalt, dan zijn de gevolgen werkelijk huiveringwekkend. Kijk ook naar de afschuwelijke zaak in Stadskanaal. Die werd eerder vandaag al genoemd. Die kwam deze week ook naar buiten. Een 6-jarig meisje werd stelselmatig gemarteld en uitgehongerd door haar eigen moeder. De details tarten elk voorstellingsvermogen. Dit kleine kind werd in de kelder vastgebonden aan leidingen. Ze werd als straf urenlang onder een ijskoude douche gezet. Ze werd gedwongen haar eigen braaksel van de vloer op te eten. Haar eigen kots. Er werd zelfs gesproken over het breken van haar vingers en het afknippen van haar oren, omdat ze flaporen heeft. Je maag draait hiervan om. Pure horror.
Het meest onverteerbare is dat dit weer gebeurde onder de radar van een falend systeem. De signalen waren er gewoon. Al in het jaar 2025 smeekte de basisschool Veilig Thuis om hulp, omdat het kind wonden op haar hoofd had en in de klas letterlijk omviel van de honger. In februari belandde ze zwaar ondervoed in coma op de intensive care. Wat gebeurde er na de ziekenhuisopname? Ze werd onder toezicht geplaatst van de William Schrikker Stichting. Het woord "schrikker" is hier niet voor niks in verwerkt. Dit is nota bene dezelfde stichting die onder andere faalde bij de zaak van het Vlaardingse pleegmeisje en die vorig jaar nog onvoldoende scoorde bij de inspectie IGJ en de Inspectie Justitie en Veiligheid. Twee maanden later lag dit meisje weer in het ziekenhuis met wonden. De waarheid kwam nu pas aan licht. Die kwam gelukkig aan het licht, maar dat was niet vanwege doortastend ingrijpen van instanties maar doordat de daders onderling ruzie kregen. Ik vraag de minister hoe zij reflecteert op het feit dat de William Schrikker Stichting de verantwoordelijkheid behield na eerder falen in Vlaardingen en na een onvoldoende van de inspectie?
Tot slot, voorzitter. De inspectie sloeg vorig jaar al groot alarm over de jeugdzorg, maar door versnipperingen, personeelstekorten en instanties die langs elkaar heen werken, raken de meest kwetsbare kinderen uit het zicht en worden alarmsignalen genegeerd. Hoe vaak moeten we nog waarschuwen? Hoeveel kinderen moeten nog slachtoffer worden? Het wordt tijd dat iemand de verantwoordelijkheid neemt en dat er eindelijk regie komt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een vraag. Meneer Ceder, gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik deel dat die verschrikkingen nooit hadden mogen plaatsvinden en dat we te maken hebben met een falend systeem. Sterker nog, ik denk dat de Staat gewoon niet kan garanderen dat iemand er beter van wordt als die uit huis wordt geplaatst. Dat is een ernstige situatie. Ik heb wel moeite met het debat dat we hier vaak voeren als we het hebben over organisaties waar mensen werken die juist voor dit vak hebben gekozen omdat ze kinderen willen helpen. Ik verwerp de misstanden, ik verwerp ook de pleegouders en alle betrokkenen. Die moeten ook aangepakt worden, strafrechtelijk en op alle mogelijke wijzen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mijn vraag is of de heer El Abassi wel, met mij, van mening is dat door het zo benoemen van een hele organisatie, we ook medewerkers — van wie er sommigen zitten te kijken — die met passie voor dit vak hebben gekozen, delegitimeren en we het werk misschien zelfs minder aantrekkelijk maken in een sector waar we al schrijnende tekorten hebben.
De heer El Abassi (DENK):
Zoals in elk debat geldt het volgende. Als we kritiek hebben op apparaten of instituties zoals bijvoorbeeld de politie, dan waardeer ik nog steeds het werk van onze politie. Maar als dit soort gruwelijke misstanden plaatsvinden, moeten we dat in dit huis benoemen. Het komt over alsof mijn vingers met name zijn gericht op de William Schrikker Stichting, maar dat is niet mijn bedoeling van vandaag en niet mijn bedoeling in eerdere debatten. Los van het feit dat ze een onvoldoende hebben gescoord en dat het daar vaker fout gaat, vind ik dat wij hier in dit huis … Ik wijs dus niet naar stichtingen, ik wijs om te beginnen naar onszelf en zeker naar dit kabinet om met oplossingen te komen. We zien keer op keer waar het fout gaat. We kunnen maatregelen nemen, er zijn tal van onderzoeken, aanbevelingen en conclusies die we kunnen overnemen. We doen dat keer op keer niet. Dan komen er weer gevallen en dan schrikken we weer — Schrikker we weer — keer op keer, zou ik willen zeggen via de voorzitter.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank aan mijn collega voor het plaatsen van een nuancering. Ik krijg uit werkbezoeken of in gesprekken vaak terug dat mensen voor het werken in de jeugdzorg hebben gekozen, met passie voor het vak. Zij vinden het ingewikkeld dat bij een incident — of incidenten, het zijn er veel te veel — vervolgens de hele sector of een hele organisatie aangesproken lijkt te worden. Dat maakt het ook minder aantrekkelijk om daar überhaupt langer aan de slag te gaan. Los van het stelsel en het geld, weten we dat een van de problemen het tekort aan mensen is. Dat is een factor. Ik wil meegeven dat het dan niet helpt als we in het debat over organisaties spreken alsof eenieder die daar met liefde voor kinderen staat te werken in het verdachtenbankje wordt geplaatst. Dat wilde ik nog even meegeven.
De voorzitter:
Ook het meegeven van zaken mag binnen 30 seconden, meneer Ceder.
De heer El Abassi (DENK):
Zeer zeker. Ik was al door mijn tijd heen, maar de heer Ceder geeft mij nu ook de gelegenheid om buiten de tijd om nog een keer aan de mensen die dit werk met veel liefde en passie doen, mee te geven dat ik ze alleen maar wil complimenteren. Ik waardeer enorm wat ze doen. Tegelijkertijd denk ik wel dat wij verschillen als het gaat om aansprakelijkheid. Ik denk dat stichtingen aansprakelijk gesteld moeten kunnen worden. De manier waarop we nu omgaan met verschillende casussen waarbij niemand regie neemt, waarbij niemand aansprakelijk is, maakt dat ik niet in dat systeem geloof. Ik geloof dat een stichting aansprakelijk moet kunnen zijn. Ik geloof dat iemand de regie moet nemen. Anders krijg je iedere keer weer dat stichtingen naar elkaar verwijzen, dat niemand de regie neemt en dat we achteraf hier weer schrikken maar dat niemand verantwoordelijkheid neemt. Ik denk dat we dat niet moeten hebben in dit land.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Helemaal mee eens. Niemand neemt de verantwoordelijkheid en ook het bestuur van de William Schrikker Stichting is naar aanleiding van de vreselijke incidenten niet opgestapt. Wat vindt de heer El Abassi daarvan?
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij was de heer Van Houwelingen al hierheen gelopen toen hij het laatste stuk van mijn betoog hoorde, namelijk dat ik inderdaad pleit voor aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid. Ik vind dat stichtingen, dus ook de William Schrikker Stichting, hier niet zomaar vanaf kunnen komen. Ik vind wel dat dit primair hier in dit huis begint. Wij moeten regels opstellen. Wij moeten ervoor zorgen dat er een regiehouder komt en dat we helder duiden wie er in welke gevallen aansprakelijk is. Dit betekent dat als dit soort misstanden gebeuren bij stichtingen — ook bij de William Schrikker Stichting, die ook heel veel dingen goed doet — zij daar echt aansprakelijk voor gesteld moeten worden. Dat geldt niet alleen voor de William Schrikker Stichting.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Daar ben ik het helemaal mee eens. Maar de raad van toezicht heeft het bestuur laten zitten. Ik concludeer dan maar dat er binnen het bestuur — ik heb het niet over de medewerkers — blijkbaar weinig zelfreinigend vermogen aanwezig is. Zou dan bijvoorbeeld, om een suggestie te doen, de inspectie in dat geval de directie ook niet moeten kunnen ontslaan, als er blijkbaar geen zelfreinigend vermogen is? Die bevoegdheid heeft de inspectie nu niet.
De heer El Abassi (DENK):
Als de heer Van Houwelingen in een motie pleit voor een onderzoek naar de misstanden binnen de William Schrikker Stichting en dat, als geconstateerd wordt dat daar verwijtbare misstanden hebben plaatsgevonden, dit moet leiden tot bijvoorbeeld het ontslag van het bestuur, dan steun ik die motie van harte. Dat durf ik hier vanachter de katheder te zeggen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
We zijn het volgens mij helemaal eens, maar het punt is alleen dat er vervolgens niks gebeurt. Dat is in dat rapport ook geconcludeerd. Ik heb dezelfde irritatie die u heeft. Mijn vraag is: moeten we dan iets optuigen waardoor bijvoorbeeld de inspectie kan zeggen "sorry jongens, jullie hebben er zo'n bende van gemaakt, nu moeten jullie wegwezen"? Kan er dan ergens van buitenaf — waar ik normaal tegen ben — worden ingegrepen?
De heer El Abassi (DENK):
Eens. Tegelijkertijd moeten we ook nadenken over wie het dan overneemt en hoe we voorkomen dat het de volgende keer weer gebeurt. Ik ben het dus helemaal eens met de heer Van Houwelingen. Tegelijkertijd ligt het genuanceerder dan de heer Van Houwelingen hier vertelt.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we nu aangekomen bij een bijzonder moment, want onze collega mevrouw Van Groningen, die spreekt namens de VVD, houdt haar maidenspeech. Zij heeft aangegeven aan het eind van haar betoog interrupties te verwelkomen. Ik heet ook de familie in de loge hartelijk welkom. Graag geef ik mevrouw Van Groningen het woord. Gaat uw gang.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het is een voorrecht om hier vandaag te mogen staan. Terwijl ik hier voor het eerst sta, besef ik dat eenieder van u hier ooit voor het eerst heeft gestaan. Wellicht was u toen, net zoals ik nu, zoals u kunt horen, een beetje gespannen. Ondanks dat elk verhaal van u destijds anders was, delen we allemaal dezelfde wens om ons Nederland een stukje mooier te maken. Ik wens ons dan ook toe dat we vandaag vanuit die passie dit debat met elkaar voeren.
Voorzitter. Dan neem ik u graag mee in waarom ik hier vandaag sta. Als klein meisje groeide ik op in een VVD-nest met twee werkende ouders, waar zelfredzaamheid en ook een goede discussie vanzelfsprekend waren. Aan onze keukentafel werd vaak gesproken over de samenleving en over politiek. Dat vond ik erg interessant, al wist ik toen nog niet dat ik hier ooit zou staan.
Destijds wilde ik drie dingen worden. Ik wilde dokter worden, net zoals mijn geliefde opa, rechter of politicus. Drie verschillende beroepen met één overeenkomst: mensen helpen om hun wereld een stukje mooier te maken. Voorzitter, ik hoef u niet uit te leggen welke van de drie het is geworden.
De drang om de wereld wat mooier te maken kwam niet zomaar. Als jong meisje raakte het mij als iemand niet werd gezien of werd gehoord. En waarom? Omdat ik dat gevoel heel goed zelf kende. Als kind werd ik jaren gepest, op de lagere school, op de middelbare school en ook nog even daarna. Dus ik weet hoe het voelt om buitengesloten te worden, hoe het voelt om niet gezien te worden en het gevoel te hebben dat jouw stem er niet toe doet. Dat gevoel, die machteloosheid, doet iets met een mens.
Voorzitter. Deze ervaringen hebben mij ook geleerd om dicht bij mezelf te blijven, ook al was dat niet altijd makkelijk. Maar vanuit mijn positieve levensinstelling ontstond de drive om te verbinden, om echt te luisteren naar mensen en om op te staan tegen onrecht, om echt eerlijk te zijn en verantwoordelijkheid te nemen in plaats van langs de zijlijn te staan en te kijken. Want iedereen verdient het om gezien en gehoord te worden. Met een steuntje in mijn rug van mijn lieve man Martijn, die hier vandaag ook aanwezig is, zette ik in 2018 de stap naar de lokale politiek in Rotterdam. Hier heb ik de afgelopen acht jaar vanuit die positieve overtuiging mijn werk ingezet. Ik heb daarmee ondernemers en Rotterdammers ook een stem gegeven. Wat mij betreft is dat echt een belangrijk uitgangspunt voor een debat zoals we dat vandaag voeren over de jeugdzorg, aangezien het er voor zo veel kinderen en gezinnen om draait dat ze gezien worden, gehoord worden en geholpen worden.
Voorzitter. Dit onderwerp raakt veel mensen. Het raakt ook mij als mens, als moeder van twee prachtige kinderen, Pico en Amee, die vandaag overigens op school zitten, en als Kamerlid. Achter iedere wachtlijst schuilt namelijk een kind dat zich niet gezien voelt of een ouder die zich machteloos voelt. Neem Jaimy. Toen hij 18 jaar werd viel hij tussen wal en schip, zonder passende begeleiding. Of neem Sam, die tijdens de petitie twee weken geleden vertelde dat hij zich na een uithuisplaatsing zo ongehoord voelde dat hij zichzelf iets aandeed. Of neem Micky, die met ernstige anorexia niet de hulp kreeg die zij nodig had, maar het geluk had dat zij ouders had met tijd en geld om hun zorg zelf te organiseren. Dat mogen wij nooit normaal vinden.
Voorzitter. Soms denk ik: pak een blanco vel papier en maak een nieuw jeugdzorgstelsel, met het kind centraal en het gezin daaromheen. Die tijd hebben we echter niet. Het systeem staat onder druk en kinderen hebben nu hulp en zorg nodig. Ik zie dat de minister stappen zet en ook wil doorpakken. Dat willen wij ook. Wat de VVD betreft gaan we aan de slag met het uitvoeren van de Hervormingsagenda Jeugd en maken we ook vaart met de reikwijdtewet, die de sector echt verder moet gaan helpen. Daarom wil ik van de minister weten wanneer deze wet naar de Kamer wordt gestuurd en op welke manier we de vaart erin houden.
Voorzitter. Als we passende zorg willen blijven bieden, moeten we duidelijke keuzes maken. Elke vraag verdient een passend antwoord, maar niet elke hulpvraag is een zorgvraag. Hulpvragen in het kader van huiswerkbegeleiding, faalangst of lichte dyslexie horen wat de VVD betreft thuis in het sociaalpedagogische domein, zodat specialistische jeugdzorg beschikbaar blijft voor kinderen die de hulp echt nodig hebben. Hoe gaat de minister deze afbakening verankeren in de AMvB en welk afwegingskader gaat ze daarbij hanteren?
Voorzitter. Complexe hulpvragen blijven wat ons betreft te lang liggen. Het voelt als een oneindige estafette, waarbij we het stokje steeds doorgeven, met als resultaat dat kinderen met een zware depressie, anorexia of suïcidaliteit vaak langer moeten wachten op passende hulp. Ons systeem werkt niet voor hen, terwijl we er moeten zijn voor die kinderen in nood. Dat mogen we niet langer accepteren. Wat gaat de minister doen om jongeren met complexe problematiek sneller passende zorg te bieden? Wat gaat ze doen om wachtlijsten terug te dringen? Ziet ze daarbij kansen voor innovatie en digitalisering van intake en diagnostiek?
Voorzitter. De VVD vindt dat we echt eerlijk moeten zijn: niet iedere tegenslag vraagt om professionele zorg, niet alles is maakbaar en een beetje weerstand is gezond. En laten we niet vergeten dat niet de overheid, maar ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Tegelijkertijd zien we dat ouders bij jeugdhulp juist te vaak aan de zijlijn staan, terwijl problemen niet alleen het kind, maar het hele gezin raken. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat gezinnen meer centraal komen te staan en hoe voorkomt zij dat specialistische jeugdzorg wordt ingezet terwijl het inzetten van opvoedingsondersteuning of het sociale netwerk veel beter helpt?
Voorzitter. De vreselijke gebeurtenissen in Oost-Groningen laten zien wat er gebeurt wanneer signalen wel worden gezien, maar niemand verantwoordelijkheid neemt. Wat de VVD betreft begint het bij het wegnemen van belemmeringen om informatie te delen. Dat is cruciaal en dat is wat het veld ook vraagt. Hoe heeft de minister dit nu gewaarborgd? Daarnaast moet glashelder zijn wie de regie voert wanneer het kind zich in een onveilige situatie bevindt. De VVD ziet daarbij een belangrijke rol voor Veilig Thuis, samen met stevige lokale teams, zoals we dat ook zien bij de aanpak van huiselijk geweld en femicide. Tegelijkertijd zien we regionaal grote verschillen. Daarom vraag ik de minister hoe zij ervoor zorgt dat overal in Nederland duidelijk is wie verantwoordelijk is en hoe zij voorkomt dat kinderen tussen organisaties, regels en systemen blijven hangen.
Voorzitter, tot slot. Kinderen verdienen het om gezien en gehoord te worden, en niet pas wanneer het misgaat. Zij verdienen passende hulp, een veilige omgeving en volwassenen die verantwoordelijkheid nemen wanneer het erop aankomt, zodat ieder kind de kans krijgt om veilig op te groeien, zich te ontwikkelen en gezien te worden. Daar zullen wij als politiek iedere dag voor moeten blijven vechten.
Dank u wel.
(Geroffel op bankjes)
De voorzitter:
Dat geeft aanleiding tot een vraag. Mevrouw Coenradie, gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank voor de mooie, persoonlijke maidenspeech. Het is leuk om elkaar hier in de Tweede Kamer opnieuw te treffen; we komen allebei uit het Rotterdamse. Wat ik heel mooi en treffend vind, is dat mevrouw Van Groningen aangeeft dat zij hier wil staan voor kinderen, die zich gezien moeten voelen en gehoord moeten voelen, zeker kinderen die in nood zijn. Ik ben daarom ook benieuwd of mevrouw Van Groningen het met mij eens is dat er op dit moment heel veel kinderen in nood zijn die zich niet gehoord of gezien voelen, waar wij nog geen zicht op hebben.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Dank voor deze vraag. Ik ben blij dat wij beiden het belang van het kind vooropstellen. Ik denk inderdaad dat er veel kinderen zijn die niet gezien worden. Dat zijn bijvoorbeeld thuiszitters. Dat is een groot probleem. We zien dat dat uiteindelijk ook leidt tot uitval en tot grotere zorgvragen. Daarom denk ik dat het goed is dat we met elkaar keuzes maken over wat wel en geen jeugdzorg moet zijn. Mijn collega Van den Hil, die waarschijnlijk vandaag meekijkt, noemde het al het "hekje" rondom de jeugdzorg, waarbij we heel duidelijk afkaderen wat die zorg moet zijn en wat niet, zodat we die kinderen in nood echt kunnen helpen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Als we dan kijken naar bijvoorbeeld het Vlaardingse pleegmeisje of de kinderen van Stadskanaal, dan heb ik een heel sterk vermoeden dat er nog veel meer van dit soort kinderen zijn die door een hel gaan, die nu op school zitten in angst dat ze straks weer naar huis toe moeten. Toch gaan ze naar huis, waar het helemaal niet zo pais en vree is. Is mevrouw Van Groningen het met mij eens dat wij zicht moeten hebben op deze kinderen?
Mevrouw Van Groningen (VVD):
In een ideale situatie hebben we zicht op al die kinderen, maar we weten ook dat dit hartstikke lastig is. Daarom is het, denk ik, goed dat we systemen gaan hervormen. Er liggen een hele hoop plannen. Volgens mij moeten we juist zij aan zij staan om te zorgen dat we die hervormingen snel doorvoeren, zodat we die kinderen beter in beeld krijgen.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Het is mevrouw Van Groningen ook bekend dat ik straks met een motie zal komen, waarin ik zal aangeven dat wij, met de wetenschap dat er heel veel van dit soort kinderen zijn die in een noodsituatie, die nú, vandaag, hier, morgen en de komende dagen moeten zien en horen. We moeten daarmee niet wachten tot er een hervormingsagenda is. Ik ben vooral benieuwd hoe mevrouw Van Groningen daarnaar kijkt.
Mevrouw Van Groningen (VVD):
Zoals u weet, doet de VVD nooit uitspraken over moties tijdens het debat. Daar zullen wij rustig naar kijken en dan maken we een afweging over wat we daarmee gaan doen. Ik deel wel uw zorg dat we die kinderen zo goed mogelijk in beeld moeten krijgen. Vandaar ook mijn vragen vandaag aan de minister over die informatiedeling, die ook heel cruciaal is om ervoor te zorgen dat als er signalen zijn, die snel en tijdig worden opgepakt.
De voorzitter:
Dan wil ik u danken en vooral van harte feliciteren met uw maidenspeech. Dat is altijd een heel bijzonder moment in deze zaal. Ik wil u ook van harte danken voor uw persoonlijke betrokkenheid. Het werd heel stil in de zaal, en ik denk dat dat de politiek altijd ten goede komt. Ik wil u vanaf deze plaats als eerste feliciteren. Ik ga enkele ogenblikken schorsen, zodat u ook door al uw collega's gefeliciteerd kan worden.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het debat over de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Wij zijn toegekomen aan de inbreng van mevrouw Coenradie, die spreekt namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Als wij spreken over jeugdzorg, spreken wij over kinderen die vaak volledig afhankelijk zijn van volwassenen en van de overheid. Juist daarom moeten wij vandaag niet beginnen met structuren, stelsels en processen, maar moeten we beginnen met de kinderen die door datzelfde systeem in de steek worden gelaten. Helaas is er een eindeloze reeks aan misstanden bekend: signalen die niet werden opgepakt, meldcodes en protocollen die niet werden gevolgd, dossiers die niet op orde waren, overdrachten die niet plaatsvonden, gebrek aan regie en informatie-uitwisseling tussen instanties, en recent opnieuw jongeren die terechtkomen op vakantieparken of andere noodlocaties omdat passende zorg ontbreekt.
Voorzitter. Dit zijn geen incidenten meer. Als dezelfde fouten zich jaar na jaar blijven herhalen, hebben we een probleem van een falend systeem, falende uitvoering, falende cultuur en falend toezicht. Te vaak wordt gewezen op personeelstekorten of werkdruk, maar deze misstanden zijn niet uitsluitend gevolgen van een tekort aan geld, maar ook van fundamentele problemen binnen organisaties. Daarom wil JA21 een onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen.
Voorzitter. Wij zien nu vooral de excessen, de zaken die het nieuws halen en de zaken waarvan inspecties achteraf constateren dat het ernstig mis is gegaan. We willen echter juist weten hoeveel vergelijkbare situaties er vandaag de dag nog aan de gang zijn die nog niet zijn geëscaleerd. Juist daarom moet het doel van een onafhankelijk onderzoek niet alleen zijn om terug te kijken naar incidenten, maar vooral om risico's vroegtijdig te herkennen en toekomstige zaken zoals in Vlaardingen en Stadskanaal te voorkomen. We beschikken immers over meerdere inspectierapporten waarin steeds dezelfde patronen terugkomen. Het gaat vaak niet om één fout moment, maar om een opeenstapeling van voorspelbare signalen en fouten van verschillende instanties die onvoldoende werden opgepakt. Daarom is vooral de vraag: waar zien we vandaag dezelfde risicopatronen terug?
JA21 wil daarom een extern onderzoek waarbij niet alleen naar beleid wordt gekeken, maar ook naar dossiers, overdrachten, opvolging van signalen, naleving van meldcodes en protocollen, en de kwaliteit van besluitvorming binnen organisaties zoals Veilig Thuis, de jeugdbescherming, de Raad voor de Kinderbescherming en andere uitvoeringsorganisaties en GI's. Is de minister bereid een dergelijke onafhankelijke risicoanalyse van de gehele jeugdbeschermingsketen uit te laten voeren?
Voorzitter. Dan de gesloten jeugdzorg. JA21 begrijpt de wens om gesloten plaatsingen af te bouwen. Gesloten jeugdzorg moet altijd een uiterst middel zijn. Maar goed beleid begint bij de werkelijkheid en niet bij een wensbeeld. De werkelijkheid is dat de capaciteit sneller wordt afgebouwd dan alternatieven worden opgebouwd. Reguliere instellingen geven aan dat zij jongeren met de zwaarste problematiek vaak niet kunnen of willen plaatsen. Gemeenten worden daardoor gedwongen tot noodconstructies met een-op-een- of zelfs twee-op-eenbegeleiding, terwijl dit vaak geen effectieve hulp is voor deze kinderen. De kosten daarvan lopen geregeld op tot tonnen en soms zelf miljoenen per jongere per jaar. Dat is niet alleen financieel onverantwoord en onhoudbaar voor gemeentes, maar het laat vooral zien dat het systeem onvoldoende passende plekken beschikbaar heeft voor de groep die deze zorg het hardst nodig heeft. Mijn vragen aan de minister zijn daarom helder. Erkent zij dat er regio's zijn waar de afbouw van gesloten capaciteit sneller verloopt dan de ontwikkeling van alternatieven? Hoeveel jongeren verblijven momenteel in tijdelijke noodvoorzieningen omdat een passende plek ontbreekt? Heeft de minister in beeld hoe vaak deze kinderen gemiddeld al zijn doorgeplaatst?
Voorzitter. Inmiddels ontvangen bijna een half miljoen jongeren jeugdhulp. Dat is meer dan een op de tien jongeren in Nederland. Tegelijkertijd zien gemeenten oplopende tekorten en staan specialistische voorzieningen onder druk. Steeds meer kinderen komen in het systeem terecht met een lichte hulpvraag terwijl de zwaarste gevallen steeds moeilijker passende hulp krijgen. JA21 vindt dat we eindelijk moeten durven kijken naar de financiële prikkels binnen het stelsel. Waarom groeit de lichte jeugdhulp zo hard? Hoeveel aanbieders zijn actief in dit segment? Hoeveel publiek geld gaat verloren aan versnippering, overhead en onvoldoende bewezen interventies?
Want achter iedere statistiek zit een kind, een kind dat recht heeft op meer dan goede bedoelingen. Een kind heeft recht op een overheid die doet wat zij belooft, die fouten durft te erkennen en die de veiligheid altijd vooropstelt.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren ... Nee, dat gaan we nog niet. Ik dacht dat we gingen luisteren naar de heer Hamstra. Dat gaan we ook doen, maar dan middels een interruptie.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, voorzitter, ik doe het eerst nog even vanaf deze kant. Het laatste deel van het betoog van mevrouw Coenradie ging over jeugdhulp. Perverse prikkels uit het systeem halen is een onderdeel van het beteugelen daarvan, in mijn bewoording. Ik denk dat we elkaar daarin kunnen vinden. Later dit jaar of begin volgend jaar gaan we ook nog praten over de Wet reikwijdte. Hoe ziet mevrouw Coenradie de afbakening van die lichte jeugdhulp in relatie tot de wat zwaardere gevallen in de jeugdzorg?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Een terechte vraag. Daar waar het echt nodig is, moeten we jeugdhulp kunnen bieden, maar het is de vraag in hoeverre dat in de toekomst houdbaar is. Als ik vanuit de praktijk voorbeelden zie en hoor waarin kinderen al heel snel — we kunnen zelfs zeggen dat ze eigenlijk nog niet echt problemen hebben, bijvoorbeeld bij een vorm van dyslexie — gebruik kunnen maken van de Wmo en daarmee in de jeugdzorg belanden, vraag ik mij heel erg af of die pot geld wel daarvoor bedoeld is, kijkend naar de lange termijn en ervan uitgaand dat we de jeugdhulp houdbaar willen houden voor de kinderen die de jeugdhulp echt heel hard nodig hebben. De vraag stellen is een beetje de vraag beantwoorden. Ik denk dat we daarvoor met elkaar ook de gesprekken over de ethische kwestie moeten gaan voeren.
De heer Hamstra (CDA):
Een vervolgvraag: hoor ik mevrouw Coenradie zeggen dat als wij straks bij de behandeling van de Wet reikwijdte over de afbakening gaan praten, de lichte opvoedondersteuning, dyslexie et cetera wat haar betreft geen onderdeel meer zijn van de jeugdzorg en ergens anders opgelost kunnen worden en dat we de jeugdzorg beschikbaar houden voor degenen die de jeugdzorg echt nodig hebben? Heb ik mevrouw Coenradie dan goed begrepen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, dat is kort gezegd inderdaad het antwoord.
De heer Stoffer (SGP):
Als ik goed luister, hoor ik mevrouw Coenradie pleiten voor een onafhankelijke doorlichting van de jeugdbeschermingsketen. Dat zou ik me op zich best voor kunnen stellen, maar er liggen ook al heel wat rapporten van de inspectie. Zou mevrouw Coenradie misschien wat meer kunnen zeggen over wat dat volgens haar extra zou kunnen opleveren ten opzichte van alles wat we al hebben?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dank aan de heer Stoffer voor deze vraag. Ik vind het belangrijk dat we … Laat ik even vooropstellen dat ik als staatssecretaris dat uitgebreide inspectierapport over het Vlaardingse pleegmeisje heb gelezen. Wat ik daarin las, vond ik verschrikkelijk. Toen dacht ik: dat moeten we nooit meer willen. Ik weet dat de Kamer eensgezind is op dit onderwerp: natuurlijk willen we dit allemaal nooit meer. Maar ik weet ook dat op dit moment nog veel meer kinderen door een hel gaan, die nu een basisschoolklas zitten en die denken: ik moet straks naar huis, maar ik durf niet, want ik weet wat mij te wachten staat. Ik zou graag willen dat we met dit onderzoek, met alles wat we geleerd hebben uit de inspectierapporten, vooral op casusniveau gaan kijken waar deze risico's weer zitten en waar die risicokinderen en die risicogezinnen zitten. Het is echt een enorme klus om die eruit te halen. Dat realiseer ik me, maar ik zou graag willen dat echt op casusniveau die casussen eruit worden gehaald en dat daar actie op wordt gezet. Het bestaat voor mij gewoon niet dat ik hier als volksvertegenwoordiger sta in de wetenschap dat er op dit moment ontzettend veel kinderen in nood zitten en dat we daar gewoon niet adequaat op kunnen reageren. Dat vraagt niet alleen systeemveranderingen en inderdaad talloze onderzoeken. Als we dit op een heel andere manier, casusgericht, kunnen aanpakken, zouden we kinderen as we speak kunnen redden. Die overtuiging heb ik.
De heer Stoffer (SGP):
Als ik het goed begrijp, zegt mevrouw Coenradie niet dat we nieuwe onderzoeken en dergelijke moeten doen, maar dat we op casusniveau dingen moeten bekijken en dan gelijk moeten handelen. Dat is dus eigenlijk gewoon handelingsgericht doorlichten. Dan zijn we dus niet eerst nog een jaar bezig met onderzoeken, maar komt er direct actie om te voorkomen dat er nog meer van deze hele moeilijke situaties komen waarvan we volgens mij allemaal vinden dat die niet kunnen maar die helaas wel bestaan. Ik heb toch goed begrepen dat mevrouw Coenradie daarvoor pleit?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat is inderdaad waar ik voor pleit. In mijn ideale wereld gaat er morgen gewoon iemand achter de computer zitten die zegt: "Oké, we kennen de alarmsignalen en we kennen al die patronen. Bij welke casussen is dit nu aan de hand? Welke kinderen hadden nooit uit huis geplaatst moeten worden en welke kinderen lopen risico omdat ze al een paar keer zelf een melding hebben gedaan? Daar gaan we ons nu adequaat op richten." Die doorlichting zou ik heel graag door die hele keten willen, omdat ik zeker weet dat er nog veel meer aan de hand is en omdat we nu gewoon wachten tot de volgende excessen, want we zijn in deze Kamer steeds maar alleen die excessen aan het behandelen, terwijl we weten dat er veel meer onder ligt en dat er nog veel meer aanwezig is.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Volgens mij zouden we precies daarom in de Kamer juist moeten hameren op wetgeving, want ik ben het met mevrouw Coenradie eens dat je dat zou willen doorlichten, maar volgens mij heeft de inspectie dat ook gedaan, vanaf 2019, met die rapporten over Signalen Jeugdbeschermingsketen. Daarin geeft de inspectie aan, ook aan de hand van concrete, geanonimiseerde situaties, dat kinderen in onveilige situaties verkeren en blijven. Op een gegeven moment heeft de inspectie gezegd: wij sturen jullie dat de hele tijd toe, Tweede Kamer, maar er gebeurt maar niks en onze handhavingsinstrumenten zijn uitgeput. Mijn vraag is dus of dit onderzoek waar mevrouw Coenradie om vraagt niet precies is wat de inspectie eigenlijk al jaren doet.
Mevrouw Coenradie (JA21):
In mijn motie beoog ik ook dat het niet de inspectie is, maar echt een andere partij die er met een frisse blik naar kijkt en hier echt op casusniveau doorheen gaat. Of dat hetzelfde is? Nou, nee, want er zullen andere uitkomsten bij komen kijken. Dan was de casus van het Vlaardingse pleegmeisje misschien naar boven gekomen. Dan was de casus van Stadskanaal eerder naar boven gekomen. Dan was de casus in Groningen ook eerder naar boven gekomen. Dan waren er veel meer casussen naar boven gekomen. Ik weet zeker dat we niet alles hebben doorgelicht op een manier zoals het wel zou moeten. Dan is ook de vraag of echt alles boven tafel is. Ik weet gewoon honderd procent zeker — ik durf dat bijna te zweren — dat we het hier als Kamer met elkaar eens zijn dat we op dit moment echt niet alle kinderen compleet in beeld hebben en dat we daarmee dus ook niet alle kinderen helpen.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Dat weet ik ook zeker. Dat weten we, denk ik, allemaal zeker. Sterker nog, in het debat over het Vlaardingse pleegmeisje hebben we gezegd dat dit weer gaat gebeuren op het moment dat het stelsel niet wordt aangepakt. Alleen zit dáár het probleem, dus dat we allemaal weten dat het misgaat en mis blijft gaan en dat we, vrees ik, ergens komende maand nog weer zo'n afschuwelijk bericht zullen krijgen, hopelijk niet zo ernstig als in Stadskanaal. En het probleem is dat de inspectie zegt dat hun handhavingsinstrumenten zijn uitgeput en het kabinet het stelsel moet gaan herzien en dat dat na al die jaren niet gebeurt. Mijn pleidooi is niet dat we hiermee moeten stoppen, maar dat we als Kamer door moeten pakken en eindelijk dat stelsel moeten herzien, zodat die professionals en de inspectie toezicht kunnen houden en we niet elke keer dingen opnieuw hoeven te constateren die we allang met elkaar weten en waar we dus te weinig aan doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
In mijn ideale blik, in deze motie, blijkt uit zo'n onderzoek — laten we het zo noemen — bij welk gezin, bij welk kind, het problematisch is en er dus direct actie op moet komen. Dat verwacht ik op het moment dat er zo'n onderzoek plaatsvindt. En nee, dat kost geen jaar. Dat kost geen paar jaren. Dat is gewoon een kwestie van direct kijken waar we dezelfde signalen zien als bij het Vlaardingse pleegmeisje, waarvan we met de wetenschap van nu weten dat de Raad voor de Kinderbescherming nooit had moeten bepalen dat het in dít pleeggezin geplaatst had moeten worden. Er waren drie signalen gemist. Dat is heel kwalijk. Ik weet gewoon zeker dat er op dit moment nog veel meer kinderen in deze situatie zitten die allemaal niet gehoord en niet gezien worden. Dus nee, het handhavingsstelsel is niet uitgeput. We moeten gewoon eens heel erg op de manier van "aap eet banaan" naar dit soort dossiers kijken.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Mijn punt is dat dit allemaal bekend is, maar dat het alleen niet kan worden opgevolgd door alle problemen. Dát is volgens mij het probleem. Het is dus niet een kwestie van opnieuw zoeken waar die problemen zitten, want dat weten we. We weten dat kinderen in onveilige situaties zitten. Dat wéten we. Alleen wordt het vervolgens niet opgevolgd en ik denk dat daar het probleem zit. Ik heb dus de indruk dat we het met elkaar eens zijn over het probleem, maar misschien hier niet over de oplossing.
Mevrouw Coenradie (JA21):
We weten inderdaad dat er kinderen in onveilige situaties zitten, maar we weten niet waar ze zitten en welke kinderen het zijn. Dat weten we niet. En als we dat weten is het, vind ik, aan de instanties die erbij betrokken zijn om zo snel mogelijk te gaan schakelen en bijvoorbeeld een onaangekondigd huisbezoek af te leggen. Dat gebeurt nu allemaal niet. Maar als die casussen naar boven komen en er gezegd wordt "daar en daar gaat het niet goed", moet het toch niet moeilijk zijn om op dat moment ook te zeggen: oké, dan ga je daar als de wiedeweerga naartoe?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat ik met mevrouw Coenradie de urgentie deel dat elk onveilig kind onderzocht moet worden. Ik probeer uw motie te begrijpen, omdat ik die ook goed wil appreciëren. Mevrouw Coenradie geeft aan dat er een doorlichting met komen van pleegouders, maar dat dit niet door de inspectie zou moeten gebeuren, die deze taak in principe heeft, maar door een andere instantie. Wie zou dat dan moeten zijn en welke mensen worden daar dan op gezet? We hebben namelijk overal een tekort. Ik ben dus even benieuwd hoe dit volgens u praktisch zou moeten werken en wie het zou moeten doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dat is een hele goeie vraag. Ik zou willen dat dit een partij is die onafhankelijk, maar natuurlijk wel met expertise en kennis, naar dit soort zaken gaat kijken en die gewoon kan zeggen: oké, we gaan achter de computer zitten en we gaan gewoon eens door al jullie casussen heen, waarbij we niet alleen kijken naar processen, protocollen en meldcodes en of medewerkers zich daaraan houden, maar we ook simpelweg kijken waar op dit moment de alarmsignalen zitten. Dat gaat dan van: o, wacht eens eventjes, dat is bij Pietje Puk en die woont dáár, dus dan moeten we daar actie op richten. Zo ga je door een systeem heen. Misschien denk ik veel te simpel, maar deze manier van simpel denken is misschien wel de manier waarop we nu, in het hier en nu, kinderen uit noodsituaties kunnen halen. Dan heb ik het dus niet alleen over de toekomst en de lange termijn. Die behoefte heb ik hier enorm, want ik sta hier als volksvertegenwoordiger.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit insinueert dat dit momenteel eigenlijk niet of onvoldoende gedaan wordt door de bevoegde instanties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en andere organisaties. Ik denk dat er inderdaad meer boven water zou moeten komen. Maar alles en iedereen doorlichten zou misschien wel een verkapte motie van wantrouwen zijn tegen alle protocollen en mensen die hun best proberen te doen in een stelsel dat niet goed gaat. Er is ook een schrijnend tekort aan pleegouders. Laten we dat ook vooropstellen.
De voorzitter:
En uw vraag, meneer Ceder?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Waarom vindt mevrouw Coenradie het niet veel beter om de instanties die nu al bevoegd en verantwoordelijk zijn, te vragen om opnieuw die check te doen, in plaats van een andere partij, waarvan we niet weten welke dat is? We weten niet of die de expertise heeft om daarbovenop te zitten.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben wel bereid om daarover na te denken als dat de ChristenUnie over de streep trekt om in deze motie mee te gaan. Voor mij is het: het doel heiligt de middelen. Daar ben ik vrij simpel in. Het maakt me niet uit wie wat doet — nou, wel wát men doet — als het maar gisteren gebeurt. Het gaat erom dat we zicht hebben op die kinderen en dat we vanuit zicht actie kunnen ondernemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik ga de motie lezen.
De voorzitter:
We gaan straks ook schorsen voor de lunch. Dat is misschien ook een heel goed moment.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Volgens mij delen wij allemaal de wens om de kwetsbaarste kinderen beter te beschermen. Nog even los van het voorstel dat mevrouw Coenradie net deed: ik denk dat het ook heel erg kan helpen als we de signalen van kinderen op voorhand veel serieuzer nemen. Dat zagen we bij Vlaardingen. Dat zagen we bij Stadskanaal. Daar komen we ook met initiatiefwetgeving voor. Vinden we JA21 aan onze zijde als we daarmee aan de slag gaan?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Een volmondig "ja". Een volmondig "ja". Ik heb in een recente bijdrage in een debat ook aangegeven dat we het kind vooral meer moeten aanhoren, en niet alleen aanhoren maar ook eerder moeten spreken. We moeten het kind serieus nemen en we moeten het apart kunnen spreken, et cetera. We zien terug in inspectierapporten dat het daar veelvuldig misgaat, waaronder bij het Vlaardingse pleegmeisje, dat dus niet gehoord en gezien werd, wat ze ook deed. Dus van harte steun. We kijken enorm uit naar dit initiatief.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu wel luisteren naar de heer Hamstra. Hij spreekt namens de fractie van het CDA. Gaat uw gang.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Mijn vaderhart huilt bij het lezen van de hartverscheurende tragedies die de afgelopen decennia in de jeugdzorg hebben plaatsgevonden: kwetsbare jongeren die waren vastgelopen en die om hulp vroegen, maar voor wie de hulp te laat kwam of waarvoor de hulp niet passend was. Ze vroegen om veiligheid, maar kregen nog meer onveiligheid.
Het is terecht dat de samenleving zich afvraagt: wanneer is het genoeg? De problemen in de jeugdzorg stapelen zich op. Het stelsel is volledig vastgelopen. Er is te weinig personeel om de huidige vraag aan te kunnen. Wachtlijsten lopen op. Gemeenten geven aan dat ze te weinig geld hebben. Inspecties trekken aan de bel dat het zo echt niet langer kan. Dat moet anders.
Voorzitter. In 2025 maakten meer dan 470.000 jongeren gebruik van een vorm van jeugdzorg, dus dat is 1 op de 7, terwijl dat in het begin van deze eeuw nog 1 op de 27 was. Dat is niet alleen onhoudbaar, dat is ook onacceptabel. Het CDA gelooft namelijk niet dat 1 op de 7 jongeren, in elke klas dus 4, een probleem heeft dat thuishoort in de jeugdzorg. De bandbreedte van wat wij problematisch vinden is breder dan de gehanteerde norm. De samenleving is namelijk pluriform, veelzijdig en veelkleurig. Pas als we dat omarmen, komen we tot het besef dat niet ieder kind dat afwijkt van de te smal genormeerde en gehanteerde norm een probleem heeft.
Voorzitter. Niet alle jeugdzorg is hetzelfde. Het gaat van lichte opvoedondersteuning tot jeugdbescherming, jeugdreclassering en alles wat daartussen zit. Maar op dit moment zien we daar een grote disbalans in. De relatief lichte vorm van hulpvragen vraagt en krijgt veel aandacht en middelen, terwijl de zwaarste vormen van jeugdzorg en jeugdbescherming onder druk komen te staan. Daarom moeten we kritisch kijken naar wat er daadwerkelijk onder jeugdzorg valt. Niet elke tegenslag in het opgroeien vraagt om professionele jeugdzorg. Sommige vragen horen eerder thuis in de opvoeding, bij een vereniging of gewoon in het sociale netwerk. Daarom heeft het CDA al eerder gepleit voor het versterken van en het investeren in de pedagogische civil society. In dat kader vragen we aan de minister wanneer de Wet reikwijdte Jeugdwet naar de Kamer wordt gestuurd; dat is al eerder gevraagd. Kan de minister aangeven hoe zij kijkt naar de reacties naar aanleiding van de internetconsultatie in relatie tot de wet die zij uiteindelijk naar de Kamer wil sturen?
Voorzitter. De jeugdzorg van de toekomst is voor de meest kwetsbare kinderen. Zij moeten kunnen rekenen op de zorg en onze bescherming. In eerste instantie hebben we het dan over de 42.000 kinderen die momenteel in de jeugdbescherming en jeugdreclassering zitten. Juist voor deze kinderen moet helder zijn welke koers we kiezen en welke bescherming we willen bieden. Toekomstscenario's en proeftuinen liggen er al, maar er wordt al lange tijd over gesproken zonder dat duidelijk is wat we concreet gaan doen en waartoe dit concreet moet gaan leiden. Daarom vraag ik aan de minister wat het perspectief voor de jeugdbescherming is. Waar werken we naartoe? Hoe wordt dit zichtbaar in beleid en uitvoering, en vooral: hoe wordt dit merkbaar voor de jongeren zelf? Kan de minister aangeven welke concrete stappen zij wil gaan nemen?
Voorzitter. De afgelopen drie jaar zijn jongeren met zware problematiek door capaciteitsgebrek ondergebracht op vakantieparken en andere tijdelijke locaties. Dat is natuurlijk een zeer onwenselijke situatie. Inspectierapporten waarschuwen al jaren dat de situatie onhoudbaar is. De conclusie is helder: signalen en noodoproepen worden nog altijd niet snel genoeg opgepakt. Welke van de in de inspectierapporten genoemde stappen zijn sindsdien gezet, vraag ik aan de minister. Partners in de keten werken nog te weinig samen en gegevensdeling blijft moeizaam. Wat kan de minister concreet doen om die samenwerking en gegevensdeling te verbeteren?
De afschuwelijke gebeurtenis in Stadskanaal laat zien hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn als signalen te laat worden opgepakt. Verdere conclusies trekt het CDA pas na de onderzoeken van de inspectie, want pas dan is de Kamer aan zet. Mijn vraag aan de minister is wanneer we deze kunnen verwachten.
Het is duidelijk dat de jeugdzorg en jeugdbescherming kampen met personeelstekorten. Die gevolgen zijn ook zichtbaar in de rechtszaal. Rechters luiden al langer de noodklok, omdat het gebrek aan hulp steeds vaker wordt meegewogen in hun beslissingen. Soms wordt zelfs geen gedwongen maatregel opgelegd door een tekort aan jeugdbeschermers en beschikbare plaatsen. Wat is de reactie van de minister op het feit dat rechters hun oordeel moeten aanpassen aan de schaarste in de uitvoering?
Voorzitter. We mogen nooit vergeten dat het om jongeren gaat. Hun welzijn moet altijd centraal staan. Toch zien we dat jongeren die zelf mishandeling melden bij Veilig Thuis niet altijd serieus worden genomen en dat er soms eerst met ouders moet worden overlegd voordat er met de jongere wordt gesproken. Daarom heb ik enkele vragen aan de minister. Is het nu al mogelijk dat Veilig Thuis zonder toestemming van de ouders alleen met het kind spreekt? Vindt de minister dat van die mogelijkheid voldoende gebruik wordt gemaakt? Zou een aanpassing van de meldcode op dit punt sneller kunnen zijn dan een wetstraject? De kernvraag is of wat we nu doen voldoende is om de meest kwetsbaren echt te beschermen.
Voorzitter. We moeten echt een beetje bijtrekken, dus we kunnen aan de slag.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een aantal zeer bondige vragen.
Mevrouw Synhaeve (D66):
De minister gaat natuurlijk over haar eigen antwoorden, maar ik vermoed dat de minister zal zeggen dat het nu al kan. Bij acuut en dreigend gevaar mag Veilig Thuis het kind namelijk spreken zonder toestemming van de ouders. Alleen, de vraag is: wanneer is iets acuut en dreigend? Met de kennis van nu hadden we in Stadskanaal zeker kunnen zeggen dat als een kind aangeeft dat het door zijn moeder is geslagen met een bezemsteel en zichtbare verwondingen heeft, de situatie acuut en dreigend was. Moeten we niet met elkaar concluderen dat de wetgeving sowieso anders moet, zodat we kinderen beter beschermen en zodat we ervoor zorgen dat zij niet elke keer opnieuw hetzelfde verhaal hoeven te vertellen?
De heer Hamstra (CDA):
Dat is een terecht vraag van mevrouw Synhaeve. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de minister daarop. Ik ben zelf zoekende of het dan ligt aan de beperking die de wet ons biedt of aan de manier waarop de wet wordt ingevuld. Dat is de reden dat ik die vraag net stelde.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank voor de inbreng. Het is natuurlijk zot dat er bij een stelsel dat zoveel geld kost nog steeds wordt gestuurd op schaarste omdat er gewoon niet genoeg middelen en niet genoeg mensen zijn om daadwerkelijk de zorg te bieden. Daar gaat mijn vraag ook over. Ik pleit niet voor meer geld. Er moet hervormd worden. Maar op het moment dat de hervormingen sneller gaan dan de besparingen — u heeft net ook het debatje gevolgd dat ik daarover heb gevoerd met mevrouw Synhaeve — zorgen we eigenlijk voor meer problemen voor de jeugdzorg en de jeugdbescherming dan zij nu al hebben. Hoe kijkt het CDA daarnaar?
De heer Hamstra (CDA):
Ik had die vraag verwacht. We hebben het er in januari, uit mijn hoofd, tijdens het WGO ook over gehad. Zelf zie ik dat de vaart die nu achter de hervormingen zit te langzaam is. Ik hoor van deze minister en dit kabinet dat zij daar de komende periode echt stappen in willen gaan zetten. Dat is voor ons ontzettend belangrijk. Ik ben blij dat ik de SP ook hoor zeggen dat meer geld niet per definitie de oplossing is. Wat ons betreft is dat wel de eerste stap die we graag willen zien. Dat is ook wat ik van de minister wil horen. Welke stappen worden er nou daadwerkelijk in de hervorming gezet? Het is voor mij prematuur om nu te zeggen: "wat als …, dan moet die bezuiniging teruggedraaid worden". Zover ben ik zelf nog niet.
Mevrouw Dobbe (SP):
Toch zullen we daar binnenkort een besluit over moeten nemen, want de begroting voor volgend jaar komt er natuurlijk ook aan. Daar staan een aantal bezuinigingen in, terwijl die hervormingen misschien nog niet zijn gerealiseerd. Als nou bijvoorbeeld in augustus blijkt dat de hervormingen dermate achterlopen dat ook de kortingen die daaraan gekoppeld zijn gewoon te vroeg komen, is het CDA dan wel bereid om er met ons naar te kijken of we ze in ieder geval kunnen uitstellen, zodat de hervormingen ook een kans krijgen?
De heer Hamstra (CDA):
Als dat in augustus blijkt, dan is het CDA natuurlijk altijd bereid om daarnaar te kijken, maar dan heb ik wel de volledige informatie nodig. Vooralsnog zie ik er geen aanleiding toe, maar als die informatie er is, dan ga ik daar graag met u over in gesprek.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dan gaan we die informatie zeker vragen. Dan gaan we hierom vragen. En dan zou ik graag met het CDA willen kijken wat we in augustus kunnen doen zodat we volgend jaar de goede besluiten nemen, op basis van echt die informatie en de praktijk, dus de situatie in de praktijk en niet wat we allemaal zouden willen zien.
De heer Hamstra (CDA):
Dat is ook in het debat al verder ter sprake gekomen. Het jeugdzorgstelsel is natuurlijk heel breed. Daar heb ik het zelf in mijn termijn ook over gehad, van lichte opvoedondersteuning tot jeugdbescherming en jeugdreclassering, en alles wat daartussen zit. Het zou ook kunnen gaan om een verschuiving in waar je de middelen aan uitgeeft. Het is dus niet alleen maar zo dat het tijdelijk opgeplust moet worden. Je zou daar ook naar kunnen kijken. De reden waarom ik dat zeg, is dat ik zelf hiervoor wethouder ben geweest en wij dat lokaal op exact dezelfde manier hebben gedaan. Ik ben dus ook wel benieuwd of de minister daar ook mogelijkheden in ziet. Maar nogmaals, ik ben bereid om daar in augustus met u over van gedachten te wisselen, zoals mevrouw Dobbe van de SP aangeeft.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stoffer, die spreekt namens de fractie van de SGP. Gaat uw gang.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Het weefsel van de samenleving, zo zou je gezinnen kunnen noemen. Als kinderen opgroeien in een stabiele en liefdevolle omgeving, biedt dat een stevige basis om hun weg in de maatschappij te vinden. Het omgekeerde is helaas ook waar. Een conflict, scheiding of andere verdrietige gebeurtenis kan een gezin verscheuren, met allerlei schade tot gevolg: vaders en moeders die elkaar niet kunnen luchten of zien, kinderen die gebukt gaan onder hooggespannen verwachten, jongeren die met zichzelf in de knoop raken, onveiligheid, geweld, trauma's. De maatschappelijke gevolgen en kosten van gezinsproblemen zijn gigantisch. Om het beeld van het weefsel vast te houden: als gezinnen uiteenrafelen, schaadt dat ook de samenleving als geheel. De deskundigencommissie verwoordde het glashelder. In vrijwel elk gesprek dat de commissie heeft gevoerd, wezen gesprekspartners erop dat de oorzaken van problemen die jongeren ervaren in het merendeel van de gevallen te herleiden zijn tot problemen in het gezin of in de nabije omgeving. Mijn vraag is: hoe reageert de minister hierop?
Kinderen en jongeren worden nog te vaak gezien als individu met een individuele hulpvraag. Een kind meldt zich bij de hulpverlener, die er een stickertje op plakt of er een rugzakje aan hangt. Zelfs als ze niet weten wat het stickertje moet zijn, is er nog wel een stickertje. "Onbegrepen gedrag" heet dat dan. De overheid betaalt vervolgens de behandeling of het medicijn: probleem opgelost, zou je denken. Niet dus. Maar wat dan wel? De sleutel voor de oplossing van problemen van jongeren bevindt zich op precies dezelfde plek als waar die problemen zijn begonnen: in het gezin of in de directe omgeving, de gemeenschap. Door vroegtijdig erbij te zijn, kun je voorkomen dat een gezinssituatie op een later moment vreselijk ontspoort.
De vraag is: hoe doen we dat concreet? De SGP heeft in de afgelopen maanden zelf de handschoen opgepakt en voerde vele gesprekken met gemeenten, belangenbehartigers, zorgverleners en maatschappelijke initiatieven. In de Week van het Gezin organiseerden we een rondetafelgesprek met experts. Vandaag presenteer ik dan ook een initiatiefnota met een serie concrete voorstellen om gezinnen en gemeenschappen te versterken. Voorzitter, die nota wil ik via de bode graag overhandigen aan de minister.
Voorzitter. Dank aan de bode en aan de minister dat deze nota in ontvangst genomen werd. Die was er niet gekomen zonder het werk van onze stagiair Coert Baelde, die hierachter in de zaal zit als mijn medewerker vandaag. Coert, ontzettend bedankt voor jouw inzet, ook vanaf deze plaats.
Voorzitter. We moeten dus het weefsel van gezinnen en gemeenschappen sterker maken. Ik denk dat we later in een uitgebreider debat over deze initiatiefnota daar nog wel op terugkomen. Ik wil er vandaag drie voorstellen uitlichten.
In de consultatieversie van het wetsvoorstel Reikwijdte Jeugdwet wordt het belang aangestipt van infrastructuur voor informele steun aan gezinnen. Denk aan initiatieven zoals Samen Oplopen, Buurtgezinnen en de Eigen Kracht Centrale. Wat de SGP betreft kan niet worden volstaan met slechts het vermelden van die infrastructuur in de wet. We willen dat informele ondersteuning stevig wordt, gepositioneerd als onderdeel van de sociale basis. De norm moet zijn: eerst mogelijkheden van informele steun in kaart brengen voordat überhaupt professionele hulp overwogen wordt. Wijzig de Jeugdwet zodanig dat het familiegroepsplan expliciet wordt vormgegeven als een plan van het gezin en diens sociale netwerk, waarbij de regie in beginsel bij de familie ligt. Mijn vraag is of de minister bereid is om deze vragen mee te nemen in het wetsvoorstel.
Een belangrijk knelpunt is dat bewezen effectieve informele ondersteuning afhankelijk is van tijdelijke subsidiepotten of incidentele lokale middelen. Goede projecten moeten na een paar jaar vaak weer stoppen. De SGP zou daarom graag zien dat het kabinet samen met gemeenten een meerjarige financieringsstrategie ontwikkelt voor preventieve gezins- en relatieondersteuning. Mijn vraag is hoe de minister daarnaar kijkt.
Ten derde is het cruciaal om vroegtijdige gezinsondersteuning vorm te geven op basis van het uitgangspunt van het gewone leven. Voorkom dat gewone opvoed- en gezinsvragen onnodig binnen specialistische zorgtrajecten terechtkomen. Mijn vraag is of ook dit onderdeel zou kunnen worden van het wetstraject Reikwijdte Jeugdwet. Concreet stelt de SGP voor dat er in elke gemeente een laagdrempelig groepsaanbod komt dat de relatie van jonge ouders en kinderen ondersteunt. Mijn vraag aan de minister is — dit is mijn laatste vraag aan haar — of ze het daarmee eens is en of ze dat zou willen bevorderen.
Voorzitter. Ik zou mijn bijdrage willen afsluiten met een uitspraak van iemand die de minister heel goed heeft gekend, wijlen mijn voorganger Bas van der Vlies. Hij zei geregeld: "We gaan het gezin pas waarderen als het te laat is." Nou, dat is een les die ik mijzelf persoonlijk vaak voor ogen houd, als ik afwegingen maak over wat ik ga doen versus de tijd die ik aan mijn gezin besteed. Gelukkig slaat dat af en toe naar de goede kant door, al vinden ze dat thuis weleens anders. Maar ik denk dat dit een uitspraak is die we ons ook als samenleving ter harte mogen nemen. Laten we het gezin niet pas waarderen als het te laat is.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Ceder, die spreekt namens de fractie van de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter. Het gaat niet goed in de jeugdzorg, echt niet. Sterker nog, inmiddels kan de Nederlandse Staat na een uithuisplaatsing niet garanderen dat een kind er beter van wordt. Het rapport over de ZIKOS-afdelingen bevestigt dit helaas. Het rapport laat zien hoe jongeren die al kwetsbaar waren in een systeem terechtkwamen dat hen had moeten beschermen, maar dat hen soms juist verder beschadigde. De cijfers zijn onthutsend. In de twee jaar sinds de onderzoeken naar de misstanden in de gesloten jeugdzorg hebben 38 van de 51 deelnemers een poging gedaan om uit het leven te stappen. Vijf van hen zijn inmiddels overleden.
Voorzitter. Laten we dat even tot ons laten doordringen. Dit zijn geen statistieken. Dit zijn kinderen, kinderen die ons ooit zijn toevertrouwd, die zijn toevertrouwd aan de zorg van de overheid. Zo zijn er nog veel meer verhalen van kinderen die helemaal niet verder geholpen worden, maar klem zijn komen te zitten in een stelsel dat niet meer functioneert.
Voorzitter. Juist daarom heeft de ChristenUnie vorig jaar gepleit voor een staatscommissie jeugdzorg. Ik ben ook blij dat de staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen op 1 april jongstleden is gestart. Ik hoop dat deze commissie ons niet alleen een analyse geeft van wat er misgaat, want daar hebben we al genoeg rapporten over, maar vooral ook bouwstenen aanreikt voor een stelsel dat gezinnen en kinderen daadwerkelijk helpt. Ik ben blij met de nota van de heer Stoffer, want ook wij vinden dat gezinszorg daarin voorop zou moeten staan.
Voorzitter. De problemen zijn niet incidenteel, maar structureel. Uithuisplaatsingen duren namelijk langer dan nodig omdat dossiers te laat worden opgepakt, er zijn ernstige personeelstekorten en er is een ernstig tekort aan pleegouders. Commissie-De Winter concludeerde al in 2019 dat een op de tien kinderen in de jeugdzorg vaak tot zeer vaak geweld meemaakte. Het Vergeten Kind constateerde dat kinderen gemiddeld zes keer worden doorgeplaatst. Daarom wil ik de minister iets nadrukkelijk vragen. Ik weet dat er hard wordt gewerkt aan hervormingen. Ten aanzien van de discussie over de reikwijdte van de jeugdzorg die we binnenkort gaan voeren hier in de Kamer, adviseerde de adviescommissie voor de Hervormingsagenda Jeugd om nadrukkelijk eerst vanuit de inhoud te redeneren, en niet vanuit het budget. Kan de minister dus toezeggen dat deze hervormingen niet primair gestuurd zullen worden door financiële overwegingen, en dat de discussie binnen het kabinet op die wijze en in die volgorde gevoerd zal worden?
Voorzitter. We moeten ook eerlijker zijn over wat jeugdzorg wel en niet is. Voor de ChristenUnie is jeugdzorg gezinszorg en is gezinszorg jeugdzorg, want de meeste problemen van kinderen staan simpelweg niet los van hun omgeving. We weten dat 64% van de ouders met psychische problematiek deze in meer of mindere mate overdraagt aan hun kinderen, dat 73% van de ouders van uit huis geplaatste kinderen zelf kampt met problemen zoals verslaving, psychische klachten of armoede, en dat in ongeveer een derde van de gevallen kinderen weer naar huis kunnen wanneer niet de kinderen, maar de ouders de juiste ondersteuning krijgen.
Voorzitter. Dit zijn geen randzaken. Dit is de kern van het probleem, maar ook de sleutel tot verbetering. Daarom pleit de ChristenUnie al jaren voor een gezinsgerichte aanpak. Maak daarom vaart met passende, hoogwaardige gezinshulp, zodat problemen binnen het gezin worden aangepakt in plaats van dat we een kind uit huis en uit zijn omgeving plaatsen. Pak de regie en harmoniseer wet- en regelgeving die deze hulp mogelijk maakt. Voorkom dat discussies over schotten in regelgeving tussen ministeries, privacyregels, financiering en discussies over verantwoordelijkheden uiteindelijk effectieve hulp de nek omdraaien voor een gezin dat gewoon hulp nodig heeft. Dat is nu de facto helaas elke dag te vaak het geval. Kan de minister toezeggen dat deze benadering leidend wordt in de verdere uitwerking van de hervormingen, en dat ze voor de begroting met een plan van aanpak komt om deze gezinszorg primair te stellen? Ziet de minister momenteel voldoende ruimte voor gemeenten om over domeinen heen te kunnen werken? Is ze bereid toe te zeggen dat lokale experimenten die deze ontschotting bij gemeenten mogelijk maken maximaal ondersteund worden, als die dat wensen?
Voorzitter, tot slot. Gezinszorg betekent ook aandacht voor vaderschap. De gevolgen van afwezig vaderschap zien we terug in de jeugdzorg, het onderwijs en soms ook in veiligheidsvraagstukken. Dat is ook de reden dat ik een paar maanden geleden een manifest heb geschreven: Betrokken vaders, bloeiende samenleving. Internationaal gezien is er steeds meer onderzoek dat bevestigt dat je effectieve beleidsinterventies niet los kunt zien van investeren in positief vaderschap. Toch is er in Nederland nog relatief weinig kennis of onderzoek en beleid ontwikkeld rondom de rol van vaders in de opvoeding. Daarom is mijn laatste vraag of de minister bereid is om meer structureel onderzoek naar een interventie rond vaderschap toe te zeggen en te investeren in positieve mannelijke rolmodellen, ook bijvoorbeeld in de jeugdzorghulpverlening.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat geeft aanleiding tot een heel bondige vraag van de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
U legt de lat wel hoog, voorzitter.
De voorzitter:
Ja, maar u stelt mij nooit teleur.
De heer Stoffer (SGP):
Ik hoop dat ik dat dit keer ook niet doe. Het pleidooi van de heer Ceder over vaderschap ondersteun ik helemaal. Ik heb ooit een interview met de heer Ceder in het Reformatorisch Dagblad gelezen dat mij raakte, waarin hij vertelde uit welke omgeving hij komt. Ik heb zojuist ook iets gezegd over gezinnen en gemeenschappen. In de gemeenschap waar de heer Ceder uit kwam, was dat niet allemaal even sterk. Dat is een moeilijke weg geweest. Wat moeten we als overheid doen op plekken waar de gemeenschap misschien niet direct heel sterk is en in gezinnen waar de vader afwezig is? Wie kan dat oppakken?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is een belangrijke vraag. Ik heb inderdaad een paar maanden geleden een interview gegeven. Dat kan ik iedereen aanbevelen. Dat ging over opgroeien in de Amsterdamse Bijlmer. Positieve mannelijke of vaderlijke rolmodellen waren gewoon spaarzaam. Die waren moeilijk te vinden. De dynamiek die ik zag en bevestigd zag worden door heel veel mensen en hulpverleners die ik spreek is dat kinderen op zoek zijn naar rolmodellen. Als je die niet thuis vindt, dan vind je die op andere plekken, bijvoorbeeld op straat. Daarin zit een dynamiek. Ik pleit voor positieve mannelijke rolmodellen, vooral voor jongens. Ik heb al eerder een voorschot gedaan. In het onderwijs zie je dat het aantal mannelijke leraren aan het dalen is. Je ziet dat dat impact heeft. Ik pleit ervoor om daar ook in de jeugdzorg wat aan te doen.
Ik sprak laatst in een podcast een jeugdzorghulpverlener die werkt met jongens. Hij zei, ook met het oog op die hele discussie over de manosfeer, dat het wel degelijk uitmaakt als iemand die nooit een positief rolmodel heeft gehad er wel een ontmoet. Ik kan daar zelf over meepraten. Dat kunt u in het interview lezen. Daar waar het niet thuis kan — er zijn situaties waarin het thuis gewoon niet mogelijk is — is het goed als er in de omgeving steunfiguren of in de professionele zorg mensen zijn. Er ontstaan heel veel vaderschapsgroepen in het land, omdat mensen vaak niet weten hoe je een positieve vader kunt zijn. Zij hebben dat zelf ook niet geleerd. Je merkt dat er steeds meer gesprekken plaatsvinden. Mannen gaan praten. Ik juich dat van harte toe. Ik zou de minister willen aanmoedigen om daar een gesprek mee te voeren. Dat heb ik gedaan. Van Rotterdam tot Amsterdam zijn er allemaal lokale initiatieven. Het is prachtig wat daaruit voortkomt. Ik denk dat we daarmee op een creatieve manier iets kunnen bijdragen voor jongeren die dreigen te ontsporen.
De heer El Abassi (DENK):
Ik hoor in de bijdrage van de heer Ceder terug dat er rekening gehouden moet worden met het vaderschap, maar ook met het gezin. Vindt de heer Ceder dat er ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld het feit dat iemand religieus is? Moet daar rekening mee gehouden worden bij de plaatsing in een ander gezin?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Volgens mij hebben we deze discussie een paar maanden geleden gehad en waren er ook een paar moties. Ik denk dat het naïef is om te veronderstellen dat het, wanneer je bij een uithuisplaatsing geen rekening houdt met waar iemand vandaan komt en iemand in een andere omgeving plaatst, geen effect zal hebben. Dat geloof ik niet. We zijn mensen. We zijn ook deels product van onze omgeving. Religie is een belangrijke component van het zijn. Voor ik Kamerlid was, was ik advocaat. Ik heb veel familiezaken gedaan. Het is ingewikkeld. Soms wordt iemand die bijvoorbeeld uit een christelijk gezin komt uit huis geplaatst en geplaatst in een gezin waarin dat helemaal geen rol speelt. Voor de ouders die nog wel aan de zijlijn betrokken zijn en ook voor het kind is het soms zoeken hoe je dat dan doet. Ik ben het ermee eens dat het een factor is. Ik denk niet dat het de doorslaggevende factor is, maar je zou er in ieder geval wel met elkaar het gesprek over moeten voeren.
De heer El Abassi (DENK):
Ik ben het helemaal met de heer Ceder eens. Onderzoeken bevestigen dat ook. De heer Ceder en wij hoeven ons daar niet voor te schamen. Het feit dat iemand religieus is en ineens bij een niet-religieus gezin terechtkomt, kan complicaties geven voor zowel het pleeggezin als de biologische ouders en het kind zelf. Dat blijkt ook uit onderzoek.
De voorzitter:
En uw vraag, meneer El Abassi?
De heer El Abassi (DENK):
Wat ik dan niet begrijp, is dat de partij van de heer Ceder tegen mijn motie heeft gestemd — de SGP heeft dat niet gedaan — om bij het plaatsen van pleegkinderen expliciet rekening te houden met cultuur, religie en afkomst.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik zei net al dat wij een paar maanden geleden deze discussie hebben gevoerd. U had daar inderdaad een motie over ingediend. U hoort dat ik zeg dat dat volgens mij een factor is die al meegenomen wordt. Wat mij betreft kan dat wat strakker. Ik moet opnieuw naar de motie en de overwegingen kijken om na te gaan waarom we in dit geval tegen de motie hebben gestemd. Maar u hoort wat ik zeg. Ik vind al jaren, al voordat ik in de Kamer zat, dat een religieuze component onderdeel is van alle relevante factoren. Ook met de geografische ligging moet rekening worden gehouden. Soms worden kinderen aan de andere kant van het land geplaatst. Ik zeg ook net dat het niet doorslaggevend is. Ik moet even naar de tekst kijken. Misschien heeft u dat doorslaggevend willen laten zijn, maar u heeft mij gehoord. Dat is wat ik vind.
De voorzitter:
De heer El Abassi heeft u gehoord. Kort en afrondend.
De heer El Abassi (DENK):
Fijn, want ik heb letterlijk opgenoemd wat in de motie staat. Zo moeilijk is die niet. De heer Ceder kan er in zijn tweede termijn op terugkomen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan wij tot slot luisteren naar de heer Van Houwelingen, die spreekt namens de fractie van FVD. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Wij hebben het afgelopen jaar met een behoorlijk aantal ouders gesproken die tegen hun zin hun eigen kinderen hebben moeten afstaan aan een pleeggezin of een gezinshuis. Dit is vanzelfsprekend enorm ingrijpend en tragisch. We weten bovendien dat een gedwongen uithuisplaatsing het kind sowieso altijd veel schade berokkent. Daarnaast komt het soms zelfs voor dat een kind in een pleeggezin mishandeld of misbruikt wordt. Het vreselijke lot van het Vlaardingse pleegmeisje is al een paar keer ter sprake gekomen. Dat is een afgrijselijk voorbeeld van hoe de Staat, de jeugdbescherming en de jeugdzorg kunnen falen.
Je zou dus verwachten dat met de grootst mogelijke terughoudendheid tot een gedwongen uithuisplaatsing wordt overgegaan, bijvoorbeeld alleen als er sprake is van bewezen kindermishandeling. Niets is minder waar. Zelden of nooit zijn bij een gedwongen uithuisplaatsing de ouders door een strafrechter veroordeeld voor kindermishandeling. Psychische problematiek bij de moeder — het zijn gevallen waarvan we gehoord hebben — kan bijvoorbeeld al een reden zijn voor een gedwongen uithuisplaatsing. Mijn eerste vraag aan de minister is: wat vindt zij hiervan? Gaat dit niet veel te ver? Geeft het Veilig Thuis, de jeugdzorg en de jeugdbescherming bovendien niet veel te veel macht?
We horen keer op keer van ouders dat, zodra de experts van mening zijn dat een kind thuis het risico loopt om in zijn ontwikkeling geremd te worden, een heel vaag criterium, daar, aldus deze ouders, op een in hun ogen onterechte grond naartoe wordt geredeneerd zonder goed naar de ouders te luisteren. De kinderrechter gaat er vervolgens in mee, want de experts zijn het er immers over eens. Aan waarheidsvinding wordt niet of nauwelijks gedaan. Zou het daarom niet veel beter zijn als alleen tot een gedwongen uithuisplaatsing over mag worden gegaan als een of beide ouders strafrechtelijk vervolgd worden of veroordeeld zijn voor kindermishandeling? Dan scherp je dat kader dus enorm aan. Graag een reactie van de minister. Dat is waar wij aan denken. Dit zou het aantal gedwongen uithuisplaatsingen drastisch reduceren, wat ons betreft een goede zaak. Daarmee dalen de kosten. Een ondertoezichtstelling kost ongeveer €14.000 per jaar, pleegzorg het dubbele, gezinshuizen het viervoudige en gesloten jeugdzorg tot €400.000 per jaar per kind.
Als het wettelijk kader voor een uithuisplaatsing aangescherpt wordt, heeft de jeugdbescherming bovendien veel meer tijd om goed toezicht te houden op het welzijn van de kinderen die nog wél uit huis geplaatst worden.
De voorzitter:
Ik hoor een punt.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, dat kan.
De voorzitter:
Dan geef ik mevrouw Westerveld …
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik kan ook doorgaan, wat u wilt. U bent de baas.
De voorzitter:
Nou, ik probeer de vergadering in goede banen te leiden. Mevrouw Westerveld, ga uw gang.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Ik begrijp de wens. Gelukkig daalt het aantal kinderen dat uit huis wordt geplaatst al een aantal jaren. Wat ik lastig vind aan het betoog van de heer Van Houwelingen, is dat hij eigenlijk zegt dat een kind pas uit huis zou mogen worden geplaatst als een van beide ouders of allebei veroordeeld zijn. Nu is het zo dat ernstig misbruik, misschien ook seksueel misbruik, van zeer jonge kinderen moeilijk te bewijzen is, terwijl er bij hulpverleners en experts wel degelijk grote vermoedens kunnen zijn. Zegt hij dan dat in zo'n geval een kind niet uit huis mag worden geplaatst?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, vervolgd zijn of vervolgd worden. Maar als dat moeilijk te bewijzen is, is dat een probleem. Dan is het heel vreemd dat een kind ook uit huis kan worden geplaatst, zoals dat nu gebeurt. In het strafrecht is kindermishandeling een hele duidelijke categorie. Het wordt omschreven en er zijn vier categorieën. Als de strafrechter op enig moment concludeert dat de ouders dat niet hebben gedaan, kan het kind natuurlijk niet uit huis worden geplaatst. Dat lijkt me nogal logisch.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Het dilemma is dat er bij hulpverleners, bij de school of bij andere familieleden soms een ernstig vermoeden kan zijn, omdat een kind bijvoorbeeld … Laat ik wegblijven van een concreet voorbeeld. Het zijn soms kinderen die niet goed kunnen praten en dan is bewijs heel moeilijk. De vorige sprekers hoorde ik zeggen: je zou dan eigenlijk meteen moeten kunnen ingrijpen. Meneer Van Houwelingen zegt: nee, dat moet je niet doen; je moet wachten totdat er vervolgd wordt of totdat iemand veroordeeld is. Dat vind ik een dilemma. Ik vind namelijk óók dat wij hier als taak hebben om juist kinderen te beschermen, ook kinderen die bijvoorbeeld nog niet kunnen praten.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dat is inderdaad een dilemma. Het is ook een politieke afweging. Daarvoor zijn we hier samen in deze Kamer. Wat ons betreft geldt wat ik net noemde: gedwongen uithuisplaatsing is iets enorm heftigs. We zijn het er volgens mij allemaal over eens dat een gedwongen uithuisplaatsing sowieso schade aan het kind berokkent. Soms leidt die, zoals bij het Vlaardingse pleegmeisje, tot ernstige mishandelingen. Daar moet je met de grootst mogelijke terughoudendheid mee omgaan, zeker nu er in de jeugdzorg onvoldoende capaciteit is. Na al die gesprekken is onze afweging dat dit heel erg aangescherpt moet worden en dat je het alleen in een uiterst geval moet doen. Mevrouw Westerveld heeft er gelijk in dat dat er ook toe kan leiden dat je achteraf zegt: we hadden misschien wel wat moeten doen. Daar ben ik eerlijk in. Wij stellen dit voor als begrenzing van het kader. Er komt maar niks van het kabinet, dus dit is dan ons voorstel.
De voorzitter:
Kort en afrondend.
Mevrouw Westerveld (PRO):
Voor de duidelijkheid: ik vind dat daar uiterst terughoudend mee moet worden omgegaan, want je grijpt in mensenrechten in. Dat vind ik. Er is ook een andere kant. Over de situatie in Stadskanaal zegt iedereen bijvoorbeeld: waarom zijn deze kinderen niet eerder uit huis geplaatst? Daar zit mijn dilemma. Daarom zou ik heel terughoudend willen zijn. We zien dat het aantal kinderen daalt. Gelukkig maar. Er wordt hard gewerkt om het nog verder te laten dalen. Maar daarom ben ik er terughoudend in om hier een politieke discussie van te maken.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik denk dat dit inherent een politieke discussie is. Daarom zijn we hier allemaal helemaal op de goede plek, zou ik zeggen. Je maakt hier namelijk afwegingen. Dat is volgens mij wat wij hier doen. Ik ben het helemaal met mevrouw Westerveld eens dat de situatie in Stadskanaal vreselijk is. Dat is natuurlijk kindermishandeling. Je kunt dan zeggen: we hadden misschien wel moeten opereren. In dat geval was dat misschien inderdaad beter geweest. Maar je moet die afweging maken. Op basis van wat wij lezen en uit gesprekken met ouders hebben wij de indruk, om alle redenen die ik net noemde, dat uithuisplaatsing nu te snel gebeurt. Wij willen dat weer rechttrekken. En ja, dat is inderdaad een afweging.
De heer Hamstra (CDA):
Ik refereerde eerder aan de risico-regelreflex. Daar ben ik een beetje bang voor bij het voorstel dat Forum nu doet. Aan de ene kant zeggen we dat we misschien te weinig terughoudend zijn en dat we hierin terughoudender moeten zijn. Volgens mij zijn we het daar Kamerbreed met elkaar over eens. Als je aan de andere kant doorslaat en juist té terughoudend wordt, zodat dat schade berokkent aan de jongeren — die voorbeelden heeft mevrouw Westerveld net aangehaald — dan slaan we volgens mij ook de plank mis. Hoe reflecteert Forum daarop?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik denk dat dit deels dezelfde vragen zijn. Wat ik hier doe, is volgens mij het omgekeerde van een risico-regelreflex. In onze ogen hanteren we hier juist niet een doorgeslagen voorzorgsprincipe. Wij zijn heel terughoudend met overgaan tot een gedwongen uithuisplaatsing. Dat moet alleen in het uiterste geval gebeuren. Dat is de hele tijd mijn betoog. Ik hoop dat ik de heer Hamstra goed begrijp. Wij zijn juist heel terughoudend met die risico-regelreflex, zoals dat heet. Ik verwijs dan weer naar mijn eerdere antwoord. Ik hoop dat de heer Hamstra daarmee tevreden is. Dit is een afweging. Wij zijn daar dus heel terughoudend in. Dat is onze afweging.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Van Houwelingen (FVD):
We zouden graag willen dat de minister reflecteert op wat we net met elkaar gewisseld hebben. Daarnaast zouden we graag willen weten hoe het staat met het voorstel, zoals ik net ook al zei, om de wettelijke basis voor een uithuisplaatsing te verkleinen. Dat juichen wij heel erg toe, maar hoe staat het daarmee?
Nog een aantal vragen voor de minister. Worden de normen van de inspectie voor betekenisvolle contacturen op dit moment gehaald? Daar hadden we het trouwens ook over bij ons werkbezoek aan de jeugdbescherming in Groningen.
We hadden hier net een interruptiedebat over: vindt de minister het wenselijk dat iedereen een melding mag doen bij Veilig Thuis, dus ook de vervelende buurman of een rancuneuze ex? Dat komt voor. Dat hebben we gehoord. Is de minister ermee bekend dat jaarlijks veel van dit soort valse meldingen bij Veilig Thuis binnenkomen en dat dus het risico bestaat — ook dat is een risico — op een onterechte uithuisplaatsing of een ingreep op basis van zo'n valse melding? Daar kan dat natuurlijk toe leiden.
Zou het niet wenselijk zijn als bij Veilig Thuis ook meldingen over pleeggezinnen en gezinshuizen kunnen worden gedaan? Dat is nu niet het geval. Dat kan ik echt maar niet begrijpen. Die meldingen worden in principe niet in behandeling genomen. Daar kun je geen melding van maken. Zoals we gezien hebben bij het Vlaardingse pleegmeisje, kunnen dingen ook daar heel erg misgaan. Waarom is die categorie uitgezonderd? Dat is heel onlogisch.
Concluderend, voorzitter. We maken ons grote zorgen, onder andere op basis van gesprekken met ouders, over de gedwongen uithuisplaatsingen van kinderen in Nederland. Wat ons betreft mag daar alleen sprake van zijn in het uiterste geval, als kinderen volgens de strafrechter mishandeld worden door hun ouders. Het kan ook dat dat proces op dat moment loopt. Geen enkel gezin is perfect. Kinderen horen echter te zijn bij en te worden verzorgd en opgevoed door hun eigen ouders, en niet de Staat. Dat is wat ons betreft het basisprincipe.
Tot slot, voorzitter. We proberen al enige maanden aanwezig te zijn bij een gesprek in het gedwongen kader tussen de jeugdbescherming en de ouders. Dat probeer ik al maandenlang te regelen. De betrokken ouders willen heel graag dat wij hierbij aanwezig zijn, bijvoorbeeld als ondersteuner, maar de jeugdbescherming wil dit om wisselende redenen maar niet toestaan. Ik citeer een brief hierover van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gericht aan een ouder die daarover in gesprek is: "Het Regiecentrum bespreekt geen individuele casuïstiek met Tweede Kamerleden." Ik heb twee vragen hierover aan de minister. Kan dit juridisch? Kan de jeugdbescherming Kamerleden als categorie expliciet verbieden bijvoorbeeld als ondersteuner bij een gesprek met de jeugdbescherming aanwezig te zijn? Dat is uiteraard met de toestemming van de ouders. Tot slot mijn tweede vraag. Vindt de minister het los hiervan wenselijk dat dit gebeurt?
Voorzitter. We kijken uit naar de beantwoording. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn van de Kamer. De minister heeft aangegeven inclusief de lunch 45 minuten nodig te hebben voor de beantwoording van de door de Kamerleden gestelde vragen. Ik schors voor 45 minuten.
De beraadslaging wordt geschorst.
De vergadering wordt van 12.57 uur tot 13.45 uur geschorst.